Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.967 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.967 Généré par l'IA

Court dismisses appeal against termination of diversity officer and negative performance evaluation due to lack of jurisdiction.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.967
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's appeal seeking annulment of her dismissal and negative performance evaluation. The court determined that the second contested decision regarding the evaluation falls under labor law, rendering the Council of State without jurisdiction to review it. Consequently, the entire appeal was dismissed, and the applicant was ordered to pay the costs and legal fees to the Flemish Government.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 8, § 1 and § 2 of the Flemish Government Decision of 24 December 2004; The Council of State lacks jurisdiction to annul administrative decisions concerning the execution of a labor contract or performance evaluations, which are governed by labor law.

Mots-clés

Généré par l'IA
jurisdiction labor law performance evaluation annulment dismissal diversity officer lack of jurisdiction Flemish Government Decision congé de représailles indemnité de départ indemnisation de l'invalidité

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 8, § 1 of the Flemish Government Decision of 24 December 2004
Article 8, § 2 of the Flemish Government Decision of 24 December 2004
Article 4 of the labor contract of 5 May 2014
Article 93, first paragraph of the Decree of the Regent of 23 August 1948
Article 90, § 1, fourth paragraph of the Council of State Act
Article 30/1 of the Council of State Act
Article 67, § 1, first paragraph of the General Rules of Procedure
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

IXe KAMER

nr. 239.967 van 27 november 2017

in de zaak A. 222.330/IX-9079

In zake: Alona LYUBAYEVA

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Roosens en Evelyne Maes kantoor houdend te 3000 Leuven Arnould Nobelstraat 38

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de VLAAMSE GEMEENSCHAP

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Aube Wirtgen en Toon Moonen kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 2 juni 2017, strekt tot de nietigverkla-

ring van:

“1. de beslissing van de Vlaamse Regering van 31 maart 2017 om mevrouw Lyubayeva met onmiddellijke ingang ontslag te verlenen als Vlaams diversi-

teitsambtenaar mits betaling van een verbrekingsvergoeding met toepassing van het arbeidsrecht;

2. de beslissing van [de] viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding, van 13 maart 2017 of 31 maart 2017 om me-

vrouw Lyubayeva negatief te evalueren (score A) in haar functie als Vlaamse diversiteitsambtenaar voor de periode 2016.”

IX-9079-1/15

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge-

diend.

Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag op-

gesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuurs-

rechtspraak van de Raad van State‟.

Met toepassing van artikel 90, § 1, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2017.

Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht.

Advocaten Peter Roosens en Evelyne Maes, die verschijnen voor de verzoekende partij en advocaat Kristof Caluwaert, die loco advocaat Aube Wirtgen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi-

neerd op 12 januari 1973.

IX-9079-2/15

III. Regelgeving en feiten

3.1. Bij artikel 8, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 december 2004 „houdende maatregelen ter bevordering en ondersteuning van het gelijkekansen- en diversiteitsbeleid in de Vlaamse administratie‟ (hierna: het besluit van de Vlaamse Regering van 24 december 2004), zoals gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 10 januari 2014, wordt voorzien in een functie van Vlaams diversiteitsambtenaar “ter bevordering en ondersteuning van het beleid betreffende de evenredige participatie, diversiteit en gelijke kansen”.

Artikel 8, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 december 2004 bepaalt:

“De Vlaamse Diversiteitsambtenaar wordt aangesteld door de Vlaamse Regering op voordracht van de Vlaamse minister, bevoegd voor het algemeen beleid inzake personeel en organisatieontwikkeling voor een termijn van vijf jaar. Dit mandaat is hernieuwbaar. De Vlaamse Diversiteitsambtenaar heeft een onafhankelijke positie en ressorteert rechtstreeks onder de Vlaamse minister, bevoegd voor het algemeen beleid inzake personeel en organisatieontwikkeling die de Vlaamse Diversiteitsambtenaar ook evalueert. De functie wordt voltijds ingevuld, tenzij anders is overeengekomen.”

3.2. Het reglement betreffende de selectieprocedure die tot de aan-

werving van verzoekster als Vlaams diversiteitsambtenaar heeft geleid, vermeldt dat het om een contractuele functie van rang A2 gaat voor een periode van vijf jaar en dat het contract hernieuwbaar is.

