Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.033 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.033 Généré par l'IA

Court dismisses appeal against environmental permit denial for poultry farm due to lack of spatial planning compatibility assessment.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.033
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's challenge to the Flemish Minister's decision refusing a poultry farm permit. The applicant argued the spatial planning compatibility test was not performed, yet the court found the existing barn on the site already satisfied spatial requirements. Consequently, the court held that the administrative decision was sufficiently motivated and the appeal lacked merit.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Wet van de Raad van State, titel VI, hoofdstuk II; The court established that an environmental permit application requires a spatial effects assessment, which is satisfied if the proposed facility does not deviate significantly from existing structures on the site.

Mots-clés

Généré par l'IA
environmental permit spatial planning poultry farm administrative appeal good spatial order permit conditions procedural review autorisation partielle
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VIIe KAMER

nr. 240.033 van 30 november 2017

in de zaak A. 215.313/VII-39.352.

In zake : de GEMEENTE NIEUWERKERKEN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mario Deketelaere kantoor houdend te 2000 Antwerpen Meir 24

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Abbeloos kantoor houdend te 9200 Dendermonde Sint-Gillislaan 117

bij wie woonplaats wordt gekozen

Tussenkomende partij :

Daniël SAELS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Mertens kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 16 maart 2015, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 9 januari 2015 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 17 juli 2014, houdende het weigeren van de milieuvergunning aan Daniël Saels voor het exploiteren van een

VII-39.352-1/14

pluimveehouderij, gelegen aan de Krommenhofstraat te Nieuwerkerken, gegrond wordt verklaard en de vergunning onder voorwaarden wordt verleend.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 12 mei 2015. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.

Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld.

De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De tussenkomende partij heeft een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 november 2017.

Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Mario Deketelaere, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Dirk Abbeloos, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Wim Mertens, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

VII-39.352-2/14

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Op 2 december 2013 dient de tussenkomende partij een milieuvergunningsaanvraag in bij de deputatie van de provincieraad van Limburg, voor de exploitatie van een pluimveehouderij gelegen aan de Krommenhofstraat z/n, te Nieuwerkerken.

Deze aanvraag omvat:

- een stal voor 38.000 slachtkippen (deze stal zal voorzien worden van het ammoniakemissiearm stalsysteem P-6.3. samen met een combiventilatiesysteem);

- een bovengrondse dubbelwandige houder voor de opslag van 1.000 liter mazout;

- opslag van 1.480 m³ dierlijke mest, “bestaande uit 1.300 m³ dierlijke mest en 180 m³ reinigingswater verontreinigd met mest”;

- een brander met een warmtevermogen van 350 kW;

- een grondwaterwinning bestaande uit een circa 160 meter diepe put waaruit maximum 9 m³/dag - 3.200 m³/jaar grondwater wordt onttrokken, voor de drinkwatervoorziening van de veestapel.

3.2. Volgens de bepalingen van het gewestplan Sint-Truiden - Tongeren ligt de inrichting in agrarisch gebied.

3.3. Op 2 april 2014 wordt de aanvraag ontvankelijk en volledig verklaard.

3.4. Tijdens het openbaar onderzoek worden 224 bezwaren ingediend. Op 20 mei 2014 adviseert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Nieuwerkerken ongunstig. De afdeling Milieuvergunningen -

Limburg, de Vlaamse Milieumaatschappij (hierna: VMM) - operationeel

VII-39.352-3/14

waterbeheer (deels) en de Provinciale Milieuvergunningscommissie, adviseren gunstig.

3.5. Op 17 juli 2014 weigert de deputatie van de provincieraad van Limburg de gevraagde milieuvergunning op basis van volgende overwegingen:

“Overwegende dat uit de vele bezwaren ingediend tijdens het openbaar onderzoek, blijkt dat de buurtbewoners veel overlast verwachten, vooral op vlak van milieuhinder en op vlak van mobiliteit; dat bijgevolg de gevraagde milieuvergunning voor het exploiteren van een stal voor het houden van 38.000 slachtkippen niet wordt toegestaan;

Overwegende dat het ongunstig advies van het college van burgemeester en schepenen wordt bijgetreden;

Overwegende dat, vanuit oogpunt van milieuaspecten, gesteld kan worden dat de risico‟s voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens, buiten de inrichting veroorzaakt door de aangevraagde activiteiten, niet tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt, dat bijgevolg de gevraagde milieuvergunning wordt geweigerd”.

