Court dismisses second suspension request due to lack of urgency and reliance on old arguments.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's second request to suspend the enforcement of a disciplinary suspension decision. The court found that the applicant failed to provide new elements justifying the need for an urgent suspension, as her previous arguments regarding health and professional impact were already rejected. Consequently, the court ruled that the statutory conditions for granting a suspension were not cumulatively met.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 17, § 1 and § 2, third paragraph, of the Coordinated Laws on the Council of State; A suspension request requires the cumulative fulfillment of statutory conditions, including urgency, and must be based on new elements not previously presented.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE IXe KAMER
nr. 239.990 van 28 november 2017
in de zaak A. 222.576/IX-9089
In zake: Annick SCHEGERS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep 6 Rivierenland bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Stommels en Jan Fransen kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 220 bus 14
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 26 juli 2017, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de raad van bestuur van scholen-
groep 6 Rivierenland van het Gemeenschapsonderwijs van 13 juni 2017 om An-
nick Schegers met ingang van 1 september 2017 over te plaatsen in het belang van de dienst naar het atheneum te Willebroek.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 238.818 van 13 juli 2017 heeft de Raad van State een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuit-
voerlegging van dezelfde beslissing verworpen.
IX-9089-1/6
De verwerende partij heeft een nota ingediend.
Auditeur Barbara Speybrouck heeft een verslag opgesteld.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 november 2017.
Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge-
bracht.
Advocaat Stijn Butenaerts, die loco advocaat Christophe Van-
geel verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jan Fransen, die tevens loco advocaat Marc Stommels verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Barbara Speybrouck heeft een met dit arrest eenslui-
dend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-
coördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. Verzoekster is vast benoemd leraar aan het atheneum te Boom, onderwijsinstelling die behoort tot scholengroep 6 Rivierenland van het Gemeen-
schapsonderwijs.
Op 21 september 2016 beslist de kamer van beroep voor de personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs een door de verwerende partij aan verzoekster opgelegde tuchtstraf “afhouding van 10% wedde gedurende 2 maanden” te bevestigen. Deze beslissing vecht verzoekster aan met een thans nog bij de Raad van State hangend annulatieberoep (A. 220.871/IX-8977).
IX-9089-2/6
Op 15 november 2016 verzoekt de raad van bestuur van de scholengroep de onderzoekscel van het Gemeenschapsonderwijs om een onder-
zoek in te stellen naar de verstoorde orde in het atheneum te Boom, inzonderheid om na te gaan “of er nog verdere samenwerking tussen mevrouw Schegers, de leden van de vakgroep geschiedenis en de directie van het GO! Atheneum Boom mogelijk is”.
Op 28 maart 2017 beslist de verwerende partij om aan verzoekster de tuchtmaatregel “schorsing voor 2 maanden” op te leggen.
Verzoekster vecht deze beslissing aan bij de kamer van beroep, die op 22 juni 2017
de opgelegde tuchtsanctie bevestigt. Ook deze laatstgenoemde beslissing vecht verzoekster aan met een thans nog bij de Raad van State hangend annulatieberoep (A. 222.964/IX-9120).
Op 9 mei 2017 neemt de raad van bestuur kennis van het rapport van de onderzoekscel en op 13 juni 2017 wordt verzoekster, vertegenwoordigd door haar raadsman, gehoord in het kader van de voorgenomen overplaatsing in het belang van de dienst.
Met de thans bestreden beslissing van 13 juni 2017 wordt verzoekster met ingang van 1 september 2017 overgeplaatst, in het belang van de dienst, naar het atheneum te Willebroek.
IV. Spoedeisendheid
4. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.
IX-9089-3/6
5. Luidens artikel 17, § 2, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State mag, “[w]anneer de afdeling bestuursrechtspraak een vor-
dering tot schorsing […] verwerpt wegens het gebrek aan spoedeisendheid”, een nieuwe vordering tot schorsing slechts worden ingesteld, “indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen”.
6. Verzoekster neemt in het inleidend verzoekschrift onder een opschrift „Belang + Schorsingsnoodzaak‟ woordelijk de argumenten over die zij heeft aangebracht in haar vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzake-
lijkheid van de bestreden beslissing, die bij arrest nr. 238.818 van 13 juli 2017 is verworpen.
7. Ook al was dit arrest een uitspraak over een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, dan blijkt uit de overwegingen ervan niettemin dat de – identieke – argumenten van verzoekster toen reeds werden afgewezen wegens het gebrek aan de spoedeisendheid die ook voor de gewone schorsingsprocedure vereist is.
8. Een nieuwe vordering tot schorsing mag in dat geval enkel steunen op nieuwe elementen. Die brengt verzoekster evenwel niet bij. Voor zo-
veel als nodig mag worden opgemerkt dat elementen die niet eerder uitdrukkelijk in een verzoekschrift waren verwoord niet ipso facto “nieuwe elementen” zijn in de zin van artikel 17, § 2, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Zelfs al bevat de huidige uiteenzetting van verzoekster dus elementen die niet in het eerste verzoekschrift op papier waren gezet, dan blijkt niet dat het ge-
gevens zijn die toentertijd niet bekend waren of het niet moesten zijn. Vergeleken met de initiële uiteenzetting voegt verzoekster immers slechts hieraan toe dat het doorlopen van de vernietigingsprocedure ervoor zal zorgen dat een grote impact zal ontstaan “op haar gezondheid, netwerk alsook juridische positie”. Dit is geen nieuw element, maar enkel de samenvatting van haar oorspronkelijk ook reeds in haar vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid gehouden betoog. Voorts legt verzoekster bij haar huidig verzoekschrift twee medische at-
IX-9089-4/6
testen voor. Die attesten dateren van 15 september 2016 respectievelijk 26 sep-
tember 2016 en waren dus reeds opgesteld en bekend aan verzoekster op het ogenblik dat zij op 5 juli 2017 haar vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid heeft ingesteld; het zijn evenmin nieuwe elementen.
9. Het enige onderdeel van voormeld arrest dat een opening liet voor onderzoek in een gewone schorsingsprocedure heeft betrekking op de ver-
meende weerslag van de bestreden beslissing “op de positie van verzoekster in de huidige school”. Hierover overwoog de Raad van State:
“Zo valt evenmin in te zien welke voorrangsrechten door andere vast be-
noemden – en nog minder door TADD‟ers – kunnen verworven zijn in haar nadeel indien zij na een nietigverklaring haar plaats te Boom de facto weer inneemt en de iure geacht moet worden ze nooit kwijtgespeeld te zijn.
Minstens toont verzoekster niet aan waarom een gewone schorsing te laat zou tussenkomen om dit nadeel te weren.”
Het lag op de weg van verzoekster om dit beweerde probleem in haar tweede vordering uit te werken en om te concretiseren waarom het retroactief effect van een nietigverklaring hiervoor niet zou volstaan. Dit heeft zij nagelaten.
10. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumula-
tief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.
BESLISSING
De Raad van State verwerpt de vordering.
IX-9089-5/6
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 28 november 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.
De griffier De voorzitter
Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren
IX-9089-6/6
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.990