Belgian court dismisses appeal as procedural interest lost after final permit issued without challenging it.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's appeal against a Flemish minister's decision partially upholding a trial environmental permit. Although the applicant initially challenged the trial permit, they subsequently failed to contest the final permit issued before the trial period expired. The court ruled that the applicant lost their legal interest in challenging the trial permit because the final permit, which was not challenged, absorbed the earlier one and rendered the trial permit's existence irrelevant to the current legal situation.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 10 and 11 of the Code of Administrative Justice; A party loses the interest in challenging a trial administrative act if they fail to challenge the subsequent final act that renders the trial act legally absorbed and irrelevant to the current legal situation.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 240.042 van 30 november 2017
in de zaak A. 216.721/VII-39.457.
In zake : Rony WELLENS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Martin Denys kantoor houdend te 1560 Hoeilaart de Quirinilaan 2
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Vanpraet kantoor houdend te 8210 Zedelgem Spoorwegstraat 11
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partij :
de NV STEENACKER
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Verbeke en Jan Ghysels kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 187
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 14 augustus 2015, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 19 juni 2015 waarbij de bestuurlijke beroepen tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 4 december 2014, houdende het verlenen aan de NV Steenacker van de milieuvergunning op proef voor de verandering van een inrichting voor afbraak- en grondwerken en de
VII-39.457-1/7
bijhorende opslag van afvalstoffen, gelegen aan de Louis Marcelisstraat 49 te Wezembeek-Oppem, slechts gedeeltelijk gegrond worden verklaard.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 4 november 2015. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.
Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld.
Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 november 2017.
Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Martin Denys, die verschijnt voor verzoeker, advocaat Yannick Peeters, die loco advocaat Jürgen Vanpraet verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Lies Vanquathem, die loco advocaat Stijn Verbeke verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
VII-39.457-2/7
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. De tussenkomende partij dient op 19 maart 2014 bij de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant een milieuvergunningsaanvraag in voor het veranderen van een inrichting voor afbraak- en grondwerken en de bijhorende opslag van afvalstoffen, gelegen aan de Louis Marcelisstraat 49 te Wezembeek-Oppem.
Tot het voorwerp van de aanvraag behoort onder meer de uitbreiding van de inrichting met:
- de opslag van 125 ton bouw- en sloopafval, afvalhout, metalen en steenpuin;
- de opslag van 25 ton gebonden asbest;
- de opslag en mechanische behandeling van 200 m³ steenpuin;
- de opslag en mechanische behandeling van 25 ton hout;
- het bijkomend lozen van 400 m³/jaar bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat;
- een schouwput voor het nazicht van motorvoertuigen;
- de opslag van 6.400 kg cement, 200 kg antivries en 200 kg ruitenwisservloeistof;
- de opslag van 200 liter antivries en 200 liter ruitenwisservloeistof;
- de opslag van 416 liter hydraulische olie;
- een brandstofverdeelslang;
- de mechanische behandeling van metalen met een totaal geïnstalleerd vermogen van 7,7 kW;
- de mechanische behandeling van minerale producten, zijnde een zeeftrommel met een vermogen van 140 kW en een mengbak voor gestabiliseerd zand met een vermogen van 80 kW.
VII-39.457-3/7
Tevens wordt gevraagd te mogen afwijken van een aantal sectorale milieuvoorwaarden van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II).
3.2. Bij besluit van 4 december 2014 verleent de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant de gevraagde vergunning voor een proeftermijn van twee jaar.
Aan de vergunning worden bijzondere vergunningsvoorwaarden verbonden.
3.3. Tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant worden verscheidene bestuurlijke beroepen ingediend bij de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw.
3.4. In het kader van de beroepsprocedure worden de volgende adviezen uitgebracht:
a) op 17 februari 2015 door de dienst Waterlopen: gunstig met betrekking tot de watertoets;
b) door de Vlaamse Milieumaatschappij op 4 maart 2015: deels gunstig;
c) door de afdeling Milieuvergunningen op 17 maart 2015: beroepen deels gegrond verklaren en de milieuvergunning verlenen onder naleving van een bijkomende voorwaarde inzake geluid;
d) op 19 maart 2015 door het departement Ruimte Vlaanderen - afdeling Gebieden en Projecten: gunstig;
e) door de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij op 23 maart 2015:
gunstig;
f) door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie op 24 maart 2015: beroepen gedeeltelijk gegrond verklaren.
3.5. Met een besluit van 19 juni 2015 verklaart de Vlaamse minister
VII-39.457-4/7
van Omgeving, Natuur en Landbouw de beroepen gedeeltelijk gegrond. De in eerste aanleg opgelegde bijzondere voorwaarden worden aangevuld met nieuwe voorwaarden. Voor het overige wordt de beroepen beslissing integraal bevestigd.
Dit is de bestreden beslissing.
3.6. Bij besluit van 29 november 2016 heeft de bevoegde Vlaamse minister, vóór het verstrijken van de proeftermijn, definitief uitspraak gedaan over de vergunningsaanvraag. De gevraagde milieuvergunning, uitgezonderd voor het breken van 200 m3 steenpuin en het verhakselen van 25 ton hout, wordt verleend voor een termijn verstrijkend op 14 juli 2029. Aan de vergunning worden bijzondere voorwaarden verbonden.
IV. Verzoek tot samenvoeging
4. Verzoeker vraagt de samenvoeging met de zaak A. 216.504/VII-39.445 waarin hetzelfde ministerieel besluit wordt aangevochten.
5. In het belang van een goede rechtsbedeling werden de beide zaken behandeld op dezelfde openbare terechtzitting. De goede rechtsbedeling vereist echter niet dat over die zaken in één arrest uitspraak wordt gedaan.
V. Ontvankelijkheid van het beroep
6. Ter terechtzitting bevestigt verzoeker dat hij het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 29 november 2016
waarbij definitief uitspraak is gedaan over de vergunningsaanvraag die in eerste instantie heeft geleid tot de bestreden vergunning op proef, niet heeft aangevochten.
7. Het belang bij het bestrijden van de proefvergunning gaat verloren wanneer na deze vergunning een definitieve vergunning wordt verleend
VII-39.457-5/7
die niet wordt aangevochten. Daarmee is de proefvergunning immers opgegaan in de definitieve vergunning die de rechtstoestand van de exploitant onaantastbaar regelt. De definitieve vergunning is voor haar uitvoerbaarheid op geen enkele wijze afhankelijk van de eerdere vergunning op proef, zodat de vernietiging van het bestreden besluit geen enkele weerslag kan hebben op de exploitatie van de inrichting van de tussenkomende partij.
Bij gebrek aan actueel belang is het beroep niet meer ontvankelijk.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij.
De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
VII-39.457-6/7
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig november tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.
De griffier De voorzitter
Elisabeth Impens Eric Brewaeys
VII-39.457-7/7
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.042