3.6. De aanvrager tekent tegen deze weigeringsbeslissing beroep aan bij de bevoegde Vlaamse minister.

3.7. In graad van beroep worden de volgende adviezen gegeven:

- Ruimte Vlaanderen (12 september 2014): gunstig;

- VMM - Operationeel grondwaterbeheer (17 september 2014): deels gunstig;

- afdeling Milieuvergunningen (15 oktober 2014): deels voorwaardelijk gunstig.

De aanvrager dient op 15 oktober 2014 nog een bijkomende nota in.

De Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseert op 21 oktober 2014 deels voorwaardelijk gunstig.

3.8. Op 9 januari 2015 verleent de verwerende partij de gevraagde vergunning gedeeltelijk.

VII-39.352-4/14

Dit is de bestreden beslissing.

3.9. Aangaande de geurhinderproblematiek en de verenigbaarheid van de inrichting met de goede ruimtelijke ordening overweegt de bestreden beslissing in essentie:

“Overwegende dat het beroep ingediend door de exploitant betrekking heeft op het weigeren van de milieuvergunning voor het exploiteren van een nieuwe pluimveehouderij;

Overwegende dat in een straal van 200 m rondom de perceelgrens van de inrichting circa 20 woningen zijn gelegen; dat de dichtste woning op circa 30 m ten zuidwesten van de perceelgrens van de inrichting ligt;

Overwegende dat tijdens het openbaar onderzoek 224 bezwaren werden ingediend die betrekking hebben op mobiliteit, stofhinder, ongedierte, geurhinder, veiligheid, visuele hinder, de GPBV-drempel, de BBT-principes, de inrichting mag niet als bestaand worden beschouwd vermits er al sinds 2000

geen runderen worden gehouden;

Overwegende dat de inrichting tot 1 september 2011 vergund was voor het houden van 600 mestkalveren; dat de rundveestal al meerdere jaren leeg staat;

dat met de huidige aanvraag tot het houden van 38.000 slachtkuikens de omvorming van de rundveestal tot een ammoniakemissiearme stal type P6.3

met een combiventilatiesysteem wordt beoogd; dat de ammoniakemissie wordt beperkt door het drogen en verwarmen van de meststrooisellaag door middel van speciale warmteheaters en ventilatoren; dat deze ervoor zorgen dat er warme lucht van boven uit de stal naar onderen wordt gebracht; dat deze lucht vervolgens wordt opgewarmd door een warmtewisselaar voorzien van een ventilator en horizontaal over de meststrooisellaag wordt geblazen; dat combiventilatie vaak wordt toegepast bij renovatie van een stal waarbij men zowel lengte- als dwarsventilatie implementeert;

Overwegende dat met behulp van IFDM een geurverspreidingsmodel werd opgesteld; dat aangezien in de omgeving geen veeteeltactiviteiten aanwezig zijn, voor de beoordeling van het aspect geur het significantiekader voor geïsoleerde bedrijven wordt gebruikt; dat de geurmodellering werd uitgevoerd vertrekkende vanuit correcte uitgangspunten en cijfers; dat in onderstaande tabel een overzicht wordt weergegeven:

3 Oue) wordt berekend; dat de modellering uitgaat van een vlak terrein terwijl de woningen in de Leemstraat aanzienlijk lager gelegen zijn dan de stal; dat door een landmeter een hoogteverschil van minstens 2,90 meter werd

VII-39.352-5/14

opgemeten; dat rekening houdende met dit hoogteverschil een bijkomende modellering werd uitgevoerd; dat uit deze simulatie blijkt dat de hoogste waarde 2,91 Oue bedraagt; dat er bijgevolg geen onaanvaardbare geurhinder moet verwacht worden;

[...]

