Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.976 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.976 Généré par l'IA

Belgian Council of State dismisses appeal against gun license revocation for lack of procedural defects.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.976
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Belgian Council of State rejected the applicant's appeal against the Minister of Justice's decision to revoke his firearm license. The applicant argued that the Governor of Antwerp acted with bias by referencing a police report regarding a morality check, but the court found this grievance inadmissible as it concerned a prior administrative act replaced by the minister's decision. Furthermore, the minister adequately addressed the alleged bias in his written reasoning, rendering the formal duty of motivation satisfied.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 16, § 2, 2° of the Royal Decree of 29 December 2006; The duty of motivation is satisfied when the administrative authority explicitly states that a prior act is irrelevant because the current decision constitutes a fresh evaluation of the file.

Mots-clés

Généré par l'IA
firearm license revocation duty of motivation administrative bias procedural defect Council of State moral investigation inadmissible appeal absence de contestation des faits

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 16, § 2, 2° of the Royal Decree of 29 December 2006
Title VI, Chapter II of the Laws of the Council of State

Jurisprudence citée

Généré par l'IA
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 239.976 van 28 november 2017

in de zaak A. 214.326/XIV-36.091

In zake : Frank DANEN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Piet Schiepers kantoor houdend te 3700 Tongeren Henisstraat 15

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 25 november 2014, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 1 oktober 2014 inzake verzoekers beroep tegen het besluit van de provinciegouverneur van Antwerpen van 2 december 2013.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arrest nr. 235.722 van 12 september 2016 wordt het debat in de zaak heropend en wordt het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met het aanvullend onderzoek.

XIV-36.091-1/13

Eerste auditeur-afdelingshoofd Luc Vermeire heeft een aanvullend verslag opgesteld.

Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 juni 2017.

Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Joris Pasgang, die loco advocaat Piet Schiepers verschijnt voor verzoeker, en advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Luc Vermeire heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 235.722 van 12 september 2016. Er wordt naar verwezen.

XIV-36.091-2/13

IV. Onderzoek van de middelen

A. Vooraf

4. Bij tussenarrest nr. 235.722 van 12 september 2016 is het eerste middel ongegrond bevonden.

B. Tweede middel

5. Verzoeker voert in het tweede middel machtsoverschrijding aan gelet op “de schending van het verbod dat enig moraliteitsonderzoek door de politiediensten de registratie van de vuurwapens met een model 9 voorafgaat, conform artikel 12, 1° van de Wapenwet en artikel 16, § 2, 2° van het K. B. van 29 december 2006” doordat de bestreden beslissing verwijst naar een politieverslag waaruit zou blijken dat hij niet zou hebben meegewerkt aan een moraliteitsonderzoek dat de politiediensten meenden te moeten voeren voorafgaand aan de registratie van de vuurwapens. Volgens verzoeker zijn de politiediensten hiertoe niet rechtstreeks of onrechtstreeks gemachtigd door de Grondwet of de wet. Verzoeker benadrukt dat de registratie van vuurwapens voor personen die beschikken over een jachtverlof, door middel van een model 9, in geen geval dient vooraf gegaan te worden van een moraliteitsonderzoek.

Artikel 16, § 2, van het koninklijk besluit van 29 december 2006 ‘tot uitvoering van sommige bepalingen van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens’ (hierna: koninklijk besluit van 29 december 2006) stipuleert namelijk uitdrukkelijk dat de wapenregistratie van de houders van een jachtverlof onmiddellijk en kosteloos dient te gebeuren door de lokale politiediensten. De lokale politiediensten die meenden dat voorafgaand een moraliteitsonderzoek diende te gebeuren, handelden volgens verzoeker dan ook in strijd met die bepaling en de bestreden beslissing gaat er verkeerdelijk van uit dat een dergelijk onderzoek moest worden gevoerd. Artikel 12, 1°, van de wapenwet doet daaraan geen afbreuk omdat deze voorwaarde volgens verzoeker slechts geldt voor jagers uit een andere lidstaat van de Europese

XIV-36.091-3/13

Unie. Verzoeker wijst ook op artikel 13 van het jachtdecreet van 24 juli 1991 en op artikel 4, 1°, van het koninklijk besluit van 28 februari 1977 ‘betreffende de afgifte van jachtverloven en jachtvergunningen’ om te stellen dat de voorwaarden waarnaar in artikel 12 van de wapenwet wordt verwezen, zijn vervuld door personen die reeds over een jachtverlof beschikken. De wapenwet voerde een wettelijk vermoeden in dat voor diegene die over een jachtverlof beschikt reeds de strafrechtelijke antecedenten, de kennis van de wapenwetgeving en de geschiktheid om veilig een wapen te hanteren werden nagegaan, aldus verzoeker.

