Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.031 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.031 Généré par l'IA

Court dismisses appeal against wind farm permit refusal citing good spatial order violation.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.031
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's appeal against the Flemish Minister's refusal to grant a wind farm permit in Lanaken. The applicant argued for sustainable spatial development, but the court found the project incompatible with good spatial order and exceeded the area's carrying capacity. Consequently, the court upheld the administrative decision, noting that the refusal was a valid exercise of discretion rather than an unreasonable act.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 4.3.1, 5.6.7 of the Flemish Spatial Planning and Urban Development Code; The Council of State holds that a permit refusal is justified when a project violates good spatial order or exceeds the area's carrying capacity, and courts only exercise marginal review over such discretionary decisions.

Mots-clés

Généré par l'IA
good spatial order wind farm permit administrative discretion carrying capacity Flemish Spatial Planning Code permit refusal marginal review autorisation en matière de protection de la nature

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 4.3.1, § 1 of the Flemish Spatial Planning and Urban Development Code (VCRO)
De verzoekende partij voert in het eerste middel de schending aan van artikel 13, § 3, derde lid, van het milieuvergunningsdecreet, de artikelen 27, 28, § 4 en § 5, tweede lid, en 52, 2°, c), en 3°, van het besluit van de
Article 5.6.7, § 1 of the Flemish Spatial Planning and Urban Development Code (VCRO)
De verzoekende partij voert in het eerste middel de schending aan van artikel 13, § 3, derde lid, van het milieuvergunningsdecreet, de artikelen 27, 28, § 4 en § 5, tweede lid, en 52, 2°, c), en 3°, van het besluit van de
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VIIe KAMER

nr. 240.031 van 30 november 2017

in de zaak A. 214.599/VII-39.282.

In zake : de NV LIMBURG WIN(D)T

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gregory Verhelst kantoor houdend te 2600 Berchem Uitbreidingstraat 2

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Vanpraet kantoor houdend te 8210 Zedelgem Spoorwegstraat 11

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 26 december 2014, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 27 oktober 2014 waarbij het beroep ingesteld tegen het besluit van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 23 april 2014, houdende het weigeren van de milieuvergunning aan de NV Limburg Win(d)t voor het exploiteren van een nieuw windturbinepark, gelegen aan de Gellikerveldweg, Winkelomstraat en Redouteweg te Lanaken, ongegrond wordt verklaard.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

VII-39.282-1/15

Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld.

De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 november 2017.

Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Bert Van Weerdt, die loco advocaat Gregory Verhelst verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Yannick Peeters, die loco advocaat Jürgen Vanpraet verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. De verzoekende partij dient op 1 oktober 2013 een milieuvergunningsaanvraag in voor de exploitatie van een nieuw te bouwen windturbinepark met drie turbines, gelegen te Lanaken aan de Gellikerveldweg, Winkelomstraat en Redouteweg z/n. De aanvraag situeert zich volgens het geldende gewestplan Limburgs Maasland in agrarisch gebied.

VII-39.282-2/15

3.2. Er wordt een openbaar onderzoek georganiseerd van 5 november 2013 tot en met 4 december 2013. Er worden acht bezwaarschriften ingediend. Nadat de nodige adviezen zijn ingewonnen, weigert de deputatie van de provincieraad van Limburg op 23 april 2014 de gevraagde milieuvergunning wegens strijdigheid met de goede ruimtelijke ordening.

3.3. De verzoekende partij dient hiertegen een beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister. In een schrijven van 17 juni 2014 vraagt zij tevens om te worden gehoord door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie (hierna: GMVC) en ter voorbereiding de adviezen in graad van beroep te mogen ontvangen.

3.4. In graad van beroep worden volgende adviezen verstrekt:

- departement Ruimte Vlaanderen (1 juli 2014): ongunstig wegens de onverenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening, waardoor tevens geen beroep kan worden gedaan op artikel 5.6.7., § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO); dit advies wordt, na de zitting van de GMVC en met inachtname van de eventueel aan te leggen Spartacustramlijn, in essentie herhaald op 22 augustus 2014;

- afdeling Milieuvergunningen (18 juli 2014): voorwaardelijk gunstig;

- GMVC (29 juli 2014): nadat de verzoekende partij is gehoord en een bijkomende nota heeft neergelegd, volgt een ongunstig advies.

