Court partially allows suspension of Flemish government decision to withdraw spatial plan due to urgent environmental risk.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State granted the interim request for suspension of the execution of Article 2 of the Flemish Government's decision to withdraw the spatial plan for Houthalen-Helchteren. The applicants argued that immediate environmental damage to a Natura 2000 site was imminent and that their conservation goals were being undermined. The court accepted the urgency claim based on the near-term threat to the forest zone, rejecting arguments about long-term land development plans that did not affect the specific protected area.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 90, § 1, 4th paragraph; Article 91, § 1, 1st paragraph of the Law on the Council of State: The Council of State may order the suspension of the execution of an administrative act when the applicant demonstrates that irreparable damage is imminent and the act is not sufficiently justified by the public interest.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Xe KAMER
nr. 240.079 van 5 december 2017
in de zaak A. 222.494/X-16.942.
In zake : 1. de VZW LIMBURGSE MILIEUKOEPEL
2. Guy COOLENS
3. Martine BOES-COOLENS
4. Jean-Luc COOLENS
5. Anne-Françoise TIMMERMANS-COOLENS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Filip De Preter en Bert Van Herreweghe kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steven Menten en Chris Schijns kantoor houdend te 3600 Genk Grotestraat 122
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partijen :
1. de NV J.M. RECYCLING
2. de NV REMO MILIEUBEHEER
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 23 juni 2017, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van :
a. het besluit van de Vlaamse regering van 17 maart 2017 “houdende intrekking van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 maart 2015 houdende de
X-16.942-1/27
definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan „Closing the Circle‟ in Houthalen-Helchteren en houdende definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan „Closing the Circle‟ in Houthalen-
Helchteren”;
b. de beslissing van de dienst Milieueffectrapportage van de afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid van het Vlaamse Gewest (hierna: de dienst Mer) van 25 mei 2011 houdende de goedkeuring “van de plan-milieueffectrapportage uitgevoerd volgens het integratiespoorbesluit voor ruimtelijke uitvoeringsplannen voor: „GewRUP Closing the Circle te Houthalen-
Helchteren‟” en c. de beslissing van de dienst Mer van 19 september 2014 om “het initiële plan-
MER [Closing the Circle in Houthalen-Helchteren] ongewijzigd goed te keuren”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld.
Met toepassing van artikel 90, § 1, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2017.
Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht.
X-16.942-2/27
Advocaat Filip De Preter, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Chris Schijns, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaten Peter Flamey en Evi Mees, die verschijnen voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. Op het bij koninklijk besluit van 3 april 1979 vastgestelde gewestplan Hasselt-Genk zijn ten zuiden van het militair domein te Houthalen-
Helchteren twee aanpalende terreinen – een westelijk en een oostelijk – groen ingekleurd. Op het westelijk terrein zijn op het gewestplan paarse overdrukken aangebracht waaruit blijkt dat het deels bestemd is tot ontginningsgebied met nabestemming natuurgebied en deels tot uitbreiding van ontginningsgebied met nabestemming natuur (hierna: het ontginningsterrein van het gewestplan). Het oostelijk terrein is door het gewestplan tot natuurgebied bestemd.
Het laatstgenoemde terrein is, net als het grootste deel van het ontginningsterrein van het gewestplan en met uitzondering van een strookje in het uiterste zuidwesten, gelegen in het habitatrichtlijngebied “Vallei- en brongebieden van de Zwarte Beek, Bolisserbeek en Dommel met heide en vengebieden” (hierna: het betrokken habitatrichtlijngebied). Het oostelijk terrein is bebost en zal hierna worden aangeduid als de boszone van communautair belang. Blijkens de op de website geopunt.be opgenomen “Natura 2000
Habitatkaart” bevindt zich in het uiterste oosten van de boszone van communautair belang een oud zuurminnend eikenbos op zandvlakte met Quercus
X-16.942-3/27
robur (habitattype 9190), dat volgens de op dezelfde website opgenomen biologische waarderingskaart biologisch zeer waardevol is.
Tweede tot vijfde verzoeker stellen naakte eigenaar of vruchtgebruiker en gebruiker te zijn van het domein Hoeverheide ten zuiden van de boszone van communautair belang (hierna: het domein van tweede tot vijfde verzoeker).
Ter verduidelijking volgt hierna een uittreksel uit het gewestplan waarop aanduidingen zijn aangebracht.
4. Sedert de jaren zeventig wordt het ontginningsterrein van het gewestplan gebruikt als stort voor huishoudelijk en industrieel afval. Op de toegedekte stortplaatsen is natuur ontstaan waarover het eerste bestreden besluit opmerkt dat het gaat om een “niet duurzame natuur[…]ontwikkeling [gelet onder meer op] de nazorg die vereist is met de op microschaal storende ontgassingsinstallaties”.
X-16.942-4/27
De tussenkomende partijen willen de sanering van de oude stortplaatsen koppelen aan het valoriseren van de uit te graven gestorte goederen.
5. De eerste tussenkomende partij is financier en initiatiefnemer van het project “Closing the Circle” op terreinen, binnen het ontginningsterrein van het gewestplan, die eigendom zijn van en als stort geëxploiteerd worden door de tweede tussenkomende partij.
Dit project bestaat voornamelijk uit de valorisatie van bestaande afvalopslagplaatsen met een grootteorde van 18.000.000 ton afval en de ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden op de vrijgekomen afvalopslagplaatsen, zodat – met de woorden van het eerste bestreden besluit – de daar actueel aanwezige “natuur met zorg” omgezet wordt in “duurzame natuur”.
De valorisatie zal in daartoe op te richten afvalverwerkinginstallaties gebeuren via materiaalrecyclage (WTM – Waste to Material) en energetische valorisatie (WTE – Waste to Energy), zijnde verbranding.
In een eerste ontwikkelingsfase is de aanvoer naar de voornoemde installaties voorzien van recyclagestromen (15.000 ton/jaar) die momenteel in Vlaanderen nog niet verwerkt kunnen worden.
6. In 2010 wordt een voorontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Closing the Circle” opgemaakt (hierna: het voorontwerp).
Gelet op de ligging in habitatrichtlijngebied moet er een plan-
milieueffectrapport (hierna: plan-MER) worden opgemaakt en dient het voorontwerp te worden onderworpen aan een passende beoordeling in de zin van artikel 36ter, § 3, van het decreet van 21 oktober 1997 „betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu‟ (hierna: het natuurdecreet).