Enige bepaling in de niet-reglementaire omzendbrief van 29 oktober 2010 over de toepassing van de wapenwetgeving is volgens verzoeker dan ook in strijd met de wettelijke regeling ter zake. Voor de goede orde wijst verzoeker er nog op dat hij helemaal niet zou hebben geweigerd om mee te werken aan dit onwettig onderzoek. De uitnodiging vermeldde uitsluitend dat hij het model 9 moest komen halen en niet dat hij zich diende te onderwerpen aan enig moraliteitsonderzoek.

Ten overvloede wijst verzoeker erop dat de beschouwingen van de betrokken politieambtenaar voor diens eigen rekening zijn en dat hij nooit in kennis is gesteld van een proces-verbaal wegens smaad. Het feit dat hij zich heeft verwonderd over de reactie van de politieambtenaar ter gelegenheid van een zuivere formaliteit inzake het overhandigen van een model 9 vormt voor verzoeker geen grond om het recht tot het voorhanden hebben van wapens in te trekken.

6. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker het middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift en wijst hij erop dat in artikel 28, § 2, van de wapenwet, waarnaar de verwerende partij verwijst, expliciet is vermeld dat het bestaan van een gevaar voor de openbare orde of voor de fysieke integriteit van personen concreet moet worden aangewezen. Te dezen bestaat er volgens verzoeker dan ook geen controlebevoegdheid nu die voorwaarde niet is vervuld.

Verzoeker besluit dat hij reeds in zijn verzoekschrift evenals memorie van wederantwoord uitgebreid heeft uiteengezet dat het vereiste aantoonbare risico in deze niet aanwezig was.

XIV-36.091-4/13

Beoordeling

7. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van dit middel op grond van de volgende overwegingen.

In het eerste middel betoogde verzoeker reeds dat de materiëlemotiveringsplicht werd geschonden omdat de bestreden beslissing rekening heeft gehouden met diverse elementen die echter niet van invloed zijn op een vermeend gevaar voor de openbare orde, zoals “het zogenaamd feit van agressie tegen de politie”. Reeds in het kader van dat middel wees verzoeker op de artikelen 11, 12 en 13 van de wapenwet en benadrukte hij dat de houder van een jachtverlof conform artikel 12 van de wapenwet vrijgesteld is van de verplichting om een vergunning aan te vragen voor vergunningsplichtige wapens omdat de screening al voorafgaandelijk aan het toekennen van een jachtverlof gebeurt.

Specifiek inzake “het zogenaamd feit van agressie tegen de politie” benadrukt verzoeker in dat eerste middel onder meer dat het slechts zou gaan om een zogenaamde verbale agressie tegen een welbepaalde politieagent, quod non.

Volgens hem heeft die een proces-verbaal wegens smaad opgesteld en dit naar aanleiding van bepaalde suggestieve vragen die aan verzoeker werden gericht bij het ophalen van een model 9. Het ophalen van een model 9 is volgens verzoeker een louter administratieve handeling die, aangezien hij over een jachtverlof beschikt, in geen geval gepaard gaat met enig moraliteitsonderzoek. Verzoeker is dan ook van mening dat hij bij het ophalen van het model 9 mocht weigeren om te antwoorden op de ongepaste vragen omtrent zijn privéleven en dat die weigering bezwaarlijk als smaad kan worden aangemerkt. Bovendien werd aan het proces-verbaal naar aanleiding van die feiten geen enkel gevolg gekoppeld, werd verzoeker nooit in het bezit gesteld van het proces-verbaal en betwist hij formeel zich schuldig te hebben gemaakt aan smaad. Evenmin kan volgens verzoeker worden ingezien op welke wijze zijn beweerde gedrag tot het besluit zou kunnen leiden dat het voorhanden hebben van een wapen tot een gevaar voor de openbare veiligheid zou kunnen leiden.

