Belgian State's asylum refusal annulled due to failure to consider new medical evidence on motivation duty.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State annulled the Council for Aliens' Disputes' decision regarding the Belgian State's refusal of residence permits. The applicants argued the authority failed its duty of motivation by ignoring a psychiatric report submitted via email shortly before the decision. The court held that the official doctor could not have considered this late-submitted evidence, rendering the original decision legally flawed.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 39/2, § 2 and 39/65 of the Aliens Act; The administrative authority must consider all relevant evidence available at the time of decision-making, and a failure to do so constitutes a violation of the duty of motivation.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIVe KAMER
nr. 239.975 van 28 november 2017
in de zaak A. 219.628/XIV-37.107
In zake : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Harlekijnstraat 9
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
1. XXX
2. XXX
3. XXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mieke Van den Broeck kantoor houdend te 1210 Brussel Haachtsesteenweg 55
I. Voorwerp van het cassatieberoep
1. Het cassatieberoep, ingesteld op 1 juli 2016, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 168.652 van 30 mei 2016 van de Raad voor Vreemdelingen-
betwistingen.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 12.057 van 14 juli 2016.
De verweerders hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
XIV-37.107-1/7
Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 september 2017.
Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Tine Bricout, die loco advocaat Carmenta Decordier verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Pauline Delgrange, die loco advocaat Mieke Van den Broeck verschijnt voor de verweerders, zijn gehoord.
Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. De staatssecretaris voor Asiel en Migratie neemt op 26 juni 2015
in hoofde van de verweerders een beslissing waarmee hun aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980
‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) van 8 november 2011 ongegrond wordt verklaard en een beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten.
XIV-37.107-2/7
Op 13 augustus 2015 stellen de verweerders tegen die beslissingen een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Met een arrest van 30 mei 2016 vernietigt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de voornoemde beslissingen van 26 juni 2015. Dit is het bestreden arrest.
IV. Onderzoek van de middelen
Eerste middel
Standpunt van de partijen
4. De verzoekende partij werpt in een eerste middel de schending op van artikel 149 van de Grondwet, van de artikelen 39/2, § 2, en 39/65, eerste lid van de vreemdelingenwet, van “het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht”, van “de materiëlemotiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur” en van ”het beginsel van de bewijskracht van stukken, overeenkomstig de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het burgerlijk wetboek, minstens het principe van de miskenning van de bewijskracht dat geldt voor alle geschreven stukken”.
De verzoekende partij voert aan dat de eerste rechter in het bestreden arrest ten onrechte vaststelt dat de ambtenaar-geneesheer verkeerdelijk geen rekening heeft gehouden met het psychiatrisch verslag van 30 mei 2015, vermits dit laatste verslag blijkens het administratief dossier pas op 26 juni 2015
per e-mail naar de gemachtigde van de staatssecretaris voor Asiel en Migratie werd gestuurd. Uit het bepaalde in artikel 39/2, § 2, van de vreemdelingenwet volgt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter bij het beoordelen van de wettigheid van de aanvankelijk bestreden beslissing enkel rekening mag houden met de stukken waarover de ambtenaar-geneesheer of de bevoegde staatssecretaris kon beschikken bij het nemen van die beslissing. Vermits de
XIV-37.107-3/7
verweerders het psychiatrisch verslag van 30 mei 2015 pas op 26 juni 2015 per e-mail aan de dienst Vreemdelingenzaken hebben bezorgd, blijkt volgens de verzoekende partij niet dat het bestuur er kennis van had bij het nemen van de aanvankelijk bestreden beslissing en mocht de Raad voor Vreemdelingen-
betwistingen er te dezen geen rekening mee houden bij het uitoefenen van zijn wettigheidscontrole. De verzoekende partij vervolgt dat het bestreden arrest ook geen enkele motivering bevat waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel is dat de ambtenaar-geneesheer het psychiatrisch verslag van 30 mei 2015 ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten. Daarom acht de verzoekende partij zowel de aangehaalde bepalingen betreffende de jurisdictionele motiveringsplicht als artikel 39/2, § 2, van de vreemdelingenwet geschonden.
5. De verweerders stellen in de memorie van antwoord dat het uiteraard onmogelijk is te weten op welk uur de aanvankelijk bestreden beslissing gereed was, doch dat die beslissingen slechts “naar buiten” gaan nadat een supervisor ze heeft gecontroleerd en dat er steeds enkele dagen overheen gaan eer ze de dienst Vreemdelingenzaken verlaten. Indien een aanvulling komt in een dossier dat net was afgewerkt door de dossierbehandelaar, zou het van een goed bestuur getuigen om deze aanvulling te bekijken en zo nodig te vermelden. Te dezen bereikte het document de dienst Vreemdelingenzaken ruimschoots binnen de werkuren en geeft de verzoekende partij niet aan waarom het onmogelijk zou zijn rekening te houden met een document dat binnenkomt op de dag dat de aanvankelijk bestreden beslissing werd genomen. De verweerders besluiten dat de ambtenaar-geneesheer en de dossierbehandelaar over het kwestieuze stuk konden beschikken en er dus rekening mee moesten houden.