X-16.942-5/27
7. De door de eerste tussenkomende partij opgestelde en door de dienst Mer volledig verklaarde nota voor publieke consultatie wordt ter inzage gelegd van 6 juli 2010 tot 6 augustus 2010.
Verzoekers maken hun opmerkingen over.
8. Op 16 mei 2011 geeft het agentschap Natuur en Bos van het Vlaamse Gewest advies over de passende beoordeling. Daarin wordt onder meer het volgende gesteld:
“[...] in de ruimtelijke ontwikkelingsnota van 21 december 2009 [werd]
specifiek gewezen op de zogenaamde „flankerende gebieden‟ […] die op dit moment een natuurlijk karakter bezitten, [...] met een totale oppervlakte van een 90,4 ha (VEN, natuur- en bosgebied) [...]. […] [Volgens het in 2010 opgemaakte voorontwerp wordt] de [flankerende] natuurzone [...]
bestaande uit een VEN-gebied en een domeinbos, [...] ingenomen voor respectievelijk de installatie van de materiaalrecyclage en de installatie voor de energetische valorisatie. Van de 90,4 ha natuurzones die initieel als flankerende gebieden rond de afvalopslagplaatsen aangegeven werden en als belangrijkste bijdrage zouden fungeren voor het ecologisch evenwicht tijdens de planuitvoering zou nu meer dan 65 ha ingenomen worden voor de duur van 20 jaar.
Gezien deze impact van de voorgelegde planuitvoering op het ecologisch evenwicht en de ruimtebalans natuur [...] binnen het plangebied wensen wij hierbij volgende specifieke opmerkingen te geven:
1. Passende beoordeling De passende beoordeling geeft aan dat de effecten niet significant negatief zijn omwille van de tijdelijkheid, de mogelijkheid tot opvang buiten de projectzone en de toekomstige situatie met betere natuur. De effectenbeoordeling is echter gebeurd op basis van een ecologische toetsing tussen de huidige situatie en de verwachte situatie door natuurherstel na de projectuitvoering. Er wordt dus ingegaan op de potenties om na het project natuurherstel te kunnen doen, en eigenlijk onvoldoende op de impact van het project zelf tijdens de projectuitvoering over de periode van 20 jaar.
[...]
[...] in het overzicht van netto verschil in verlies aan ecotopen in de verschillende fasen van ontwikkeling wordt [...] geen rekening gehouden met de oppervlakten die zouden ingenomen worden door de inplanting van de verschillende installaties gedurende 20 jaar.
2. Inplanting van [...] installaties Zoals aangegeven [...] werd er van uitgegaan dat enkel de stortlocaties zouden geëxploiteerd worden zodat de huidige zones met bestemming natuur niet zouden moeten aangetast worden en een belangrijk aandeel zouden leveren voor het beoogde ecologische evenwicht. [...] De plaatsing van de installatie voor de energetische valorisatie en voor de
X-16.942-6/27
materiaalrecyclage en de tijdelijke opslagplaats in zones met het statuut VEN, bosgebied in eigendom van het Vlaamse gewest en met ruimtelijke bestemming natuur betekenen een bijkomend belangrijk ruimtebeslag en verlies van waardevolle vegetaties gedurende minimum 20 jaar. Voor deze installaties wordt in het plan-MER een voorkeur van plaatsing aangegeven op basis van een combinatie WTE/ETC/WTM en aangestipt dat er geen alternatieve locatiekeuze is binnen het projectgebied zelf. Dergelijke installaties zijn echter onverenigbaar met de huidige ruimtelijke bestemming natuur.
Zoals reeds uitvoerig toegelicht in voorgaande adviezen dienen voor de locatie van deze installaties alternatieven onderzocht te worden in of in de nabijheid van het voorgestelde plangebied. Een mogelijke alternatieve locatie op de afgewerkte zones van fase 1 werd bijvoorbeeld niet bekeken.”
9. Op 25 mei 2011 keurt de dienst Mer het plan-MER, dat tevens de passende beoordeling bevat, goed. Dit is de tweede bestreden beslissing, waarin onder meer het volgende wordt overwogen:
“Het onderzoek naar locatiealternatieven werd wel uitgevoerd voor de componenten van het industrieel proces voor de verwerking van de afvalstoffen. Het betreft die planonderdelen dewelke omschreven worden als tijdelijke installaties (t.t.z. materiaalrecyclage (WTM) [en] energetische valorisatie (WTE)[...]). In het basisonderzoek worden al deze activiteiten op de site voorzien. Bij het verder onderzoek naar locatiealternatieven diende ook de clustering als gevolg van de aaneenschakeling van de mogelijk te herlokaliseren planonderdelen in overweging te worden genomen. Hierdoor is het aantal combinaties beperkt. Het onderzoek naar een locatiealternatief voor bv. alleen materiaalrecyclage (WTM), waarbij energetische valorisatie [...] niet zou[...] worden geherlokaliseerd en dus binnen de grenzen van het CtC-projectgebied worden voorzien, is weinig zinvol. De locatiealternatieven werden dan ook enkel voorzien voor de mogelijke en zinvolle combinaties.
[...]
De veranderingen ten aanzien van de referentiesituatie die met elk van [de] alternatieven samengaan en de ruimtelijke implicaties werden onderzocht.
Uit het onderzoek blijkt dat het bundelen van WTM [en] WTE [...] op de site zelf als aangewezen alternatief naar voor komt. Het MER doet tegelijkertijd uitspraken over de aangewezen locaties voor deze activiteiten, gekoppeld aan een gedetailleerde fasering van de uitgraving van de te recycleren materialen. [...] Daarbij wordt ook de nadruk gelegd op de noodzaak tot simultaniteit : de realisatie van de duurzame natuurontwikkeling begint onmiddellijk na het uitgraven van een bepaalde zone en zal dus gelijktijdig verlopen met de verdere uitbating van de materialen elders in het plangebied.”
X-16.942-7/27
10. Bij besluit van de Vlaamse regering van 9 mei 2014 wordt het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Closing the Circle”
voorlopig vastgesteld.