Overwegende dat het bedrijf is gelegen op circa 450 meter ten noordoosten van het GEN-gebied 429 - „Nieuwenhoven-Duras‟ (loofbos op lemige ondergrond); dat op basis van de gegevens opgenomen in het ministerieel besluit van 19 maart 2004 een ammoniakemissie van 0,035 kg NH3 per dierplaats en per jaar kan verwacht worden; dat dit een totale ammoniakemissie van 1.330 kg betekent; dat hierdoor de 3% kritische last voor verzuring ter hoogte van het GEN-gebied wordt overschreden; dat de kritische last echter nooit de 5% (beperkte bijdrage) overschrijdt; dat dit significant lager is dan de grenswaarde van 10% (belangrijke bijdrage) zoals omschreven in het beoordelingskader „UNECE LRTAP Convention‟; dat voor wat betreft vermesting de 3% kritische last nergens wordt overschreden;

Overwegende dat initieel door het Agentschap Natuur en Bos (ANB) een negatief advies werd geformuleerd; dat op 23 mei 2014 een bijkomende nota met betrekking tot verzuring en vermesting werd ingediend; dat vervolgens een gunstig advies werd geformuleerd; dat door het gebruik van het stalsysteem AEA p6.3 er binnen de discipline „fauna en flora‟ geen significante negatieve effecten moeten verwacht worden; dat er geen rechtstreekse afvoer van potentieel verontreinigd hemelwater naar het oppervlaktesysteem mag plaatsvinden; dat de afvoer van niet verontreinigd hemelwater kan gebeuren via een infiltratiebekken op de eigen perceelgrenzen; dat dit als een bijzondere voorwaarde wordt opgelegd;

[…]

Overwegende dat de inrichting is gelegen in een agrarisch gebied; dat er op de percelen van de geplande inrichting geen nadere stedenbouwkundige ordeningen van kracht zijn; dat dergelijke volwaardige dierenkwekerij in overeenstemming is met de planologische voorschriften;

Overwegende dat 100 m ten noorden van de geplande inrichting een lintvormig woongebied met landelijk karakter is gelegen; dat circa 200 meter ten westen eveneens een landelijk woongebied is gelegen;

Overwegende dat ruimtelijk gezien het gaat om een bestaand vergund bedrijf (kalverfokkerij, eveneens een intensieve niet grondgebonden activiteit)

waardoor voldaan is aan de afstandsregel van artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen;

Overwegende dat het ontwerp tussen de stal en de voorliggende weg een afdak met stooklokaal voorziet; dat er voldoende plaats blijft voor het laden en lossen; dat een capaciteit van 38.000 slachtkippen een relatief bescheiden vestiging is; dat voorliggende openbare wegenis waarop het perceel direct en over de volledige breedte toegang heeft, eveneens fruitplantages en akkergronden bedient; dat van dergelijke gangbare landbouwwegenis (in breedte en draagvermogen) een adequate ontsluiting kan verondersteld worden;

Overwegende dat de aangevraagde inrichting verenigbaar is met de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening”.

VII-39.352-6/14

IV. Onderzoek van de middelen

Eerste middel

Standpunten van de partijen

4. In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van de formele- en de materiëlemotiveringsplicht in de zin van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, samengelezen met de artikelen 1.1.2. van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne en 5, § 5, 1° en 2°, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991

houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I), en van de beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel en de motiveringsplicht, doordat er in de bestreden beslissing, bij de beoordeling van de geurhinder, ten onrechte wordt van uitgegaan dat de inrichting van de aanvrager een “bestaande” inrichting is. In tegenstelling tot hetgeen de bestreden beslissing voorhoudt, treden er volgens de verzoekende partij wel aanzienlijke milieueffecten op en werd er bij de milieuvergunningsaanvraag ten onrechte geen milieueffectenrapport of definitieve beslissing over een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van rapporteringsverplichting gevoegd. De verzoekende partij wijst vooral op de geringe aandacht die aan de geurproblematiek wordt besteed, ondanks de talrijke bezwaren die hierover werden geuit. In de bestreden beslissing wordt volgens haar de zienswijze van de aanvrager zonder kritische evaluatie overgenomen. Doordat die zienswijze van een foutief uitgangspunt uitging in de geurmodellering, zouden er verkeerde conclusies zijn getrokken. Er zou ten onrechte zijn uitgegaan van het standpunt dat de inrichting een “bestaande inrichting” is. Te dezen gaat het volgens de verzoekende partij om een volkomen nieuwe inrichting die nooit eerder werd vergund en waarvoor ook nooit eerder een vergunningsaanvraag werd ingediend. Volgens de verzoekende partij had aan het referentiekader voor nieuwe inrichtingen moeten worden getoetst. Bij een dergelijke toetsing zou volgens haar uit het voorgelegde

