Belgian court dismisses appeal for administrative review of art subsidy denial as beyond judicial power.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Belgian Council of State rejected the applicant's request for a review of the Minister of Culture's decision to deny an art subsidy. The applicant sought not only a reversal of the denial but also symbolic restoration of honor and an evaluation of the commission's members. The court ruled that as a legality judge, it lacks the authority to review or replace the administrative decision, limiting its role to declaring acts void if illegal.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticle 14, § 1 of the Rules of Procedure of the Council of State; The Council of State, acting as a legality judge, may only annul illegal administrative acts and cannot review or substitute its own decision for the administration.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE IXe KAMER
nr. 240.062 van 4 december 2017
in de zaak A. 222.839/IX-9111
In zake: Monique DE RAE
gevestigd te 3920 Lommel Slinkerstraat 32
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Robert Peeters kantoor houdend te 3090 Overijse Brusselsesteenweg 506
tegen:
de VLAAMSE GEMEENSCHAP
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frederik Vandendriessche kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25
I. Voorwerp van het beroep
1. Met een op 7 augustus 2017 ter post aangetekend verzonden verzoekschrift vordert de verzoekende partij het volgende:
“- De herziening van de beslissing van de Minister van Cultuur om Mo-
nique De Rae (dossiernummer 025282) geen subsidie toe te kennen - Een eerherstel te bekomen voor Monique De Rae, kunstschilder en haar werken over ‘De Blauwogige Lady’.
- Een eerherstel te bekomen voor de professionele internationale kunstor-
ganisaties die beschouwd worden door de Minister als ‘amateurscircuit’ - Een evaluatie te bekomen over de geschiktheid van de individuen die zetelen in de beslissende kunstcommissie van het Kunstendecreet.”
IX-9111-1/6
II. Verloop van de rechtspleging
2. Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 november 2017.
Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge-
bracht.
Advocaat Jan De Groote, die loco advocaat Robert Peeters verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Frederik Vandendriessche, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-
coördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. Bij brief van 15 juni 2017 deelt de Vlaamse minister van Cultuur het volgende mee aan verzoekster:
“Geachte Mevrouw De Rae, Ik heb met aandacht uw brief van 29 mei 2017 gelezen betreffende uw aanvraag (025282) voor het bekomen van een projectsubsidie als indivi-
dueel kunstenaar in de tweede ronde 2017 onder de voorwaarden van het
IX-9111-2/6
Kunstendecreet. Bovendien heb ik ook vernomen dat u een brief gericht hebt aan de directeur Kunsten betreffende hetzelfde dossier.
Ik ben zo vrij om voor beide brieven aan u een antwoord te formuleren.
Na het lezen van uw opmerkingen en vragen hieromtrent kom ik tot de vaststelling dat er een verwarring heerst omtrent de interpretatie van de begrip ‘professioneel actief’ zijn, zoals dit begrip gehanteerd wordt, ener-
zijds voor een ‘tussenkomst buitenlands publiek presentatie-moment kun-
stenaar (TBPP)’ (uw aanvraag 025216) en een ‘projectaanvraag kunste-
naar’ (uw aanvraag 025282), wat begrijpelijk is, maar wat verduidelijkt kan worden door dieper in te gaan op het verschil tussen beide voornoemde subsidiesoorten en de manier waarop beide concreet geadviseerd worden.
Bij de TBPP, waar het gaat om beperkte bedragen, gebeurt er een louter formele toetsing van de vraag: ‘Is de artistieke activiteit van de aanvrager, waarvoor subsidie wordt gevraagd, zijn/haar hoofdbezigheid?’ Deze voornamelijk technische ‘ja/nee-vraag’ kan eenvoudig afgetoetst worden door een medewerker van de administratie.
Bij projectsubsidies, waar het al vlug gaat om hogere bedragen, gebeurt de beoordeling van dit criterium door een artistieke beoordelingscommissie, bestaande uit zeven experts uit het veld. Hier gaat het niet om een louter technische aftoetsing, maar om een inhoudelijke afweging binnen een compleet verschillend beoordelingskader. Hier wordt immers niet enkel de individuele praktijk van de aanvrager bekeken, maar ook de context van het volledige hedendaagse professionele kunstveld weegt hier door. Dit vereist een veel complexere vorm van beoordeling die ook aspecten omvat als: de relevantie en weerklank van het oeuvre binnen de professionele sector, het niveau van netwerking en samenwerkingsverbanden, en de zichtbaarheid en spreiding van het werk binnen het Vlaamse kunstenveld.