3.5. Op 27 oktober 2014 wordt het beroep ongegrond verklaard en de beslissing in eerste aanleg bevestigd. Dit is de bestreden beslissing.

3.6. De verzoekende partij dient tevens een aanvraag in voor een stedenbouwkundige vergunning. Deze wordt door de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar geweigerd op 19 februari 2014. De verzoekende partij tekent hiertegen beroep aan bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, die dit beroep op 5 juli 2016 verwerpt.

VII-39.282-3/15

IV. Ontvankelijkheid van het beroep

Standpunt van de verwerende partij

4. In haar laatste memorie merkt de verwerende partij op dat de weigering van de stedenbouwkundige vergunning tot gevolg heeft dat zelfs wanneer na een gebeurlijke vernietiging van de bestreden weigeringsbeslissing een milieuvergunning zou worden verleend, het voorwerp van het aangevraagde windturbineproject ingevolge de koppelingsregeling van artikel 5, § 2, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna: milieuvergunningsdecreet) nooit uitwerking kan hebben. De stedenbouwkundige vergunning is immers definitief geweigerd, zodat volgens haar de milieuvergunning die op 1 oktober 2013 werd aangevraagd ten eeuwigen dage geschorst blijft. Zij leidt hieruit af dat de verzoekende partij niet langer over het rechtens vereiste belang beschikt.

Beoordeling

5. De verwerende partij gaat er ten onrechte van uit dat de milieuvergunningsaanvraag geen gevolg meer zou kunnen krijgen.

De exceptie is niet gegrond.

V. Onderzoek van de middelen

Eerste middel

Standpunten van de partijen

6. De verzoekende partij voert in het eerste middel de schending aan van artikel 13, § 3, derde lid, van het milieuvergunningsdecreet, de artikelen 27, 28, § 4 en § 5, tweede lid, en 52, 2°, c), en 3°, van het besluit van de

VII-39.282-4/15

Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I), van het gelijkheidsbeginsel en de rechten van verdediging, van het beginsel van de wapengelijkheid, afgeleid uit artikel 6 van het EVRM, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), de materiëlemotiveringsplicht, en de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel en de hoorplicht. Tevens roept zij het ontbreken van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag in.

Zij argumenteert in essentie dat de bestreden beslissing werd genomen op basis van een advies dat werd verleend na de hoorzitting en na de beraadslaging van de GMVC op 29 juli 2014. In de bestreden beslissing wordt immers gewag gemaakt van een aanvullend ongunstig advies dat op 22 augustus 2014 verstrekt zou zijn door de afdeling Gebieden en Projecten van het departement Ruimte Vlaanderen. Zij betoogt dat dit advies haar nooit is meegedeeld, zodat zij er geen opmerkingen bij heeft kunnen formuleren. Ook de GMVC zou in de onmogelijkheid zijn geweest om dit te doen, aangezien het advies volgens de aanhef ervan met eenparigheid van stemmen werd uitgebracht op 29 juli 2014. Desondanks wordt in het advies van de GMVC naar het advies van 22 augustus 2014 verwezen. De verzoekende partij merkt op dat er mogelijkerwijze nog een latere beraadslaging van de GMVC heeft plaatsgevonden, waarvan zij echter op geen enkele wijze op de hoogte werd gebracht. Dit is volgens haar van belang aangezien de bestreden beslissing enkel steunt op het weigeringsmotief dat de windturbines in strijd zouden zijn met het bundelingsprincipe en de aanvrager gehoord had kunnen worden door de GMVC, wat te dezen tijdig werd aangevraagd. Op basis van de geschonden geachte regelgeving dienden volgens haar ten tijde van de vergadering van de GMVC alle adviezen beschikbaar te zijn. Het advies van de GMVC moest volgens haar onder meer “een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de inrichting, waarvoor een vergunning wordt gevraagd, met de omgeving en de goede ruimtelijke ordening” bevatten. Zij stelt dat het aanvullend advies laattijdig is en