VII-39.352-7/14

rapport sprake blijken te zijn van “hinder” en dus niet te verwaarlozen effecten voor 115 woningen en negatieve effecten voor 55 woningen. Ten overvloede wijst de verzoekende partij erop dat de vergunning alleszins had moeten worden geweigerd wegens het ontbreken van een goedgekeurd milieueffectenrapport (hierna: MER) en/of een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de rapporteringsplicht en de beslissing daarover.

5. De verwerende partij wijst erop dat de cijfers die in de bestreden beslissing worden weergegeven, op geen enkele wijze worden betwist door de verzoekende partij en dat de beoordeling zowel in de geurstudie als in de bestreden beslissing is gebeurd volgens het strengste significantiekader zoals vermeld in het “Geactualiseerd richtlijnenboek milieueffectrapportage Basisrichtlijnen per activiteitengroep-Landbouwdieren”. Dit beoordelingskader geldt volgens haar zowel voor nieuwe als voor bestaande inrichtingen, meer bepaald geïsoleerd gelegen bedrijven. De overweging uit dit geactualiseerd richtlijnenboek waarnaar de verzoekende partij verwijst, vormt volgens haar geen referentiekader, maar geeft enkel streefwaarden en richtwaarden weer, en is geen bindende normering.

Volgens haar wordt in de bestreden beslissing terecht vastgesteld dat in principe ter hoogte van twee woningen in het woongebied met landelijk karakter een negatief effect (> 3 ouE) optreedt. Deze woningen zouden evenwel merkelijk lager gelegen zijn dan de stal. Als daarmee rekening wordt gehouden, zou de hoogste waarde 2,91 ouE bedragen. Tevens worden een aantal bijkomende milderende maatregelen genomen door de exploitant. Volgens de verwerende partij wordt op basis van correcte cijfers geoordeeld dat geen onaanvaardbare geurhinder dient te worden verwacht, temeer daar sprake is van een verhoogde tolerantiedrempel. Met betrekking tot de MER-plicht wijst zij erop dat de verzoekende partij aannemelijk dient te maken dat er aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn. Daarnaast stelt de verwerende partij vast dat de aanvraag een project-MER-screeningsnota, en een geur- en stofstudie bevat. Zij besluit dat de deputatie van de provincieraad van Limburg heeft vastgesteld dat het aanvraagdossier werd getoetst aan de criteria van de bijlage II van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen

VII-39.352-8/14

inzake milieubeleid, en geoordeeld heeft dat geen MER diende te worden opgesteld.

6. De tussenkomende partij treedt in essentie het standpunt van de verwerende partij bij en wijst erop dat de geurstudie aan de beide referentiekaders werd getoetst. Voorts stelt zij dat nooit werd betwist dat de vergunning vervallen was, wat de bestreden beslissing ook zou bevestigen. Het middelonderdeel met betrekking tot de schending van artikel 5, § 5, 1° en 2°, van Vlarem I is volgens de tussenkomende partij onontvankelijk aangezien enerzijds een pluimveebedrijf met 38.000 slachtkippen enkel valt onder de categorieën van projecten waarvoor een project-MER of een project-MER-screeningsnota moet worden opgesteld en een dergelijke nota niet ontbreekt, en de verzoekende partij anderzijds niet omschrijft welke aanzienlijke milieueffecten voorhanden zouden zijn die ertoe zouden leiden dat de screeningsnota niet zou volstaan. Het middelonderdeel zou geen concrete wettigheidskritiek bevatten.

