Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.009 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.009 Généré par l'IA

Court dismisses late planning permit appeal due to third party's prior notification of the permit.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.009
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the appeal filed by residents against a planning permit for apartment conversion, ruling it untimely. Although the applicants argued no public notice was given, the court found that the permit's granting was communicated to them via email by the permit applicants' lawyer on November 9, 2014. Consequently, the statutory sixty-day deadline for filing the appeal had already expired before the applicants lodged their request on February 8, 2016.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Article 4 of the 1948 Regent's Decision; For a third party, the sixty-day appeal period begins on the day they acquire knowledge of the planning permit, and such knowledge is presumed when the permit is communicated to them by the applicants' representative.

Mots-clés

Généré par l'IA
planning permit appeal statute of limitations third party knowledge presumption of notice untimely filing Brussels planning law procedural deadline reclassement de zone à bâtir

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 4 of the Regent's Decision of 23 August 1948
Article 194/2, Section 1 of the Brussels Spatial Planning Code
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Xe KAMER

nr. 240.009 van 28 november 2017

in de zaak A. 218.318/X-16.514.

In zake : 1. Freddy DE VEIRMAN

2. Camila FERRANTE

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat John Toury kantoor houdend te 1800 Vilvoorde Jean Baptiste Nowélei 13

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

1. de STAD BRUSSEL

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean-Paul Lagasse kantoor houdend te 1030 Brussel de Jamblinne de Meuxplein 41

bij wie woonplaats wordt gekozen 2. het BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJKE GEWEST

Tussenkomende partijen :

1. Céline DE WULF

2. Stephan MESGUICH

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Gijssels kantoor houdend te 9900 Eeklo Gentsesteenweg 56

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 8 februari 2016, strekt tot de nietigverklaring van “[h]et besluit van 23 oktober 2014 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Brussel tot het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning aan de heer Stephan Mesguich en mevrouw

X-16.514-1/6

Céline De Wulf voor het herbestemmen van magazijnen tot appartementen in een pand gelegen te 1000 Brussel, Naam Jezusstraat 17”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De eerste verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend.

Céline De Wulf en Stephan Mesguich hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 11 april 2016. De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend.

Auditeur An Van den Broeck heeft een verslag opgesteld.

De verzoekers en de tussenkomende partijen hebben een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 november 2017.

Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht.

Advocaat John Toury, die verschijnt voor de verzoekers en advocaat Steven Vandendriessche, die loco advocaat Jean-Paul Lagasse verschijnt voor de eerste verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur An Van den Broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

X-16.514-2/6

III. Feiten

3.1. De verzoekers wonen op de eerste verdieping van een gebouw, gelegen aan de Baksteenkaai 58 te 1000 Brussel, dat oorspronkelijk één L-vormig gebouw vormde met een gebouw gelegen in de Naam Jezusstraat 17. Dit laatste gebouw is opgedeeld in appartementen, waarvan het appartement op de eerste verdieping eigendom is van de eerste tussenkomende partij en dit op de tweede verdieping van de tweede tussenkomende partij.

3.2. Volgens het gewestelijk bestemmingsplan van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest zijn beide gebouwen gelegen in een zone voor typische woongebieden en tevens in een gebied van culturele, historische, esthetische waarde of voor stadsverfraaiing.

3.3. Op 11 augustus 2014 (datum van ontvangstbewijs) dienen de tussenkomende partijen bij de stad Brussel een aanvraag in voor de regularisatie van de bestemmingswijziging van het pand aan de Naam Jezusstraat 17 van magazijn naar woningen.

3.4. Op 6 oktober 2014 brengt de gemachtigde ambtenaar een gunstig advies uit over de aanvraag.

3.5. Op 23 oktober 2014 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Brussel de gevraagde regularisatievergunning.

Dit is het bestreden besluit.

IV. Ontvankelijkheid van het beroep ratione temporis

A. Standpunt van de partijen

4.1. De verzoekers stellen in hun verzoekschrift dat zij voor het eerst van de bestreden beslissing kennis hebben gekregen met de mededeling op

X-16.514-3/6

11 december 2015 van het auditoraatsverslag in de zaak A 211.990/XV-2502, waarbij een afschrift van de bestreden beslissing was gevoegd. Volgens de verzoekers is de beroepstermijn dan ook pas ingegaan op 12 december 2015, om een einde te nemen op 9 februari 2016. Zij achten hun op 8 februari 2016

ingesteld beroep tijdig.

4.2. Zowel de eerste verwerende partij als de tussenkomende partijen werpen in hun memorie de laattijdigheid van het beroep op. Zij betwisten dat de verzoekers eerst ingevolge de kennisgeving van het auditoraatsverslag in de zaak A 211.990/XV-2502 van het bestreden besluit kennis hebben genomen.

Betoogd wordt dat al in de memorie van de tussenkomende partijen in de zaak A 211.990/XV-2502 gewag wordt gemaakt van het indienen van de kwestieuze vergunningsaanvraag en van het gunstig advies van het college van burgemeester en schepenen van 21 augustus 2014 over die aanvraag. De raadsman van de tussenkomende partijen heeft op 9 november 2014 alle betrokken partijen van de vergunning op de hoogte gebracht. Ook werden in het kader van de gerechtelijke procedure tussen de verzoekers en de eerste tussenkomende partij door deze laatste op 6 mei 2015 besluiten neergelegd waarin van de afgifte van de kwestieuze vergunning melding wordt gemaakt.

4.3. De verzoekers repliceren in hun memorie van wederantwoord dat het feit dat zij konden vermoeden dat een vergunning werd afgeleverd, quod non, de beroepstermijn nog niet doet ingaan. Zij betogen dat nooit een openbaar onderzoek over de aanvraag werd georganiseerd en dat geen kennisgeving van de start van de toegestane werken of handelingen en geen aanplakking van de bestreden vergunning overeenkomstig artikel 194/2, § 1, van het Brussels Wetboek Ruimtelijke Ordening (BWRO), is gebeurd.

B. Beoordeling

5.1. Voor een derde belanghebbende gaat de in artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging

X-16.514-4/6

voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ bepaalde beroepstermijn van zestig dagen in met de dag waarop hij kennis heeft van de stedenbouwkundige vergunning.

5.2. Op 9 november 2014 heeft de raadsman van de tussenkomende partijen aan de raadsman van de verzoekers (in de zaak A. 211.990/XV-2502) een mail gestuurd – waarvan verzoekers niet de ontvangst betwisten – waarin wordt medegedeeld dat de bestreden regularisatievergunning verleend is en waarbij een afschrift van die vergunning was gevoegd.

Gelet op dit gegeven, moeten de verzoekers geacht worden meer dan zestig dagen vóór hun op 8 februari 2016 ingestelde beroep kennis van de bestreden vergunning te hebben gehad.

5.3. De excepties zijn gegrond, het beroep is laattijdig.

V. Kosten

6. Aan de tussenkomende partijen kan, gelet op artikel 30/1, § 2, laatste alinea, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, niet de door hen gevraagde rechtsplegingsvergoeding worden toegekend.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verzoekers worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de eerste verwerende partij.

De tussenkomende partijen worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 300 euro.

X-16.514-5/6

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig november 2017, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:

Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier.

De griffier De voorzitter

Frank Bontinck Johan Lust

X-16.514-6/6

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.009