3.3. Op 5 mei 2014 wordt tussen de Vlaamse Gemeenschap en ver-

zoekster een arbeidsovereenkomst voor bedienden gesloten “voor het uitoefenen van de functie van Vlaamse Diversiteitsambtenaar bij het Departement Bestuurs-

zaken van de diensten van de Vlaamse overheid te Brussel voor een bepaalde tijd die begint op 5 mei 2014 en eindigt op 4 mei 2019”.

3.4. Op 24 maart 2017 heeft de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding een gesprek

IX-9079-3/15

met verzoekster over de evaluatie van haar prestaties tijdens het jaar 2016. Volgens verzoekster wordt haar bij die gelegenheid meegedeeld “dat zij negatief zou worden geëvalueerd en dat de minister aan de Vlaamse Regering zou vragen om haar met onmiddellijke ingang te ontslaan”.

Met een brief van dezelfde datum bevestigt de minister aan verzoekster, met verwijzing naar “het […] bezorgde evaluatierapport”, dat zij aan de Vlaamse Regering zal voorstellen om de prestaties van verzoekster tijdens het jaar 2016 negatief te evalueren.

3.5. Op 31 maart 2017 wordt verzoekster daarover door de Vlaamse Regering gehoord.

Diezelfde dag nog richt de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding het vol-

gende schrijven aan verzoekster:

“Hierbij deel ik u mee dat de Vlaamse Regering tijdens haar vergadering van 31 maart 2017, na u te hebben gehoord, heeft beslist u met onmiddellijke ingang ontslag te verlenen mits betaling van een verbrekingsvergoeding met toepassing van het arbeidsrecht.

Hierbij bezorg ik u de door de Vlaamse Regering goedgekeurde nota, de definitieve versie van het evaluatierapport waarin uw opmerkingen zijn ver-

werkt, en het proces-verbaal van de hoorzitting door de Vlaamse Regering.

De Vlaamse Regering heeft deze beslissing genomen op basis van vol-

gende motivering:

1. Negatieve evaluatie […]

2. Uitlatingen van mevrouw Lyubayeva in De Afspraak van 28/03/2017

[…].”

IV. Regelmatigheid van de rechtspleging

4. Met een brief van 28 juni 2017 werd door de griffie van de Raad van State aan de verwerende partij een afschrift gezonden van het ingediende verzoekschrift en werd aan deze partij gevraagd het administratief dossier neer te

IX-9079-4/15

leggen. De verwerende partij werd tevens gewezen op de mogelijkheid om binnen een termijn van zestig dagen een memorie van antwoord in te dienen.

De verwerende partij heeft met een aangetekende zending van 28 augustus 2017 het administratief dossier neergelegd en tevens een memorie van antwoord ingediend.

Op dezelfde datum als de datum van verzending van het admi-

nistratief dossier en de memorie van antwoord door de verwerende partij heeft de auditeur-verslaggeefster op zicht van het verzoekschrift en de daarbij gevoegde stukken een verslag opgesteld met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟ (hierna: het algemeen procedureglement).

Dit verslag heeft geen rekening gehouden met de memorie van antwoord, aangezien de auditeur-verslaggeefster er op het ogenblik van het op-

stellen van haar verslag geen kennis van had en er ook geen kennis van kon heb-

ben.

Dit gegeven op zich verantwoordt, anders dan verzoekster ter terechtzitting aanvoert, niet de verwijzing van de zaak naar de gewone rechtsple-

ging, aangezien artikel 93 van het algemeen procedurereglement het auditoraat bij de Raad van State niet verbiedt een dergelijk verslag op te stellen op zicht van het verzoekschrift en de daarbij gevoegde stukken, dus zonder kennis te hebben van een eventuele memorie van antwoord die ondertussen zou zijn ingediend.

Voorts stelt de Raad van State vast dat de memorie van antwoord die door de verwerende partij werd ingediend, eenzelfde exceptie van gebrek aan rechtsmacht van de Raad van State opwerpt als het auditoraatsverslag. De Raad van State kan, zonder de argumentatie van de memorie van antwoord in aanmer-

king te nemen – ook verzoekster heeft immers van die argumentatie geen kennis

IX-9079-5/15

gekregen – ermee volstaan zich uit te spreken over de ambtshalve in het audito-

raatsverslag opgeworpen exceptie, waartegen verzoekster zich ter terechtzitting heeft kunnen verdedigen, zodat allerminst is tekortgedaan aan haar rechten van verweer.

