Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.977 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.977 Généré par l'IA

Court dismisses appeal where applicant's arguments target a predecessor's decision rather than the contested administrative act.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.977
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's appeal against the Minister of Justice's decision regarding firearm registration. The applicant argued that the Minister was biased because the Governor had previously withdrawn her license, but the court found her arguments largely directed at the Governor's prior decision rather than the current Minister's act. Consequently, the court held that these grievances were inadmissible as they did not directly challenge the contested decision.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Wet van 1999 betreffende de Raad van State; Wet van 1973 betreffende de Raad van State: Arguments directed against a predecessor's decision are inadmissible when challenging a subsequent administrative act.

Mots-clés

Généré par l'IA
inadmissibility predecessor decision administrative appeal Council of State subjective bias procedural standing firearm registration délais de recours

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Wet van 1999 betreffende de Raad van State
Wet van 1973 betreffende de Raad van State

Jurisprudence citée

Généré par l'IA
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 239.977 van 28 november 2017

in de zaak A. 214.327/XIV-36.092

In zake : Inge VAN ELSACKER

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Piet Schiepers kantoor houdend te 3700 Tongeren Henisstraat 15

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 25 november 2014, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Justitie van 1 oktober 2014

inzake het beroep van verzoekster tegen het besluit van de provinciegouverneur van Antwerpen van 2 december 2013.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arrest nr. 235.723 van 12 september 2016 wordt het debat in de zaak heropend en wordt het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met het aanvullend onderzoek.

XIV-36.092-1/18

Eerste auditeur-afdelingshoofd Luc Vermeire heeft een aanvullend verslag opgesteld.

Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 juni 2017.

Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Joris Pasgang, die loco advocaat Piet Schiepers verschijnt voor verzoekster, en advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Luc Vermeire heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 235.723 van 12 september 2016. Er wordt naar verwezen.

XIV-36.092-2/18

IV. Onderzoek van de middelen

A. Vooraf

4. Bij tussenarrest nr. 235.723 van 12 september 2016 is het eerste middel ongegrond bevonden.

Belang bij de overige middelen

5. Voorafgaandelijk werpt de verwerende partij op dat verzoekster zich grotendeels steunt op dezelfde middelen als die welke haar echtgenoot opwerpt in het kader van diens annulatieberoep. Deze middelen zijn dus niet als zodanig gericht tegen de beslissing inzake verzoekster, maar wel tegen die inzake verzoeksters echtgenoot. In zoverre ze gericht zijn tegen andermans beslissing, dienen die middelen als niet-ontvankelijk te worden aanzien.

6. Anders dan hoe de verwerende partij het ziet, zijn de navolgende middelen niet gericht tegen “andermans beslissing”, maar wel degelijk tegen de bestreden beslissing. De exceptie wordt om die reden niet bijgetreden.

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

7. Verzoekster voert in het tweede middel machtsoverschrijding aan gelet op “de schending van het verbod dat enig moraliteitsonderzoek door de politiediensten de registratie van de vuurwapens met een model 9 voorafgaat, conform artikel 12, 1° van de Wapenwet en artikel 16, § 2, 2° van het K. B. van 29 december 2006” doordat de bestreden beslissing verwijst naar een politieverslag waaruit zou blijken dat haar echtgenoot niet zou hebben meegewerkt aan een moraliteitsonderzoek dat de politiediensten meenden te moeten voeren voorafgaand aan de registratie van de vuurwapens. Volgens verzoekster zijn de

XIV-36.092-3/18

politiediensten hiertoe niet rechtstreeks of onrechtstreeks gemachtigd door de Grondwet of de wet. Verzoekster benadrukt dat de registratie van vuurwapens voor personen die beschikken over een jachtverlof, door middel van een model 9, in geen geval dient vooraf gegaan te worden van een moraliteitsonderzoek.

Artikel 16, § 2, van het koninklijk besluit van 29 december 2006 ‘tot uitvoering van sommige bepalingen van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens’ (hierna: koninklijk besluit van 29 december 2006) stipuleert namelijk uitdrukkelijk dat de wapenregistratie van de houders van een jachtverlof onmiddellijk en kosteloos dient te gebeuren door de lokale politiediensten. De lokale politiediensten die meenden dat voorafgaand een moraliteitsonderzoek diende te gebeuren, handelden volgens verzoekster dan ook in strijd met die bepaling en de bestreden beslissing gaat er verkeerdelijk van uit dat een dergelijk onderzoek moest worden gevoerd.