11. Van 16 juni 2014 tot 14 augustus 2014 wordt het goedgekeurde plan-MER, samen met het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan aan een openbaar onderzoek onderworpen. Er worden acht opmerkingen en bezwaren ingediend, waaronder bezwaren door de eerste twee verzoekende partijen.
12. Op 19 september 2014 beslist de dienst Mer dat de laatstgenoemde opmerkingen en bezwaren geen aanleiding geven tot wijzigingen en keurt hij het plan-MER ongewijzigd goed. Dit is de derde bestreden beslissing.
13.1. Bij besluit van 6 maart 2015 stelt de Vlaamse regering het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Closing the Circle” definitief vast.
13.2. Verzoekers stellen tegen het laatstgenoemde besluit en tegen de in randnummer 9 vermelde beslissing annulatieberoep in bij de Raad van State (zaak A. 216.068/X-16.252), beslecht in arrest 239.354 van 11 oktober 2017.
14.1. Met een besluit van 10 januari 2017 verleent de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw aan de tweede tussenkomende partij een milieuvergunning voor “het verder exploiteren en veranderen van een afvalopslagplaats/stortplaats” binnen het ontginningsterrein van het gewestplan (hierna: de verleende milieuvergunning).
14.2. De eerste verzoekende partij stelt tegen de verleende milieuvergunning annulatieberoep in bij de Raad van State (zaak A. 221738/VII-
39.939). De zaak is hangende.
15. Op 23 januari 2017 verzoekt de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw de Raad van State, afdeling Wetgeving, advies te verstrekken over een ontwerp van besluit houdende intrekking van het in
X-16.942-8/27
randnummer 13.1 genoemde besluit en houdende het (opnieuw) definitief vaststellen van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Closing the Circle”.
In vergelijking met het in randnummer 13.1 genoemde besluit wordt in het ontworpen artikel 1.1, eerste lid, van de stedenbouwkundige voorschriften van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan een termijn van twintig jaar voor de verwezenlijking van de initiële bestemming van het deelgebied voor hergebruik van materialen en energie ingevoegd.
Over deze invoeging wordt in het op 22 februari 2017 door de afdeling Wetgeving verstrekte advies nr. 60.888/1 het volgende overwogen:
“In de aanhef van het ontworpen besluit [...] wordt vermeld dat deze invoeging plaatsvindt „in navolging van deze bezwaren en in navolging van het auditoraatsverslag van 19 september 2016 waarin de auditeur tot het besluit komt dat de tijdshorizon inderdaad determinerend was in de beoordeling‟. Dat laatste kan worden beschouwd als een erkenning van de noodzaak om een wettigheidsgebrek recht te zetten.”
16.1. Met een besluit van 26 januari 2017 verleent de deputatie van de provincieraad van de provincie Limburg aan de tweede tussenkomende partij een stedenbouwkundige vergunning onder voorwaarden voor “het ontbossen en wijzigen van het reliëf van de bodem: zandwinning en inrichten voor […] opslag van afval als aanloop naar het project „Closing the Circle‟” op percelen gelegen binnen het ontginningsterrein van het gewestplan (hierna: de verleende stedenbouwkundige vergunning).
16.2. De eerste verzoekende partij stelt tegen de verleende stedenbouwkundige vergunning een vordering tot schorsing en een annulatieberoep in de bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (zaak 1617/RvVb/0479/SA).
De vordering tot schorsing wordt verworpen bij arrest RvVb/S/1617/1129 van 22 augustus 2017 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen.
X-16.942-9/27
17.1. Op 17 maart 2017 neemt de Vlaamse regering het eerste bestreden besluit, waarvan het beschikkend gedeelte stelt:
“Artikel 1. Het besluit van de Vlaamse Regering van 6 maart 2015
houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan „Closing the Circle‟ in Houthalen-Helchteren wordt ingetrokken.
Art. 2. Het bij dit besluit gevoegd gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan „Closing the Circle‟ in Houthalen-Helchteren wordt definitief vastgesteld.
[...].”
17.2. Het door artikel 2 van het eerste bestreden besluit (opnieuw)
definitief vastgestelde gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Closing the Circle”
(hierna: het bestreden GRUP) herbestemt het ontginningsterrein van het gewestplan grotendeels tot “[g]ebied voor hergebruik van materialen en energie”, waarvoor artikel 1.1 van de stedenbouwkundige voorschriften het volgende stelt:
“Artikel 1.1. Bestemming Dit gebied is tijdelijk, voor een periode van 20 jaar vanaf het in werking treden van het plan, bestemd voor het opgraven en hergebruiken van het stortmateriaal, dat zich in het gebied bevindt, in functie van het winnen van grondstoffen en energie.
Alle handelingen die nodig of nuttig zijn voor de realisatie van de bestemming zijn toegelaten voor zover ze wat schaal en ruimtelijke impact betreft verenigbaar zijn met de omgeving.
[…]
Het opgraven, hergebruiken en tijdelijk opslaan van stortmateriaal, in functie van het winnen van grondstoffen en energie, gebeurt gefaseerd.
De fasering gebeurt met het oog op het maximaliseren van het hergebruik van de materialen en energie enerzijds en het beperken van de activiteiten in de tijd en het beperken van de impact op de omgeving en het zo snel mogelijk realiseren van de nabestemming natuur anderzijds.
Wanneer een fase volledig is ontgraven wordt het ontgraven gebied afgewerkt met het oog op de nabestemming als natuurgebied. Dit gebeurt vooraleer of minstens gelijktijdig met het aanvatten van de volgende fase.
Er dient zodanig ontgraven dat een uitgravingsfront wordt gecreëerd in de richting van de geluidsgevoelige zones: woonelementen en natuurgebieden. De ontgraving gebeurt zodanig dat de onontgonnen hogere gedeeltes zo een geluidsbuffer vormen.
Het opgraven, hergebruiken en tijdelijk opslaan van stortmateriaal, in functie van het winnen van grondstoffen en energie, en de afwerking van en het natuurontwikkelingsbeheer in de reeds opgegraven opslagplaatsen gebeuren met het oog op de nabestemming als natuurgebied.
Zolang de recyclage activiteit plaatsvindt gebeuren de tijdelijke opslag en het beheer ervan en het beheer van de afgewerkte opslagplaatsen met het
X-16.942-10/27
oog op het realiseren van tijdelijke natuurwaarden. Dit houdt in dat tijdelijke opslag zo veel als mogelijk wordt afgedekt met aangepaste materialen.
