Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.980 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.980 Généré par l'IA

Belgian court annuls police dismissal due to flawed double employment reasoning regarding UN leave.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.980
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Admis (Allowed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State annulled the Federal Police's decision dismissing an officer for immediate termination. The court found the dismissal lacked a valid material basis because the officer was on unpaid leave for a UN mission, not simultaneously employed by two governments. Consequently, the claim of double full-time employment was rejected as legally incorrect.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles VIII.XIII.1 and VIII.XIII.2 of the Royal Decree of 30 March 2001; An employee on unpaid leave for a general interest mission cannot be considered simultaneously employed by two authorities, rendering a dismissal based on double employment invalid.

Mots-clés

Généré par l'IA
double employment unpaid leave general interest mission dismissal annulment Royal Decree 2001 Federal Police UN mission résiliation des rapports de service

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article VIII.XIII.1 of the Royal Decree of 30 March 2001
Article VIII.XIII.2 of the Royal Decree of 30 March 2001

Jurisprudence citée

Généré par l'IA
Council of State, No. 76.506 of 20 October 1998
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 239.980 van 28 november 2017

in de zaak A. 216.456/XIV-36.567

In zake : Stijn DE MEDTS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Thomas Eyskens en Jens Mosselmans kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/JUR

gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145/A

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 14 juli 2015, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de hoofdcommissaris van de dienst Loopbaanbeheer binnen de algemene directie van het Middelenbeheer en de Informatie bij de Federale Politie van 11 mei 2015, waarbij verzoeker met onmiddellijke ingang definitief uit zijn ambt wordt ontzet.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld.

XIV-36.567-1/14

De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.

Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 november 2017.

Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Jens Mosselmans, die verschijnt voor verzoeker en adviseur Jana Mouton, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoeker is sedert 2004 in dienst bij de Federale Politie. Sedert september 2011 oefent hij de functie uit van officier bij de directie van de Operaties inzake Gerechtelijke Politie (DJO).

3.2. Op 14 november 2011 wordt verzoeker een aanstelling van bepaalde duur aangeboden als associate training officer voor een periode van twee jaar bij de Security and Safety service van de Verenigde Naties (VN) in New York, die hij aanvaardt.

Per brief van 27 januari 2012 wordt aan verzoeker meegedeeld dat de minister van Binnenlandse Zaken hem een verlof voor opdracht van algemeen belang toekent in de zin van artikel VIII.XIII.1 van het koninklijk besluit

XIV-36.567-2/14

van 30 maart 2001 (RPPol), voor een duurtijd van twee jaar met ingang van 1 februari 2012.

3.3. Op 26 november 2013 wordt verzoeker een aanstelling van één jaar aangeboden als associate security officer bij de Security and Safety section van de VN in Nairobi, Kenia.

Op 16 januari 2014 wordt verzoeker een continuing appointment (aanstelling van onbepaalde duur) aangeboden bij het secretariaat van de VN, met ingang van 1 februari 2014, die hij op 20 januari 2014 aanvaardt.

Op 7 februari 2014 ontvangt verzoeker een brief vanwege de algemene directie van de Ondersteuning en het Beheer (DGS), directie van de Mobiliteit en het Personeelsbeheer, waarin - met verwijzing naar een beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 2 februari 2014 - onder meer het volgende wordt gesteld:

“Bij beslissing in Ref 2 heeft Mevrouw de Minister van Binnenlandse Zaken aan CP Stijn De Medts (440203881) met ingang van 06-01-2014 een verlof voor opdracht van algemeen belang (bij de Verenigde Naties) toegekend voor een periode van 2 jaar”.

In de ministeriële beslissing zelf is evenwel sprake van een verlof voor opdracht van algemeen belang “voor de duur van één jaar”.

3.4. Op 14 januari 2015 ontvangt verzoeker een e-mail van de DGS, waarin het volgende wordt medegedeeld:

“Mevrouw de minister van Binnenlandse Zaken heeft u bij beslissing van 02-02-2014 een verlof toegekend voor opdracht van algemeen belang voor het uitvoeren van een functie bij de VN in Nairobi. Dit verlof vangt aan op datum van 6 januari 2014 met een duurtijd van 1 jaar. Vanaf 6 januari 2015 bent u bijgevolg onwettig afwezig. Graag had ik van u vernomen of dit verlof voor opdracht van algemeen belang verlengd dient te worden. Zo ja, dient u uw aanvraag te richten aan het secretariaat DJO”.