Artikel 12, 1°, van de wapenwet doet daaraan geen afbreuk omdat deze voorwaarde volgens verzoekster slechts geldt voor jagers uit een andere lidstaat van de Europese Unie. Verzoekster wijst op artikel 13 van het jachtdecreet van 24

juli 1991 en op artikel 4, 1°, van het koninklijk besluit van 28 februari 1977

‘betreffende de afgifte van jachtverloven en jachtvergunningen’ om te stellen dat de voorwaarden waarnaar in artikel 12 van de wapenwet wordt verwezen, zijn vervuld door personen die reeds over een jachtverlof beschikken. De wapenwet voerde een wettelijk vermoeden in dat voor diegene die over een jachtverlof beschikt reeds de strafrechtelijke antecedenten, de kennis van de wapenwetgeving en de geschiktheid om veilig een wapen te hanteren werden nagegaan, aldus verzoekster. Enige bepaling in de niet-reglementaire omzendbrief van 29 oktober 2010 over de toepassing van de wapenwetgeving is volgens verzoekster dan ook in strijd met de wettelijke regeling ter zake. Voor de goede orde wijst verzoekster er nog op dat haar echtgenoot helemaal niet zou hebben geweigerd om mee te werken aan dit onwettig onderzoek en dat zij overigens niet werd ontboden om zich te onderwerpen aan enig moraliteitsonderzoek. De uitnodiging vermeldde uitsluitend dat zij het model 9 moest komen halen. Ten overvloede wijst verzoekster erop dat de beschouwingen van de betrokken politieambtenaar voor diens eigen rekening zijn en dat verzoekster nooit in kennis is gesteld van een proces-verbaal wegens

XIV-36.092-4/18

smaad. Het feit dat haar echtgenoot zich heeft verwonderd over de reactie van de politieambtenaar ter gelegenheid van een zuivere formaliteit inzake het overhandigen van een model 9, vormt voor verzoekster geen grond om het recht tot het voorhanden hebben van wapens in te trekken.

8. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoekster het middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift en wijst zij erop dat in artikel 28, § 2, van de wapenwet, waarnaar de verwerende partij verwijst, expliciet is vermeld dat het bestaan van een gevaar voor de openbare orde of voor de fysieke integriteit van personen concreet moet worden aangewezen. Te dezen bestaat er volgens verzoekster dan ook geen controlebevoegdheid nu die voorwaarde niet is vervuld.

Verzoekster besluit dat zij reeds in haar verzoekschrift evenals memorie van wederantwoord uitgebreid heeft uiteengezet dat het vereiste aantoonbare risico in deze niet aanwezig was, noch in haar hoofde, noch in hoofde van haar echtgenoot.

Beoordeling

9. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van dit middel op grond van de volgende overwegingen.

In het eerste middel betoogde verzoekster reeds dat de materiëlemotiveringsplicht werd geschonden omdat de bestreden beslissing rekening heeft gehouden met diverse elementen die echter niet van invloed zijn op een vermeend gevaar voor de openbare orde, zoals “het zogenaamd feit van agressie tegen de politie” van haar echtgenoot. Reeds in het kader van dat middel wees verzoekster op de artikelen 11, 12 en 13 van de wapenwet en benadrukte zij dat de houder van een jachtverlof conform artikel 12 van de wapenwet vrijgesteld is van de verplichting om een vergunning aan te vragen voor vergunningsplichtige wapens omdat de screening al voorafgaandelijk aan het toekennen van een jachtverlof gebeurt. Specifiek inzake “het zogenaamd feit van agressie tegen de politie” benadrukt verzoekster in dat eerste middel onder meer dat het slechts zou gaan om een zogenaamde verbale agressie tegen een welbepaalde politieagent,

