Court dismisses suspension request for police dismissal as procedural conditions under Article 17 were not met.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request to suspend the execution of his dismissal from the police force. The applicant argued discrimination based on illness but failed to provide concrete evidence comparing himself to specific categories of sick or non-sick personnel. Consequently, the court found that the cumulative procedural requirements for granting a suspension under Article 17 of the relevant laws were not satisfied.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticle 17, § 1 of the coordinated laws on the Council of State; A suspension of execution requires the simultaneous fulfillment of specific conditions, which were not met here due to the lack of concrete evidence regarding alleged discrimination and the failure to establish a reasonable proportionality between means and ends.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER
nr. 240.103 van 6 december 2017
in de zaak A. 222.266/XIV-37.427
In zake: Jan VANHOUTTE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Siegfried De Mulder kantoor houdend te 1730 Asse Stationsstraat 35/1
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de POLITIEZONE 5339 BRUSSEL HOOFDSTAD/ELSENE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frédéric Van de Gejuchte kantoor houdend te 1030 Brussel de Jamblinne de Meuxplein 41
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 26 mei 2017, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het politiecollege van de lokale politiezone Brussel-Hoofdstad-Elsene van 27 maart 2017 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend.
XIV-37.427-1/26
Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2017.
Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Dieter Vanelverdinghe, die loco advocaat Siegfried De Mulder verschijnt voor verzoeker, en advocaat Inge Van Den Dorpel, die loco advocaat Frédéric Van de Gejuchte verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker is inspecteur van politie bij de politiezone Brussel-Hoofdstad-Elsene.
3.2. Met het inleidend verslag van 11 juli 2016 stelt het politiecollege optredend als de hogere tuchtoverheid, voor om verzoeker de zware straf van het ontslag van ambtswege op te leggen. In dat verslag wordt een uiteenzetting gegeven van de feiten, omstandigheden en gevolgen, van de datum van kennisneming van de feiten en van het vaststaan, de kwalificatie en de toerekening van de feiten. Tevens bevat het een voorstel tot zware tuchtstraf, meer bepaald de
XIV-37.427-2/26
zware tuchtstraf van “het ambtshalve ontslag” en wordt gewezen op het recht van verdediging.
3.3. Na verzoeker te hebben gehoord, formuleert de hogere tucht-
overheid op 6 oktober 2016 het voorstel om verzoeker de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege op te leggen.
3.4. Verzoeker dient een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad, die in zijn definitief advies van 7 februari 2017 adviseert dat de ten laste gelegde feiten bewezen zijn en hem dienen te worden toegerekend, dat de feiten een tuchtinbreuk uitmaken en dat de voorgestelde zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege geen aangepaste straf is inzake en dat de terugzetting in weddeschaal een gepaste straf is.
3.5. Het politiecollege formuleert op 7 maart 2017 haar voornemen om van het advies van de Tuchtraad af te wijken en de initieel voorgestelde tuchtstraf te behouden.
Verzoeker dient op 17 maart 2017 een verweerschrift in en voegt hierbij het reeds voor de Tuchtraad bijgebrachte medische attest van 7 november 2016 van psychiater-psychotherapeut B.
3.6. Op 27 maart 2017 beslist het politiecollege aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen.
Dit is de bestreden beslissing. Ze steunt op de volgende motivering:
“2. Uiteenzetting van de feiten, omstandigheden en gevolgen […].
3. Vaststaan, kwalificatie en toerekening van de feiten Gelet op de feitelijke elementen vervat in het dossier, 3.1 menen wij dat de feiten vaststaan doordat HINP [B.] en verschillende collega‟s, GZW, DIZ, INT, getuige waren van het gedrag van INP Vanhoutte.
XIV-37.427-3/26
3.2 menen wij dat deze feiten hem kunnen worden toegerekend doordat INP
Vanhoutte zelf verantwoordelijk is voor zijn gedrag en zijn handelingen.
3.3 menen wij dat deze feiten de volgende tuchtvergrijpen uitmaken:
Inbreuk op artikel 43 alinea 1 van de wet van 05/08/1992: Bij het vervullen van hun opdrachten verlenen de politieambtenaren elkaar te allen tijde wederzijdse bijstand en zorgen zij voor een doeltreffende samenwerking.
Niet naleven van punt 15 van de Deontologische code (K.B.10/05/2006): De personeelsleden eerbiedigen het gezag van hun chefs.
Niet naleven van punt 20 van de Deontologische code van de politiediensten (K.B.10/05/2006): De personeelsleden geven de bevolking, de politieoverheden en de andere instanties waarmee ze moeten samenwerken, blijk van hun wil om de van hen verwachte dienst te verlenen.
Niet naleven van punt 29 van de Deontologische code (K.B.10/05/2006): De personeelsleden moeten eerbied tonen voor het Staatshoofd, de andere gestelde machten en de overheidsinstellingen. [...] Zij oefenen op loyale wijze hun ambt uit onder het gezag van de politieoverheden, alsook onder leiding van hun chef. Zij handelen en gedragen zich bij de uitoefening van hun ambt overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen, de strategie en de richtlenen van de overheid. Zij laten zich leiden door overwegingen van wettelijkheid, billijkheid, opportuniteit en doeltreffendheid.
Niet naleven van punt 31 van de Deontologische code van de politiediensten (K.B.10/05/2006): Het personeelslid dat meent dat het niet kan akkoord gaan met de beleidslijn die als gedragslijn voor de dienst wordt vastgelegd, heeft het recht te trachten zijn chefs, met tact, van zijn visie te overtuigen, zonder dat tegen hem een rechtstreekse of onrechtstreekse sanctie kan genomen worden omdat het zijn mening heeft geuit. Indien het daar niet in slaagt, moet het zich schikken naar dit beleid.
Niet naleven van punt 41 van de Deontologische code (K.B.10/05/2006): De personeelsleden zijn weloverwogen in hun handelingen en woorden en weren grof taalgebruik, vrijpostigheden en misplaatste gebaren.
De personeelsleden behandelen eenieder op beleefde, tactvolle en hoffelijke wijze. Ze bewaren hun zelfbeheersing en vermijden elke vorm van vijandig, agressief, provocerend, minachtend of vernederend gedrag.
Inbreuk op punt 49 van de wet van 26/04/2002: Bij de uitoefening van het spreekrecht ziet het personeelslid erop toe:
1° het belang van de dienst en de waardigheid van het ambt niet te schaden;
2° geen schade te berokkenen aan de gestelde machten, overheidsinstellingen en derden;
3° informatie te verstrekken die zo volledig en zo correct mogelijk is;
4° duidelijk te maken dat het spreekt als gemandateerde dan wel in persoonlijke naam, en een duidelijk onderscheid te maken tussen objectieve feiten en persoonlijke meningen.