De bestaande bosranden aan Wolfsdal moeten behouden blijven en moeten worden beheerd in functie van het behoud en de versterking van het karakter als bosrand met een onderbegroeiing die ook functioneert als buffer en landschappelijke inkleding.
De intermediaire natuurwaarden worden aangehouden en ontwikkeld in de gebieden waarin tijdelijk geen graaf- of stortactiviteiten plaatsvinden. De inrichting en het beheer gebeurt in functie van het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen van de Speciale Beschermingszones in hoofde van de Vogelrichtlijn en van de Habitatrichtlijn.”
De boszone van communautair belang wordt door het bestreden GRUP integraal herbestemd tot “zone voor installaties”, waarvoor de stedenbouwkundige voorschriften het volgende stellen:
“1.5.1. Binnen de met een overdruk aangeduide zone zijn, naast de in artikel 1.1. vernoemde activiteiten ook gebouwen, met inbegrip van kantoorgebouwen, constructies en installaties voor de bewerking en verwerking van afval en energierecuperatie, toegelaten.
In dit gebied zijn eveneens toegelaten de inrichtingen zoals bedoeld in artikel 3 van het Samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, mits de externe risico‟s verbonden aan deze gevaarlijke stoffen (in het bedrijf) voldoen aan de in Vlaanderen geldende risicocriteria.
Om de effecten van de activiteiten op het vlak van stof, geur en geluid minimaal te houden dienen de activiteiten in deze zone die aanleiding kunnen geven tot stof-, geur- en geluidshinder in gebouwen of overdekt te gebeuren.
Gezien de te verwachten effecten van de activiteiten op het vlak van stof en geluid zijn ruimtelijke ingrepen verplicht die deze effecten beperken zoals onder meer de aanleg van aarden wallen, keermuren en schermen en het gebruik van materialen met een hoge akoestische demping.
De landschappelijke inkleding ten zuiden van de installaties moet één landschappelijk geheel vormen met de landschappelijke buffering van de aan te leggen Noord-Zuidverbinding N74.
Aanvoer van afvalmateriaal van buiten de site is toegelaten voor zover dit noodzakelijk is voor de optimale werking van de demo installatie en voor zover dit beperkt is tot maximaal 15.000 ton per jaar.
1.5.2. Als alle ter plaatse opgeslagen afval is verwerkt dienen alle gebouwen, overdekkingen, installaties, voorzieningen, constructies, handelingen, opslagfaciliteiten, circulatie-infrastructuren en opslagruimten, keermuren, aarden wallen, schermen te worden verwijderd en het terrein in een natuurlijke toestand gebracht voor de ontwikkeling van de nabestemming natuur.”
X-16.942-11/27
Ter verduidelijking volgt hierna een weergave van het bij het bestreden GRUP horend grafisch plan, waarop aanduidingen zijn aangebracht.
17.3. In het eerste bestreden besluit wordt onder meer het volgende gesteld:
“Overwegende dat in sommige bezwaren, opmerkingen en adviezen wordt vermeld dat voor de realisatie van Closing the Circle een deel van het betrokken gebied omgezet zal worden in industriegebied en dat een deel van het gebied opnieuw ontgonnen zal worden; dat een natuurgebied van 25 hectare wordt omgezet naar industriegebied; dat ook wordt gesteld dat niet aanvaard kan worden dat zones die tot op heden niet werden ontgonnen of niet zijn gebruikt als stortplaats wel worden opgenomen in een project dat gedurende tientallen jaren een louter industriële activiteit voorziet; dat grote delen van gebieden net zoals andere zones in het betrokken gebied zijn aangemeld als SBZ-gebieden of VEN-gebied zijn; [...]; dat in antwoord op deze opmerkingen kan worden verwezen naar de toelichtingsnota en naar het plan-MER waarin verduidelijkt is dat er tijdelijke installaties in een in omvang beperkt deel van het gebied, dat duidelijk en concreet op het grafisch plan is afgebakend, worden toegelaten om de verwerking van de aanwezige grondstoffen en energiewaarde mogelijk te maken; dat deze tijdelijke installaties en opslagmogelijkheden noodzakelijk zijn voor de verwerking van de aanwezige grondstoffen en energie en dus om op langere termijn natuurwaarden te ontwikkelen op de site; dat daarnaast kan worden gesteld dat er formeel gesproken geen industriegebied wordt aangeduid, vermits de tijdelijke installaties niet bestemd worden als industriegebied
X-16.942-12/27
omdat zij deel uitmaken van de activiteiten voor het hergebruiken van grondstoffen en energie en dus niet als louter industrieel kunnen aangemerkt worden; dat de toelichtingsnota ook de motivering bevat waarom het noodzakelijk is ook gebieden te betrekken waar voorheen nog geen ontginning heeft plaatsgevonden waarbij verwezen kan worden naar de mogelijkheden die geboden worden op basis van afgeleverde vergunningen enerzijds en naar de opvatting van het globale project voor winning van grondstoffen en energie anderzijds; dat in de stedenbouwkundige voorschriften een tijdelijk gebruik is gegarandeerd en op termijn ook de realisatie van natuurwaarden; dat het inzake de nabestemming natuur aangewezen is dat het gebied als één samenhangend geheel wordt beoordeeld en ingericht en dat er derhalve een opname binnen het GRUP is; dat op basis van het milieuonderzoek voor het geheel van het project en in het bijzonder voor wat betreft de delen die zijn aangemeld als SBZ-gebieden en aangeduid als VEN-gebied kon worden geoordeeld dat er geen significante negatieve effecten op fauna en flora verwacht worden; dat de uiteindelijke effecten na realisatie van het project beduidend significant positief zijn; dat het plan-MER milderende maatregelen voorziet die vertaald zijn in de verordenende delen van het plan; dat in de stedenbouwkundige voorschriften is opgenomen dat de afwerking van en het natuurontwikkelingsbeheer op de ontgraven opslagplaatsen dient te gebeuren in functie van het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen van de Speciale Beschermingszones in hoofde van de Vogelrichtlijn en van de Habitatrichtlijn; dat de stedenbouwkundige voorschriften eveneens bepalingen bevatten dat gebieden waarin geen graaf- of stortactiviteiten plaatsvinden, tijdelijk dienen te worden ingericht met het oog op de ontwikkeling van tijdelijke natuurwaarden in overeenstemming met de instandhoudingsdoelstellingen; dat deze bezwaren, opmerkingen en adviezen derhalve geen aanleiding geven tot inhoudelijke wijzigingen aan het plan.”