XIV-36.092-5/18

quod non. Volgens haar heeft die een proces-verbaal wegens smaad opgesteld en dit naar aanleiding van bepaalde suggestieve vragen die aan haar echtgenoot werden gericht bij het ophalen van een model 9. Het ophalen van een model 9 is volgens verzoekster een louter administratieve handeling die, aangezien haar echtgenoot over een jachtverlof beschikt, in geen geval gepaard gaat met enig moraliteitsonderzoek. Verzoekster is dan ook van mening dat haar echtgenoot bij het ophalen van het model 9 mocht weigeren om te antwoorden op de ongepaste vragen omtrent zijn privéleven en dat die weigering bezwaarlijk als smaad kan worden aangemerkt. Bovendien werd aan het proces-verbaal naar aanleiding van die feiten geen enkel gevolg gekoppeld, werd betrokkene nooit in het bezit gesteld van het proces-verbaal en betwist hij formeel zich schuldig te hebben gemaakt aan smaad. Evenmin kan volgens verzoekster worden ingezien op welke wijze het beweerde gedrag tot het besluit zou kunnen leiden dat het voorhanden hebben van een wapen tot een gevaar voor de openbare veiligheid zou kunnen leiden.

In het tussenarrest nr. 235.723 beoordeelt de Raad van State deze grief in het eerste middel als volgt :

“10. De formele motivering van de bestreden beslissing is hiervoor weergegeven (supra, punt 3.7.). Hieruit blijkt dat de beroepsinstantie haar beslissing steunt op twee motieven. Het eerste motief is de vaststelling dat met een beslissing van dezelfde datum aan verzoeksters echtgenoot het recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens werd ontzegd - waarbij de motivering van die beslissing integraal wordt weergegeven - en dat de aanwezigheid van wapens in de gemeenschappelijke woning aldus een gevaar voor de openbare orde en veiligheid kan opleveren. Het tweede motief is de vaststelling dat verzoekster door het illegaal voorhanden houden van een vergunningsplichtig wapen een inbreuk op de wapenwetgeving heeft gepleegd.

Elk van beide motieven is determinerend in de zin dat elk de bestreden beslissing op zich kan dragen.

11. Inzake het eerste motief voert verzoekster vooreerst de onwettigheid aan van de beslissing betreffende haar echtgenoot tot intrekking van het recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens. Zij voert daartoe dezelfde grieven aan als die welke haar echtgenoot in de zaak A.214.326/XIV-36.091 in het eerste middel heeft aangevoerd. Bij arrest nr. 235.722 van 12 september 2016 werden deze grieven verworpen en het eerste middel ongegrond bevonden. Het gezag van gewijsde van dit tussenarrest verzet er zich tegen dat de Raad van State dezelfde argumenten opnieuw zou onderwerpen aan eenzelfde wettigheidsonderzoek nadat is vastgesteld dat het middel ongegrond is. Deze grief kan derhalve niet tot nietigverklaring leiden.”

XIV-36.092-6/18

In de mate dat verzoekster in dit middel in wezen dezelfde grieven aanvoert als die welke haar echtgenoot in de zaak A. 214.326/XIV-36.091

in het tweede middel heeft aangevoerd en dat middel door de Raad van State zou worden verworpen, geldt, in het licht van het arrest nr. 235.723, dan ook hier dat het gezag van gewijsde van dat in de voormelde zaak A.214.326 uit te spreken arrest zich er tegen verzet dat de Raad van State - in de voorliggende zaak -

dezelfde argumenten opnieuw zou onderwerpen aan eenzelfde wettigheids-

onderzoek nadat is vastgesteld dat het middel ongegrond is. Deze grief kan derhalve niet tot nietigverklaring leiden.

