Court dismisses suspension request for disciplinary dismissal due to lack of urgent necessity under new law.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request to suspend the enforcement of a disciplinary dismissal decision. The applicant argued the dismissal caused a severe disadvantage but failed to meet the statutory requirement of urgent necessity under the 2014 procedural reform. The court ruled that merely wishing to avoid the consequences of the decision does not constitute urgent necessity, especially when the applicant's arguments were vague and lacked concrete verification.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 17, § 1 of the coordinated Council of State laws; A suspension request requires urgent necessity, not merely a desire to avoid consequences or moral disadvantage.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE IXe KAMER
nr. 240.065 van 4 december 2017
in de zaak A. 222.269/IX-9076
In zake: Patricia JANSSENS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bert Beelen kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de VLAAMSE GEMEENSCHAP
die woonplaats kiest bij de juridische cel van de afdeling Advies en Ondersteuning onderwijsPersoneel gevestigd te 1210 Brussel Hendrik Consciencegebouw Koning Albert II-laan 15
Tussenkomende partij:
het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep 11 “Leuven-Tienen-Landen”
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Stommels kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 220 bus 14
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 25 april 2017, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de kamer van beroep van het Ge-
meenschapsonderwijs van 21 februari 2017 waarbij aan Patricia Janssens de tuchtmaatregel van de terugzetting in rang wordt opgelegd.
IX-9076-1/7
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
Met een verzoekschrift van 16 juni 2017 heeft het Gemeen-
schapsonderwijs, vertegenwoordigd door scholengroep 11 “Leuven-Tienen-
Landen”, gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen.
Auditeur Barbara Speybrouck heeft een verslag opgesteld.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 november 2017.
Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge-
bracht.
Advocaat Ted Kappetijn, die loco advocaat Bert Beelen ver-
schijnt voor de verzoekende partij, adjunct van de directeur Frederik Stevens, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Sabien Lust, die loco advocaat Marc Stommels verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.
Auditeur Barbara Speybrouck heeft een met dit arrest eenslui-
dend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-
coördineerd op 12 januari 1973.
IX-9076-2/7
III. Feiten
3. Aan de vooravond van de bestreden beslissing is verzoekster vastbenoemd directeur in een onderwijsinstelling van het Gemeenschapsonder-
wijs.
Op 23 november 2016 beslist de raad van bestuur van de be-
trokken scholengroep om aan verzoekster voor bewezen bevonden tenlasteleg-
gingen de tuchtstraf van de terugzetting in rang op te leggen.
De kamer van beroep voor het personeel van het Gemeen-
schapsonderwijs bevestigt op 21 februari 2017 met de thans bestreden beslissing de voormelde tuchtmaatregel.
IV. Tussenkomst
4. Het Gemeenschapsonderwijs is auteur van de in graad van be-
roep bevestigde tuchtmaatregel en heeft er belang bij dat de vordering wordt af-
gewezen. Bijgevolg moet zijn verzoek worden ingewilligd.
V. Regelmatigheid van de rechtspleging
5. Verzoekster heeft na ontvangst van de nota met opmerkingen een „memorie van wederantwoord‟ ingediend. In de schorsingsprocedure is niet voorzien in de mogelijkheid om nog schriftelijk te repliceren op de nota van de verwerende partij, zodat dit stuk niet in het debat wordt ontvangen.
VI. Schorsingsvoorwaarden
6. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling
IX-9076-3/7
ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.
VII. Spoedeisendheid
Uiteenzetting
7. In het inleidend verzoekschrift beroept verzoekster zich op de spoedeisendheid als volgt:
“Terugzetting in graad is feitelijk de op één na zwaarste tuchtstraf en daarmee al zeer vernederend.
In het bijzonder is dit zo wanneer het personeelslid daardoor zijn leiding-
gevende functies verliest.
(RvS 14 maart 2001, nr. 93.962,Gerrits)
In voorliggend geval heeft men verzoekster zo lijkt het wel, extra willen vernederen door haar als voormalig directeur nu te werk te willen stellen als opvoedster op de middelschool te Kessel-Lo op de terreinen waar ook de algemeen directeur zijn bureel houdt.