Met name op 07/07/2016 heeft INP Vanhoutte zich ongepast uitgelaten over een verdachte in de Livescan. Hij heeft een hiërarchische overste beledigd. Op die datum was het niet mogelijk voor de collega‟s om met hem samen te werken door zijn gedrag, zodat er een einde gesteld diende te worden aan zijn dienst.
Op 06/07/2016 heeft INP Vanhoutte een mail gestuurd naar zijn hiërarchische overste met zijn mening over verschillende situaties op het werk. Hij heeft zijn mening op een ongepaste wijze geuit.
Op 11/07/2016 werd vastgesteld dat INP Vanhoutte Jan berichten met agressieve ondertoon publiceert op zijn publieke Facebookpagina gericht tegen personen van de politiezone.
4. Advies van de tuchtraad
XIV-37.427-4/26
Wat de sanctie betreft, heeft de tuchtraad op datum van 08/02/2017 voorgesteld om de zware tuchtstraf van de terugzetting in weddenschaal op te leggen, welke afwijkt van ons initieel voorstel. Ons gemotiveerd voornemen om af te wijken van dit advies werd u betekend en heeft aanleiding gegeven tot het bijkomend verweerschrift […].
5. Beslissing […]
Overwegende dat INP Vanhoutte beweert dat niet alle stukken door een beëdigd vertaler vertaald werden en dat het niet duidelijk is wanneer de vertaling is gebeurd en of de Hoger Tuchtoverheid kennis heeft kunnen nemen van de vertalingen;
Overwegende dat het College naar het advies van de tuchtraad verwijst waarin vastgesteld werd dat:
„er van alle in de tuchtprocedure aangewende stukken in de Nederlandse taal opgesteld (vermits verzoeker behoort tot de Nederlandse Taalrol) zich een vertaling naar de Franse taal in het dossier bevindt;
- alle vertalingen inzake deze tuchtzaak werden opgesteld (zie datum vermeld door tolk) alvorens beraadslaagd werd op 6 oktober 2016 door het politiecollege betreffende deze tuchtzaak ; het feit dat de verzoeker op 19 september 2016 nog geen kennis kreeg van deze vertalingen is normaal vermits sommige dateren van nadien en dit gegeven doet geen afbreuk aan de regelmatigheid van deze vertalingen;
- enkel de beslissing zelf van het politiecollege van 6 oktober 2016 naar de Franse taal later vertaald werd door de tolk meer bepaald op 19 oktober 2016, hetgeen normaal is vermits een beslissing die genomen wordt in een bepaalde taal pas kan vertaald worden NADAT die beslissing genomen werd;
- op de vergadering van 6 oktober 2016 alle leden van het politiecollege rechtsgeldig in deze tuchtzaak hebben kunnen beslissen nu blijkt dat alle bescheiden, die als informatie of overtuigingsstuk ter beschikking van het collectief orgaan werden gesteld, ook in vertaling in het tuchtdossier voorhanden waren op 6 oktober 2016.‟ Overwegende dat alle procedurestukken die van na de beslissing van 06/10/2016
dateren naar de Franse taal vertaald werden;
Overwegende dat INP Vanhoutte aan de overheid verwijt dat zij niet tot een voorafgaand onderzoek is overgegaan, met name over zijn gezondheidstoestand, die haar zou toegelaten hebben om met kennis van zaken uitspraak te doen ;
Overwegende dat het voorafgaand onderzoek geen verplichte stap van de tuchtprocedure is ; dat anderzijds de elementen van het dossier voldoende waren om vast te stellen dat de feiten, begaan door INP Vanhoutte in staat waren om tuchtvergrijpen uit te maken ;
Overwegende dat de overheid zich niet diende te informeren over de gezondheidstoestand van INP Vanhoutte om reden dat de gezondheidstoestand van een personeelslid, in bepaalde omstandigheden, een verschoningsgrond kan vormen ; dat uit de elementen van het dossier niet blijkt dat INP Vanhoutte niet voor zijn handelingen verantwoordelijk was op het ogenblik van de feiten ;
Overwegende dat de tuchtraad terecht opgemerkt heeft dat :
„het voeren van een onderzoek naar de psychische toestand van de verzoeker door de tuchtoverheid pas aangewezen kan voorkomen als er ernstige aanwijzingen zijn dat de verzoeker de hem verweten feiten niet met volle bewustzijn stelde.
Inzake werd hierover enkel melding gemaakt door de verzoeker in de voor hem voorgelegde memorie waarin hij verwijst naar een zenuwinzinking die hij zou ondergaan hebben op 7 juli 2016, zonder echter enige staving met een verslag van zijn psychiater.