In ieder geval oordeelde de Raad van State reeds in het tussenarrest nr. 235.722 in de voormelde zaak A. 214.326, met gezag van gewijsde, dat het feit dat de in het raam van de registratie door de regelgeving aan de gouverneur toegewezen bevoegdheid niet toelaat dat die de ontvangen registratiebewijzen model 9 vermag te beoordelen en ze, in voorkomend geval, weigeren in te schrijven in het centraal wapenregister, maar dat dit niet belet dat, op grond van de artikelen 28 en 29 van de wapenwet de politiediensten niet alleen inbreuken op de wapenwet en haar uitvoeringsbesluiten kunnen vaststellen, maar dat zij er ook preventief dienen over te waken dat het particulier wapenbezit geen gevaar oplevert voor de openbare orde of voor de fysieke integriteit van personen en dat, in het licht van deze politionele bevoegdheden enerzijds en gelet op de bij de politie gekende eerdere familiale problemen - die ook in de bestreden beslissing worden aangegeven en waarbij niet wordt betwist dat de politie hierbij tussenbeide diende te komen,- anderzijds, de informatieve vraag van de politieambtenaar ter gelegenheid van de overhandiging van een model 9 naar de actuele familiale toestand van de echtgenoot van verzoekster, als legitiem overkwam. Het kwam aldus volgens de Raad van State niet aan die echtgenoot toe zonder reden te weigeren in te gaan op die, in het voorliggende geval, legitieme vraag.

De beweerde machtsoverschrijding en schending van artikel 12, 1°, van de wapenwet wordt om dezelfde redenen niet aangetoond. Artikel 16, § 2, 2° van het koninklijk besluit van 29 december 2006 leidt niet tot een andere

XIV-36.092-7/18

conclusie alleen omdat dit bepaalt dat de wapenregistratie van de houders van een jachtverlof onmiddellijk en kosteloos dient te gebeuren door de lokale politiediensten.

Het argument, in de memorie van wederantwoord, dat artikel 28, § 2, van de wapenwet een concreet aangewezen gevaar voor de openbare orde of voor de fysieke integriteit van personen vereist, gaat, indien al niet laattijdig want niet aangevoerd in het verzoekschrift, in ieder geval voorbij aan de andere vaststellingen inzake de bedreiging van de openbare orde.

Dat de echtgenoot van verzoekster nooit zou hebben geweigerd om mee te werken aan dit onderzoek, toont geen machtsoverschrijding aan of schending van de ingeroepen rechtsregels. Dit geldt ook voor het feit dat verzoekster nooit werd ontboden om zich te onderwerpen aan enig moraliteitsonderzoek en nooit kennis zou gekregen hebben van een vermeend proces-verbaal wegens smaad. Dit motief betreft trouwens ook niet rechtstreeks verzoekster. In de mate daarom zou worden aangenomen dat in feite ook hier de echtgenoot van verzoekster is bedoeld, geldt dezelfde conclusie.

Dit geldt ook voor de vraag of de echtgenoot van verzoekster zich al dan niet op een correcte manier en terecht verwonderde over dit onderzoek.

In ieder geval oordeelde de Raad reeds in het kader van het eerste middel dat de verwerende partij met dit feit rekening kon houden.

De argumentatie dat enige bepaling in de “niet-reglementaire Omzendbrief van 29 oktober 2010 over de toepassing van de wapenwetgeving”

dan ook in strijd is met de wettelijke regeling ter zake, is niet ontvankelijk nu niet wordt verduidelijkt welke bepaling niet zou mogen worden toegepast en nu deze omzendbrief werd ingetrokken en vervangen door de omzendbrief van 25 oktober 2011 (met dien verstande dat de bijlagen van de omzendbrief van 29 oktober 2010

werden beschouwd als bijlagen van de nieuwe omzendbrief). Minstens toont verzoekster niet aan hoe dit afbreuk doet aan de bovenstaande overwegingen.

XIV-36.092-8/18

Het tweede middel is niet gegrond.

10. Verzoekster betwist deze conclusie, maar beperkt zich ter zake tot het louter verwijzen “naar de door haar aangehaalde motieven in haar oorspronkelijk beroepsschrift” en tot het stellen dat zij “haar aangehaalde motieven en grieven in haar oorspronkelijk verzoekschrift als volledig overgenomen [beschouwd] in huidige aanvullende en laatste memorie”, zonder nog inhoudelijk te reageren op de beoordeling van het middel door het auditoraat.

Bij arrest nr. 239.976 van 28 november 2017 heeft de Raad van State het beroep van verzoeksters echtgenoot verworpen.

De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede middel ongegrond.