XIV-36.567-3/14

Per brief van 15 januari 2015 dient verzoeker een verzoek tot verlenging van zijn verlof voor opdracht van algemeen belang in, met als bijlage een “attest van tewerkstelling” bij de VN.

Op 21 januari 2015 ontvangt verzoeker een brief van de algemene directie van het Middelenbeheer en de Informatie (DGR) (de opvolger van DGS), waarin wordt aangegeven dat het verzoek tot verlenging van het verlof nog niet kan worden behandeld wegens het laattijdige karakter van de aanvraag en dat in afwachting van een beslissing, aan verzoeker met ingang van 6 januari 2015

voor drie maanden een verlof van lange duur wegens persoonlijke redenen wordt toegekend.

Per brief van 24 februari 2015 deelt de DGR aan verzoeker mee dat de Directeur-generaal van de algemene directie van de Gerechtelijke Politie (DGJ) een ongunstig advies verleent voor de verlenging van zijn verlof op grond van de volgende redenen:

“- Dir DJO geeft een negatief advies wegens het deficit binnen de Directie DJO;

- het nogmaals verlengen van deze langdurige afwezigheid riskeert op termijn uw reïntegratie in het gewijzigd politielandschap te bemoeilijken;

- uw reïntegratie met de door u opgedane internationale ervaring betekent een reële meerwaarde voor DJO, waardoor het principe van ‘the return on investment’ kan gerealiseerd worden”.

Tevens wordt meegedeeld dat verzoeker zijn eventuele opmerkingen binnen een termijn van tien dagen toegekend ter kennis kan brengen en tevens wordt nogmaals gevraagd voor welke duurtijd verzoeker een bijkomend verlof voor opdracht van algemeen belang zou wensen te bekomen.

Per brief van 27 februari 2015 dient verzoeker een antwoordnota in, waarin hij aangeeft dat hij er te goeder trouw van uitging dat hem verlof van algemeen belang werd toegekend voor een duurtijd van twee jaar tot 5 januari 2016

voor de uitoefening van zijn tijdelijke betrekking bij de VN in Nairobi en bevestigt hij tevens zijn vraag om het verlof voor opdracht van algemeen belang tot die datum te verlengen.

XIV-36.567-4/14

Op 22 april 2015 wordt aan verzoeker per e-mail het volgende meegedeeld:

“We hebben uw opmerkingen m.b.t. het ongunstig advies van DGJ goed ontvangen en ter kennis gebracht van DGJ, die zijn negatief advies handhaaft.

Waarschijnlijk zal dit advies gevolgd worden door de CG.

Teneinde een volledig dossier te kunnen overmaken aan MinBinZak, die de eindbeslissing neemt, vraag ik u een kopie van uw contract over te maken.

Momenteel hebben we enkel een tewerkstellingsattest waaruit blijkt dat u tot 30-11-2042 verbonden bent met de VN.(...)”.

Nadat verzoeker dit contract dezelfde dag nog verstuurt, wordt op 23 april 2015 per e-mail geantwoord:

“Bedankt voor het contract. Dient dit beschouwd te worden als een contract van onbepaalde duur of bent u benoemd? Voor wat betreft uw administratieve toestand, u bent momenteel in afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegen-

heden.”

Op 27 april 2015 antwoordt verzoeker per e-mail:

“momenteel heb ik een ‘continuing contract’ bij de VN wat overeenstemt met een benoeming. De fondsen voor mijn huidige functie zijn echter maar gegarandeerd tot september 2015.(...)”.

3.5. Per brief van 11 mei 2015 wordt door de hoofdcommissaris van de DGR aan verzoeker het volgende meegedeeld:

“Onderwerp: Definitieve ambtsontzetting Naar aanleiding van uw aanvraag voor verlenging van uw verlof voor opdracht van algemeen belang (Ref.3) werd u verzocht om uw contract bij de Verenigde Naties over te maken aan DRP-P-Offr. Uit uw contract blijkt dat u, sedert 01-02-2014 een ‘continuing appointment’ hebt, wat overeenstemt met een benoeming (Ref.13).