XIV-37.427-5/26
De Tuchtraad volgt daarin het advies van de Inspecteur-generaal waar deze vooropstelt dat de enkele vermelding dat er een probleem met de gezondheidstoestand van de verzoeker aan de basis van de feiten zou liggen onvoldoende is om allerlei onderzoeken (op psychologisch vlak) te starten.‟ Aangezien wij menen dat de feiten vaststaan, dat ze aan INP Vanhoutte kunnen worden toegerekend en dat ze, krachtens de motivering uiteengezet in punt 4, een tuchtvergrijp uitmaken in de zin van artikel 3 van de tuchtwet;
Overwegende dat INP Vanhoutte in zijn verweerschriften het niet naleven van punten 41 en 49 van de deontologische Code niet betwist ;
Overwegende dat INP Vanhoutte zich respectloos heeft opgesteld tegenover zijn hiërarchie, zowel in zijn schrijven als in zijn mondelinge uitlatingen; dat de overheid respect en gehoorzaamheid ten overstaan van de oversten essentieel acht voor het goed functioneren van een publieke dienst waarvan de werking hiërarchisch is opgebouwd;
Overwegende dat de houding van INP Vanhoutte ten aanzien van zijn overste, HINP [B.], niet die is die men van een personeelslid verwacht ; dat zelfs indien INP
Vanhoutte het recht had om zijn mening uit te drukken met betrekking tot een bevel dat hem was gegeven om te trachten om zijn overste te overtuigen om anders te handelen dan diende hij dit bevel zonder discussie uit te voeren indien dit bevel werd gehandhaafd;
Overwegende dat uit het administratief verslag van HINP van 07/07/2016 blijkt dat INP Vanhoutte blijk heeft gegeven van insubordinatie en op zijn overste kwaad is geworden;
Overwegende dat INP Vanhoutte zijn mening over de werking van de dienst niet op een tactvolle manier heeft aangebracht bij zijn hiërarchische oversten; hij heeft zijn kritiek in ongepaste bewoordingen zowel in mail, mondeling als op een openbaar Facebookprofiel kenbaar gemaakt; dat zijn manier van reageren niet constructief is, maar negatieve gevolgen kan hebben voor de politiedienst;
Overwegende dat INP Vanhoutte immers in een mail, gericht op 06/07/2016 aan PC [B.], zware beschuldigingen heeft gericht tegen sommige van zijn collega‟s (corruptie, cowboygedrag), tegen de officieren (valsheid in geschriften, favoritisme en nepotisme, niet-naleving van de rechten van de mens), evenals tegen de Korpschef die hij als onbekwaam kwalificeerde ; dat hij anderzijds de PC [D.] heeft beledigd (hoerenzoon, onbeleefd, onopgevoed en achterlijk) op zijn openbare Facebookpagina ;
Overwegende dat INP Vanhoutte de grenzen van zijn recht op meningsuiting ruimschoots heeft overschreden; dat hij bij het uitoefenen van zijn recht er niet op heeft toegezien om het belang van de dienst en de waardigheid van het ambt niet te schaden en geen schade te berokkenen aan zijn oversten en de politieoverheden ;
Overwegende dat het feit om openbaarheid te geven aan beledigende of afbrekende uitspraken via een openbare Facebookpagina overigens van aard is om de reputatie van het politiekorps en de politie-overheden te schaden en het imago van de politie bij het publiek aantast;
Overwegende dat het gedrag van INP Vanhoutte op 07/07/2016 de goede werking van de dienst in het gedrang heeft gebracht; dat de collega‟s niet meer met hem konden samenwerken; dat zodoende vroegtijdig een einde gesteld diende te worden aan zijn voorziene dienst;
Overwegende dat INP Vanhoutte geen blijk heeft getoond van de wil om samen te werken en een goede dienstverlening te verzekeren; dat zijn gedrag zodoende zowel het vertrouwen van het publiek als van de collega‟s kunnen aantasten;
Overwegende dat INP Vanhoutte tijdens de tuchtprocedure, ter zijner verdediging, liet gelden dat hij zijn functies steeds nauwgezet en met eerbied voor zijn collega‟s en aangehouden personen heeft uitgeoefend ; dat hij preciseerde dat
XIV-37.427-6/26
hij steeds getracht heeft om te handelen overeenkomstig de procedures, de wettelijke voorschriften evenals de strategie en de richtlijnen van de overheden ;
Overwegende dat INP Vanhoutte toevoegde:
- dat hij ten allen tijd wederzijdse bijstand verleend heeft en gezorgd heeft voor een doeltreffend samenwerking ;
- dat hij altijd de bevolking, de politieoverheden en de andere instanties waarmee hij moet samenwerken, blijk heeft gegeven van zijn wil om de van hem de [te] verwachte dienst te verlenen ;
Overwegende dat INP Vanhoutte nog benadrukte dat hij zijn functies steeds loyaal heeft uitgeoefend onder gezag van de politieoverheden alsook onder de leiding van zijn chef ;
Overwegende dat de getuigen, gehoord op verzoek van INP Vanhoutte verklaard hebben dat hij zijn werk goed deed ; dat echter, volgens PC [G.] :
„Rond mi [mei]-juni, toen merkte ik op dat hij bepaalde „stekelige‟ opmerkingen maakte.
Hij begon opmerkingen te maken over de Korpschef en CP [D.]. Hij vond de intrekking van zijn wapen niet terugkreeg was volgens mij de aanleiding voor de uitbarsting die bewuste avond‟ ;
Overwegende dat de tuchtoverheid bij het bepalen van de aard en de zwaarte van de tuchtsanctie over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikt;
Overwegende dat de gunstige elementen, die voortvloeien uit de getuigenissen, niet de ernst kunnen verhullen van de nalatigheden begaan door INP Vanhoutte ; dat zijn gedrag op 07/07/2016 en hetgeen hij geschreven heeft in een mail en op zijn Facebookpagina onaanvaardbaar zijn vanwege een personeelslid omdat zij in strijd zijn met de essentiële verplichtingen van de goede werking van het politiekorps; dat het feit dat hij de intrekking van zijn wapen als ongerechtvaardigd beschouwt, geen verschonings- of rechtvaardigingsgrond van een dergelijk gedrag kan vormen;
Overwegende dat volgens de Tuchtraad de volgende elementen in aanmerking dienen genomen te worden :
„de geestestoestand van de verzoeker op het ogenblik der feiten (zijnde weliswaar een element dat op het ogenblik van het nemen van de beslissing voor de tuchtoverheid op zich nog niet vaststond bij gebreke aan enig medisch attest) als verzachtende omstandigheid en het goede werk dat verzoeker leverde (gebaseerd op de verklaringen van zijn collega‟s), ondanks zijn vorige tuchtstraffen.
Uit de aard van de feiten, die op zich ernstig zijn, blijkt duidelijk dat deze in oorzakelijk verband staan met zijn geestestoestand van dat ogenblik, zonder dat deze toestand echter een verschoningsgrond uitmaakt.