7. In haar memorie van wederantwoord wijst de verzoekende partij er bijkomend op dat de verwerende partij ten onrechte voorhoudt dat er geen onderscheid zou bestaan tussen bestaande en nieuwe inrichtingen bij de beoordeling van de geurhinder. De verzoekende partij stelt wel degelijk naar het juiste normeringskader te hebben verwezen en vindt het onbegrijpelijk dat dit volgens de verwerende partij geen referentiekader zou uitmaken, en dat de streefwaarden en richtwaarden “geen bindende normering” zouden vormen. Bij een toetsing aan het normeringskader voor nieuwe inrichtingen blijken volgens de verzoekende partij tal van woningen hinder en negatieve effecten te ondervinden met betrekking tot het geuraspect. Daarnaast stelt zij vast dat de overige partijen niet reageren op haar in het verzoekschrift in een voetnoot geformuleerde kritiek ten aanzien van de hoedanigheid van de opstellers van de geurstudie. De verzoekende partij aanvaardt geenszins de inhoud en de conclusies van dit rapport.

8. In haar laatste memorie voegt de verzoekende partij toe dat volgens het auditoraatsverslag uit de overwegingen van het bestreden besluit en de

VII-39.352-9/14

adviezen niet blijkt “dat er wel werd getoetst als nieuwe inrichting”. Volgens haar blijkt niet dat de verwerende partij de uitgangspunten en cijfers van de voorgelegde studie heeft getoetst en correct bevonden, maar enkel dat de verwerende partij deze gewoon, zonder eigen beoordeling, heeft overgenomen, en ze zonder meer heeft onderschreven.

Aangezien de notie “bedrijf” volgens de verzoekende partij verwijst naar een bedrijvigheid of exploitatie, en niet naar een constructie, valt volgens haar niet in te zien hoe de verwijzing naar een bestaand vergund bedrijf kan worden begrepen als een verwijzing naar de leegstaande stal.

Beoordeling

9. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de overheid ervan uitgaat dat de inrichting te beschouwen is als een nieuwe inrichting.

Het loutere feit dat in de studie waarnaar in de bestreden beslissing wordt verwezen tevens een vergelijking wordt gemaakt met de eerder bestaande toestand van een vergunde kalverstal, waarvan de vergunning reeds jaren verstreken was ten tijde van het indienen van de milieuvergunningsaanvraag, betekent niet dat de te vergunnen inrichting niet zou dienen te worden beschouwd als een nieuwe inrichting.

De vermelding in de bestreden beslissing dat er sprake is van een bestaand vergund bedrijf, dient in zijn volledige context te worden gelezen. Het betreft een onderdeel van de ruimtelijke toetsing. Men kan de aanwezigheid van de bestaande stal niet ontkennen vanuit ruimtelijk oogpunt. Deze vaststelling heeft evenwel geen invloed op het feit dat de milieuvergunningsaanvraag dient te worden beoordeeld als een nieuwe inrichting.

In de voorafgaande adviezen wordt meermaals gesteld dat de situatie met de kalverstal als louter informatief wordt beschouwd. Dit betekent niet dat de aanvraag zou beoordeeld zijn als de voortzetting van een bestaande

VII-39.352-10/14

agrarische bedrijvigheid ter plaatse. Uit de motivering van de bestreden beslissing kan eveneens worden afgeleid dat de verwerende partij de uitgangspunten en cijfers heeft getoetst en correct bevonden. Uit de argumenten die in het middel worden aangevoerd, kan niet worden afgeleid dat de verwerende partij hierbij een kennelijk onredelijke of foutieve beoordeling van deze gegevens heeft gemaakt.

De Raad van State heeft met betrekking tot dit aspect van de bestreden beslissing slechts een marginale toetsingsbevoegdheid.

Het richtlijnenboek milieueffectenrapportage bevat krachtlijnen en streefwaarden, maar geen afdwingbare normen.