VII-39.282-5/15

geacht moet worden gunstig te zijn. Op basis hiervan dient volgens haar tot de onwettigheid van de bestreden beslissing te worden beslist. Bovendien stelt de verzoekende partij vast dat het advies van de GMVC van 29 juli 2014 kennelijk op niet regelmatige wijze is tot stand gekomen, aangezien niet alle dossierstukken beschikbaar waren ten tijde van de beraadslaging die aan de adviesverlening van de GMVC is voorafgegaan. Uit niets blijkt dat er na 29 juli 2014 nog een regelmatige zitting van de GMVC heeft plaatsgevonden met dezelfde aanwezigen, waarop dit dossier werd behandeld. De verzoekende partij vraagt uitdrukkelijk de onwettigheid van dit advies vast te stellen met toepassing van artikel 159 van de Grondwet. De naleving van de hoorplicht vereist dat de aanvrager die daartoe heeft verzocht, kennis heeft van alle beroepsadviezen op datum van de hoorzitting voor de GMVC. De hoorplicht wordt volgens haar herleid tot een lege doos wanneer het mogelijk zou zijn dat na de hoorzitting en na de zitting van de GMVC alsnog (geheime) adviezen worden verstrekt die worden betrokken in de advisering door de GMVC en de besluitvorming van de vergunningverlenende overheid.

7. In haar memorie van antwoord stelt de verwerende partij vooreerst dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het middel, omdat zij in de mogelijkheid is geweest haar standpunt uiteen te zetten omtrent de negatieve beoordeling van de aanvraag vanuit het oogpunt van het bundelingsprincipe en de overeenstemming met de goede ruimtelijke ordening. Op het ogenblik van de hoorzitting was de verzoekende partij op de hoogte van de negatieve beslissing in eerste aanleg en het negatieve advies van het departement Ruimte Vlaanderen.

Volgens de verwerende partij kon zij op dat ogenblik haar standpunt ter zake kenbaar maken. Dit blijkt ook uit de nota die zij toen heeft neergelegd. Het normdoel van de betrokken bepaling werd volgens de verwerende partij bereikt en er werd de verzoekende partij geen waarborg ontnomen. Het bijkomend advies van 22 augustus 2014 werd volgens haar geformuleerd naar aanleiding van de bijkomende opmerkingen van de verzoekende partij.

Met betrekking tot de grond van het middel stelt de verwerende partij samengevat dat de verzoekende partij na het aanvullend advies niet opnieuw

VII-39.282-6/15

diende te worden gehoord. Naar aanleiding van de nota die zij heeft neergelegd op de hoorzitting van de GMVC gaf het departement Ruimte Vlaanderen op deze zitting aan dat de argumentatie van de verzoekende partij met betrekking tot de bundeling met de aan te leggen Spartacustramlijn niet in overeenstemming is met het bundelingsprincipe. Dit werd zo opgenomen in het advies van de GMVC en werd bevestigd in het bijkomend schriftelijk advies van 22 augustus 2014 van het departement Ruimte Vlaanderen. Het inwinnen van het bijkomend advies getuigt volgens haar van een uiterste zorgvuldigheid ten overvloede, waarbij net bijkomend de argumenten van de verzoekende partij worden ontmoet. Tevens wijst de verwerende partij naar de bestaande rechtspraak met betrekking tot de plicht tot het organiseren van een bijkomende hoorzitting: deze verplichting bestaat volgens haar niet. Bovendien werd het aanvullend advies gegeven in antwoord op de nota die de verzoekende partij heeft neergelegd tijdens de hoorzitting. Dit advies werd reeds ter hoorzitting geformuleerd en naderhand schriftelijk bevestigd. In essentie zou dit advies het reeds gegeven advies van het departement Ruimte Vlaanderen van 1 juli 2014 bevestigen. Hoe dan ook is volgens de verwerende partij het advies van 22 augustus 2014 een niet-bindende voorbereidende handeling, zodat een eventueel gebrek niet noodzakelijk tot de nietigheid van de bestreden beslissing leidt. De bestreden beslissing zou afdoende gemotiveerd zijn en, steeds volgens de verwerende partij, de verzoekende partij geenszins benadelen op de door haar in het middel aangevoerde wijze.

8. In de memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij wat de exceptie van gebrek aan belang bij het middel betreft dat dit belang met toepassing van artikel 14, § 1, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, slechts ontbreekt wanneer een zuiver formalistische onregelmatigheid wordt ingeroepen, “maar niet wanneer, zoals te dezen, een inhoudelijke onwettigheid wordt aangekaart die wel degelijk kan leiden tot een gewijzigde inhoudelijke beoordeling”.