Bijgevolg hebt u een dubbele voltijdse benoeming bij twee verschillende overheden, wat logischerwijze niet kan. De Raad van State stelt in het Arrest vermeld in Ref. 2 dat het aanvaarden van een vaste voltijdse benoeming immers inhoudt dat men zich ‘vast’, definitief voltijds ter beschikking stelt van de overheid bij wie men is benoemd en dat men uiteraard niet definitief voltijds ter beschikking kan staan van twee verschillende overheden.

Bijgevolg behoort u op datum van 01-02-2014 (de datum van uw ‘benoeming’ bij de Verenigde Naties) niet langer meer tot de Federale Politie en is uw vraag tot verlenging van uw verlof voor opdracht van algemeen belang zonder voorwerp (Ref. 3). U dient, indien dit nog niet gebeurd is, zo vlug als mogelijk uw

XIV-36.567-5/14

dienstidentiteitskaart, uw individueel dienstwapen evenals ander materieel of kledij in persoonlijk dotatie in te leveren.

[...]”.

Dit is de bestreden beslissing.

IV. Onderzoek van de middelen

Eerste middel

Eerste onderdeel

Standpunt van de partijen

4. Verzoeker voert in een eerste middel, eerste onderdeel, de schending aan van artikel IX.I.2 RPPol en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991).

Hij betoogt dat artikel IX.I.2 RPPol op limitatieve wijze de gronden opsomt waarbij een personeelslid ambtshalve en zonder opzegging definitief uit zijn ambt kan worden ontzet, en dat uit deze limitatieve lijst niet blijkt dat een personeelslid wegens een benoeming bij een internationale organisatie, en dan nog in het kader van het specifieke reglementaire statuut van verlof om reden van algemeen belang, definitief uit zijn ambt kan worden ontzet. Indien de beslissing in die zin kan worden geïnterpreteerd dat verzoeker omwille van zijn mandaat bij de VN definitief uit zijn ambt werd ontzet, schendt de bestreden beslissing artikel IX.I.2 RPPol.

Voorts weerlegt verzoeker het dragende motief dat hij ‘vast’ benoemd zou zijn bij de VN, als volgt. Uit de samenlezing van het document Assignment from UNHO to Nairobi duty station (Opdracht vanwege de VN naar de Nairobi standplaats) van 26 november 2013 en de letter of appointment

XIV-36.567-6/14

(aanwijzingsbrief) van 1 februari 2014 blijkt dat verzoeker initieel voor een periode van 1 jaar werd benoemd (dus niet vast), en dat het om een open ended appointment (mandaat voor onbepaalde duur) zou gaan, die te allen tijde kan worden beëindigd met in acht name van een opzegtermijn van dertig dagen.

Daarnaast gaf verzoeker in zijn e-mailcorrespondentie van 27 april 2015

ondubbelzinnig aan dat hij de assignment (opdracht) weliswaar kwalificeert als een benoeming, maar dat de fondsen slechts gegarandeerd zijn tot september 2015.

Bovendien kadert de assignment in Nairobi binnen het specifieke reglementaire kader van verlof voor opdracht van algemeen belang, hetgeen per definitie inhoudt dat het contract met de VN niet kan worden gelijkgesteld met een vaste (statutaire)

benoeming. Een verlof voor opdracht van algemeen belang kan immers slechts voor een duurtijd van twee jaar worden toegekend met telkenmale een mogelijkheid tot hernieuwing gedurende maximaal twee jaar (artikel VIII.XIII.2

RPPol). De aanvaarding van een opdracht binnen dit kader kan dan ook niet worden gelijkgesteld met een vaste benoeming. De benoeming bij de VN dan ook veeleer te kwalificeren als “een benoeming voor onbepaalde duur”, en niet als een statutaire benoeming. Het feit dat de hoofdcommissaris blijkbaar zelf niet geheel overtuigd is van de stelling dat verzoeker vast benoemd zou zijn, blijkt uit het feit dat hij verzoekers benoeming bij de VN in de bestreden beslissing zelf tussen aanhalingstekens plaatst (“(...) de datum van uw ‘benoeming’ bij de Verenigde Naties (...)”). Verzoeker besluit dat het dragende motief van de definitieve ambtsontheffing, met name dat hij vast benoemd zou zijn, in feite onjuist is, en dat de juridische kwalificatie van de tewerkstelling als een “benoeming” in niets steun vindt. Aangezien de motieven waarop de bestreden beslissing steunt, zowel in feite als in rechte onjuist zijn, schendt de beslissing derhalve de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991.