IV. Tussenkomsten
18. Gelet op hetgeen in randnummer 5 is gesteld vragen de nv J.M. Recycling en de nv Remo Milieubeheer terecht in het debat te mogen tussenkomen.
V. Ontvankelijkheid
Aangevoerde exceptie
19. De tussenkomende partijen betwisten de ontvankelijkheid ratione personae van het beroep.
X-16.942-13/27
De tussenkomende partijen wijzen er op dat de eerste verzoekende partij in een persbericht in het Belang van Limburg erkend heeft dat “het interessant is om zo een stort af te graven en om te zetten in natuurgebied”.
Bovenal wordt in het plan-MER de winst aan “duurzame natuur” als zeer tot uiterst significant positief beoordeeld. Volgens de tussenkomende partijen volgt uit het voorgaande dat het instellen van het beroep strijdig is met het doel van de eerste verzoekende partij om – met de woorden van artikel 6 van haar statuten –
te streven naar “de verbetering van het [...] natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving”.
Beoordeling
20. Zelfs als de stelling van de tussenkomende partijen wordt aangenomen dat de op de afvalopslagplaatsen aanwezige “natuur met zorg” door hun project zal worden omgezet in “duurzame natuur” blijft het een feit dat die stelling, evenals het in randnummer 19 aangehaalde persartikel, enkel betrekking hebben op het ontginningsterrein van het gewestplan en niet op de boszone van communautair belang.
21. De eerste verzoekende partij is een niet-gouvernementele organisatie met als werkingsgebied de provincie Limburg, die zich inzet voor milieubescherming in de zin van artikel 2, 5°, van het te Aarhus gesloten verdrag „betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden‟.
Het bestrijden van de herbestemming van de boszone van communautair belang tot “zone voor installaties” past in – en is dus geenszins tegenstrijdig met – het door de eerste verzoekende partij nagestreefde bijzondere doel.
22. De verzoekende partijen zouden elke rechtsbescherming verliezen wanneer hun beroep waarbij zij – in het eerste middel – de conclusies
X-16.942-14/27
van het plan-MER betwisten, onontvankelijk zou worden verklaard op grond van die conclusies.
23. Alvast in hoofde van de eerste verzoekende partij wordt de aangevoerde exceptie verworpen.
VI. Schorsingsvoorwaarden
24. Gelet op artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een akte of een reglement worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de beslissing prima facie kan verantwoorden en dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring.
VII. Onderzoek van het tweede onderdeel van het eerste middel
Standpunt van de partijen
25.1. In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 6 van richtlijn 92/43/EEG van 21 mei 1992 „inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora‟ (hierna: de habitatrichtlijn), van de artikelen 2, 36bis en 36ter van het natuurdecreet, van artikel 11 van het besluit van de Vlaamse regering van 3 april 2009 „betreffende de aanwijzing van speciale beschermingszones en de vaststelling van instandhoudingsdoelstellingen‟, alsook van het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
25.2. In het tweede middelonderdeel wordt onder meer verwezen naar ‟s Raads arrest nr. 238.181 van 12 mei 2017 waarbij het besluit van 27 maart 2015 van de Vlaamse regering tot definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Noord-zuidverbinding N74” werd vernietigd. Het in
X-16.942-15/27
het vernietigde gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan voorziene wegtracé liep doorheen het betrokken habitatrichtlijngebied, paalde aan de kwestieuze boszone van communautair belang en leidde tot een verlies van 0,12 ha aan Europese habitat “9190_doel („Oude zuurminnende bossen met Quercus robur op zandvlakten‟)”. In het laatstgenoemde vernietigingsarrest wordt onder meer gesteld:
“10.2.5.1. De in het plan-MER vermelde omstandigheid „dat de permanente inname van Europese habitats binnen de SBZ-gebieden kleiner is dan 1% van de totale oppervlakte van die habitat die in het SBZ
voorkomt‟, betreft de verwijzing naar een louter getalsmatige grens, die geenszins doet aannemen dat geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken SBZ‟s zou voorliggen.
[...]
10.2.5.3. De vernietiging van 0,12 ha zuurminnende eikenbossen ingevolge het gewestelijk RUP houdt een meetbaar en aantoonbaar gevolg in voor de staat van instandhouding van de habitat 9190. Dat het bos „nog niet volledig tot het oude bostype [behoort]‟, doet daaraan geen afbreuk, nu uitdrukkelijk wordt gesteld dat het er „de potenties‟ toe heeft, en het verlies van dit type in de passende beoordeling uitdrukkelijk zelf onder de rubriek „Direct verlies van Europees beschermde habitats‟ wordt vermeld.
Noch de beperkte oppervlakte van dit gebied, noch de omstandigheid dat het zuurminnende eikenbos geïsoleerd is, vermag aan het vastgestelde verlies afbreuk te doen, evenmin als het feit dat het in te nemen bosgebied „[...] zich [...] ter hoogte van een tunnel [bevindt], waar de tunneldaken kunnen ingericht worden als heidevegetaties, wat één van de doelhabitats is voor dit gebied in deze zone‟.
[...]
10.2.6. Uit het voorgaande volgt dat de verwerende partij zich in het bestreden besluit niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ze uit de passende beoordeling de zekerheid heeft gekregen dat het gewestelijk RUP geen meetbare en aantoonbare gevolgen voor de staat van instandhouding van SBZ‟s en geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van deze gebieden meebrengt.”
Verzoekers stellen in het tweede middelonderdeel verder onder meer dat de door het bestreden GRUP herbestemde boszone van communautair belang “tot op heden niet [werd] aangesneden voor welke activiteit dan ook” en dat zich binnen deze zone ongeveer 3 ha Europese habitat “Oude Zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met Quercus Robur” bevindt. Deze habitat is één van de redenen waarom het betrokken habitatrichtlijngebied aan de Europese Commissie is voorgesteld.
X-16.942-16/27
Volgens het verzoekschrift kan uit hetgeen in het opgemaakte plan-MER en de daarin vervatte passende beoordeling is gesteld geenszins blijken dat de herbestemming van de boszone van communautair belang geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken habitatrichtlijngebied zou kunnen veroorzaken.