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

11. Verzoekster voert in het derde middel de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel omdat er geen enkel element voorhanden is waaruit een potentieel gevaar voor de openbare orde in de restrictieve zin van artikel 13 van de wapenwet zou kunnen worden afgeleid. Verzoekster argumenteert dat de bestreden beslissing uitsluitend beweert dat haar het recht om wapens te bezitten moet worden ontzegd om op die wijze te verhinderen dat haar echtgenoot zich toegang zou kunnen verschaffen tot deze wapens. De bewering dat verzoeksters echtgenoot zich onrechtmatig toegang zal verschaffen tot haar wapens wanneer zijn recht om wapens voorhanden te hebben zou worden ingetrokken, is volgens verzoekster een louter intentieproces dat volkomen uit de lucht gegrepen is en door geen enkel bewijs wordt gestaafd. De maatregel van artikel 13 van de wapenwet kan niet

XIV-36.092-9/18

worden gemotiveerd op grond van loutere veronderstellingen doch dient te worden genomen op basis van een zorgvuldige feitenbeoordeling.

Vervolgens betwist verzoekster omstandig de verwijzing naar het proces-verbaal dat lastens haar werd opgesteld voor het illegaal bezit van een vergunningsplichtig wapen. Volgens verzoekster is het duidelijk dat dit proces-verbaal absurd is aangezien zij dat wapen volledig vrijwillig en op eigen initiatief heeft aangeboden bij de politie. Verzoekster benadrukt dat zij de voorgestelde minnelijke schikking uitsluitend heeft voldaan teneinde het geschil snel af te handelen maar dat dit dan ook geen enkele schulderkenning betreft.

Verzoekster stelt ook dat zij en haar echtgenoot een volledig afzonderlijke wapenkast hebben en dat zij niet op de hoogte zijn van elkaars toegangscodes. De bestreden beslissing is dan ook volkomen disproportioneel en niet gegrond op enig relevant feit.

Verzoekster acht de beslissing tevens onwettig omdat het besluit om het wapenbezit in hoofde van haar echtgenoot in te trekken in strijd met artikel 13 van de wapenwet werd genomen omdat “het zogenaamd begaan van enkele verkeersinbreuken”, het vonnis van 27 februari 2012 van de correctionele rechtbank, de “zogenaamde ‘slagen en verwondingen’ uit 2005”, het “zogezegde burenconflict” en het “zogenaamde feit van ‘agressie tegen de politie’” geen elementen zijn waaruit zou kunnen worden afgeleid dat haar echtgenoot een zogenaamd gevaar zou kunnen vormen voor de openbare orde. Verzoekster herhaalt daarbij delen van de grieven die zij reeds heeft aangevoerd in het kader van het eerste middel. Bijkomend besluit verzoekster dat het advies van de procureur des Konings onterecht doet voorkomen dat haar echtgenoot een beruchte agressieveling of een gevaarlijke ruziemaker zou zijn, terwijl de tendentieuze bewoordingen van het verslag op geen enkel feitelijk element kunnen worden gegrond. Verzoekster benadrukt dat haar echtgenoot nooit strafrechtelijk werd veroordeeld voor geweldpleging of voor enig misbruik van wapens.

XIV-36.092-10/18

12. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoekster het middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift en stelt zij dat de verwerende partij haar verweer niet, en in ieder geval bijzonder beknopt, onderbouwt. Verder stelt verzoekster dat zij reeds in het verzoekschrift als in de memorie van wederantwoord uitgebreid heeft uiteengezet dat het vereiste aantoonbare gevaar niet aanwezig was in deze, noch in haar hoofde, noch in hoofde van haar echtgenoot.

Beoordeling

13. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van dit middel op grond van de volgende overwegingen.

De beweerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel opgeworpen in dit middel steunt op de beweerde onwettigheid van de beslissing betreffende de echtgenoot van verzoekster tot intrekking van het recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens en de grief dat de vijf elementen aan de orde in dit middel en ter zake opgenomen in die beslissing niet aantonen dat hij een zogenaamd gevaar zou kunnen vormen voor de openbare orde in de zin van artikel 13 van de wapenwet. Vastgesteld wordt dat verzoekster deze vijf elementen reeds betwist heeft in het kader van het eerste middel gesteund op de schending van de materiëlemotiveringsplicht. Zij betrok daarbij ook dan reeds artikel 13 van de wapenwet.