Ten slotte stelt verzoeker dat het arrest van de Raad van State van 20 oktober 1998 waarop de hoofdcommissaris de bestreden beslissing meent te kunnen steunen, niet transponeerbaar is op onderhavige zaak, zodat ook in dat opzicht de motivering in de bestreden beslissing is behept met een gebrek. De zaak die aanleiding gaf tot voormeld arrest, betrof een statutair benoemd onderwijzer

XIV-36.567-7/14

die tegelijk ook statutair was benoemd in een andere overheidsdienst, met name de R.T.T.. Deze ambtenaar cumuleerde beide statutaire benoemingen, en ontving nog steeds zijn leraarswedde terwijl hij in dienst was bij de R.T.T.. Dit is volgens verzoeker te dezen niet het geval, aangezien zijn assignment geen statutaire benoeming is, en hij gedurende zijn afwezigheid ook niet wordt betaald door de federale politie (vgl. artikel VIII.XIII.6 RPPol). Daarenboven bestaat voor de uitoefening van verzoekers opdracht bij de VN een specifiek reglementair kader (met name dit van verlof voor opdracht van algemeen belang), hetgeen volgens verzoeker evenmin het geval was in de zaak die aanleiding gaf tot het arrest van 20 oktober 1998. De leraar in kwestie had immers reeds jaren verlof om persoonlijke redenen, zonder dat dit beperkt was in de tijd, in tegenstelling tot het verlof om redenen van algemeen belang.

5. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord dat de bestreden beslissing louter en alleen is geënt op het feit dat verzoeker bij twee verschillende overheden een voltijdse benoeming heeft bekomen, wat uiteraard niet mogelijk is. Vandaar de definitieve ambtsontheffing.

Artikel IX.I.2 RPPol vermeldt de gevallen waarin het personeelslid ambtshalve en zonder opzegging het voorwerp uitmaakt van een definitieve ambtsontheffing. Een vaste voltijdse benoeming bij een andere overheid wordt hier niet in opgenomen, maar het is volgens de verwerende partij een algemeen principe dat een ambtenaar niet gelijktijdig voltijds kan benoemd worden bij twee verschillende overheden. Dit algemeen en logisch principe wordt ook in een aantal wettelijke en reglementaire teksten opgenomen, zoals bijvoorbeeld in artikel XI.6, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 13 januari 2006 houdende vaststelling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid (“Een benoeming bij een andere overheid die definitief is geworden, wordt gelijkgesteld met vrijwillig ontslag.”), of in artikel 113, 3° van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel (“Tot ambtsneerlegging geven aanleiding :(...) 3° een tweede voltijdse benoeming in vast dienstverband in een andere overheidsdienst,

XIV-36.567-8/14

eens die benoeming niet meer vatbaar is voor vernietiging door de Raad van State.”). Dit principe is dermate fundamenteel dat ook de Raad van State reeds heeft geoordeeld dat “...er geen formele tekst van doen is om een dubbele voltijdse benoeming bij twee verschillende overheden te verbieden; dat immers, het aanvaarden van een vaste voltijdse benoeming inhoudt dat men zich ‘vast’, definitief, voltijds ter beschikking stelt van de overheid bij wie men is benoemd;

dat uiteraard men niet definitief voltijds ter beschikking kan staan van twee verschillende overheden.” (RvS, 20 oktober 1998, nr. 76.506, Corthouts). De overheid heeft, aldus de verwerende partij, geen formele tekst nodig om vast te stellen dat iemand, die een andere voltijdse benoeming heeft aanvaard, definitief uit het ambt is ontzet.

Dat het te dezen om een voltijdse en vaste benoeming gaat, blijkt volgens de verwerende partij onder meer uit: de verklaring van verzoeker zelf die op 27 april 2015 stelt: “momenteel heb ik een continuing contract bij de VN wat overeenstemt met een benoeming”, de letter of appointment die verzoeker op 20 januari 2014 ondertekend heeft, waarbij hem een continuing appointment wordt aangeboden, en de bevestiging van 15 januari 2015 van de personeelsdienst van de VN dat het gaat om een voltijdse betrekking (continuing appointment) die loopt tot 30 november 2042 (volgens de gegevens van de personeelsdienst van de federale politie zou 1 december 2042 de pensioendatum van verzoeker zijn).