In het plan-MER kan worden gelezen dat een afname tot 1% ten opzichte van de totale habitat in het habitatrichtlijngebied niet als significant wordt beschouwd. Verzoekers betwisten de aanvaardbaarheid van deze louter cijfermatige benadering en voegen er aan toe dat bovendien blijkt dat door het bestreden GRUP méér dan 1 % van de aanwezige oppervlakte van de habitat “Oude Zuurminnende eikenbossen op zandvlakten met Quercus Robur” zal verdwijnen.
Volgens verzoekers is het ten onrechte dat het plan-MER de directe inname van de laatstgenoemde habitat in de boszone van communautair belang aanmerkt als “tijdelijk verlies aan natura 2000-habitat” en als “niet-
significant” beoordeelt. De enige verantwoording die wordt gegeven is dat de boszone van communautair belang “de abiotische potenties [heeft om] na het verwijderen van de tijdelijke installaties […] tot Eikenberkenbossen hersteld te worden”. Verzoekers betwisten de juistheid van de premisse dat na het verwijderen van de afvalverwerkingsinstallaties de meergenoemde habitat onmiddellijk hersteld zal kunnen worden. In dat verband merken zij op dat enkel bossen die meer dan 100 jaar oud zijn tot dit habitattype worden gerekend, zodat na het vernietigen van het bos het herstel van dit type habitat bijzonder lang duurt.
Verzoekers besluiten dat de aangevoerde rechtsregels er aan in de weg staan dat, zoals hier is gebeurd, een plan wordt vastgesteld dat het verdwijnen tot gevolg heeft van een niet onaanzienlijke oppervlakte van het laatstgenoemde habitattype waarvoor het gebied specifiek is aangemeld.
X-16.942-17/27
26. Met betrekking tot het aangehaalde middelonderdeel stelt de verwerende partij in haar nota vooreerst dat de Raad van State, die enkel bevoegd is voor het beoordelen van de wettigheid van een ruimtelijk uitvoeringsplan, zijn beoordeling op het punt van de intrinsieke degelijkheid van een milieueffectbeoordeling niet in de plaats mag stellen van die van de dienst Mer.
De verwerende partij antwoordt verder dat de 1%-regel wel degelijk onderbouwd is. De door de erkende deskundige gehanteerde norm beoordeelt het effect op de oppervlakte aan habitat in het betrokken habitatrichtlijngebied.
De verwerende partij betwist dat er geen kwalitatieve analyse zou plaatsgevonden hebben. Zij benadrukt dat de oppervlakte van het betrokken habitatrichtlijngebied die tijdelijk verdwijnt ter realisatie van het bestreden GRUP
gespreid zal verdwijnen omdat het plangebied stukje per stukje zal worden afgegraven en omdat alvorens een nieuw stuk af te graven de nabestemming van het vorige stuk dient te worden gerealiseerd. Deze gefaseerde uitvoering wordt afdoende verzekerd door artikel 1.1 van de stedenbouwkundige voorschriften. Dit heeft tot gevolg dat tijdens de realisatie van het project tegelijkertijd slechts een beperkt deel aan habitatverlies zal plaatsvinden. De nota van de verwerende partij stelt dat de berekeningswijze van de verzoekers om “elk verlies aan oppervlakte [van het betrokken habitatrichtlijngebied] over de gehele periode van de exploitatie van het project simpelweg met elkaar op te tellen”, “haaks [staat] op de juridische en feitelijke gegevens van het dossier”. Volgens de verwerende partij zal tijdens de realisatie van het project tegelijkertijd slechts een beperkt deel aan habitatverlies plaatsvinden. Zij besluit dat de impactbeoordeling niet geldt voor de gehele periode van de exploitatie maar per fase moet bekeken worden.
27. Met betrekking tot het tweede middelonderdeel hernemen de tussenkomende partijen vooreerst de hiervoor aangehaalde tegenargumenten van de verwerende partij.
X-16.942-18/27
De tussenkomende partijen benadrukken dat er onweerlegbaar sprake is van een verbetering van de natuurwaarden omdat het opzet van het bestreden GRUP er in bestaat om na afwerking en valorisatie van de afvalopslagplaatsen over te gaan tot de inrichting en realisatie van een natuurgebied en een uitbreiding van het betrokken habitatrichtlijngebied. De tenuitvoerlegging van het bestreden GRUP zal een toename van Europese habitats tot gevolg hebben “op een quasi volledig afvalvrije bodem”. Meer bepaald zal de actueel bestaande “natuur met zorg” omgevormd worden tot “duurzame natuur” en zal de strook van het ontginningsterrein van het gewestplan die actueel nog niet behoort tot het betrokken habitatrichtlijngebied daarin worden opgenomen. De realisatie van een duurzame oppervlakte natura 2000-habitat “Droge heide” is terecht als zeer significant positief beoordeeld. Het kwalitatieve aspect van het natuurherstel kan op vandaag gemakkelijk beoordeeld worden aangezien het ontginningsterrein van het gewestplan sinds 2002 steeds op dezelfde wijze wordt geëxploiteerd:
- de toplaag wordt afgegraven en bewaard;
- de ontginning wordt gefaseerd doorgevoerd met een doorlooptijd van 2 tot 5 jaar;
- na elke fase wordt het herstel onmiddellijk opgestart en daardoor wordt het zaad van de verwijderde heide dat zich in de afwerkingslaag bevindt tijdig ingeschakeld in het spontane herstel van de uitgevoerde fase van ontginning.
De tussenkomende partijen voegen er aan toe dat, zoals bevestigd wordt in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, de significantie van effecten moet worden vastgesteld in het licht van de specifieke bijzonderheden en milieukenmerken van het beschermde gebied, waarbij meer bepaald rekening moet worden gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. Volgens de tussenkomende partijen kan bijvoorbeeld het verlies van 100 m² habitat significant zijn in het geval van een kleine standplaats van zeldzame orchideeën, maar onbeduidend in het geval van een uitgestrekt steppegebied.