De Tuchtraad gelooft erin dat verzoeker in de toekomst zich zal onthouden van agressieve uitlatingen ten aanzien van de hiërarchische oversten van het politiekorps, ondanks de twee voorgaande tuchtstraffen, en dat de vertrouwensbreuk om die reden niet onherstelbaar is.‟ Overwegende dat het medisch attest voorgelegd door INP Vanhoutte betrekking heeft op een hospitalisatie in het psychiatrisch centrum Menen tot 12/09/2016
zonder de begindatum van deze hospitalisatie te preciseren terwijl de feiten die aan de grondslag van de tuchtprocedure liggen gebeurd zijn op 07/07/2016 ; dat dus niet vaststaat dat de hospitalisatie van INP Vanhoutte verband houdt met de ten laste gelegde feiten;
Overwegende dat het medisch attest de omvang van de geestesstoornis die INP
Vanhoutte op het ogenblik van de feiten zou geleden hebben niet preciseert ;
Overwegende dat de vermelding „mijnheer denkt eraan progressief te beginnen werken in 2017. Zijn taak als pappa neemt hij ten volle op‟ geen enkel medisch karakter heeft en enkel verduidelijkt waarom INP Vanhoutte voorzien had het werk te hernemen vanaf 2017 ; dat in tegenstelling tot wat INP Vanhoutte volhoudt in zijn
XIV-37.427-7/26
bijkomend verweerschrift, uit het medisch attest geenszins blijkt dat de geneesheer van oordeel is dat een werkhervatting met succes kan opgestart worden ;
Overwegende, hoe dan ook, dat de verzachtende omstandigheid die de geestesstoornis van INP Vanhoutte op het ogenblik van de feiten zou uitmaken het totaal onaanvaardbaar karakter van de gepleegde feiten niet kan doen verdwijnen, net zo min als de verdwijning van het onontbeerlijk vertrouwen dat reeds geschaad was naar aanleiding van de twee eerdere zware tuchtsancties (schorsing gedurende 8 dagen en inhouding van wedde van 10% gedurende twee maanden) ;
Dat het loutere „geloof‟ van de Tuchtraad dat INP Vanhoutte zich in de toekomst zal onthouden van agressieve uitlatingen ten aanzien van de hiërarchische oversten van het politiekorps onvoldoende is om hieraan te verhelpen, te meer nu de hogere tuchtoverheid dit geloof niet deelt ; het tuchtverleden van INP Vanhoutte toont immers aan dat hij steeds in herhaling valt en er zijn onvoldoende objectieve gegevens voorhanden om te kunnen besluiten dat zijn onaanvaardbaar gedrag definitief tot het verleden behoort ;
Overwegende dat de positieve evaluatie die Dokter [B.] acteert in zijn medisch attest gerelateerd is aan het feit dat INP Vanhoutte van zijn professionele werkomgeving wordt weggehouden; en dat deze positieve evaluatie haar einde zal kennen vanaf het moment dat INP Vanhoutte het politiekorps terug zal vervoegen;
Overwegende dat INP Vanhoutte al tuchtantecedenten heeft; dat hij zich in 2012
reeds ongepast en agressief heeft gedragen tegenover zijn collega‟s; dat de overheid hem voor deze feiten de zware tuchtstraf van schorsing gedurende 8 dagen heeft opgelegd; dat hij in 2014 een inhouding van wedde van 10% gedurende 2 maanden kreeg opgelegd door de overheid, omdat hij door de politierechtbank was veroordeeld voor rijden ander invloed;
Overwegende dat de vertrouwensband die zou moeten bestaan tussen een personeelslid van de politie en de overheid ernstig geschonden is door de inhoud van zijn schrijven, zijn gedrag en negatieve houding die INP Vanhoutte heeft tegenover de hiërarchie van de politiezone, zowel zijn rechtstreekse oversten als de korpsleiding; dat zodoende de overheid van oordeel is dat de professionele samenwerking met INP Vandenhoutte in de toekomst niet meer mogelijk is omdat de vertrouwensbreuk onherstelbaar is;
Overwegende dat het behoud van INP Vanhoutte bij het politiekorps niet verenigbaar is met de noodzakelijke band van vertrouwen die dit korps dient te hebben ; dat de tuchtvergrijpen die hem verweten zijn een zware tuchtstraf rechtvaardigen die het verlies van de hoedanigheid van personeelslid tot gevolg dient te hebben ; dat de hogere tuchtoverheid echter van oordeel is dat de ernst van de feiten niet tot het verlies van een pensioen ten laste van de openbare schatkist moet leiden ;
In onze hoedanigheid van hogere tuchtoverheid :
Leggen wij INP Vanhoutte, voor de feiten vervat in punt 2, de zware tuchtstraf op van ontslag van ambtswege.
[…].”
XIV-37.427-8/26
IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
4. Op 3 oktober 2017 om 16.36 uur, zijnde daags voor de terechtzitting van 4 oktober 2017 om 10.00 uur, legt verzoeker via de elektronische procedure op het platform een “stuk 11” neer, waarmee hij de door hem bij het verzoekschrift gevoegde overtuigingsstukken aanvult.
Ter terechtzitting verzet de verwerende partij zich tegen het toevoegen van het nieuwe stuk aan het dossier.
5. Het thans overgelegde stuk betreft volgens de inventaris van de stukken van verzoeker, het “expertiseverslag dr. [V.] voor de disciplinaire commissie, 23/02/2017”, volgens het stuk evenwel “getekend op 16-09-2017.”
Het stuk strekt op het eerste gezicht tot adstructie van verzoekers betoog betreffende de ernst van de middelen. Het neerleggen van aanvullende stukken daartoe, is niet voorzien in het toepasselijke procedurereglement, nu de ernst van het middel moet worden uiteengezet in het verzoekschrift en met later aangebrachte gegevens of stukken geen rekening mag worden gehouden.
6. Het aanvullend stuk wordt uit het debat geweerd.
V. De schorsingsvoorwaarden
7. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.
XIV-37.427-9/26
VI. Ernst van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
8. Verzoeker voert in het eerste middel het “onzorgvuldig handelen van de tuchtrechtelijke overheid” aan, alsook de schending van de formele en de materiëlemotiveringsplicht. Hij voert aan dat de verwerende partij tal van essentiële elementen uit zijn verdediging volstrekt onbeantwoord heeft gelaten.
Vooreerst voert hij aan dat er geen voorafgaand onderzoek werd gevoerd. Het was volgens hem niettemin noodzakelijk om, ten einde een volledig en objectief beeld van de feiten te krijgen, een onderzoek te bevelen naar verzoekers gezondheidstoestand op het ogenblik van de feiten, daar de overheid als werkgever de medische toestand van verzoeker kende hetgeen hij detailleert. Daarnaast wijst verzoeker ook op de aard van de feiten zelf, met name verschillende symptomen die verzoeker opsomt en, naar hij stelt, een gekende manifestatie is van bipolaire manische opstoten. Hij betoogt dat van de overheid niet kan worden verwacht dat zij psychologische diagnoses stelt, maar wel dat zij, wanneer bepaalde handelingen worden gesteld door een personeelslid met een gekend en geweten ziektebeeld, zij de nodige zorgvuldigheid aan de dag legt met betrekking tot de beoordeling van de feiten. Hij besluit dat het door de overheid als werkgever gekende ziektebeeld van verzoeker, de aard van de feiten en de geïsoleerde “uitbarsting” van dergelijke handelingen begin 2016, voldoende ernstige aanwijzingen vormen om een voorafgaand medisch onderzoek te verantwoorden. Verzoeker voert voorts aan dat hij dat eveneens reeds opwierp in zijn verwerende memories en besluit dat de al dan niet verschoonbaarheid van de feiten moet worden onderzocht.