Het lijdt geen twijfel dat dit gegeven zulk een zware vernedering een mo-
reel moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaakt. ( zie o.a. RvS 15 mei 1998, nr. 73.698, Demotte; RvS 4 februari 2002, nr. 103.132, B nr. 93.962, Braeckman)
Dit moeilijk te herstellen en ernstig nadeel zo het resultaat ten gronde zou moeten worden afgewacht maakt een onherroepelijke schade uit die de spoedeisendheid v/d vordering bevestigd.
Aan deze schorsingsvoorwaarde is zodoende voldaan.”
Beoordeling
8. Een verzoekende partij die de schorsing van de tenuitvoerleg-
ging van een bestreden beslissing beoogt te verkrijgen, is ertoe gehouden in haar verzoekschrift een op de omstandigheden van haar zaak betrokken uiteenzetting op te nemen die ziet op de voorwaarde van de spoedeisendheid en waarin zij aan de hand van concrete, precieze en dienstige gegevens uitlegt in welke mate zij on-
herroepelijke schadelijke gevolgen zou ondergaan indien het resultaat van het beroep tot nietigverklaring zou moeten worden afgewacht.
IX-9076-4/7
Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden on-
derbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de be-
streden beslissing is.
9. Weliswaar onder het opschrift „spoedeisendheid‟, zet verzoek-
ster uiteen waarom de opgelegde tuchtstraf volgens haar een “moeilijk te herstellen ernstig nadeel” betekent.
De voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is als schorsingsvoorwaarde verlaten sinds de hervorming van de schorsingsprocedure bij wet van 20 januari 2014, die in werking is getreden op 1 maart 2014. Thans staat ter beoordeling van de Raad van State een volkomen andere wettelijke voorwaarde – de spoedeisendheid – waarvan de wettelijke draagwijdte niet gelijk is aan die van de vereiste van „moeilijk te herstellen ernstig nadeel‟.
Door gewag te maken van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, zonder ook maar enige concrete band te leggen met de spoedeisendheid van de zaak, gaat de aangehaalde uiteenzetting voorbij aan de hervorming, on-
dertussen reeds meer dan drie jaar geleden, van de schorsingsprocedure.
10. Het is duidelijk dat verzoekster de gevolgen van de bestreden beslissing niet al te lang wíl ondergaan, maar dit volstaat niet als overtuigende reden waarom zij die onmogelijk kán ondergaan in afwachting van de uitspraak ten gronde.
11. Verzoekster beroept zich in wezen enkel op een moreel nadeel, zonder te verduidelijken waarom de morele genoegdoening van het door een nie-
tigverklaring te verlenen rechtsherstel in haar specifieke situatie te laat zou komen.
IX-9076-5/7
Ten overvloede zij opgemerkt dat de bestreden beslissing zich niet uitspreekt over de tenuitvoerlegging van de tuchtmaatregel. Daargelaten of verzoekster in haar tewerkstelling te Kessel-Lo terecht een “extra” vernedering mag zien, dan heeft die “extra vernedering” niet met de thans bestreden beslissing te maken maar wel met latere beslissingen die niet het voorwerp vormen van de huidige vordering.
12. De minimalistische uiteenzetting van verzoekster mist de noodzakelijke concrete, op de eigen situatie toegeschreven gegevens die, in de omstandigheden eigen aan de zaak, de spoedeisendheid vermogen aan te tonen.
Er is dan ook niet voldaan aan ten minste één van de voor-
waarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.
BESLISSING
1. Het verzoek van het Gemeenschapsonderwijs, vertegenwoordigd door scholengroep 11 “Leuven-Tienen-Landen” tot tussenkomst in het admini-
stratief kort geding wordt ingewilligd.
2. De Raad van State verwerpt de vordering.
IX-9076-6/7
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 4 december 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier.
De griffier De voorzitter
Vera Wauters Geert Van Haegendoren
IX-9076-7/7
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.065