5. Los van het door de verwerende partij in haar memorie van antwoord gevoerde verweer, kan deze memorie, wat de door de verwerende partij gevorderde rechtsplegingsvergoeding betreft, in het kader van de huidige rechts-

pleging overeenkomstig artikel 93 van het algemeen procedureglement wel in aanmerking worden genomen als een nota tot vereffening van een dergelijke vergoeding, zoals bedoeld in artikel 84/1 van het algemeen procedurereglement.

Op de terechtzitting heeft de staatsraad-verslaggever melding gemaakt van de rechtsplegingsvergoeding die door de verwerende partij wordt gevorderd en heeft verzoekster vervolgens de mogelijkheid gehad om haar standpunt ook over deze kwestie te laten kennen.

V. Rechtsmacht van de Raad van State

Standpunt van verzoekster

6.1. Volgens verzoekster zal de Raad van State moeten vaststellen dat “[zij] als Vlaamse diversiteitsambtenaar een ambtenaar was en geen contrac-

tueel personeelslid verbonden door een arbeidsovereenkomst”.

Zij betoogt dat de Vlaamse Regering haar op 4 april 2014 heeft aangesteld als Vlaams diversiteitsambtenaar, zoals bedoeld in artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 december 2004. Op die datum werd haar immers telefonisch meegedeeld “dat de Vlaamse Regering haar had aangesteld en dat zij onmiddellijk haar toenmalige werkgever diende te verwittigen”. Op 5 mei 2014 heeft zij “[o]p verzoek van het [d]epartement Bestuurszaken” een op 30 april 2014 gedateerde arbeidsovereenkomst ondertekend. Op dat ogenblik, zo

IX-9079-6/15

argumenteert verzoekster, was zij evenwel reeds statutair aangesteld en kon met haar geen arbeidsovereenkomst voor dezelfde functie meer worden gesloten.

Dat de functie van Vlaams diversiteitsambtenaar op het ogenblik van haar aanstelling in statutair dienstverband diende te worden uitgeoefend en “door een ambtenaar zou worden ingevuld”, blijkt volgens verzoekster vooreerst “onomstotelijk” uit de bewoordingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 december 2004. Verzoekster wijst voorts op het besluit van de Vlaamse Rege-

ring van 13 januari 2006 „houdende vaststelling van de rechtspositie van het per-

soneel van de diensten van de Vlaamse overheid‟ (hierna: het Vlaams personeels-

statuut) en het koninklijk besluit van 22 december 2000 „tot bepaling van de al-

gemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtena-

ren die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps-

en Gewestregeringen en van de Colleges van de Gemeenschappelijke Gemeen-

schapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie, alsook op de pu-

bliekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen‟. In die besluiten is volgens verzoekster aangegeven dat voor het personeel van de Vlaamse diensten het sta-

tutaire dienstverband de regel is en het contractuele dienstverband de uitzondering en dat personeelsleden van de Vlaamse diensten slechts in vier uitzonderingsge-

vallen met een arbeidsovereenkomst mogen worden aangeworven.

In dit geval, zo vervolgt verzoekster, is de mogelijkheid van belang om contractuele personeelsleden aan te werven voor het vervullen van “bijkomende of specifieke opdrachten” indien de lijst van deze opdrachten vooraf door de uitvoerende macht is bekendgemaakt. Op de datum van haar aanstelling was de functie van Vlaams diversiteitsambtenaar niet terug te vinden op de lijst van de contractuele functies die ressorteren onder de “bijkomende of specifieke op-

drachten”, opgenomen in bijlage 1 bij het ministerieel besluit van 14 mei 2008

„houdende vaststelling van de bijkomende of specifieke opdrachten bij de Diensten van de Vlaamse overheid‟. Volgens verzoekster heeft de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding met een wijzigend besluit van 22 mei 2015 weliswaar de functie van Vlaams di-