Voorts wijst de verzoekende partij erop dat het advies van 22 augustus 2014 niet beperkt was tot een loutere herneming van het mondeling

VII-39.282-7/15

gegeven advies, aangezien de focus wordt gelegd op de bundeling van de turbines met de toekomstige Spartacuslijn, element dat aan bod kwam in de neergelegde nota. Dit is volgens haar een nieuw element dat ter bespreking had moeten worden voorgelegd aan de GMVC en waarover de verzoekende partij wenste te worden gehoord.

9. In haar laatste memorie voegt de verzoekende partij toe dat ten onrechte wordt aangenomen dat het advies van het departement Ruimte Vlaanderen “slechts het advies van de GMVC zou bevestigen”. Aangezien het advies vermeldt dat het is opgesteld op 29 juni 2014 en het tevens verwijst naar het advies van 22 augustus 2014, is het volgens haar “manifest tegenstrijdig gemotiveerd”.

Beoordeling

10. Uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij door de GMVC werd gehoord op de zitting van 29 juli 2014. Tijdens deze zitting overhandigde zij nog een nota met een “repliek op het ongunstige advies van stedenbouw”. In het advies dat werd gegeven door de GMVC werd uitgebreid stilgestaan bij de verenigbaarheid met de omgeving en de goede ruimtelijke ordening. Uit een vergelijking met het advies het departement van Ruimte Vlaanderen van 1 juli 2014 blijkt het advies van de GMVC van 29 juli 2014 een extra paragraaf te omvatten die ingaat op de bundeling van de windturbines met de aan te leggen Spartacustramlijn tussen Hasselt en Maastricht. Uit de nota die de verzoekende partij heeft neergelegd, blijkt dat dit net één van de doorslaggevende elementen in haar repliek is tegen het uitgebrachte advies van het departement Ruimte Vlaanderen. Aldus blijkt dat tijdens de beraadslagingen voorafgaand aan het advies dat de GMVC heeft uitgebracht, werd ingegaan op de elementen die naar voren werden gebracht in de nota die door de verzoekende partij werd neergelegd. Bij de inhoudelijke vergelijking met het naderhand neergelegde advies van het departement Ruimte Vlaanderen, op 22 augustus 2014, blijkt dat in essentie de stelling die door de GMVC op het vlak van de goede ruimtelijke

VII-39.282-8/15

ordening in haar advies wordt verwoord, wordt bevestigd. Uit de eerste alinea van dit aanvullend advies blijkt ook dat dit advies werd opgesteld naar aanleiding van een gemaakte afspraak op de bijeenkomst van de GMVC van 29 juli 2014. Dit aanvullend advies dient in deze context dan ook te worden beschouwd als een schriftelijke bevestiging van het eerder ingenomen standpunt door dit adviserend orgaan, met de bedoeling de beslissingnemende overheid een volledig en gedetailleerd beeld te geven van de toestand, zonder op het eerder gegeven advies in de GMVC terug te komen.

Hieruit blijkt dat de aanvrager van de geweigerde milieuvergunning, werd gehoord en op nuttige wijze voor zijn rechten is kunnen opkomen. Tevens blijkt het advies van de GMVC te zijn gebaseerd op alle relevante feiten, zoals zij bekend waren ten tijde van de hoorzitting en de beraadslaging. Uit dit advies kan worden afgeleid dat werd ingegaan op de inhoudelijke elementen van de nota die de verzoekende partij heeft neergelegd en dat het nadien gegeven advies van het departement Ruimte Vlaanderen slechts een detaillering betreft van het eerder verwoorde standpunt van de GMVC terzake. Het loutere feit dat de bestreden beslissing in haar motivering tevens het aanvullende advies vermeldt (pagina 5), kan dan ook niet worden beschouwd als een element dat onbekend was ten tijde van het opstellen van het advies van de GMVC.

Het eerste middel is niet gegrond.