XIV-36.091-5/13

In het tussenarrest nr. 235.722 heeft de Raad van State met betrekking tot deze grief in het eerste middel, met gezag van gewijsde geoordeeld dat het feit dat de in het raam van de registratie door de regelgeving aan de gouverneur toegewezen bevoegdheid niet toelaat dat die de ontvangen registratiebewijzen model 9 vermag te beoordelen en ze, in voorkomend geval, weigeren in te schrijven in het centraal wapenregister, maar dat dit niet belet dat, “op grond van de artikelen 28 en 29 van de wapenwet de politiediensten niet alleen inbreuken op de wapenwet en haar uitvoeringsbesluiten kunnen vaststellen, maar dat zij er ook preventief dienen over te waken dat het particulier wapenbezit geen gevaar oplevert voor de openbare orde of voor de fysieke integriteit van personen en dat, in het licht van deze politionele bevoegdheden enerzijds en gelet op de bij de politie gekende eerdere familiale problemen - die ook in de bestreden beslissing worden aangegeven en waarbij niet wordt betwist dat de politie hierbij tussenbeide diende te komen,- anderzijds, de informatieve vraag van de politieambtenaar ter gelegenheid van de overhandiging van een model 9 naar verzoekers actuele familiale toestand, als legitiem overkwam. Het kwam aldus niet aan verzoeker toe zonder reden te weigeren in te gaan op die, in het voorliggende geval, legitieme vraag.”

De beweerde machtsoverschrijding en schending van artikel 12, 1°, van de wapenwet wordt om dezelfde redenen niet aangetoond. Artikel 16, § 2, 2° van het koninklijk besluit van 29 december 2006 leidt niet tot een andere conclusie alleen omdat dit bepaalt dat de wapenregistratie van de houders van een jachtverlof onmiddellijk en kosteloos dient te gebeuren door de lokale politiediensten.

Het argument, in de memorie van wederantwoord, dat artikel 28, § 2, van de wapenwet een concreet aangewezen gevaar voor de openbare orde of voor de fysieke integriteit van personen vereist, gaat, indien al niet laattijdig want niet aangevoerd in het verzoekschrift, in ieder geval voorbij aan de andere vaststellingen inzake de bedreiging van de openbare orde.

XIV-36.091-6/13

Dat verzoeker nooit zou hebben geweigerd om mee te werken aan dit onderzoek en ook niet werd ontboden voor een moraliteitsonderzoek, toont geen machtsoverschrijding aan of schending van de ingeroepen rechtsregels. Dit geldt ook voor het feit dat hij nooit kennis zou gekregen hebben van een vermeend proces-verbaal wegens smaad. Dit geldt ook voor de vraag of verzoeker zich al dan niet op een correcte manier en terecht verwonderde over dit onderzoek. In ieder geval oordeelde de Raad reeds in het kader van het eerste middel dat de verwerende partij met dit feit rekening kon houden.

De argumentatie dat enige bepaling in de “niet-reglementaire Omzendbrief van 29 oktober 2010 over de toepassing van de wapenwetgeving”

dan ook in strijd is met de wettelijke regeling ter zake, is niet ontvankelijk nu niet wordt verduidelijkt welke bepaling niet zou mogen worden toegepast en nu deze omzendbrief werd ingetrokken en vervangen door de omzendbrief van 25 oktober 2011 (met dien verstande dat de bijlagen van de omzendbrief van 29 oktober 2010

werden beschouwd als bijlagen van de nieuwe omzendbrief). Minstens toont verzoeker niet aan hoe dit afbreuk doet aan de bovenstaande overwegingen.

Het tweede middel is niet gegrond.

8. Verzoeker betwist deze conclusie, maar beperkt zich ter zake tot het louter verwijzen “naar de door hem aangehaalde motieven in zijn oorspronkelijk beroepsschrift” en tot het stellen dat hij “zijn aangehaalde motieven in zijn oorspronkelijk verzoekschrift als volledig overgenomen [beschouwd] in huidige aanvullende en laatste memorie”, zonder nog inhoudelijk te reageren op de beoordeling van het middel door het auditoraat.

De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede middel ongegrond.

XIV-36.091-7/13

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

9. Verzoeker voert in het derde middel de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel omdat er geen enkel element voorhanden is waaruit een potentieel gevaar voor de openbare orde in de restrictieve zin van artikel 13 van de wapenwet zou kunnen worden afgeleid. Verzoeker argumenteert dat “het zogenaamd begaan van enkele verkeersinbreuken”, het vonnis van 27 februari 2012 van de correctionele rechtbank, de “zogenaamde ‘slagen en verwondingen’ uit 2005”, het “zogezegde burenconflict” en het “zogenaamde feit van ‘agressie tegen de politie’” daartoe niet in aanmerking kunnen worden genomen. Verzoeker herhaalt daarbij delen van de grieven die hij reeds heeft aangevoerd in het kader van het eerste middel. Bijkomend besluit hij dat het advies van de procureur des Konings onterecht doet voorkomen dat hij een beruchte agressieveling of een gevaarlijke ruziemaker zou zijn, terwijl de tendentieuze bewoordingen van het verslag op geen enkel feitelijk element kunnen worden gegrond. Verzoeker benadrukt dat hij nooit strafrechtelijk werd veroordeeld voor geweldpleging of voor enig misbruik van wapens.

10. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker het middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift en stelt hij dat de verwerende partij haar verweer niet, en in ieder geval bijzonder beknopt, onderbouwt. Verder stelt verzoeker dat hij reeds in het verzoekschrift als in de memorie van wederantwoord uitgebreid heeft uiteengezet dat het vereiste aantoonbare gevaar niet aanwezig was in deze.

Beoordeling

11. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van dit middel op grond van de volgende overwegingen.

XIV-36.091-8/13

De beweerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel opgeworpen in dit middel steunt in essentie op de grief dat de vijf elementen aan de orde in dit middel en opgenomen in de bestreden beslissing niet aantonen dat verzoeker een zogenaamd gevaar zou kunnen vormen voor de openbare orde in de zin van artikel 13 van de wapenwet. Vastgesteld wordt dat verzoeker deze vijf elementen reeds betwist heeft in het kader van het eerste middel, maar dan via een schending van de materiëlemotiveringsplicht. Hij betrok daarbij ook dan reeds artikel 13 van de wapenwet.

Aangezien de Raad van State dat eerste middel ongegrond bevonden heeft in het voormelde tussenarrest nr. 235.722 en dus met gezag van gewijsde oordeelde dat de bestreden beslissing op deugdelijke materiële motieven steunt, is het blijkens het arrest nr. 235.048 van 14 juni 2016, “niet langer relevant […] om te onderzoeken of de overheid zorgvuldig heeft gehandeld - er kan immers niet enerzijds tot de conclusie worden gekomen dat een beslissing op deugdelijke materiële motieven steunt en anderzijds dat de overheid onzorgvuldig heeft gehandeld.”

In ieder geval blijkt niet waarom deze grieven anders beoordeeld zouden moeten (of kunnen) worden in het kader van het zorgvuldigheidsbeginsel.

Bovendien beperkt verzoeker zich in het verzoekschrift in dit derde middel in wezen tot het opsommen van dezelfde grieven en toont hij hiermee niet concreet aan welke feiten verder of bijkomend hadden moeten worden onderzocht om tot een zorgvuldige beslissing te komen, noch dat de beroepsinstantie door deze handelingen niet te hebben gesteld, tot een conclusie is gekomen die de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid te buiten zou gaan en aldus de vergewisplicht heeft miskend. In ieder geval maakt verzoeker aldus in het verzoekschrift niet aannemelijk dat de beroepsinstantie zich op onzorgvuldige wijze heeft vergewist van het ernstig en objectief risico dat verzoeker loopt.

Het tegendeel blijkt niet uit de memorie van wederantwoord.

Aanvoeren dat de punten van verweer niet, en in ieder geval wel bijzonder beknopt

XIV-36.091-9/13

zijn onderbouwd in de memorie van antwoord, volstaat daartoe niet en gaat ook voorbij aan de verwijzing door de verwerende partij naar de repliek op het eerste middel. Verzoeker verwijst verder in wezen naar het middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift, maar antwoordt aldus niet op het verweer. In de mate verzoeker ook verwijst naar zijn dupliek op het verweer op het eerste middel, blijkt reeds uit het voormelde arrest nr. 235.722 dat de Raad van State van oordeel was dat dit niet aantoont dat de bestreden beslissing niet steunt op deugdelijke materiële motieven.

Evenmin is hierdoor aangetoond dat onzorgvuldig werd gehandeld bij de bestreden beslissing, in de zin dat “het niet denkbaar is dat enige zorgvuldig handelende overheid zou hebben gehandeld zoals de verwerende partij heeft gedaan”.

Dit alles geldt ook voor de grief dat het advies van de procureur des Konings onterecht doet voorkomen dat verzoeker een beruchte agressieveling of een gevaarlijke ruziemaker zou zijn en dat er dan ook geen enkel bewezen of relevant feit voorhanden is waaruit zou kunnen worden besloten dat het voor-

handen hebben van een wapen in hoofde van verzoeker een daadwerkelijk gevaar voor de openbare orde zou betekenen.

Het derde middel is niet gegrond.

12. Verzoeker betwist deze conclusie, maar beperkt zich ter zake tot het louter verwijzen “naar de door hem aangehaalde motieven in zijn oorspronkelijk beroepsschrift” en tot het stellen dat hij “zijn aangehaalde motieven in zijn oorspronkelijk verzoekschrift als volledig overgenomen [beschouwd] in huidige aanvullende en laatste memorie”, zonder nog inhoudelijk te reageren op de beoordeling van het middel door het auditoraat.