De Raad van State oordeelde reeds in het tussenarrest nr. 235.723 en dus met gezag van gewijsde, dat die grief in het kader van het eerste middel niet tot nietigverklaring kan leiden. Tevens trad de Raad in dat arrest, in het kader van het eerste middel, de kritiek niet bij dat verzoekster over een eigen afzonderlijke wapenkast beschikt waar zij alleen toegang toe heeft, en dat de bewering dat haar echtgenoot zich hiertoe onrechtmatig toegang zal verschaffen, een louter intentieproces is dat door geen enkel bewijs is gestaafd:

XIV-36.092-11/18

“Wat voorts verzoeksters feitelijke kritiek betreft dat zij over een eigen afzonderlijke wapenkast beschikt waar zij alleen toegang toe heeft, en dat de bewering dat haar echtgenoot zich hiertoe onrechtmatig toegang zal verschaffen, een louter intentieproces is dat door geen enkel bewijs is gestaafd, merkt de Raad van State op dat te dezen de bestreden beslissing oordeelt dat ‘gezien echter het feit dat uw echtgenoot reeds in het verleden geweld tegen u heeft gebruikt, bestaat het risico dat hij - ingeval van conflict tussen u beiden - opnieuw geweld zou gebruiken en u onder druk zou zetten hem uw code te geven of de wapenkast voor hem te openen’ en dat er ‘met andere woorden onvoldoende garanties [zijn] dat uw echtgenoot geen toegang kan hebben tot uw wapens’. Op grond van de hiervoor geschetste discretionaire bevoegdheid (supra, punt 8) mag de beroepsinstantie zich bij de concrete afweging of het voorhanden hebben door verzoekster van wapens de openbare orde kan verstoren, steunen op ondermeer vermoedens indien zoals te dezen, de regelgeving geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft. De beroepsinstantie beoordeelt op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het administratief beroep om tot een bepaalde overtuiging te komen.

Anders dan hoe verzoekster het ziet, moet de beroepsinstantie dus geen bewijs voorleggen van haar vermoeden dat er een risico bestaat dat verzoeksters echtgenoot zich onrechtmatig de toegang zal verschaffen tot haar wapens.

Verzoeksters kritiek komt aldus over als opportuniteitskritiek op de door de beroepsinstantie gemaakte beoordeling, die in wezen inhoudt dat zij niet akkoord kan gaan met het standpunt inzake en de beoordeling door de beroepsinstantie van het risico dat verzoeksters echtgenoot zich onrechtmatig toegang zal verschaffen tot haar wapenkast. De kritiek en beschouwingen van verzoekster ter zake geven aldus blijk van een eigen feitelijke beoordeling ervan, maar verzoekster maakt niet aannemelijk dat de beroepsinstantie in verband met de beoordeling ervan, tot een conclusie is gekomen die de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten zou gaan.”

De kritiek op het tweede motief - het tegen haar opgestelde proces-verbaal, werd eveneens reeds opgeworpen in het kader van het eerste middel, en dan door de Raad van State in het arrest nr. 235.723 als volgt verworpen:

“12. De kritiek van verzoekster op het voormelde tweede motief van de bestreden beslissing richt zich tegen een overtollig motief. Zelfs al zou die terecht zijn, dan nog zou die niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen leiden nu uit wat voorafgaat blijkt dat de in het middel gerichte kritiek tegen het eerste motief waarop de bestreden beslissing steunt, niet gegrond is.”

Er blijkt niet waarom anders geoordeeld zou moeten (of kunnen)

worden in het kader van het zorgvuldigheidsbeginsel.

In de mate verzoekster in dit middel aldus, wat betreft de beweerde onzorgvuldigheid van de beslissing betreffende haar echtgenoot tot

XIV-36.092-12/18

intrekking van het recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens in wezen dezelfde grieven aanvoert als die welke haar echtgenoot in de zaak A. 214.326/XIV-36.091 in het derde middel heeft aangevoerd en dat middel door de Raad van State zou worden verworpen, geldt, in het licht van het arrest nr. 235.723 dan ook hier dat het gezag van gewijsde van dat arrest zich er tegen verzet dat de Raad van State dezelfde argumenten opnieuw zou onderwerpen aan eenzelfde wettigheidsonderzoek nadat is vastgesteld dat het middel ongegrond is.