Tweede middel

Standpunt van de verzoekende partij

11. In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 17, eerste lid, van het milieuvergunningsdecreet, de artikelen 21, § 2, 2°, 29, 2° en 4°, 30, § 1, 5°, en 52, 3°, van Vlarem I, de artikelen 4.3.1, § 2, en 4.4.9 juncto 5.6.7 VCRO, de omzendbrief RO/2014/02 van 25 april 2014 en het beginsel “patere legem quam ipse fecisti”, de artikelen 2 en 3 van de

VII-39.282-9/15

motiveringswet, de materiëlemotiveringsplicht en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, en het ontbreken van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag.

Zij betoogt dat de gevraagde milieuvergunning wordt geweigerd wegens de strijdigheid ervan met de goede ruimtelijke ordening en het niet in overeenstemming zijn met het bundelingsprincipe opgenomen in de vermelde omzendbrief en dat in de bestreden beslissing ten onrechte wordt besloten om de “zonevreemde clicheringsregeling” niet toe te passen. Tevens zou de bestreden beslissing niet afdoende gemotiveerd zijn, aangezien enkel wordt gewezen op de onverenigbaarheid met het bundelingsprincipe en in het advies van het departement Ruimte Vlaanderen van 1 juli 2014, noch in het advies van de GMVC, en evenmin in de bestreden beslissing een beoordeling van de goede ruimtelijke ordening werd opgenomen of op afdoende wijze werd geantwoord op de ingeroepen bezwaren. De aangevraagde windturbines zijn volgens haar wel degelijk verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening en met de inplantingsprincipes van de omzendbrief. De omzendbrief waarvan sprake is volgens de verzoekende partij de weergave van een algemene beleidslijn die richtlijnen en randvoorwaarden bevat en aldus een toetsingskader vormt. Hij dient volgens haar te worden beschouwd als een beleidsmatig gewenste ontwikkeling in de zin van artikel 4.3.1, § 2, eerste lid, 2°, VCRO. In de ingediende lokalisatienota zou duidelijk worden aangetoond dat in casu wordt voldaan aan het principe van de clustering van windturbines, en in de bestreden beslissing zou ook niet ontkend worden dat de aangevraagde inrichting beantwoordt aan het vooropgestelde in de omzendbrief inzake ruimtelijke concentratie in de nabijheid van een stedelijk gebied en kern van buitengebied. Aangezien dit argument niet wordt ontkracht, is de motivering volgens de verzoekende partij op dit punt gebrekkig. De bundeling met een woonkern van het buitengebied zou volstaan om voor vergunning in aanmerking te komen. Ook wordt volgens haar voldaan aan het criterium van de ruimtelijke bundeling met andere infrastructuur, zoals vooropgesteld in de omzendbrief. Rekening houdend met het aanwezige habitatrichtlijngebied, werd

VII-39.282-10/15

inplanting van de windturbines gepland op 500 meter van het Albertkanaal. Voorts werd bij de keuze van de inplantingsplaats rekening gehouden met veiligheidsafstanden, beschermde landschappen en sites, een openruimtecorridor en natuurverbindingsgebieden. De windturbines werden dan ook op de meest nabije plaats ten opzichte van het Albertkanaal, waar het ruimtelijk verantwoord is, gepland. In de bestreden beslissing wordt volgens haar dan ook ten onrechte gesteld dat het aangevraagde niet in overeenstemming zou zijn met het bundelingsprincipe. Ten onrechte wordt volgens haar in het bestreden besluit geoordeeld dat de windturbines zouden worden ingeplant in een openruimtegebied, zonder dat aantakking bij een visueel markant in het landschap voorkomende infrastructuur mogelijk is. Zij noemt de motivering die door de verwerende partij ter zake wordt gegeven faciel en oppervlakkig. Men kan, steeds volgens de verzoekende partij, niet oordelen dat geen rekening kan worden gehouden met een toekomstig project (Spartacustramlijn) omdat dit nog niet zou zijn vergund, terwijl wel al meerdere noodzakelijke stappen hiertoe door de verwerende partij werden gezet en zij dit project promoot. Er wordt ook niet aangetoond dat er nog geen vergunning zou zijn verleend. In de bestreden beslissing wordt alleszins voorbijgegaan aan het feit dat de windturbines gelegen zijn nabij een aantal verschillende lijninfrastructuren waarvan de Spartacuslijn er slechts één is, die samengenomen een zeer wezenlijke impact hebben op het landschap. Er wordt onder meer geen rekening gehouden met een hoogspanningslijn en treinbedding, noch met de wegen die het landschap doorkruisen en de nabijgelegen woonkernen Eigenbilzen-Mopertingen en Veldwezelt, zoals ook werd aangevoerd in de nota die bij de GMVC werd neergelegd. De bestreden beslissing had volgens de verzoekende partij in haar motivering hierop moeten ingaan. De bestreden beslissing zou getuigen van een kennelijk onredelijke afweging van de goede ruimtelijke ordening. Volgens de verzoekende partij beperken de GMVC en de verwerende partij zich tot een loutere weergave van de ingediende bezwaren in het beroepschrift, waarop slechts ten dele wordt geantwoord, en op foutieve wijze. Zij vervolgt dat, indien in het beroepschrift een uitgebreide en concrete argumentatie wordt opgebouwd, een beslissingnemende overheid zich niet kan beperken tot een overname van een