Uit de samenlezing van het document Assignment from UNHO

to Nairobi duty station en de aanvraag van verzoeker van 3 december 2013 kan inderdaad afgeleid worden dat verzoeker in eerste instantie slechts voor één jaar werd aangewezen, en het verlof voor een opdracht van algemeen belang werd dan ook slechts voor één jaar toegekend. Dit document tot aanwijzing van verzoeker voor één jaar in Nairobi doet volgens de verwerende partij echter niet meer ter zake vermits verzoeker in tussentijd een vaste benoeming heeft gekregen, zoals blijkt uit het schrijven van 15 januari 2015 en het ondertekend document waarbij verzoeker een continuing appointment wordt aangeboden.

XIV-36.567-9/14

Het gegeven dat in dit document opgenomen wordt dat de benoeming kan beëindigd worden, is volgens de verwerende partij niet pertinent, aangezien ook aan een statutaire benoeming bij de geïntegreerde politie een einde kan worden gesteld (ambtshalve ontslag, vrijwillig ontslag, ontslag bij tucht-

maatregel, ontslag om medische redenen,...). De regels voor de beëindiging van de benoeming bij de VN worden uiteengezet in The Staff Rules and Staff Régulations of the United Nations waaruit blijkt dat ook de beëindiging aan bepaalde voor-

waarden moet voldoen en slechts in bepaalde gevallen kan.

Ondanks het feit dat verzoeker op de hoogte was van het gegeven dat een verlof voor een opdracht van algemeen belang slechts voor een maximale periode van 2 jaar (wel verlengbaar) wordt toegekend, heeft verzoeker toch het document voor de continuing appointment ondertekend. Dit houdt in dat hij elke twee jaar een nieuwe aanvraag voor het bekomen van het verlof voor een opdracht van algemeen belang moet indienen en dit zonder zekerheid dat de minister van Binnenlandse Zaken dit verlof zou toekennen. Dat verzoeker dan toch nog de overeenkomst ondertekent, duidt volgens de verwerende partij op de intentie van verzoeker om het tijdelijk karakter van zijn opdracht te verbreken en permanent tewerkgesteld/benoemd te blijven bij de VN. Het specifiek reglementaire karakter van het verlof voor een opdracht van algemeen belang was bij ondertekening van de continuing appointment dan ook niet meer van toepassing. Dat in de bestreden beslissing “benoeming” tussen aanhalingstekens staat, dient enkel om aan te tonen dat het hier een vertaling betreft vanuit het Engels.

De verwerende partij besluit dat de bestreden beslissing duidelijk vermeldt op grond van welke feitelijke en juridische overwegingen besloten werd tot een definitieve ambtsontheffing van verzoeker, en dat verzoeker in het bezit was van alle documenten waarop de bestreden beslissing gebaseerd is.

Er is dan ook geen sprake van de schending van de materiële en formele motiveringsplicht.

XIV-36.567-10/14

6. De verwerende partij betoogt in haar laatste memorie, verwijzend naar artikel VIII.XIII.2 RPPol, dat het verkrijgen van dienstvrijstellingen enkel maar voorzien is indien het niet mogelijk is om de opdracht van algemeen belang uit te oefenen naast de uitoefening van het ambt van politieambtenaar, en vervolgt dat er dan ook niet kan gesteld worden dat verzoeker niet voltijds ter beschikking is blijven staan van de overheid. Hij is daar benoemd, nog steeds onderworpen aan de verplichtingen van het politiestatuut, en hij wordt bovendien tijdens zijn verlof niet vervangen. Op het ogenblik dat hij de continuing appointment heeft ondertekend, werd hij voltijds benoemd bij de VN en stond hij volledig en definitief ter beschikking van zijn tweede werkgever, en het gegeven dat aan deze appointment een einde kon worden gesteld doet hieraan geen afbreuk.

De verwerende partij herhaalt dat het voormeld arrest van de Raad van State van 20 oktober 1998 wel degelijk volledig transponeerbaar is:

beide verzoekers genoten, als statutair ambtenaar, een onbezoldigd verlofstelsel tijdens hetwelk zij bij een andere overheidsdienst werden benomen. Bij de ondertekening van de continuing appointment heeft verzoeker, zo stelt de verwerende partij met verwijzing naar voornoemd arrest, de keuze gemaakt om afstand te doen van zijn benoeming bij de federale politie.