Deze grief kan derhalve niet tot nietigverklaring leiden. In het arrest nr. 235.048

van 14 juni 2016, oordeelde de Raad van State trouwens dat wanneer de schending van de materiëlemotiveringsplicht wordt verworpen het “niet langer relevant is om te onderzoeken of de overheid zorgvuldig heeft gehandeld - er kan immers niet enerzijds tot de conclusie worden gekomen dat een beslissing op deugdelijke materiële motieven steunt en anderzijds dat de overheid onzorgvuldig heeft gehandeld.”

In ieder geval beperkt verzoekster zich in het verzoekschrift inzake de beoordeling betreffende haar echtgenoot, in wezen tot het opsommen van dezelfde grieven en toont zij hiermee niet concreet aan welke feiten verder of bijkomend hadden moeten worden onderzocht om tot een zorgvuldige beslissing te komen, noch dat de beroepsinstantie door deze handelingen niet te hebben gesteld, tot een conclusie is gekomen die de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid te buiten zou gaan en aldus de vergewisplicht heeft miskend. In ieder geval maakt zij aldus in het verzoekschrift niet aannemelijk dat de beroepsinstantie zich op onzorgvuldige wijze heeft vergewist van het ernstig en objectief risico dat verzoekster loopt.

Inzake de beoordeling van verzoekster zelf - het tweede motief -

bevat dit middel wel deels nieuwe elementen, maar de Raad oordeelde, zoals al opgemerkt, reeds in het tussenarrest nr. 235.723 bij het eerste middel dat dit motief een overtollig motief is en in die mate heeft verzoekster in ieder geval geen belang bij een eventuele schending van de zorgvuldigheidsplicht.

XIV-36.092-13/18

Het tegendeel blijkt niet uit de memorie van wederantwoord.

Aanvoeren dat de punten van verweer niet, en in ieder geval wel bijzonder beknopt zijn onderbouwd in de memorie van antwoord, volstaat daartoe niet en gaat ook voorbij aan de verwijzing door de verwerende partij naar de repliek op het eerste middel. In de mate verzoekster ook verwijst naar haar dupliek op het verweer op het eerste middel, is hierdoor niet aangetoond dat onzorgvuldig werd gehandeld bij de bestreden beslissing, in de zin dat “het niet denkbaar is dat enige zorgvuldig handelende overheid zou hebben gehandeld zoals de verwerende partij heeft gedaan”.

Dit alles geldt ook voor de grief dat het advies van de procureur des Konings onterecht doet voorkomen dat de echtgenoot van verzoekster een beruchte agressieveling of een gevaarlijke ruziemaker zou zijn en dat er dan ook geen enkel bewezen of relevant feit voorhanden is waaruit zou kunnen worden besloten dat het voorhanden hebben van een wapen in hoofde van verzoekster een daadwerkelijk gevaar voor de openbare orde zou betekenen.

In de mate verzoekster in dit derde middel nog aanvoert dat de bestreden beslissing “volkomen disproportioneel” is, kan, zoals de Raad van State in het arrest nr. 235.723 reeds deed in het kader van het eerste middel opnieuw worden vastgesteld dat verzoekster, in de mate dat dit een aparte grief of middelonderdeel zou vormen, in het verzoekschrift ter zake geen specifieke argumentatie opbouwt, zodat die ofwel geacht moet worden samen te vallen met wat hiervoor al is besproken, ofwel niet ontvankelijk te zijn.

Het derde middel is niet gegrond.

14. Verzoekster betwist deze conclusie, maar beperkt zich ter zake tot het louter verwijzen “naar de door haar aangehaalde motieven in haar oorspronkelijk beroepsschrift” en tot het stellen dat zij “haar aangehaalde motieven en grieven in haar oorspronkelijk verzoekschrift als volledig overgenomen

XIV-36.092-14/18

[beschouwd] in huidige aanvullende en laatste memorie”, zonder nog inhoudelijk te reageren op de beoordeling van het middel door het auditoraat.

Bij arrest nr. 239.976 van 28 november 2017 heeft de Raad van State het beroep van verzoeksters echtgenoot verworpen.

De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het derde middel ongegrond.