VII-39.282-11/15

advies dat deze concrete elementen niet op afdoende wijze weerlegt. De verwerende partij heeft hieraan geen enkele eigen beoordeling toegevoegd en heeft zich beperkt tot de loutere overname van het advies. De verzoekende partij besluit dat een zorgvuldige besluitvorming inhoudt dat de administratie de toepasselijke rechtsregels op alle relevante feiten toepast en na een behoorlijke afweging van alle ter zake dienende gegevens en belangen een beslissing neemt. In casu zou dit niet gebeurd zijn.

12. De verzoekende partij antwoordt op een exceptie van de verwerende partij als zou het middel onontvankelijk zijn in de mate dat het betrekking heeft op een omzendbrief die geen verordenend karakter heeft, dat deze omzendbrief uitgaat van de verwerende partij zelf. Zelfs indien de betreffende omzendbrief geen verordenend karakter zou hebben, moest hij volgens haar door de verwerende partij nog steeds op een correcte manier worden toegepast op grond van het principe “patere legem quam ipse fecisti”. Bovendien zou de verwerende partij de omzendbrief ook hebben toegepast in de bestreden beslissing, en daardoor zelf een beleidslijn hebben vastgesteld, waarvan niet zomaar afgeweken kan worden.

Voorts zou er slechts hoogstens fragmentair worden geantwoord op haar argumentatie in de lokalisatienota en in de nota bij de GMVC over een aantal factoren die aantonen dat de aanvraag wel degelijk beantwoordt aan het bundelingsprincipe.

Beoordeling

13. De geschonden geachte bepalingen uit Vlarem I hebben in essentie betrekking op de inhoud van adviezen en de beslissing inzake een milieuvergunningsaanvraag. De geschonden geachte bepalingen uit de Vlaamse Codex houden verband met het begrip “goede ruimtelijke ordening” en met de mogelijkheid om, bij beslissingen inzake stedenbouwkundige aanvragen of adviezen inzake milieuvergunningen, af te wijken van een stedenbouwkundig

VII-39.282-12/15

voorschrift.

Het beginsel “patere legem quam ipse fecisti” verplicht het bestuur en de organen die ervan afhangen ertoe de algemene regels die het zelf heeft vastgesteld te eerbiedigen bij de concrete toepassing ervan. De schending van dit beginsel kan enkel worden ingeroepen wanneer het gaat om een niet nageleefde regel, en niet bij de schending van een omzendbrief of andere documenten die als beleidslijn of als beleidsdocumenten moeten worden beschouwd. De schending van het beginsel wordt niet aangetoond.

In de bestreden beslissing wordt aangaande de goede ruimtelijke ordening onder meer overwogen “dat de windturbines in strijd zijn met de bestemmingsvoorschriften geldend voor de agrarische gebieden”, dat bepaalde afwijkingen mogelijk zijn en dat de basis van een verantwoorde inplantingswijze met betrekking tot windturbineparken vervat is in het bundelings- en optimalisatieprincipe, en dat projecten ruimtelijk verantwoord kunnen worden “als zij aantakken bij voldoende markant in het landschap voorkomende lijninfrastructuren”. Rekening houdend met de ruime afstand van het Albertkanaal en met het tussenliggend natuurgebied, acht de bestreden beslissing het Albertkanaal niet markant aanwezig in het projectgebied en wordt gesteld dat er niet kan worden besloten dat er een duidelijke ruimtelijke bundeling bestaat met deze lijninfrastructuur.