In het middel voert verzoeker voorts aan dat de verwerende partij niet motiveert waarom of hoe zij uit de feiten meent af te leiden dat hij verantwoordelijk was voor zijn handelingen. De verwerende partij motiveert niet waarom de feiten al dan niet verschoonbaar zijn en over de verschoonbaarheid zelf
XIV-37.427-10/26
wordt met geen woord gerept. Volgens hem blijkt uit geen enkel objectief element dat uit de elementen van het dossier niet blijkt dat verzoeker niet voor zijn handelingen verantwoordelijk was op het ogenblik van de feiten. Volgens verzoeker waren er, in tegenstelling tot hetgeen het politiecollege stelt, wel “ernstige aanwijzingen” voorhanden opdat het politiecollege ertoe gehouden zou zijn de psychische toestand van verzoeker te onderzoeken. Daarenboven werd door verzoeker ook bij zijn memorie van 17 maart 2017 een duidelijke verklaring van zijn behandelende arts inzake zijn geestestoestand op het ogenblik van de feiten gevoegd. Bipolaire stoornis en een periode van manie is geen dermate geïsoleerde toestand dat de overheid kan oordelen dat dat medisch attest geen relevantie heeft voor de feiten gepleegd op 7 juli 2016, te meer gelet op het gekende kader van de psychische problematiek bij verzoeker. Verzoeker concludeert dat de verwerende partij nalaat om een voorafgaand onderzoek te voeren naar de psychische toestand van verzoeker - schending van het zorgvuldigheidsbeginsel - noch motiveert zij waarom verzoeker volgens haar verantwoordelijk is voor zijn handelingen en er geen sprake is van verschoonbaarheid.
Beoordeling
Betreffende de schending van het zorgvuldigheidbeginsel
9. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit houdt onder meer in dat het bestuur zijn beslissing op een zorgvuldige feitenvinding dient te steunen zodat het op basis van een afdoend en volledig onderzoek van het concrete geval tot zijn besluit komt.
Tuchtmaatregelen zijn erop gericht een ambtenaar te bestraffen voor een schuldige gedraging of tekortkoming. Het element schuld is bijgevolg een wezenlijk gegeven van elke tuchtvordering, zonder hetwelk geen tuchtstraf opgelegd kan worden.
XIV-37.427-11/26
Feiten die in beginsel aanleiding kunnen geven tot een tuchtrechtelijk optreden, kunnen verschoond worden. Indien immers blijkt dat de feiten te verklaren zijn door een schulduitsluitingsgrond, of met andere woorden dat de betrokkene omwille van deze niet verantwoordelijk gesteld kan worden voor de feiten, kan de tuchtoverheid hem daarvoor geen tuchtstraf opleggen.
Geconcretiseerd op het voorliggende beroep, impliceert het voormelde zorgvuldigheidsbeginsel dat, als het tuchtdossier aanwijzingen bevat dat de betrokkene omwille van een schulduitsluitingsgrond niet verantwoordelijk zou kunnen zijn voor zijn daden, de tuchtoverheid dit gegeven met de nodige zorgvuldigheid onderzoekt.
Indien een verzoeker zich beroept op een schulduitsluitings-
grond, dan berust evenwel op het eerste gezicht op hem een aanvoeringslast, die inhoudt dat hij op een geloofwaardige wijze deze grond moet inroepen. Enkel wanneer de ingeroepen bewering niet is ontbloot van elk element van geloofwaardigheid, rust op de tuchtoverheid de hiervoor geschetste zorgvuldigheid bij het onderzoek van dit gegeven. In deze stand van het geding lijkt het immers aannemelijk te stellen dat de zorgvuldigheidsplicht niet inhoudt dat van een tuchtoverheid moet worden verwacht dat zij een loutere suggestie of bewering die niet op een geloofwaardige wijze is ingeroepen, met de nodige zorgvuldigheid onderzoekt.
10. Verzoeker voert vooreerst aan dat de (hogere) tuchtoverheid geen voorafgaand onderzoek heeft gevoerd naar zijn psychische toestand op het ogenblik van de feiten, terwijl dat volgens hem te dezen noodzakelijk is vermits de verwerende partij als overheid kennis had van zijn blijvende psychische aandoening van bipolaire stoornis waarvoor verzoeker te allen tijde wordt opgevolgd en behandeld.
Het voorafgaande onderzoek waarop verzoeker op het eerste gezicht doelt, is dat wat is voorzien in artikel 38, eerste lid, van de wet van 13 mei
XIV-37.427-12/26
1999 „houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten‟ (hierna: de tuchtwet). Overeenkomstig die bepaling stelt de hogere tuchtoverheid die kennis krijgt van feiten die mogelijk een tuchtvergrijp uitmaken, een inleidend verslag op “na eventueel een onderzoek te hebben bevolen.” Deze mogelijkheid om, voorafgaand aan het inleidend verslag, door een derde een voorafgaand onderzoek te laten voeren, is evenwel niet verplicht. De bevoegdheid van de hogere tuchtoverheid om eventueel een voorafgaand onderzoek te bevelen, houdt in dat de hogere tuchtoverheid dit onderzoek ook zelf kan voeren, noch belet die mogelijkheid dat de tuchtoverheid ook langs andere wegen zoals het door haar gevoerde onderzoek, informatie kan inwinnen om zicht te krijgen op de feiten en de eventuele tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid van een politieambtenaar. Het voorafgaand onderzoek ligt aldus buiten de eigenlijke tuchtprocedure.
Uit wat voorafgaat volgt dat de loutere ontstentenis van een dergelijk, buiten de eigenlijke tuchtprocedure gelegen voorafgaand onderzoek, op zich niet doet blijken van een onzorgvuldige voorbereiding van de bestreden beslissing. Evenmin impliceert het gegeven dat de (hogere) tuchtoverheid verzoekers ziektebeeld kent of moest kennen dat de tuchtoverheid om die reden het voornoemde voorafgaand onderzoek dient te bevelen.
Het middel is in die mate niet ernstig.
11. In de mate dat verzoeker het gebrek aan onderzoek van verzoekers gezondheidstoestand op het ogenblik van de feiten bekritiseert, dient de kritiek dat de tuchtoverheid de op een geloofwaardige wijze ingeroepen schulduitsluitingsgrond niet met de nodige zorgvuldigheid heeft onderzocht, op het eerste gezicht te worden beoordeeld over de gehele tuchtprocedure en niet aan één bepaalde handeling gesteld in de loop van de tuchtprocedure.
XIV-37.427-13/26
Zoals hiervoor is gesteld, berust op verzoeker op het eerste gezicht een aanvoeringslast, die inhoudt dat hij te dezen op een geloofwaardige wijze de uitsluitingsgrond moet inroepen. Anders dan hoe verzoeker het ziet, ontslaat te dezen het enkele gegeven dat de tuchtoverheid verzoekers ziektebeeld moet kennen, verzoeker niet van die aanvoeringslast. In deze stand van het geding lijkt het immers aannemelijk te stellen dat de zorgvuldigheidsplicht niet inhoudt dat van een tuchtoverheid moet worden verwacht dat ingevolge het louter bestaan en kennen van een ziektebeeld voorafgaand aan het plegen van tuchtfeiten - zonder dat op een geloofwaardige wijze door de tuchtrechtelijk vervolgde politie-
ambtenaar is ingeroepen dat het ziektebeeld de strafwaardigheid uitsluit - die tuchtoverheid ertoe is gehouden verzoekers gezondheidstoestand op het ogenblik van de feiten, met de nodige zorgvuldigheid te onderzoeken.