IX-9079-7/15

versiteitsambtenaar aan die lijst toegevoegd en alzo van de Vlaamse diversi-

teitsambtenaar een contractueel personeelslid gemaakt, maar is dit ministerieel besluit om verschillende redenen onwettig en moet het op grond van artikel 159

van de Grondwet buiten toepassing worden gelaten. Zo is het ministerieel besluit van 22 mei 2015 in strijd met het besluit van de Vlaamse Regering van 24 december 2004 – een hogere rechtsnorm – dat bepaalt dat de Vlaamse diversi-

teitsambtenaar een ambtenaar is. Bovendien heeft de minister, door de functie van Vlaams diversiteitsambtenaar aan te wijzen als een bijkomende of specifieke op-

dracht, het begrip „bijkomende of specifieke opdracht‟ miskend. Enkel opdrachten waarvan de uitvoering een bijzondere deskundigheid vereist die normaal niet be-

staat in de diensten van de betrokken regering of in de openbare instellingen die ervan afhangen, mogen immers als bijkomende of specifieke opdrachten worden aangewezen. Verzoekster meent dat wat de functie van Vlaams diversiteitsamb-

tenaar betreft, die deskundigheid wel degelijk binnen de Vlaamse administratie bestaat.

Voor het geval dat zou worden geoordeeld dat het ministerieel besluit van 22 mei 2015 toch wettig is, wijst verzoekster erop dat het pas op 9 maart 2017 in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt en bijgevolg pas vanaf die datum bindende kracht heeft. Het ministerieel besluit heeft weliswaar uitwerking vanaf 1 juni 2015, maar zelfs indien deze retroactieve werking aan-

vaardbaar zou zijn, moet worden vastgesteld dat de functie van Vlaams diversi-

teitsambtenaar pas vanaf deze datum kan worden beschouwd als een bijkomende of specifieke opdracht die door een contractueel personeelslid mag worden inge-

vuld. Verzoekster was daarentegen reeds op 4 april 2014 aangesteld als statutair Vlaams diversiteitsambtenaar. De Vlaamse overheid kon méér dan een maand later met haar geen arbeidsovereenkomst voor diezelfde functie sluiten. Een perso-

neelslid kan immers niet tegelijk “ambtenaar en contractueel” zijn. Verzoekster leidt daaruit af dat de Raad van State geen kennis mag nemen van de arbeids-

overeenkomst die zij met de Vlaamse Gemeenschap heeft gesloten en al zeker mag hij daaraan geen rechtsgevolgen verbinden.

IX-9079-8/15

Verzoekster laat ten slotte gelden dat ook uit haar eenzijdige aanstelling door de overheid en uit de eenzijdige wijziging van haar takenpakket – zonder haar instemming – gedurende haar aanstelling blijkt dat zij als ambtenaar werd aangesteld.

Zij besluit dat “[u]it dit geheel van feiten en uit de toepassing van de regelgeving” genoegzaam kan worden afgeleid dat zij op 4 april 2014 als ambtenaar werd aangesteld en dat zij dit ook is gebleven tot haar ontslag op 31 maart 2017. Elke beslissing die haar functie als Vlaams diversiteitsambtenaar raakt, zoals elk van beide bestreden beslissingen, valt volgens verzoekster dan ook onder de rechtsmacht van de Raad van State.

6.2. Verzoekster merkt nog op dat zij, anders dan de verzoekende partij in de zaak die geleid heeft tot arrest nr. 234.035 van 4 maart 2016 van de Raad van State, niet vraagt om haar arbeidsverhouding een nieuwe kwalificatie te geven en ervan uit te gaan dat het gaat om een statutair dienstverband omdat een indienstneming bij arbeidsovereenkomst onregelmatig is. Zij benadrukt dat zij aan de Raad van State slechts vraagt kennis te nemen van de bestreden beslissingen in het licht van het feit dat zij op 4 april 2014 als ambtenaar in de functie van Vlaams diversiteitsambtenaar is aangesteld – een functie die op die datum enkel in statutair verband kon worden ingevuld.

6.3. Indien zou worden geoordeeld dat zij toch een contractueel personeelslid was, dan stelt verzoekster nog bij haar standpunt te blijven dat de Raad van State bevoegd is om te oordelen over de tweede bestreden beslissing, namelijk de negatieve evaluatie. In artikel 4 van haar arbeidsovereenkomst van 5 mei 2014 werd immers vastgelegd welke regelingen van de contractuele perso-

neelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid van toepassing waren en de regeling inzake de evaluatie (deel IV van het Vlaams personeelsstatuut) behoort daar niet toe. Volgens verzoekster valt de beslissing om haar negatief te evalueren aldus buiten het kader van de arbeidsovereenkomst en is ze een eenzijdige admi-

nistratieve rechtshandeling die kan worden aangevochten voor de Raad van State.