De beslissing overweegt voorts:

“dat de exploitant de bundeling aanhaalt met de aan te leggen Spartacus-tramlijn tussen Hasselt en Maastricht; dat voor de bewuste tramlijn een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning werd ingediend maar dat er nog geen uitspraak over is; dat de tramlijn zich situeert op korte afstand van het Albertkanaal langs de zijde van het windturbineproject; dat de tramlijn ter hoogte van de projectlocatie verloopt van west naar oost volgens het tracé van een oude spoorlijn, ter hoogte van het maaiveld stijgend richting Komveld om daar over het Albertkanaal te gaan; dat de afstand van het windturbineproject tot deze tramlijn ongeveer 500 m zal bedragen; dat het tracé van de toekomstige tramlijn sterk ingebed ligt in een groenscherm langs beide zijden;

VII-39.282-13/15

Overwegende dat niet gesteld kan worden dat er voldaan wordt aan het voor de inplanting van windturbines primordiale bundelingsprincipe (noch bundeling met het Albertkanaal, noch bundeling met de tramlijn);

Overwegende dat de windturbines zich in een open ruimte gebied bevinden, zonder aantakking bij een visueel markant in het landschap voorkomende infrastructuur; dat het zoveel als mogelijk vrijwaren van open ruimte gebieden een essentieel ordeningsprincipe is dat kadert in een duurzaam ruimtegebruik; dat er bijgevolg strijdigheid bestaat met artikel 1.1.4 van de VCRO dat duurzame ruimtelijke ontwikkeling vooropstelt;

Overwegende dat artikel 4.3.1, § 1, van de VCRO bovendien stelt dat een vergunning onder meer wordt geweigerd als het aangevraagde onverenigbaar is met een goede ruimtelijke ordening;

Overwegende dat volgens artikel 5.6.7, § 1, van de VCRO een milieuvergunning gunstig kan geadviseerd en vergund worden in afwijking van de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift, voor zover voldaan is aan beide hiernavolgende voorwaarden:

1° de goede ruimtelijke ordening wordt niet geschaad, hetgeen in het bijzonder betekent dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort;

2° de inrichting is stedenbouwkundig vergunbaar in afwijking van de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift of, voor zover het gaat om een bestaande inrichting, is hoofdzakelijk vergund;

Overwegende dat uit voorgaande blijkt dat geenszins kan gesteld worden dat een goede ruimtelijke ordening van de plaats gevrijwaard blijft; dat bijgevolg niet voldaan is aan de afwijkingsmodaliteiten vervat in het voornoemde artikel 5.6.7, § 1;

Overwegende dat de aangevraagde inrichting niet verenigbaar is met de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening;

Overwegende dat de goede ruimtelijke ordening van de omgeving niet gevrijwaard blijft en de milieuvergunningsaanvraag bijgevolg onaanvaardbaar is;

Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep ongegrond te verklaren en het bestreden besluit te bevestigen”.

De verzoekende partij toont niet aan dat de overwegingen aangaande de ruimtelijke toetsing van de milieuvergunningsaanvraag niet zouden overeenstemmen met de feitelijke toestand ter plaatse. Of de inplanting van de gevraagde windturbines al dan niet strijdig is met de goede ruimtelijke ordening, is een kwestie van appreciatie, waarvoor de verwerende partij bevoegd is. De Raad van State heeft hier slechts een marginale toetsingsbevoegdheid. Op basis van de bovenstaande motivering kan niet worden besloten dat de bestreden beslissing op een kennelijk onredelijke wijze werd genomen en wordt op afdoende wijze het

VII-39.282-14/15

standpunt dat door de beslissingnemende overheid wordt ingenomen, verantwoord. De bestreden beslissing kadert binnen het discretionaire beoordelingskader waarover de verwerende partij beschikt. De onredelijkheid daarvan wordt niet aangetoond.

Het tweede middel is niet gegrond.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig november tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.

De griffier De voorzitter

Bart Tettelin Eric Brewaeys

VII-39.282-15/15

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.031