X-16.942-19/27
De tussenkomende partijen stellen dat noch de Europese Commissie, noch het Hof van Justitie van de Europese Unie uitgaan van een “nultolerantie”, zoals die wordt voorgestaan door verzoekers. In het verzoekschrift tot tussenkomst wordt uit het vereiste dat de aantasting betekenisvol moet zijn afgeleid “dat er een marge van beoordeling bestaat in hoofde van de deskundigen, daarin gefiatteerd door de daartoe bevoegde overheid”.
Volgens de tussenkomende partijen is het grote verschil met andere zaken waarover het Hof van Justitie van de Europese Unie en de Raad van State reeds dienden te oordelen dat in het onderhavige geval slechts tijdelijk ecotopen verdwijnen.
Verder merken de tussenkomende partijen op dat in de boszone van communautair belang overwegend dennenaanplantingen en “een perceeltje droge heide en eikenberkenbos” voorkomen. Uit de passende beoordeling blijkt dat het tijdelijk verlies van eikenberkenbos een oppervlakte van 1 ha bedraagt, en dus niet ongeveer 3 ha zoals verzoekers aangeven.
Tot slot verzoeken de tussenkomende partijen dat indien de Raad van State “onmogelijkerwijze toch nog zou twijfelen aan de exacte draagwijdte van de ingeroepen Habitatbepalingen” hij een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie zou stellen over het hanteren van een getalsmatige grens na inhoudelijke analyse van het betekenisvolle karakter van een mogelijke aantasting van de natuurwaarden van de speciale beschermingszone.
Beoordeling
28. Artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn bepaalt:
“Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo‟n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het
X-16.942-20/27
gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden.”
Deze bepaling werd omgezet met artikel 36ter, §§ 3 en 4, van het natuurdecreet dat voor de wijziging ervan bij het decreet van 30 juni 2017 als volgt luidde:
“§ 3. Een vergunningsplichtige activiteit die, of een plan of programma dat, afzonderlijk of in combinatie met één of meerdere bestaande of voorgestelde activiteiten, plannen of programma‟s, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, dient onderworpen te worden aan een passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone. [...]
§ 4. De overheid die over een vergunningsaanvraag, een plan of programma moet beslissen, mag de vergunning slechts toestaan of het plan of programma slechts goedkeuren indien het plan of programma of de uitvoering van de activiteit geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken speciale beschermingszone kan veroorzaken. De bevoegde overheid draagt er steeds zorg voor dat door het opleggen van voorwaarden er geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan ontstaan.
[...].”
Artikel 2, 30°, van het natuurdecreet definieert “betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone” als volgt:
“een aantasting die meetbare en aantoonbare gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone, in de mate er meetbare en aantoonbare gevolgen zijn voor de staat van instandhouding van de soort(en) of de habitat(s) waarvoor de betreffende speciale beschermingszone is aangewezen of voor de staat van instandhouding van de soort(en) vermeld in bijlage III van dit decreet voor zover voorkomend in de betreffende speciale beschermingszone.”
29. Een ruimtelijk uitvoeringsplan is, zoals elke bestuurshandeling, onderworpen aan de materiëlemotiveringsverplichting, hetgeen inhoudt dat het
X-16.942-21/27
moet worden gedragen door rechtens verantwoorde motieven die blijken, hetzij uit het ruimtelijk uitvoeringsplan zelf, hetzij uit de stukken van het dossier.
30. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat de overheid haar besluiten op een zorgvuldige wijze moet voorbereiden door de relevante gegevens en de op het spel staande belangen te inventariseren en deze gegevens en belangen tegen elkaar af te wegen in het licht van het doel van het besluit.
31. Het bestreden GRUP impliceert de ontbossing van de in het betrokken habitatrichtlijngebied gelegen boszone van communautair belang en de verharding ervan zodat binnen die zone de afvalverwerkingsinstallaties en de bijhorende infrastructuur kunnen worden opgericht. Aldus zal op het eerste gezicht het in de boszone van communautair belang bestaande bos, met inbegrip van het oud zuurminnend eikenbos op zandvlakte met Quercus robur (habitattype 9190), vernietigd worden.
32. De door de verwerende en de tussenkomende partijen aangevoerde argumenten in verband met de gefaseerde afgraving van de stortplaatsen en de verbetering van de kwaliteit van de op die stortplaatsen aanwezige natuur hebben op het eerste gezicht enkel betrekking op terreinen die in het verleden als stortplaats zijn gebruikt. Dergelijke terreinen bevinden zich uitsluitend in het ontginningsterrein van het gewestplan en niet in de boszone van communautair belang, waaruit logischerwijs lijkt te volgen dat voor die boszone de laatstgenoemde argumenten hoe dan ook niet kunnen gelden.
33. Wat de boszone van communautair belang betreft, lijkt de redenering van de plannende overheid er op neer te komen dat geen significante gevolgen te verwachten zijn omdat over twintig jaar de afvalverwerkingsinstallaties en de bijhorende infrastructuur verwijderd zullen worden, zodat er in de meergenoemde zone opnieuw natuur kan ontstaan, gelet op het feit dat – met de woorden van het bestreden besluit – “de zones waarin de installaties worden toegelaten, na exploitatie en ontmanteling van de installaties,
X-16.942-22/27
hun abiotische geschiktheid behouden om voedselarme habitats zoals [...]
autochtoon eikenberkenbos tot ontwikkeling te laten komen”.
34. In antwoord op een door de Raad van State in de zaak Orleans gestelde vraag heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest van 21 juli 2016 (zaken C-387/15 en C-388/15) het volgende geoordeeld:
“Artikel 6, lid 3, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992
inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna moet aldus worden uitgelegd dat maatregelen die zijn opgenomen in een plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een gebied van communautair belang, en die erin voorzien dat, voordat zich negatieve gevolgen voordoen voor een aldaar voorkomend type natuurlijke habitat, er een toekomstig areaal van dat type wordt ontwikkeld, waarvan de ontwikkeling evenwel zal worden voltooid na de beoordeling van de significantie van de mogelijke aantasting van de natuurlijke kenmerken van dit gebied, niet in aanmerking kunnen worden genomen bij die beoordeling. Dergelijke maatregelen kunnen in voorkomend geval slechts als „compenserende maatregelen‟ in de zin van artikel 6, lid 4, worden aangemerkt wanneer is voldaan aan de daarin gestelde voorwaarden.”