6. In de memorie van wederantwoord herhaalt de verzoekende partij het middel. Zij voegt toe dat de verweerders hun ongestaafde beweringen over de werking van de dienst Vreemdelingenzaken niet aannemelijk maken. De kritiek van de verweerders dat de dienst Vreemdelingenzaken het nodige had moeten doen om de aanvankelijk bestreden beslissing in te trekken na kennisname van een nieuw stuk toen de aanvankelijk bestreden beslissing al was genomen, is
XIV-37.107-4/7
volgens de verzoekende partij niet afgestemd op het bestreden arrest. Daarin wordt immers niet gesteld dat de aanvankelijk bestreden beslissing had moeten worden ingetrokken, maar wel dat een nog niet gekend attest in de beoordeling had moeten worden betrokken. Tot slot merkt de verzoekende partij op dat de verweerders zelf aangeven dat het “onmogelijk” is om aan te tonen dat het kwestieus psychiatrisch attest reeds gekend was bij de dienst Vreemdelingenzaken.
Beoordeling
7. Bij de beoordeling van een beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 39/2, § 2, van de vreemdelingenwet, zoals te dezen het geval was, voert de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een wettigheidscontrole uit van de bij hem aangevochten beslissing. Hij vermag daarbij enkel rekening te houden met de gegevens waarover de bevoegde staatssecretaris kon of moest beschikken op het ogenblik dat deze zijn beslissing nam.
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst in het bestreden arrest naar een aantal medische stukken, waaronder een psychiatrisch verslag van 30 mei 2015 waarvan hij oordeelt “dat de arts-adviseur [het] ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten; alleszins blijkt uit zijn medisch advies niet dat hij dit in zijn beoordeling betrokken heeft”. Concreet citeert en vertaalt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uit dit laatste verslag dat eerste verweerster in Servië “geen psychiaters kan vinden waarin ze vertrouwen kan hebben, dit terwijl deze therapeutische relatie belangrijker is dan enkel medicatie”.
Dienaangaande overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgens “dat geattesteerd wordt dat eerste verzoekende partij [thans eerste verweerster] zelf - omwille van de feiten die geleid hebben tot haar aandoening - nooit een vertrouwensrelatie zou kunnen opbouwen met een Servische psychiater zodat er geen sprake kan zijn van een adequate behandeling door dergelijke persoon”.
Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is de ambtenaar-geneesheer “nagegaan of behandeling mogelijk is, maar heeft hij nagelaten te onderzoeken of dit gaat om een adequate behandeling, dit in het licht van de diverse door de eerste
XIV-37.107-5/7
verzoekende partij voorgelegde stukken, medische stukken die stellen dat eerste verzoekende partij, omwille van de achterliggende oorzaken van haar medische problematiek, geen vertrouwensrelatie kan opbouwen met een Servische psychiater”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit op grond daarvan in hoofde van de verwerende partij tot een schending van de materiëlemotiveringsplicht in het licht van artikel 9ter van de vreemdelingenwet.
Uit het administratief dossier, dat deel uitmaakt van het rechtsplegingsdossier, blijkt dat de raadsman van de verweerders op 26 juni 2015
om 12.37 uur per e-mail “actueel medische verslagen” betreffende eerste ver-
weerster heeft gestuurd naar de infodesk van de dienst Vreemdelingenzaken. De partijen betwisten het feit niet dat het psychiatrisch verslag van 30 mei 2015 met de voornoemde mail ter kennis van de dienst Vreemdelingenzaken werd gebracht.
Vermits de ambtenaar-geneesheer zijn advies reeds op 23 juni 2015 had opgesteld, kon hij het, anders dan in het bestreden arrest wordt voorgehouden, niet in zijn beoordeling betrekken. In het bestreden arrest wordt bovendien niet gesteld dat de verwerende partij bij het nemen van de aanvankelijk bestreden beslissing kennis had of moest hebben van een medisch verslag dat haar pas per e-mail werd toegestuurd op de dag dat zij die beslissing nam. Derhalve mocht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het psychiatrisch verslag van 30 mei 2015 niet in zijn beoordeling betrekken bij de uitoefening van zijn wettigheidscontrole op grond van artikel 39/2, § 2, van de vreemdelingenwet.
Aan het voorgaande wordt geen afbreuk gedaan door het verweer dat de aanvankelijk bestreden beslissing pas op latere datum ter kennis van de verweerders werd gebracht: de kennisgeving op zich en de mogelijkheid tot intrekking van een reeds genomen beslissing houden immers geen verband met de wettigheid van die beslissing en het bestreden arrest spreekt zich daar ook niet over uit.
8. Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond en deze vaststelling volstaat voor de cassatie van het bestreden arrest.
XIV-37.107-6/7
BESLISSING
1. De Raad van State vernietigt het arrest nr. 168.652 van 30 mei 2016 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
2. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
3. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
4. De verweerders worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig november tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, met bijstand van Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Geert Debersaques
XIV-37.107-7/7
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.975