D. Vierde middel

Uiteenzetting van het middel

15. Verzoekster voert in het vierde middel een schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel en de motiveringsplicht inzake bestuurshandelingen omdat in het aangetekend schrijven van de gouverneur van 22 oktober 2013

expliciet is vermeld dat zij kennis heeft genomen van het advies van de procureur des Konings dat zij voornemens is te volgen. Verzoekster acht het manifest strijdig met het onpartijdigheidsbeginsel om op voorhand mee te delen welke de voorgenomen beslissing is van het orgaan bevoegd om te oordelen. Verzoekster wijst er op dat zij dit middel reeds heeft opgeworpen naar aanleiding van het administratief beroep, doch dat door de minister van Justitie niet werd beantwoord.

Volgens verzoekster dient de minister dan ook te worden geacht de gegrondheid van dat middel te hebben aanvaard en is de uiteindelijke beslissing tot verwerping van haar beroep ongegrond, minstens betreft dit een schending van de motiverings-

plicht inzake bestuurshandelingen.

16. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoekster het middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift en betoogt zij dat het middel wel degelijk betrekking heeft op de bestreden beslissing, in tegenstelling tot wat de verwerende partij in haar memorie stelt. Volgens verzoekster is het de bestreden

XIV-36.092-15/18

beslissing die in het schrijven van 22 oktober 2013 wordt aangekondigd en waarvoor het voorgenomen oordeel wordt meegedeeld.

Beoordeling

17. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van dit middel op grond van de volgende overwegingen.

In dit middel neemt verzoekster aanstoot aan het feit dat in het aangetekend schrijven “van de Gouverneur dd. 22.10.2013” expliciet wordt vermeld dat zij kennis heeft genomen van het advies van de procureur des Konings tot intrekking van de wapenvergunningen van verzoekster en dat zij “voornemens [is] dit advies te volgen”. Aldus beroept zij zich te dezen op de subjectieve partijdigheid van de gouverneur.

Daargelaten de vaststelling dat de voormelde brief uitgaat van de arrondissementscommissaris, is dit een kennisgeving gedaan in het kader van de administratieve procedure die leidde tot het niet-gedateerde intrekkingsbesluit van de gouverneur meegedeeld met een aangetekende brief gedateerd 2 december 2013. Verzoekster heeft hiertegen administratief beroep ingesteld en de bestreden beslissing van de minister van Justitie is door de devolutieve werking van dit administratief beroep in de plaats gekomen van de beslissing van de gouverneur.

De grief gesteund op de schending van het onpartijdigheidsbeginsel is dan ook niet ontvankelijk want betreft de bestreden beslissing niet.

Verzoekster voert niet aan, laat staan dat zij aantoont, dat de minister van Justitie niet onpartijdig oordeelde.

In de mate dat verzoekster verder aanvoert dat de motiverings-

plicht is geschonden doordat de minister in de bestreden beslissing niet antwoordde op de beweerde vooringenomenheid van de gouverneur, lijkt de

XIV-36.092-16/18

formelemotiveringsplicht te zijn bedoeld. Deze grief mist in ieder geval feitelijke grondslag. De bestreden beslissing bevat immers de volgende overweging:

“Het eventueel miskennen van de beginselen van behoorlijk bestuur door de gouverneur van Antwerpen doet niet langer terzake aangezien het beroep dat u heeft ingesteld bij de minister van Justitie een volledig nieuwe beoordeling van het dossier inhoudt.”

Aldus is afdoende formeel geantwoord op de beweerde vooringenomenheid van de gouverneur.

Het vierde middel is niet gegrond.

18. Verzoekster betwist deze conclusie, maar beperkt zich ter zake tot het louter verwijzen “naar de door haar aangehaalde motieven in haar oorspronkelijk beroepsschrift” en tot het stellen dat zij “haar aangehaalde motieven en grieven in haar oorspronkelijk verzoekschrift als volledig overgenomen [beschouwd] in huidige aanvullende en laatste memorie”, zonder nog inhoudelijk te reageren op de beoordeling van het middel door het auditoraat.

De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het vierde middel ongegrond.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietig-

verklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings-

vergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.

XIV-36.092-17/18

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig november tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Geert Debersaques

XIV-36.092-18/18

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.977