35. Wat de boszone van communautair belang betreft, valt prima facie niet in te zien hoe het bestreden GRUP aanzien zou kunnen worden als een plan dat direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het betrokken habitatrichtlijngebied, vermits, zoals ook de Europese Commissie aanneemt, het begrip “beheer” in artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn geacht moet worden betrekking te hebben op het beheer met het oog op het behoud van een gebied (Europese Commissie, Beheer van “Natura 2000”-gebieden. De bepalingen van artikel 6 van de habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG), 2000, p. 33, nr. 4.3.3).
36. Op het eerste gezicht gaat het in tegen de leer van het in randnummer 34 aangehaalde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie om natuur, waarvan de ontwikkeling ten vroegste zal aanvangen in 2037 en die dus zal worden voltooid (lang) na de beoordeling van de significantie van de mogelijke aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken habitatrichtlijngebied, reeds in aanmerking te nemen bij die beoordeling.
X-16.942-23/27
37. Er is geen aanleiding om de door de tussenkomende partijen voorgestelde vraag, die betrekking heeft op een ander onderwerp dan de leer van het in randnummer 34 aangehaalde arrest, aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen.
38. Het tweede middelonderdeel is in de aangegeven mate ernstig.
VIII. Voorwaarde van de spoedeisendheid
Standpunt van de partijen
39. In het verzoekschrift wordt er op gewezen dat het bestreden GRUP een aanzienlijk nadeel impliceert voor de in het plangebied aanwezige natuurwaarden en bijgevolg voor de eerste verzoekende partij. Zo laat dit GRUP
een afvalverbrandingsoven toe binnen een gebied dat voordien was bestemd als natuurgebied, en dat is aangeduid als speciale beschermingszone. Europees beschermde habitats binnen het plangebied, zoals het bos in de boszone van communautair belang, zullen onherroepelijk verloren gaan.
Verder wordt in het verzoekschrift benadrukt dat de realisatie van het bestreden GRUP “met urgentie wordt benaarstigd”, gelet op de reeds verleende vergunningen en de vergunningen die zijn aangevraagd en allicht in de komende maanden zullen worden verleend.
40. In haar nota stelt de verwerende partij vooreerst dat verzoekers nalaten om aan te tonen dat er in casu sprake is van een persoonlijk nadeel, minstens wordt dit onvoldoende aannemelijk gemaakt.
Verder wijst de verwerende partij er op dat de eerste verzoekende partij de verleende milieuvergunning en de verleende stedenbouwkundige vergunning aanvecht voor respectievelijk de Raad van State en de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Dit impliceert dat de uitvoering van de reeds verleende vergunningen het voorwerp uitmaakt van andere procedures.
X-16.942-24/27
De eventuele schorsing van het bestreden GRUP kan volgens de verwerende partij geen invloed hebben op de reeds verleende vergunningen.
41.1. De tussenkomende partijen stellen vooreerst dat verzoekers er niet in slagen om, zoals zij hadden moeten doen, aan te tonen dat het bestreden GRUP de huidige situatie, zijnde een situatie waarbij de exploitatie en ontginning van het gebied reeds in volle uitvoering is, dermate zou verslechteren dat de annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
41.2. Verder verwijten de tussenkomende partijen verzoekers dat zij “focussen […] op een bepaalde periode tijdens de uitvoering van het [bestreden GRUP] waarin er een tijdelijke afname van habitats is maar […] het einddoel van het ruimtelijk uitvoeringsplan met (veel) meer beschermde habitats niet in overweging [willen] nemen”. De tussenkomende partijen benadrukken dat na de realisatie van het bestreden GRUP door de ontwikkeling en valorisatie van het gebied en de afwerking als natuurgebied er een situatie zal ontstaan die veel gunstiger is voor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken speciale beschermingszones. Volgens de tussenkomende partijen gaat de eerste verzoekende partij er aan voorbij dat het realiseren van duurzame natuur precies het doel is van het bestreden GRUP dat aldus overeenstemt met haar statutaire doelstelling.
Beoordeling
42.1. Terecht wordt in het verzoekschrift aangevoerd dat, gelet op de reeds verleende en aangevraagde vergunningen, het risico reëel is dat in de eerstkomende maanden onherstelbare schade zal worden toegebracht aan het bos in de boszone van communautair belang. Deze schade raakt evident op nadelige wijze de statutaire doelstelling – natuurbescherming – van de eerste verzoekende partij.
42.2. De beroepen van de eerste verzoekende partij tegen de verleende milieuvergunning en de verleende stedenbouwkundige vergunning
X-16.942-25/27
geven blijk van de diligentie van deze partij bij haar poging om de realisatie van het bestreden GRUP te voorkomen. Anders dan de verwerende partij dit blijkbaar ziet ondergaven noch deze vergunningen, noch de beroepen daartegen de spoedeisendheid van de onderhavige vordering.
43. Terecht wordt in het verzoekschrift ter onderbouwing van de spoedeisendheid een nadeel aangevoerd dat zich dreigt voor te doen in de eerstkomende maanden, voorafgaand aan de uitspraak van de Raad van State over het annulatieberoep. Deze onderbouwing wordt niet onderuit gehaald door de in randnummer 41.2 aangehaalde argumentatie van de tussenkomende partijen die wezenlijk steunt op een situatie die zich beweerdelijk voor zou doen na 2037.
44. Wat de in randnummer 41.1 aangehaalde argumentatie van de tussenkomende partijen betreft, volstaat het vast te stellen dat zij betrekking heeft op het ontginningsterrein van het gewestplan en bijgevolg vreemd is aan de boszone van communautair belang en dus aan het in randnummer 42.1 genoemde risico.
45. De in het verzoekschrift aangevoerde spoedeisendheid verantwoordt de schorsing van – alleen – artikel 2 van het eerste bestreden besluit.
BESLISSING
1. Het verzoek van de nv J.M. Recycling en de nv Remo Milieubeheer tot tussenkomst wordt ingewilligd.
2. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 17 maart 2017
“houdende intrekking van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 maart 2015 houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan „Closing the Circle‟ in Houthalen-Helchteren en houdende
X-16.942-26/27
definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan „Closing the Circle‟ in Houthalen-Helchteren”.
De Raad van State verwerpt de vordering voor het overige.
3. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk geschorste besluit.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf december 2017, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier.
De griffier De voorzitter
Silvan De Clercq Johan Lust.
X-16.942-27/27
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.079