Te dezen blijkt hoe dan ook uit het tuchtdossier dat verzoeker, nadat de hogere tuchtoverheid hem haar voorstel van zware tuchtstraf van 6 oktober 2016 ter kennis brengt, in het kader van zijn verzoek tot heroverweging bij de Tuchtraad voor het eerst een medisch attest van 11 november 2016 bijbrengt.
Uit het advies van de Tuchtraad blijkt dat die dat attest heeft beoordeeld en oordeelde dat de tuchtoverheid de feiten terecht heeft toegerekend aan verzoeker en het niet opportuun achtte een verder onderzoek naar de geestestoestand van verzoeker uit te voeren. Ook blijkt uit de bestreden beslissing (supra, punt 3.6.) dat de verwerende partij in het kader van haar beoordeling omtrent de aard en de zwaarte van de tuchtstraf, dat medisch attest heeft beoordeeld. In deze stand van het geding blijkt hieruit dat de hogere tuchtoverheid wel degelijk verzoekers beweringen inzake zijn gezondheidstoestand met de nodige zorgvuldigheid heeft onderzocht, maar dat zij oordeelde dat er te dezen geen bijkomend onderzoek is vereist noch dat verzoeker omwille van een schulduitsluitingsgrond niet verantwoordelijk zou kunnen zijn voor zijn daden. De hogere tuchtoverheid heeft aldus verzoekers gezondheidstoestand op het ogenblik van het plegen van de tuchtfeiten, in de loop van de procedure met de nodige zorgvuldigheid onderzocht.
De omstandigheid dat verzoeker het anders ziet, maakt op zich het middel niet ernstig.
XIV-37.427-14/26
Het middel is in die mate niet ernstig.
Betreffende de schending van de materiëlemotiveringsplicht
12. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen.
De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het stuk van de bewezenverklaring als op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten. Opdat de gezondheidstoestand van de politieambtenaar een verschoningsgrond zou kunnen uitmaken, moet voorts blijken dat de feiten te verschonen zijn door de gezondheidstoestand van de politieambtenaar op het ogenblik van het plegen van de tuchtrechtelijke feiten. De vraag of de gezondheidstoestand van de politieambtenaar derhalve een verschoningsgrond uitmaakt, behoort aldus tot de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de tuchtoverheid.
Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om zelf een beoordeling te maken of de gezondheidstoestand van de politieambtenaar op het ogenblik van de feiten de ten laste gelegde feiten verschoont zodat er geen tuchtvergrijp is. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.
13. Verzoeker bekritiseert het motief van de tuchtoverheid dat zij niet is gehouden de psychische toestand van verzoeker te onderzoeken nu er volgens haar geen “ernstige aanwijzingen” in die zin zijn.
XIV-37.427-15/26
Uit de formele motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de hogere tuchtoverheid zich inzake het niet noodzakelijk achten van het onderzoek van de psychische toestand van verzoeker, aansloot bij het advies van de Tuchtraad. Voorts blijkt ook uit die formele motivering dat de hogere tuchtoverheid oordeelt dat het door verzoeker bij zijn memorie van 17 maart 2017
gevoegde medische attest van zijn behandelende arts niet doet blijken dat verzoekers opneming in een psychiatrisch centrum verband houdt met de ten laste gelegde tuchtfeiten, alsook dat het attest niet de omvang van verzoekers geestesstoornis op het ogenblik van de feiten preciseert, noch dat uit het attest blijkt dat de arts van oordeel is dat een werkhervatting met succes kan worden opgestart. Met haar beoordeling van de noodzaak om de psychische toestand van verzoeker te onderzoeken en van de verklaring van de behandelende arts blijft de hogere tuchtoverheid op het eerste gezicht binnen haar beoordelingsbevoegdheid.
Dat gaat ook op voor haar beoordeling dat verzoekers geestesgesteldheid niet verhindert dat de sanctie van ontslag van ambtswege kan worden opgelegd, al is dat volgens verzoeker verwerpelijk. De omstandigheid dat de hogere tuchtoverheid het persoonlijk standpunt van verzoeker ter zake niet bijtreedt, maakt op zich de motieven van de bestreden beslissing niet onwettig. Verzoeker geeft weliswaar blijk van een eigen feitelijke beoordeling van zijn persoonlijke geestestoestand en de relevantie ervan, maar in de huidige stand van het geding maakt dat op zich niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid in verband met de beoordeling ervan, tot een conclusie is gekomen waaruit de schending van de materiëlemotiveringsplicht zou moeten blijken.
Wat voorts het door verzoeker aangehaald falend preventiebeleid van de verwerende partij betreft, maakt verzoeker niet aannemelijk dat er te dezen een oorzakelijk verband zou zijn met de hem tenlastegelegde tuchtfeiten, noch dat zulks een verschoningsgrond zou uitmaken.
Het middel is in die mate niet ernstig.
XIV-37.427-16/26
Betreffende de schending van de formelemotiveringsplicht
14. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze.
Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden.
Hoewel de formelemotiveringsplicht de (hogere) tuchtoverheid er niet toe verplicht uitdrukkelijk te antwoorden op alle door de politieambtenaar tijdens de tuchtprocedure opgeworpen argumenten of - te dezen - verzachtende omstandigheden, moet uit haar beslissing wel kunnen worden opgemaakt dat het verweer van de politieambtenaar daadwerkelijk in de besluitvorming is betrokken.
Hieruit volgt dat de tuchtoverheid niet uitvoerig moet antwoorden op elk van deze argumenten of verzachtende omstandigheden. Wel moet impliciet of expliciet blijken dat de argumentatie van de betrokkene in de besluitvorming werd betrokken en moet hieruit minstens impliciet kunnen worden afgeleid waarom de argumenten in het algemeen niet werden aanvaard.
15. In tegenstelling tot hoe verzoeker het lijkt te zien, moet bij het onderzoek naar het afdoende karakter van de formelemotiveringsplicht rekening worden gehouden met het geheel van de formele motivering en niet met een of
XIV-37.427-17/26
meerdere - door verzoeker geciteerde en bekritiseerde - onderdelen van de motivering op zich. De motivering in haar geheel moet immers afdoende zijn.
