Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.974 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.974 Généré par l'IA

Court annuls foreigner expulsion decision due to failure to explicitly balance Article 8 ECHR interests.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.974
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State annulled the Council for Alien Law Disputes' decision regarding the applicant's expulsion order. The lower court incorrectly concluded that Article 8 of the ECHR was violated solely because the original expulsion order lacked explicit reasoning for the required interest balancing. The court held that Article 8 does not impose a special duty to explicitly articulate this balancing in the initial decision, allowing the administrative body to assess the case based on the full file without such formal requirements.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 8 of the ECHR; Article 62 of the Aliens Act; Article 1-3 of the Law of 29 July 1991 on explicit motivation: The Council for Alien Law Disputes may examine Article 8 ECHR violations based on the administrative file without being limited to explicit reasons in the decision, as Article 8 imposes no special motivation duty regarding interest balancing.

Mots-clés

Généré par l'IA
Article 8 ECHR expulsion order explicit motivation interest balancing administrative file Council of State alien law mesure d'éloignement en droit des étrangers

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 8 of the European Convention on Human Rights
Articles 1 to 3 of the Law of 29 July 1991 on the explicit motivation of administrative acts
Article 62 of the Law of 15 December 1980 on access to the territory, residence, settlement and removal of aliens
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 239.974 van 28 november 2017

in de zaak A. 219.294/XIV-37.041

In zake : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Harlekijnstraat 9

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

XXX

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gerrit Klapwijk kantoor houdend te 1060 Brussel Berckmansstraat 83

I. Voorwerp van het cassatieberoep

1. Het cassatieberoep, ingesteld op 18 mei 2016, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 165.860 van 14 april 2016 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 12.000 van 15 juni 2016.

Verweerder heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

XIV-37.041-1/7

Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 september 2017.

Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Tine Bricout, die loco advocaat Carmenta Decordier verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord.

Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. Op 18 juni 2015 neemt de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ten aanzien van verweerder een beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten.

Verweerder stelt op 5 augustus 2015 tegen de voornoemde beslissing een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De Raad voor Vreemdelingen-

betwistingen vernietigt de beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten van 18 juni 2015 met een arrest van 14 april 2016. Dit is het bestreden arrest.

XIV-37.041-2/7

IV. Onderzoek van de middelen

Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

4. De verzoekende partij werpt in een tweede middel, dat zij in de memorie van wederantwoord herhaalt, de schending op van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM), van de artikelen 1 tot en met 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991) en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet).

In een tweede middelonderdeel voert de verzoekende partij aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest oordeelt dat uit de motieven van het aanvankelijk bestreden bevel om het grondgebied te verlaten moet blijken dat de gemachtigde van de staatssecretaris is overgegaan tot een belangenafweging in het licht van artikel 8 van het EVRM. De verzoekende partij laat gelden dat artikel 8 van het EVRM echter geen motiveringsplicht inhoudt zodat het aanvankelijk bestreden bevel niet expliciet moest worden gemotiveerd in het licht van die verdragsbepaling. Zij verwijst daartoe naar bepaalde rechtspraak van de Raad van State.

5. Verweerder stelt in de memorie van antwoord dat de verzoekende partij volgens het bestreden arrest niet is overgegaan tot de belangenafweging die zij hoorde te maken in het kader van artikel 8 van het EVRM. De “synthesenota” waarvan sprake is in het dossier toont niet aan dat verweerder werd gehoord alvorens hem de bijlage 13 werd afgeleverd, laat staan dat rekening werd gehouden met verweerders familieleven bij het nemen van de

XIV-37.041-3/7

aanvankelijk bestreden beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten.

Vermits op grond van artikel 74/13 van de vreemdelingenwet bij het nemen van de beslissing tot verwijdering rekening wordt gehouden met het hoger belang van het kind, het gezins- en familieleven en de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land, moet enige motivering dienaangaande worden teruggevonden in de beslissing tot verwijdering, dit op grond van de wet van 29 juli 1991.

Beoordeling

6. De in het bestreden arrest aangenomen schending van de formelemotiveringsplicht heeft uitsluitend betrekking op de motivering in het aanvankelijk bestreden bevel aangaande de door artikel 8 van het EVRM vereiste belangenafweging. Te dezen stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in antwoord op de door huidige verweerder voorgehouden schending van artikel 8

van het EVRM dat zich in het administratief dossier een synthesenota van 11 juni 2015 bevindt waaruit blijkt dat de dienst Vreemdelingenzaken rekening heeft gehouden met de wettelijke samenwoning en waarin wordt vermeld dat er geen kinderen zijn. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkt uit de stukken van het dossier niet dat huidige verweerder de zwangerschap van zijn partner had gemeld aan het bestuur. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt dan dat “uit dit onderzoek […] inderdaad een zekere belangenafweging [blijkt] die ook moet worden gemaakt in het licht van artikel 8 van het EVRM”

doch “dat deze handelwijze in casu niet volstaat in het licht van de rechtsbescherming van de rechtsonderhorige” en dat “door de elementen van deze belangenafweging niet uitdrukkelijk weer te geven in de [aanvankelijk] bestreden beslissing […] de verwerende partij voorbij[gaat] aan het feit dat zij gehouden is tot een uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en dit overeenkomstig de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en overeenkomstig artikel 62 van de Vreemdelingenwet.”

XIV-37.041-4/7

De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermag als annulatierechter desgevraagd te onderzoeken of artikel 8 van het EVRM is geschonden bij het nemen van een beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten, dit aan de hand van de door de door de partijen verstrekte gegevens en de gegevens van het administratief dossier. Hij dient zich daarbij niet te beperken tot de eventuele uitdrukkelijke motieven dienaangaande in de bij hem aange-

vochten beslissingen. Artikel 8 van het EVRM houdt immers geen bijzondere motiveringsplicht in.

Door aan te nemen dat wat de belangenafweging in het licht van artikel 8 van het EVRM betreft een uitdrukkelijke motivering in het aanvankelijk bestreden bevel om het grondgebied te verlaten is vereist en enkel op grond van het ontbreken van dergelijke motivering, zonder nader onderzoek van het dossier, te besluiten tot een schending van artikel 8 van het EVRM, schendt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die verdragsbepaling. De Raad voor Vreemdelingen-

betwistingen kon derhalve niet wettig besluiten tot een schending van de formele-

motiveringsplicht, enkel op grond van het ontbreken van uitdrukkelijke motieven betreffende de door artikel 8 van het EVRM vereiste belangenafweging in het aanvankelijk bestreden bevel om het grondgebied te verlaten.

7. Het tweede onderdeel van het tweede middel is gegrond en deze vaststelling volstaat voor de cassatie van het bestreden arrest.

V. Begroting van de rechtsplegingsvergoeding

8. In het verzoekschrift tot cassatie en de memorie van wederantwoord vraagt de verzoekende partij verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, waaronder een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 700 euro.

XIV-37.041-5/7

Vermits verweerder als in het ongelijk gestelde partij tweedelijns juridische bijstand geniet en de verzoekende partij geen kennelijk onredelijke situatie aantoont, dient dit bedrag overeenkomstig artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te worden herleid tot 140 euro.

BESLISSING

1. De Raad van State vernietigt het arrest nr. 165.860 van 14 april 2016 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

2. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

3. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

4. Verweerder wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.

XIV-37.041-6/7

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig november tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, met bijstand van Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Geert Debersaques

XIV-37.041-7/7

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.974