Met andere woorden, niet de loutere activiteits- of productiegraad wordt hier beoordeeld, maar vooral de (effectiviteit van) initiatieven die een kunstenaar neemt op vlak van zijn/haar artistieke parcoursontwikkeling en positionering binnen het professionele kunstenveld. Uiteraard is de pro-
ductie van artistiek interessant en kwaliteitsvol werk een eerste stap in het ontwikkelen van een professioneel parcours als kunstenaar, maar daar houdt het dus niet op. Van een kunstenaar op professioneel niveau wordt eveneens verwacht dat hij/zij inspanningen levert om een actief netwerk aan te leggen en zijn/haar werk zoveel mogelijk tentoon te stellen op de juiste locaties – d.i. op die toonplekken waar het juiste publiek voor het getoonde werk komt.
In haar advies stelt de beoordelingscommissie vast: ‘De aanvrager heeft bijna geen noemenswaardige banden met het professionele kunsten in Vlaanderen. [...] Er zijn geen tentoonstellingen of uitnodigingen van ge-
renommeerde musea, kunsthallen, galeries, of zelfs cc’s. [Kunstenares Monique] De Rae huurt integendeel zelf elke twee jaar met eigen middelen een ruimte in het Belfort in Brugge af [...] Er zijn dan ook geen noe-
menswaardige samenwerkingsverbanden van belang te vermelden. [De aanvrager] bekleedt daardoor een geïsoleerde positie in het kunstenveld.’ Ik stel vast dat uw werk dus zelden tentoon gesteld wordt en slechts op een beperkt aantal plekken, zodat hiermee niet het publiek wordt bereikt dat
IX-9111-3/6
actief geïnteresseerd is in het type kunst dat zich inschrijft binnen het ar-
tistiek discours dat momenteel binnen het (internationale) kunstveld ge-
voerd wordt, en dat dienst doet als referentiekader voor (de ontwikkeling van) de hedendaagse professionele kunstpraktijk. Dit beeld wordt overi-
gens bevestigd door uw website, waar op de pagina ‘agenda en expo’s’ enkel vermeld wordt: ‘Permanente tentoonstelling (enkel op afspraak):
Studio - Atelier Monique De Rae’.
In deze marge wil ik ook graag benadrukken dat de termen ‘amateurkun-
sten’ en ‘amateurkunstenaar’ voor de beoordelingscommissie geen nega-
tieve, laat staan denigrerende, connotaties hebben. Hiermee doet de be-
oordelingscommissie m.a.w. geen uitspraken over de intrinsieke kwaliteit en waarde van uw artistiek werk an sich. Deze term wordt enkel gehanteerd om het verschil aan te duiden tussen ‘professioneel vs. niet-professioneel actief binnen het hedendaagse kunstenveld’. Voor de juiste interpretatie van deze begrippen verwijs ik graag naar bovenstaande verduidelijking.
Verder in uw brief stel ik vast dat de commentaar van de beoordelings-
commissie verkeerd geduid wordt waarin u laat uitschijnen dat deze commissie van oordeel is dat uw kunstwerken geen reflectie of diepgang hebben. In het advies van de commissie lees ik echter: ‘Er werd niet na-
gedacht over de manier van presenteren of het creëren van een interessante context voor deze tentoonstelling. De schilderijen worden getoond zonder meer, zonder enige diepgang of reflectie.’ Het gaat hier dus over de pre-
sentatiecontext, en niet over de werken zelf. De beoordelingscommissie verwijst hierbij naar het belang van het tentoonstellingskader (kwaliteit van de ruimte, opbouw van de tentoonstelling, duiding van de werken, ...) voor de getoonde werken – d.i. de manier waarop de presentatiewijze een meer-
en minderwaarde voor de werken kan betekenen, en hoe de belevingswijze van een tentoonstelling als geheel een onmiskenbaar effect heeft op het beeld dat de toeschouwer zich vormt over een kunstenaarsoeuvre. Een onvoldoende kwaliteitsvolle presentatiecontext doet de getoonde werken oneer aan, en kan dus schadelijk zijn. Uit het dossier kon de beoorde-
lingscommissie niet opmaken of u zich hier voldoende bewust van bent en/of hier voldoende aandacht aan werd besteed. Het is dan ook logisch dat de beoordelingscommissie haar bezorgdheid hierover verwoordt in het ar-
tistieke advies.