De formele motivering van de bestreden beslissing is hiervoor weergegeven (supra, punt 3.6). Anders dan hoe verzoeker het ziet, verschaft die op het eerste gezicht aan verzoeker voldoende duidelijkheid waarom de hogere tuchtoverheid van mening is dat de feiten aan verzoeker toerekenbaar zijn. Ook blijkt er minstens impliciet uit dat zijn verweer gesteund op zijn psychische gezondheidstoestand als grond tot schulduitsluiting, daadwerkelijk in de besluitvorming werd betrokken, zodat verzoeker minstens impliciet uit de formele motivering moet kunnen afleiden waarom zijn argumenten in het algemeen niet werden aanvaard. Dat volstaat in het licht van de door verzoeker geschonden geachte formelemotiveringsplicht. Voorts gaat de formelemotiveringsplicht te dezen niet zover dat ze de hogere tuchtoverheid ertoe zou verplichten de uitgedrukte motieven nog nader te expliciteren. De algemene bezwaren die verzoeker in het middel aanvoert leiden niet tot een andere conclusie, noch de enkele omstandigheid dat verzoeker een ander standpunt heeft en zich niet kan vinden in de gegeven formele motivering.
Het eerste middel is in die mate niet ernstig.
Conclusie
16. Het eerste middel is niet ernstig.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
17. Verzoeker voert in het tweede middel aan dat het “onduidelijk [is] of de taalwet in bestuurszaken (KB 1966 inzake gebruik van talen in bestuurszaken) in samenlezing met de artikelen 25 e.v. op de Wet inzake de
XIV-37.427-18/26
Geïntegreerde Politie correct werd toegepast.” Hij formuleert ter zake een voorbehoud. Hij voert aan vast te stellen dat uit de hem gekende stukken van het dossier, enkel een vertaling voorligt van een aantal stukken die hij opsomt (de informatieverslagen van 7 juli 2016 en 11 juli 2016, zijn e-mail van 8 juli 2016, het blad der tuchtstraffen, het inleidend verslag van de korpschef, de notulen van het politiecollege van 11 juli 2016 en het inleidend verslag van het politiecollege).
Volgens verzoeker is het van de overige processtukken geenszins duidelijk of een vertaling werd voorzien: de memories neergelegd door verzoeker, het deskundigenverslag, het advies van de Tuchtraad, de door verzoeker neergelegde attesten, …. Verzoeker concludeert dat aldus blijkt dat “niet alle stukken van het dossier” werden vertaald zoals is vereist door de taalwet in bestuurszaken, hetgeen ook een schending uitmaakt van het recht op verdediging.
Beoordeling
18. Verzoeker voerde deze grief reeds aan voor de Tuchtraad die hem onderzocht en verwierp. Uit de bestreden beslissing blijkt voorts dat ook de hogere tuchtoverheid is ingegaan op het(zelfde) door verzoeker opgeworpen taalmiddel. In de bestreden beslissing wordt te dezen besloten “dat alle procedurestukken die van na de beslissing van 06/10/2016 dateren naar de Franse taal vertaald werden.”
Uit het door de verwerende partij neergelegde administratief dossier blijkt dat minstens voor alle stukken die verzoeker in zijn middel opsomt, een vertaling naar de Franse taal voorligt. Verzoeker voert voorts niet in concreto aan welke andere (relevante) stukken uit het tuchtdossier niet voorafgaand aan de bestreden beslissing zijn vertaald naar de Franse taal.
In deze stand van het geding faalt het middel in feite.
19. Het tweede middel is niet ernstig.
XIV-37.427-19/26
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
20. In het derde middel voert verzoeker het gebrek aan proportionaliteit en evenredigheid aan. Hij zet in wezen uiteen dat de tuchtsanctie niet in verhouding staat tot de vastgestelde feiten, omdat volgens hem uit het tuchtdossier blijkt dat de tuchtfeiten van 7 juli 2016 een “geïsoleerd gebeuren”
vormen, te wijten aan zijn geestesstoornis en dat hij werd gehospitaliseerd en verder behandeld voor zijn bipolaire stoornis. Verzoeker wijst erop dat zijn behandelende arts stelt dat zijn toestand inmiddels gestabiliseerd en genormaliseerd is en dat het toegenomen inzicht in het ziektebeeld goede perspectieven biedt en dat ook de Tuchtraad die mening is toegedaan. Verzoeker meent dat de hogere tuchtoverheid op kennelijk onredelijke wijze oordeelt door zijn “geestestoestand […] op het ogenblik van de feiten, zijn verdere behandeling en goede trouw t.a.v. het gebeuren op geen enkele wijze te onderzoeken, noch in aanmerking te nemen, noch als verschoningsgrond, noch als verzachtende omstandigheid.”
Beoordeling
21. Het komt aan de tuchtoverheid toe te oordelen met welke tuchtsanctie een bepaald tuchtvergrijp moet worden gesanctioneerd.
Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om zelf een beoordeling te maken van de strafmaat.
De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid bij de keuze van de strafmaat, al dan niet het evenredigheidsbeginsel schendt.
Een schending van dit algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat de tuchtoverheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist
XIV-37.427-20/26
heeft gebruikt. Het proportionaliteits- of evenredigheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de tuchtoverheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende tuchtoverheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen.
De Raad van State gaat bij de beoordeling van de evenredigheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of evenredigheidsbeginsel miskent.
22. Uit de bestreden beslissing blijkt dat aan verzoeker drie tuchtfeiten ten laste worden gelegd. Samengevat, betreft het eerste feit het zich ongepast uitlaten over een verdachte op 7 juli 2016 en het beledigen van zijn overste. Het tweede feit betreft het zich op ongepaste wijze uiten van zijn mening op 6 juli 2016. Het derde feit betreft de vaststelling op 11 juli 2016 dat verzoeker berichten met agressieve ondertoon publiceert op zijn publiek raadpleegbare Facebookpagina onder de naam Jean Dubois gericht tegen personen van de politiezone. Op zich ontkent verzoeker geen van de hem ten laste gelegde feiten, maar meent hij dat de feiten van 7 juli 2016 - 11 juli 2016 een geïsoleerd gebeuren vormden voortkomende uit zijn ziektebeeld. Omtrent het feit van 6 juli 2016 stelt hij dat niet, noch stelt hij inzake het publiceren van berichten op Facebook dat die berichten die doorheen de jaren er op werden geplaatst, allen werden geplaatst op momenten voortkomende uit zijn ziektebeeld. Voorts blijkt uit het tuchtdossier dat er tuchtantecedenten zijn, waarbij een ervan, op het eerste gezicht, betrekking heeft op ongepast en agressief gedrag tegenover collegae en derhalve op het eerste gezicht in de lijn ligt van de thans tenlastegelegde feiten.