IX-9079-9/15

Beoordeling

7. Zoals hiervóór sub 4 vermeld, wordt in het auditoraatsverslag op zicht van de uiteenzetting van verzoekster en de bijgevoegde stukken, besloten tot de onontvankelijkheid van het voorliggende beroep op grond van een ambtshalve opgeworpen exceptie van gebrek aan rechtsmacht van de Raad van State om over dit beroep uitspraak te doen.

De Raad van State valt deze ambtshalve opgeworpen exceptie geheel bij om de hierna vermelde redenen.

8. Artikel 14, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt als volgt:

“Indien het geschil niet door de wet aan een ander rechtscollege wordt toe-

gekend, doet de afdeling uitspraak, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen:

1° van de onderscheiden administratieve overheden;

[…].”

9. Luidens artikel 578, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek neemt de arbeidsrechtbank kennis van “geschillen inzake arbeidsovereenkomsten”.

Deze bevoegdheid van de arbeidsgerechten staat er in beginsel aan in de weg dat de Raad van State op grond van de algemene vernietigingsbe-

voegdheid die hij put uit het hiervóór aangehaalde artikel 14, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, uitspraak zou doen over een geschil in verband met een arbeidsovereenkomst.

10. Zoals hij ook heeft aangegeven in zijn arrest nr. 234.035 van 4 maart 2016, gaat de Raad van State uit van het vermoeden dat personeelsleden van een openbare dienst in vast verband in dienst zijn genomen, wanneer niet eenduidig is aangetoond dat er een arbeidsovereenkomst is gesloten. Omgekeerd

IX-9079-10/15

acht de Raad van State dit vermoeden weerlegd, wanneer er geen enkele twijfel is over het bestaan van een arbeidsovereenkomst. In dat geval primeert de wil van de partijen.

11. Verzoekster stelt dat zij op 4 april 2014 in statutair dienstver-

band bij de Vlaamse overheid is aangesteld als Vlaams diversiteitsambtenaar en dat die functie op dat ogenblik alleen in statutair dienstverband mocht worden toegewezen.

Anders dan verzoekster meent, blijkt evenwel uit niets dat de verwerende partij haar op de voormelde datum of daaropvolgend een statutaire aanstelling in het ambt van Vlaams diversiteitsambtenaar heeft verleend. Inte-

gendeel laten de aan de Raad van State voorgelegde stukken er geen enkele twijfel over bestaan dat de handeling die de arbeidsverhouding tussen verzoekster en de Vlaamse overheid in het leven heeft geroepen, de arbeidsovereenkomst is die op 5 mei 2014 tussen beiden werd gesloten en waarop, onverminderd onder meer artikel 4 van deze overeenkomst, de wet van 3 juli 1978 „betreffende de arbeids-

overeenkomsten‟ van toepassing is.

12. Zoals de Raad van State eveneens in arrest nr. 234.035 van 4 maart 2016 heeft uiteengezet, is hij – gelet op artikel 578, 1°, van het Gerechte-

lijk Wetboek – niet bevoegd om de regelmatigheid van een arbeidsovereenkomst te toetsen en vermag hij enkel kennis te nemen van de wettigheid van de handelingen die van het sluiten van een dergelijke overeenkomst kunnen worden afgesplitst.

Aldus vermag de Raad van State desgevallend te oordelen dat de beslissing om een personeelslid contractueel in dienst te nemen onwettig is. De wettigheidstoetsing van een dergelijke beslissing is evenwel zowel aan een tijds-

beperking als aan een beperking met betrekking tot de gevolgen onderworpen.

Behoudens in het geval van complexe handelingen, waarvan in dit geval geen sprake is, wordt een individuele bestuurshandeling definitief indien binnen de door de algemene procedureregeling voorgeschreven beroepstermijn van zestig dagen

IX-9079-11/15

geen beroep tot nietigverklaring ertegen is ingesteld. De wettigheid van een be-

slissing om een personeelslid met een arbeidsovereenkomst in dienst te nemen kan derhalve na die termijn niet meer voor de bestuursrechter worden betwist. Voorts kan de voormelde wettigheidstoetsing alleen betrekking hebben op de beslissing van de overheid om een personeelslid met een arbeidsovereenkomst in dienst te nemen, niet op de arbeidsovereenkomst als zodanig. De eventuele nietigverklaring van de bedoelde afsplitsbare handeling houdt dan ook niet de nietigverklaring van de arbeidsovereenkomst in.