De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het derde middel ongegrond.

XIV-36.091-10/13

D. Vierde middel

Uiteenzetting van het middel

13. Verzoeker voert in het vierde middel de schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel en van de motiveringsplicht inzake bestuurshandelingen omdat in het aangetekend schrijven van de gouverneur van 22 oktober 2013

expliciet is vermeld dat zij kennis heeft genomen van het advies van de procureur des Konings dat zij voornemens is te volgen. Verzoeker acht het manifest strijdig met het onpartijdigheidsbeginsel om op voorhand mee te delen welke de voorgenomen beslissing is van het orgaan bevoegd om te oordelen. Verzoeker wijst er op dat hij dit middel reeds heeft opgeworpen naar aanleiding van het administratief beroep, doch dat dit door de minister van Justitie niet werd beantwoord. Volgens verzoeker dient de minister dan ook te worden geacht de gegrondheid van dat middel te hebben aanvaard en is de uiteindelijke beslissing tot verwerping van zijn beroep ongegrond, minstens betreft dit een schending van de motiveringsplicht inzake bestuurshandelingen.

14. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker het middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift en betoogt hij dat het middel wel degelijk betrekking heeft op de bestreden beslissing, in tegenstelling tot wat de verwerende partij in haar memorie stelt. Volgens verzoeker is het de bestreden beslissing die in het schrijven van 22 oktober 2013 wordt aangekondigd en waarvoor het voorgenomen oordeel wordt meegedeeld.

Beoordeling

15. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van dit middel op grond van de volgende overwegingen.

In dit middel neemt verzoeker aanstoot aan het feit dat in het aangetekend schrijven “van de Gouverneur dd. 22.10.2013” expliciet wordt

XIV-36.091-11/13

vermeld dat zij kennis heeft genomen van het advies van de procureur des Konings tot intrekking van de wapenvergunningen van verzoeker en dat zij “voornemens [is] dit advies te volgen”. Aldus beroept verzoeker zich te dezen op de subjectieve partijdigheid van de gouverneur.

Daargelaten de vaststelling dat de voormelde brief uitgaat van de arrondissementscommissaris, is dit een kennisgeving gedaan in het kader van de administratieve procedure die leidde tot het niet-gedateerde intrekkingsbesluit van de gouverneur meegedeeld met een aangetekende brief gedateerd 2 december 2013. Verzoeker heeft hiertegen administratief beroep ingesteld en de bestreden beslissing van de minister van Justitie is door de devolutieve werking van dit administratief beroep, waarnaar de Raad van State reeds verwees in het tussenarrest nr. 235.722, in de plaats gekomen van de beslissing van de gouverneur. De grief gesteund op de schending van het onpartijdigheidsbeginsel is dan ook niet ontvankelijk want betreft de bestreden beslissing niet.

Verzoeker voert niet aan, laat staan dat hij aantoont, dat de minister van Justitie niet onpartijdig oordeelde.

In de mate dat verzoeker verder aanvoert dat de motiveringsplicht is geschonden doordat de minister in de bestreden beslissing niet antwoordde op de beweerde vooringenomenheid van de gouverneur, lijkt de formelemotiveringsplicht te zijn bedoeld. Deze grief mist in ieder geval feitelijke grondslag. De bestreden beslissing bevat immers de volgende overweging:

“Het eventueel miskennen van de beginselen van behoorlijk bestuur door de gouverneur van Antwerpen doet niet langer terzake aangezien het beroep dat u heeft ingesteld bij de minister van Justitie een volledig nieuwe beoordeling van het dossier inhoudt.”

Aldus is afdoende formeel geantwoord op de beweerde vooringenomenheid van de gouverneur.

Het vierde middel is niet gegrond.

XIV-36.091-12/13

16. Verzoeker betwist deze conclusie, maar beperkt zich ter zake tot het louter verwijzen “naar de door hem aangehaalde motieven in zijn oorspronkelijk beroepsschrift” en tot het stellen dat hij “zijn aangehaalde motieven in zijn oorspronkelijk verzoekschrift als volledig overgenomen [beschouwd] in huidige aanvullende en laatste memorie”, zonder nog inhoudelijk te reageren op de beoordeling van het middel door het auditoraat.

De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het vierde middel ongegrond.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigver-

klaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings-

vergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig november tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Geert Debersaques

XIV-36.091-13/13

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.976