De verantwoording van de strafmaat in de bestreden beslissing is hiervoor uiteengezet (supra, punt 3.6.). Er wordt naar verwezen. Hieruit blijkt
XIV-37.427-21/26
inzonderheid dat de hogere tuchtoverheid rekening heeft gehouden met de door verzoeker aangebrachte verzachtende omstandigheden, maar dat zij oordeelde dat het noodzakelijke vertrouwen om de persoonlijke relatie met verzoeker verder te zetten niet langer aanwezig was.
Verzoeker is voorts een politieambtenaar en heeft aldus een voorbeeldfunctie. Dit betekent dat kan worden aangenomen dat de hogere tuchtoverheid principieel een strenge houding aanneemt ten aanzien van de aan verzoeker tenlastegelegde tuchtvergrijpen.
Uit wat voorafgaat volgt dat de argumenten die verzoeker aanreikt op het eerste gezicht niet leiden tot de conclusie dat de hogere tuchtoverheid, door op grond van de aangehaalde overwegingen te besluiten tot de zware straf van het ontslag van ambtswege voor de feiten het evenredigheidsbeginsel schendt. Het enkele gegeven dat de hogere tuchtoverheid bij haar keuze van de straf het standpunt van de Tuchtraad en van de behandelende arts inzake de strafmaat niet heeft gevolgd, maakt op het eerste gezicht op zich de keuze van de straf niet onredelijk. Verzoekers appreciatie in het middel dat de opgelegde straf het evenredigheidsbeginsel schendt, doet weliswaar blijken dat verzoeker een andere mening is toegedaan dan die van de hogere tuchtoverheid inzake de zwaarwichtigheid van de feiten en van de weerslag van verzoekers geestestoestand op de strafmaat, maar dat maakt in deze stand van het geding op zich niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid in verband met de beoordeling van de strafmaat tot een onredelijke conclusie is gekomen waaruit de schending van het evenredigheidsbeginsel moet blijken.
23. Het derde middel is niet ernstig.
XIV-37.427-22/26
D. Vierde middel
Uiteenzetting van het middel
24. Verzoeker voert in het vierde middel de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van artikel 14 van het EVRM omdat de bestreden beslissing een ziek personeelslid discrimineert. Hij voert daarnaast aan dat er ook een evenwicht moet zijn tussen de inspanningen die de overheid levert ten aanzien van een personeelslid waarvan de ziekte is gekend en de feiten die zich op een bepaald ogenblik voordoen ingevolge die ziekte. Verzoeker meent dat te dezen de inspanningen van de overheid niet worden aangetoond, noch dat die alle nodige, functionerende structuren heeft voorzien rond de bescherming van haar werknemers, onder meer aangaande discriminatie. Verzoeker heeft de indruk dat hij de laan wordt uitgestuurd omdat de overheid weigert hem actief te ondersteunen of hem in moeilijkere momenten aangepast werk te bieden, daar waar juist zijn werk aan de basis ligt van de ontwikkeling van zijn ziekte. Volgens verzoeker is er bijgevolg sprake van discriminatie van een ziek personeelslid.
Beoordeling
25. De grondwettelijke regels met betrekking tot gelijkheid en non-discriminatie vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, sluiten niet uit dat er een verschil in behandeling kan optreden tussen categorieën van personen, in zoverre dat verschil berust op een objectief criterium en het redelijkerwijze gerechtvaardigd is. Dezelfde regels staan er overigens aan in de weg dat categorieën van personen die zich in situaties bevinden die in het licht van de beschouwde maatregel wezenlijk verschillend zijn, op eenzelfde manier worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke rechtvaardiging bestaat. Het bestaan van een dergelijke rechtvaardiging dient te worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de kwestieuze maatregel, alsook met de aard van de in het geding zijnde beginsels. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vast komt te staan dat er geen redelijk evenredigheidsverband bestaat tussen de
XIV-37.427-23/26
gebruikte middelen en het beoogde doel (RvS, Alg. V., 26 januari 2016, nr. é.609, Ordre des Barreaux francophones et germanophone de Belgique).
De verzoekende partij die de schending van het gelijkheids-
beginsel opwerpt, moet dit met concrete en precieze gegevens in haar verzoekschrift aantonen.
26. Verzoeker verduidelijkt niet expliciet welke categorieën van personen hij met elkaar vergelijkt. In de mate dat verzoeker een verschil in behandeling zou zien tussen zieke en niet-zieke personeelsleden - in het opschrift van het middel stelt hij immers dat “de bestreden beslissing discrimineert een ziek personeelslid” - beperkt hij zich in het middel tot algemeenheden, zonder in concreto nader toe te lichten of die categorieën van personen tussen welke een verschil in behandeling zou bestaan, wel voldoende vergelijkbaar zijn en, zo ja, of er daadwerkelijk sprake is van een ongelijke behandeling van beide categorieën wat de bestraffing betreft van de aan verzoeker tenlastegelegde tuchtfeiten. Voorts maakt verzoeker op het eerste gezicht evenmin duidelijk waarom, als een dergelijk verschil in behandeling zou moeten worden aangenomen, het niet op een objectief en redelijk criterium kan rusten.
27. Verzoeker voert in het middel ook de schending aan van artikel 14 van het EVRM. Het is vaststaande rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (zie bv. EHRM (GK) 5 september 2017, nr. 78117/13, Fabian/Hongarije, pt. 112; EHRM (GK) 24 januari 2017, nrs. 60367/08 en 961/11, Khamtokhu en Aksenchik/Rusland, pt. 53; EHRM (GK) 26 april 2016, nr.
62649/10, Izzettin Dogan e.a./Turkije, pt. 155; EHRM (GK) 6 April 2000, nr. 34369/97, Thlimmenos/ Griekenland, pt. 40) dat die bepaling geen onafhankelijk bestaan heeft aangezien ze de gelijkheid waarborgt in “het genot van de rechten en vrijheden” gewaarborgd in het EVRM en zijn protocollen.
Verzoeker voert niet aan dat de feiten binnen de reikwijdte van een andere bepaling van het EVRM vallen.
XIV-37.427-24/26
Uit wat voorafgaat volgt dat alleen al het accessoire karakter van artikel 14 van het EVRM er aan in de weg staat om zich te dezen op die bepaling te beroepen.
28. Het vierde middel is niet ernstig.
VII. Conclusie
29. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.
VIII. Rechtsplegingsvergoeding
30. Wat de vraag van de partijen betreft tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding, wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring.
BESLISSING
De Raad van State verwerpt de vordering.
XIV-37.427-25/26
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes december tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Geert Debersaques
XIV-37.427-26/26
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.103