De beoordelingscommissie bekijkt iedere aanvraag namelijk binnen de context van het Kunstendecreet, dat dient ter ondersteuning van de he-
dendaagse professionele kunstsector in Vlaanderen. De afweging of het hier gaat om een kunstpraktijk die zich situeert binnen dit professionele veld, is dan ook de basis van elk advies. In dit geval stelde beoordelings-
commissie vast dat het artistieke oeuvre van de kunstenares zich situeert binnen een ander circuit dan het professionele hedendaagse kunstveld, waar niets ‘fout’ of ‘minderwaardig’ aan is. Artistiek werk dat door de beoordelingscommissie wordt omschreven als ‘verdienstelijk, met een ei-
gen signatuur’, en dat een stevig verankerde positie heeft binnen het niet-professionele circuit, heeft absoluut een waarde op zich. Het betekent echter eveneens dat het niet in aanmerking komt voor subsidiëring via het Kunstendecreet – waardoor een positief advies dus uitgesloten is.
IX-9111-4/6
Over de essays van de kunstenaar – die ook kort in uw brief worden aan-
gehaald – heeft de beoordelingscommissie zich niet uitgesproken, laat staan geschreven dat deze ‘waardeloos’ zouden zijn.
Ik begrijp heel goed dat zo’n negatief artistiek advies confronterend is voor elke kunstenaar maar ik hoop toch u de nodige achtergrondinformatie te hebben verschaft om het artistieke advies van de beoordelingscommissie in een juist kader te plaatsen zodat dit door u op een juiste manier geïnter-
preteerd kan worden.”
IV. Toepassing kortedebattenprocedure – rechtsmacht van de Raad van State
4. Als wettigheidsrechter is de Raad van State op grond van arti-
kel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State enkel bevoegd om, binnen de grenzen van het hem ontvankelijk voorgelegde geschil, een onwettig gebleken administratieve handeling te vernietigen. Hij is geen rechter die in hoger beroep kennis neemt van de betwisting die een verzoekende partij heeft met het bestuur en die een eigen beslissing in de plaats kan stellen.
5. Verzoekster vraagt aan de Raad van State om de “herziening”
van de beslissing van de minister van Cultuur, zij vraagt eerherstel voor zichzelf, voor haar werk en voor “professionele internationale kunstorganisaties” en zij vraagt de Raad van State om een evaluatie “over de geschiktheid” van de leden van de betrokken kunstcommissie.
Met deze vorderingen legt verzoekster vorderingen voor aan de Raad van State die zijn rechtsmacht als wettigheidsrechter te buiten gaan. Noch voormeld artikel 14, noch enige andere grondwets- of wetsbepaling, verleent de Raad van State de bevoegdheid om een bestreden besluit te herzien, om eerherstel te verlenen of om leden van een kunstcommissie te evalueren.
6. Het beroep is bijgevolg onontvankelijk.
Louter ten overvloede merkt de Raad van State nog op dat het verzoekschrift geen uiteenzetting van een middel bevat, zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 3°, van het algemeen procedurereglement. Zelfs met de meest welwillende
IX-9111-5/6
lezing van het verzoekschrift kan ook om die reden de gevorderde “herziening”
van het ministerieel besluit van 15 juni 2017 niet als een beroep tot nietigverklaring van hetzelfde ministerieel besluit worden opgevat.
7. Het auditoraat heeft terecht gemeend dat de afhandeling van het beroep slechts een kort debat vereist.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 200 euro.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 4 december 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.
De griffier De voorzitter
Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren
IX-9111-6/6
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.062