13. Verzoekster betwist niet dat zij de beslissing van de verwerende partij om haar met een arbeidsovereenkomst in dienst te nemen niet binnen de voorgeschreven beroepstermijn van zestig dagen met een beroep tot nietigverkla-

ring bij de Raad van State heeft aangevochten. De wettigheid van die beslissing kan dan ook niet meer ontvankelijk voor de Raad van State worden betwist. De Raad van State neemt aan dat ze definitief is.

Verzoekster laat in haar inleidend verzoekschrift dan ook te-

vergeefs gelden dat haar aanstelling ingevolge de toentertijd geldende regelgeving van statutaire aard diende te zijn.

Ten onrechte laat zij ter terechtzitting dan weer gelden dat zij niet over het rechtens vereiste belang zou hebben beschikt om de beslissing van de verwerende partij die tot het sluiten van een arbeidsovereenkomst heeft geleid, te gelegener tijd met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State aan te vechten.

14. Eenmaal een arbeidsovereenkomst is gesloten, dienen geschillen omtrent de uitvoering, interpretatie en ontbinding van die overeenkomst door de justitiële rechter te worden beslecht. Indien de Raad van State zou aannemen dat hij rechtsmacht heeft om kennis te nemen van en uitspraak te doen over een der-

gelijk geschil, zou hij zich de bevoegdheid aanmatigen uitspraak te doen over een geschil over burgerlijke rechten en aldus artikel 144 van de Grondwet schenden.

IX-9079-12/15

15. De eerste bestreden beslissing strekt er in dit geval toe een ar-

beidsovereenkomst te beëindigen. De tweede bestreden beslissing betreft de eva-

luatie van het functioneren van verzoekster en houdt aldus verband met de wijze van uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Die vaststelling leidt tot het besluit dat de Raad van State zonder rechtsmacht is om kennis te nemen van het beroep gericht tegen deze beslissingen. De omstandigheid dat artikel 4 van de arbeids-

overeenkomst van 5 mei 2014 niet uitdrukkelijk melding maakt van de op ver-

zoekster toepasselijke evaluatieregeling verandert niets daaraan.

16. In het auditoraatsverslag wordt terecht ervan uitgegaan dat over het voorliggende beroep tot nietigverklaring uitspraak kan worden gedaan met korte debatten in de zin van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuurs-

rechtspraak van de Raad van State‟.

VI. Kosten

17. De verwerende partij vraagt om de kosten, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 1000 euro, ten laste van verzoekster te leggen.

18. Artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt:

“§ 1. De afdeling bestuursrechtspraak kan een rechtsplegingsvergoeding toekennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

[…]

§ 2. De afdeling bestuursrechtspraak kan, bij met bijzondere redenen om-

klede beslissing, de vergoeding verlagen of verhogen, zonder echter de door de Koning voorziene maximale en minimale bedragen te overschrijden. In haar beoordeling houdt ze rekening met:

1° de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, om het bedrag van de vergoeding te verlagen;

2° de complexiteit van de zaak;

3° de kennelijk onredelijke aard van de situatie.”

IX-9079-13/15

Luidens artikel 67, § 1, eerste lid, van het algemeen procedure-

reglement bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding 700 euro, het minimumbedrag 140 euro en het maximumbedrag 1400 euro.

19. In dit geval komt de verwerende partij, als de in het gelijk ge-

stelde partij, in aanmerking voor de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding.

Wat het bedrag ervan betreft, dient te worden vastgesteld dat de verwerende partij geen redenen aanvoert die het toekennen van een verhoogde rechtsplegingsver-

goeding van 1000 euro verantwoorden. Er blijkt dan ook geen grond om over te gaan tot een verhoging van het basisbedrag van 700 euro.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsple-

gingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.

IX-9079-14/15

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 27 november 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.

De griffier De voorzitter

Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren

IX-9079-15/15

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.967