Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.155 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.155 Généré par l'IA

Belgian court dismisses appeal for monument protection due to missing response memo and unpaid filing fee.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.155
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Court of State declared the appeal inadmissible because the applicant failed to submit a counter-memo within the statutory sixty-day period and did not pay the required filing fee. The court noted that without these procedural steps, the applicant lacks standing to request the annulment of the minister's decision protecting the Bisschopsdreef. Consequently, the case was struck off the docket, and the applicant was ordered to pay a litigation fee to the opposing party.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 21, second paragraph; Articles 70 and 71 of the General Rules of Procedure: An appeal is inadmissible if the applicant fails to submit a counter-memo within the prescribed time limit or fails to pay the filing fee, resulting in a lack of standing.

Mots-clés

Généré par l'IA
procedural inadmissibility counter-memo deadline filing fee requirement lack of standing monument protection appeal Court of State administrative procedure protection du patrimoine

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 21, second paragraph of the Rules of Procedure of the Court of State, as coordinated on 12 January 1973
Article 14bis, paragraph 1 of the Decree of the Regent of 23 August 1948 on the organization of the Court of State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE Xe KAMER

nr. 240.155 van 12 december 2017

in de zaak A. 221.947/X-16.906

In zake: Brigitte DE PLANCKE

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Piet Verkinderen en Gilles Dewulf kantoor houdend te 8310 Brugge Baron Ruzettelaan 27

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 14 april 2017, strekt tot de nietigverklaring van “[h]et besluit van de Vlaamse Minister van Buitenlands Beleid en Onroerend Erfgoed van 27 januari 2017 tot definitieve bescherming als monument van toegangsdreef met zomereiken en twee welkomstlinden, zogenaamd „Bisschopsdreef‟”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend die aan verzoekster ter kennis werd gebracht op 7 juli 2017.

X-16.906- 1/4

Op respectievelijk 29 en 27 september 2017 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan verzoekster en aan de verwerende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948

„tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟.

Geen van de partijen heeft gevraagd om te worden gehoord.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Beoordeling

3. Naar luid van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, stelt de Raad van State het ontbreken van het vereiste belang vast als de verzoekende partij de termijn voor het toesturen van de memorie van wederantwoord niet eerbiedigt.

Bij het versturen aan de verzoekende partij van een kopie van de memorie van antwoord heeft de hoofdgriffier melding gemaakt van het genoemde artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟ (hierna: het algemeen procedurereglement).

Verzoekster heeft geen memorie van wederantwoord aan de griffie toegestuurd binnen de termijn van zestig dagen gesteld in artikel 7 van het algemeen procedurereglement.

X-16.906- 2/4

In beginsel is er dan ook reden om vast te stellen dat het vereiste belang om de gevorderde vernietiging te verkrijgen, ontbreekt.

4. Evenwel blijkt ook niet voldaan aan de artikelen 70 en 71 van het algemeen procedurereglement.

Overeenkomstig artikel 70, § 1, eerste lid, 2°, van het algemeen procedurereglement geven de beroepen tot nietigverklaring aanleiding tot de betaling van een recht van 200 euro. Dit recht moet worden gekweten door middel van een overschrijving of storting op de in artikel 71, eerste lid, van het algemeen procedurereglement bedoelde rekening. Daartoe wordt door de griffie aan de schuldenaar van het recht een overschrijvingsformulier toegestuurd dat een gestructureerde mededeling bevat. Wordt de rekening niet gecrediteerd, dan wordt de proceshandeling waarop de kwijting betrekking heeft naar eis van artikel 71, vierde lid, van het algemeen procedurereglement “als niet verricht beschouwd”.

Verzoekster heeft de voormelde rekening niet gecrediteerd. Haar in de gelegenheid stellen om zich hierover uit te spreken en om, eventueel zelfs, de rekening alsnog te crediteren, is zinloos. Het kan er in het beste geval alleen toe leiden dat de Raad van State het beroep, vanwege de afwezigheid van een (tijdige)

memorie van wederantwoord, als onontvankelijk verwerpt en de kosten, inbegrepen het rolrecht, te haren laste legt.

5. Concluderend, wordt het beroep tot nietigverklaring als niet verricht beschouwd.

In die omstandigheden is er geen aanleiding om verzoeker te veroordelen tot de betaling van het rolrecht. Anders is het echter wat de betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan de verwerende partij betreft.

X-16.906- 3/4

BESLISSING

1. De Raad van State voert de zaak van de rol af.

2. Verzoekster wordt verwezen in de betaling van een rechts-

plegingsvergoeding van 700 euro ten behoeve van de verwerende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twaalf december 2017, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:

Johan Lust, kamervoorzitter, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier.

De griffier De voorzitter

Silvan De Clercq Johan Lust

X-16.906- 4/4

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.155