Beoordeling

7. In zijn eerste middel, eerste onderdeel, voert verzoeker (onder meer) de schending aan van de wet van 29 juli 1991, maar uit de lezing van het middel blijkt dat hij de schending bedoelt van het materiëlemotiveringsbeginsel.

Het middel wordt dan ook vanuit dit oogpunt onderzocht.

8. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen.

XIV-36.567-11/14

Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden.

9. Blijkens de formele motieven van de bestreden beslissing wordt verzoeker definitief uit zijn ambt ontzet, in wezen omdat uit de continuing appointment bij de VN blijkt dat hij sedert 1 februari 2014 definitief voltijds benoemd is bij een andere overheid, zodat hij vanaf die datum niet langer meer tot de federale politie behoort.

Anders dan wat de verwerende partij betoogt, blijkt te dezen, zoals hierna wordt uiteengezet, dat verzoekers continuing appointment bij de VN

niet gelijk te stellen is met een definitieve vaste voltijdse benoeming bij een andere overheid.

Uit het dossier blijkt dat verzoeker, in toepassing van de artikelen VIII.XIII.1, VIII.XIII.2 en VIII.XIII.6 RPPol, een onbezoldigd verlof wegens opdracht van algemeen belang heeft verkregen, respectievelijk vanaf 1 februari 2012 voor een periode van twee jaar, en vanaf 6 januari 2014 voor een periode van één jaar, waarbij aan verzoeker evenwel bij brief van 7 februari 2014

werd meegedeeld dat dit een verlof van twee jaar was. Verzoeker was bijgevolg van 1 februari 2012 tot 5 januari 2015 met onbezoldigd verlof wegens opdracht van algemeen belang, en de verwerende partij betwist niet dat verzoeker er te goeder trouw kon vanuit gaan dat dit verlof liep tot 5 januari 2016.

Het staat bijgevolg vast dat verzoeker, op het moment van de bestreden beslissing, een internationale opdracht uitvoerde waarvoor hij een

XIV-36.567-12/14

onbezoldigd verlof had bekomen en een vrijstelling van dienst had verkregen bij de federale politie. De stelling van de verwerende partij dat verzoeker in die periode toch steeds voltijds ter beschikking is blijven staan van de federale politie, is in strijd met artikel VIII.XIII.2 RPPol. Verzoekers aanstellingen bij de VN, zowel zijn fixed-term appointment (aanstelling van bepaalde duur) vanaf 1 februari 2012

voor de duur van twee jaar, en vanaf 6 januari 2014 voor de duur van één jaar, als zijn continuing appointment (aanstelling van onbepaalde duur) vanaf 1 februari 2014, situeren zich binnen voornoemd reglementair kader van verlof voor opdracht van algemeen belang, zodat deze aanstellingen niet gelijk te stellen zijn met een vaste benoeming bij een overheid.

Aan het voorgaande wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat verzoeker in zijn e-mail van 27 april 2015 stelt dat zijn continuing contract overeenstemt met een benoeming, en al evenmin door het zogenaamd “attest van tewerkstelling” uitgegeven door de VN in Nairobi, waarbij wordt verklaard dat verzoeker een continuing appointment heeft bij de VN die moet worden herzien op 30 november 2042.

Uit wat voorafgaat volgt dat het motief in de bestreden beslissing dat verzoeker “een dubbele voltijdse benoeming bij twee verschillende overheden [heeft]”, en de verwijzing naar het arrest van de Raad van State nr. 76.506 van 20 oktober 1998, niet deugdelijk is. De bestreden beslissing mist in die zin dan ook een deugdelijke materiële grondslag.

Het eerste middel, eerste onderdeel, is in de aangegeven mate gegrond.

BESLISSING

1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de hoofdcommissaris van de dienst Loopbaanbeheer binnen de algemene directie van het Middelenbeheer

XIV-36.567-13/14

en de Informatie bij de Federale Politie van 11 mei 2015, waarbij verzoeker met onmiddellijke ingang definitief uit zijn ambt wordt ontzet.

2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, verschuldigd aan verzoeker.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig november tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad,

bijgestaan door Johan Pas, griffier.

De griffier De voorzitter

Johan Pas Geert Debersaques

XIV-36.567-14/14

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.980