De verzoekende partij overtuigt niet waarom de in het geding zijnde milieuvergunningsaanvraag onder de MER-plicht zou vallen. In de beslissing die in eerste aanleg werd gewezen op 17 juli 2014 kan worden gelezen dat: “Gelet op het feit dat de milieuvergunningsaanvraag betrekking heeft op een activiteit die voorkomt op de lijst van bijlage III bij het besluit van de Vlaamse regering d.d. 1 maart 2013 (B.S. 29 april 2013), inzake de nadere regels van de project-m.e.r.-screening; dat het aanvraagdossier daarom tijdens het volledig- en ontvankelijkheidsonderzoek getoetst werd aan de criteria van bijlage II van het Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid (DABM); dat geoordeeld werd dat over het project geen milieurapport moet worden opgesteld”. Het middelonderdeel, zoals dit wordt ontwikkeld in het verzoekschrift, maakt niet duidelijk waarin de schending van artikel 5 van Vlarem I, zou bestaan. Alleszins wordt niet aangetoond waarom de aanvraag onder de milieueffectrapportageplicht zou vallen.

Het eerste middel is niet gegrond.

VII-39.352-11/14

Tweede middel

Standpunten van de partijen

10. Als tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan “van de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder de motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, in het bijzonder wat betreft de kennelijke onredelijkheid en/of onzorgvuldigheid van de toetsing van de goede ruimtelijke ordening”.

Het besluit dat de inrichting verenigbaar zou zijn met de goede ruimtelijke ordening, wordt volgens de verzoekende partij op geen enkele manier gemotiveerd of onderbouwd. De noodzakelijke toets werd volgens haar gewoon niet uitgevoerd. Uit het ongunstig advies van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Nieuwerkerken van 20 mei 2014 zou nochtans blijken dat de verenigbaarheid van de inrichting vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening problematisch is. Voorts wijst zij erop dat er talrijke bezwaren werden geformuleerd omtrent de plaats van inplanting van de gevraagde inrichting in de Krommenhofstraat, op geringe afstand van het woongebied met landelijk karakter dat dichtbevolkt is, en omtrent de mobiliteitsproblemen die de inrichting zal veroorzaken.

11. In haar memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij toe dat zich op korte afstand van de inrichting twee woningen bevinden die in landschappelijk waardevol agrarisch gebied gelegen zijn en dat de korte afstand tot de omliggende woongebieden met landelijk karakter niet in overweging werd genomen. De bijzondere vergunningsvoorwaarden op het vlak van de mobiliteit houden volgens haar geenszins een concrete beoordeling van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening in.

VII-39.352-12/14

Beoordeling

12. De beoordeling van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening van een inrichting waarvoor de milieuvergunning wordt aangevraagd, behelst een beoordeling van de ruimtelijke effecten van de aanvraag. Te dezen wordt niet betwist dat de activiteiten van de inrichting waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, zullen plaatsvinden in een bestaande stal, die op basis van de gegevens vermeld in het dossier zal moeten worden aangepast naar een emissiearme stal. Vanuit ruimtelijk oogpunt kan niet worden ontkend dat er nu reeds een stal aanwezig is op de plaats waar de gevraagde inrichting zal worden ingeplant. De verzoekende partij toont niet aan dat deze nieuwe stal zodanig zal afwijken van de reeds aanwezige stal, dat sprake zal zijn van een schending van de bestaande goede ruimtelijke ordening. Waar de noodzakelijke wijzigingen aan de bestaande stal een stedenbouwkundige vergunning zouden kunnen vereisen, dient te worden opgemerkt dat de beoordeling van de aanvraag daartoe buiten het kader van het voorliggend beroep valt.

Waar de bestreden beslissing in verband met de mobiliteitsproblematiek onder meer verwijst naar de bijzondere voorwaarde in verband met het traject van de bedrijfstransporten, is zij wel degelijk afdoende gemotiveerd.

Het tweede middel is niet gegrond

VII-39.352-13/14

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij.

De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig november tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.

De griffier De voorzitter

Bart Tettelin Eric Brewaeys

VII-39.352-14/14

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.033