Belgian State wins appeal; applicant rejected for family reunification due to lack of proof of residence in home country.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State dismissed the applicant's cassation appeal against a decision refusing family reunification with a Belgian adoptive mother. The applicant argued that the requirement to prove residence in the country of origin was inapplicable given his long-term illegal presence in Belgium since 2007. The court held that the statutory condition of 'being in the country of origin' refers to an existing status at the time of the application, which the applicant failed to establish despite his prior residence in Belgium.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 40ter and 42, § 1, of the Law of 15 December 1980 on aliens; The requirement to prove residence in the country of origin for family reunification applies to existing conditions at the time of application and cannot be waived by subsequent legal status in the host country.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIVe KAMER
nr. 239.984 van 28 november 2017
in de zaak A. 219.287/XIV-37.039
In zake : XXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mieke Van den Broeck kantoor houdend te 1210 Brussel Haachtsesteenweg 55
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Harlekijnstraat 9
I. Voorwerp van het cassatieberoep
1. Het cassatieberoep, ingesteld op 17 mei 2016, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 165.751 van 13 april 2016 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 12.034 van 4 juli 2016.
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
XIV-37.039-1/8
Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 september 2017.
Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Pauline Delgrange, die loco advocaat Mieke Van den Broeck verschijnt voor verzoeker, en advocaat Tine Bricout, die loco advocaat Carmenta Decordier verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. Verzoeker dient op 8 oktober 2013 een aanvraag in voor het verkrijgen van een verblijfskaart als familielid van een burger van de Unie, met name in functie van zijn Belgische adoptiemoeder.
Op 18 december 2015 neemt de staatssecretaris voor Asiel en Migratie in hoofde van verzoeker een beslissing tot weigering van verblijf van meer dan drie maanden met bevel om het grondgebied te verlaten.
Verzoeker stelt op 22 januari 2016 tegen deze beslissing een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor
XIV-37.039-2/8
Vreemdelingenbetwistingen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwerpt de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring tegen de voornoemde beslissing van 18 december 2015 met een arrest van 13 april 2016. Dit is het bestreden arrest.
IV. Onderzoek van de middelen
Enig middel
Uiteenzetting van het middel
4. Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van de artikelen 40ter en 42, § 1, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet), samen met de materiële- en de formelemotiveringsplicht.
Verzoeker citeert uit punt 3.2.3.3. van het bestreden arrest de motivering betreffende “het gegeven dat hij eerst moet aantonen in zijn land van herkomst ten laste te zijn geweest van de referentiepersoon”. Verzoeker voert aan dat de notie van het “ten laste” zijn niet is gespecificeerd in de wet en dat de bewijsvoering derhalve vrij is. Hij heeft bewijsstukken bijgebracht dat hij ten laste is van zijn adoptiemoeder maar het is hem niet mogelijk te bewijzen dat hij in zijn land van herkomst reeds ten laste was van zijn adoptiemoeder vermits die afstammingsband pas in België is ontstaan. De voorwaarde van het ten laste zijn in het land van herkomst staat niet in de wet, zodat de dienst Vreemdelingenzaken volgens verzoeker machtsoverschrijding pleegt door deze voorwaarde toe te voegen.
Verzoeker laat in ondergeschikte orde gelden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich voor de uitlegging van het begrip “ten laste zijn”
beroept op het Unierecht en op rechtspraak van het Hof van Justitie van de
XIV-37.039-3/8
Europese Unie (HvJ 16 januari 2014, nr. C-423/12 en HvJ 9 januari 2007, nr.
C-1/05). Die in het bestreden arrest geciteerde rechtspraak heeft echter betrekking op gevallen van gezinshereniging waarbij de aanvrager wel degelijk ten laste was in het land van herkomst en dit probleem zich dan ook niet stelde. Verzoeker acht de verwijzing naar de arresten van het Hof van Justitie niet dienstig omdat de situatie te dezen geheel anders is. Dergelijke interpretatie van het “ten laste zijn”
zou het voor verzoeker onmogelijk maken zich met zijn adoptiemoeder te herenigen en dit lijkt hem onverenigbaar met het Unierecht. Artikel 40bis van de vreemdelingenwet maakt een omzetting uit van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG
(hierna: richtlijn 2004/38) en deze laatste stelt nergens dat men ten laste moet zijn in het land van herkomst wanneer men een familielid in de Unie wil vervoegen.
Omdat ook de rechtspraak er zich niet expliciet over uitspreekt, vraagt verzoeker om drie prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de interpretatie van artikel 2.2, c), van richtlijn 2004/38 voor wat de vereiste van het ten laste zijn in het land van herkomst betreft, in het bijzonder voor de aanvrager die slechts in de lidstaat ten laste is geworden.
5. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat de verwerende partij met de aanvankelijk bestreden beslissing haar appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door een voorwaarde toe te voegen aan de wet. Dit kon met een marginale toetsing worden vastgesteld. De voorwaarde van het ten laste zijn in het land van herkomst benadeelt bovendien degenen die in België een gezin vormen tegenover degenen die er een gezin herenigen, hetgeen volgens verzoeker een discriminatie en aldus een schending van het redelijkheidsbeginsel uitmaakt.
XIV-37.039-4/8
Beoordeling
6. Naar luid van artikel 40bis, § 2, eerste lid, 3°, van de vreemdelingenwet worden onder meer als familielid van een burger van de Unie beschouwd “de bloedverwanten in neergaande lijn alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder 1° of 2°, beneden de leeftijd van eenentwintig jaar of die te hunnen laste zijn, die hen begeleiden of zich bij hen voegen […]”. Ingevolge het bepaalde in artikel 40ter van die wet zijn deze bepalingen van toepassing op de familieleden van een Belg voor zover het onder meer betreft “de familieleden vermeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° tot 3°, die de Belg begeleiden of zich bij hem voegen”.
Waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest oordeelt dat de voorwaarde van het ten laste zijn reeds moet bestaan in het land van herkomst van verzoeker, houdt verzoeker voor dat dit niet blijkt uit de voornoemde wetsbepalingen en dat zijn afstamming door adoptie slechts in België tot stand is gekomen, zodat aan verzoeker niet op wettige wijze het bewijs mag worden gevraagd dat hij reeds ten laste was van zijn Belgische adoptiemoeder in het land van herkomst. Verzoeker voert aan dat de in het bestreden arrest aangehaalde arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie geen betrekking hebben op zijn situatie, wat de voorwaarde van het ten laste zijn in het land van herkomst betreft.
7. Uit het bestreden arrest blijkt dat verzoeker de adoptiezoon is van een Belgische vrouw die haar recht van vrij verkeer in de Europese Unie niet heeft uitgeoefend door zich te vestigen in een andere lidstaat. Het betreft dus een zuiver interne situatie, waarop het Unierecht niet van toepassing is. Het is juist dat een richtlijnconforme interpretatie van een nationale bepaling aan de orde is, onder meer in gevallen waarin de feiten van het hoofdgeding weliswaar niet binnen de directe werkingssfeer van het Unierecht vallen, maar de bepalingen van dat recht van toepassing zijn op grond van de nationale wettelijke regeling waarin ten
XIV-37.039-5/8
aanzien van situaties waarvan alle aspecten zich binnen één lidstaat afspelen, is gekozen voor dezelfde aanpak als in het Unierecht.
Verzoekers aanvraag, die tot de aanvankelijk bestreden beslissing en het bestreden arrest heeft geleid, is gesteund op artikel 40ter van de vreemdelingenwet. Het blijkt geenszins dat bij de wijziging van artikel 40 en volgende van de vreemdelingenwet met de wet van 8 juli 2011 ‘tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ werd gekozen voor dezelfde aanpak voor gezinshereniging van een derdelander met een zogenaamd “statische” Belg als met een andere Unieburger. Integendeel, er is uitdrukkelijk voor gekozen dat die “Belgen op voet van gelijkheid [worden] geplaatst met de vreemdelingen uit derde landen” en dat “de wet bijgevolg strenger zal worden toegepast ten aanzien van de Belgen dan ten aanzien van de burgers die de nationaliteit hebben van een lidstaat van de Europese Unie” (Parl. St. Kamer, nr. 53/0443-14, 150). Bij gebrek aan aanknoping met de bepalingen van het Unierecht is de door verzoeker voorgestelde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie betreffende de interpretatie van artikel 2.2, c), van richtlijn 2004/38 te dezen niet aan de orde. Om dezelfde reden is het stellen van de door verzoeker voorgestelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie niet aan de orde.
Het enige middel is in die mate niet-ontvankelijk.
8. De voorwaarde van het ten laste “zijn” in artikel 40ter iuncto 40bis, § 2, eerste lid, 3°, van de vreemdelingenwet houdt in dat het om een bestaande toestand moet gaan. Vermits in het voornoemde artikel 40ter uitdrukkelijk sprake is van familieleden “die de Belg begeleiden of zich bij hem voegen”, en het begeleiden van of het zich voegen bij de Belg inhoudt dat de vreemdeling uit het buitenland komt of is gekomen, heeft de eerste rechter op wettige wijze geoordeeld dat het gaat om een toestand die in het land van herkomst
XIV-37.039-6/8
moet bestaan. Indien daaraan niet is voldaan, hoeven de nadere voorwaarden betreffende het ten laste zijn in België niet te worden onderzocht.
De eerste rechter heeft dan ook zonder schending van de wet of toevoeging van een voorwaarde aan de wet geoordeeld dat verzoekers aanvraag met de aanvankelijk bestreden beslissing kon worden verworpen omdat verzoeker niet bewijst in het land van herkomst ten laste te zijn geweest van zijn adoptieouder.
Aan het voorgaande wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat verzoeker reeds in 2007 België was binnengekomen. Uit het bestreden arrest blijkt dat verzoeker na zijn binnenkomst eerst een asielaanvraag heeft ingediend die werd afgewezen en nadien twee aanvragen om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet en twee aanvragen om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de vreemdelingenwet heeft ingediend die allen werden afgewezen, alvorens zich zes jaar na zijn binnenkomst in België te laten adopteren.
Verzoeker kan zich niet vrijwaren van de voorwaarde van het ten laste zijn geweest in het land van herkomst door een band van afstamming door adoptie te vestigen op een ogenblik dat hij reeds jaren en bovendien illegaal in België verblijft. Uit niets blijkt dat de wetgever wat dat betreft een uitzondering heeft willen voorzien.
De eerste rechter artikel heeft derhalve artikel 40bis, § 2, 3°
iuncto artikel 40ter van de vreemdelingenwet niet foutief geïnterpreteerd wat de voorwaarde van het ten laste zijn in het land van herkomst betreft. Dat hij daarbij “naar analogie” heeft verwezen naar bepaalde rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, tast de juistheid van zijn interpretatie van de voornoemde artikelen niet aan.
Het enige middel is in die mate ongegrond.
XIV-37.039-7/8
9. Het enige middel kan niet tot cassatie leiden.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig november tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, met bijstand van Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Geert Debersaques
XIV-37.039-8/8
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.984