Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.959 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.959 Généré par l'IA

Court dismisses appeal against regional business park plan, ruling interference with property rights is lawful for general public interest.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.959
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the appeal filed by the D'Hoop family against the West Flanders provincial spatial plan for the Breestraat business park. The applicants argued that the plan's restrictions constituted an unlawful interference with their property rights and failed to account for economic consequences. The court held that the interference was justified by the general interest of industrial development and traffic safety, finding no evidence of a lack of fair balance between public needs and private rights.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Article 1 of the First Additional Protocol to the ECHR; Article 144 of the Constitution: Interference with property rights is lawful if it pursues a general interest and maintains a fair balance between public needs and individual rights.

Mots-clés

Généré par l'IA
property rights interference general public interest fair balance test spatial planning appeal economic consequences industrial development provincial spatial plan zones agricoles

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 1 of the First Additional Protocol to the ECHR
De verzoekende partijen roepen in een vierde middel de schending in van artikel 2.2.2, § 1, eerste lid, 6°, VCRO.
Article 144 of the Constitution
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Xe KAMER

nr. 239.959 van 24 november 2017

in de zaak A. 217.046/X-16.361.

In zake : 1. de BVBA GARAGE D‟HOOP

2. David D‟HOOP

3. Willy D‟HOOP

4. Agnes CALLENS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen De Staercke kantoor houdend te 9550 Hillegem (Herzele)

Dries 77

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

1. de PROVINCIE WEST-VLAANDEREN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46/1

bij wie woonplaats wordt gekozen 2. het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Archimedesstraat 7

bij wie woonplaats wordt gekozen

Tussenkomende partij :

de GEMEENTE WIELSBEKE

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Antoon Lust en Gilles Dewulf kantoor houdend te 8310 Assebroek (Brugge)

Baron Ruzettelaan 27

bij wie woonplaats wordt gekozen

X-16.361-1/29

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 22 september 2015, strekt tot de nietigverklaring van:

1° het besluit van de provincieraad van de provincie West-Vlaanderen van 30 april 2015 tot intrekking van het besluit van 22 december 2014 van de provincieraad van de provincie West-Vlaanderen houdende de definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Regionaal bedrijventerrein Breestraat (Wielsbeke en Oostrozebeke)” en tot definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Regionaal bedrijventerrein Breestraat (Wielsbeke en Oostrozebeke)”, en 2° het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 10 juli 2015 houdende de goedkeuring van dit provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Regionaal bedrijventerrein Breestraat (Wielsbeke en Oostrozebeke)”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend.

De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 6 januari 2016. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.

Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld.

De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend.

De verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2017.

X-16.361-2/29

Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Jürgen De Staercke, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Samuel Mens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocaat Stijn Van Hulle, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. De eerste verzoekende partij baat een garagebedrijf uit aan de oostelijke zijde van de Breestraat, meer bepaald aan de Breestraat nr. 10 te Wielsbeke. Tweede verzoeker is middels de vennootschap bvba Evyday zaakvoerder van dit bedrijf.

De derde en de vierde verzoekende partij zijn eigenaars van twee percelen, gelegen aan de overzijde – de westelijke zijde – van de Breestraat op het grondgebied van de gemeente Oostrozebeke, en aldaar kadastraal gekend onder sectie F, nrs. 305/d en 304/g (hierna: de kwestieuze percelen). Zij hebben die percelen naar eigen zeggen verworven “in functie van de noodzakelijke uitbreiding van het bedrijf [...] in het kader van een generatiewissel waarbij [de eerste verzoekende partij], gesticht door [derde verzoeker], gecontinueerd en uitgebouwd wordt door [tweede verzoeker]”.

3.2. Overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 17 december 1979 vastgesteld en later gewijzigd gewestplan Roeselare-Tielt zijn de percelen

X-16.361-3/29

van de verzoekende partijen gelegen in industriegebied, met als aanvullend voorschrift “gebied voor uitbreiding en sanering van bestaande nijverheid”.

3.3. In uitvoering van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen (hierna: het RSV) en het provinciaal ruimtelijk structuurplan van de provincie West-Vlaanderen (hierna: het PRS), en als uitvloeisel van een in 2010

gefinaliseerd locatieonderzoek voor nieuwe regionale bedrijventerreinen in de specifieke economische knooppunten in de regio Roeselare, beslist het provinciebestuur van de provincie West-Vlaanderen tot de opmaak van een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan voor een gebied gelegen aan de Breestraat/N357, op het grondgebied van de gemeenten Wielsbeke en Oostrozebeke.

3.4. Er wordt een voorontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Regionaal bedrijventerrein Breestraat (Wielsbeke en Oostrozebeke)” (hierna: het PRUP) opgemaakt, waarover op 6 maart 2013 een plenaire vergadering wordt georganiseerd.

3.5. Op basis van een in opdracht van de provincie West-Vlaanderen opgemaakte screeningsnota en de daaromtrent uitgebrachte adviezen concludeert de dienst Milieueffectrapportage (de dienst Mer) van de Vlaamse overheid op 18 oktober 2013 “dat het voorgenomen plan geen aanleiding geeft tot aanzienlijke negatieve milieugevolgen en dat de opmaak van een plan-MER niet nodig is”.

3.6. Op 30 april 2014 stelt de provincieraad van de provincie West-

Vlaanderen het ontwerp-PRUP voorlopig vast.

Dit voorziet onder meer dat de kwestieuze percelen herbestemd worden tot “zone voor landbouw”.

3.7. Tijdens het openbaar onderzoek dat van 19 mei 2014 tot en met 18 juli 2014 over het ontwerp-PRUP in de gemeente Wielsbeke wordt gehouden,

X-16.361-4/29

worden drie adviezen uitgebracht en twaalf bezwaren ingediend. Tijdens het openbaar onderzoek dat in de gemeente Oostrozebeke van 23 juni 2014 tot en met 22 augustus 2014 over het ontwerp-PRUP wordt gehouden, wordt één advies uitgebracht en worden twee bezwaren ingediend.

De verzoekende partijen dienen tegen de voorgenomen herbestemming van de kwestieuze percelen een bezwaarschrift in, dat door de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening (hierna: de Procoro) van West-

Vlaanderen als volgt wordt samengevat:

“D. Bestemmingswijziging van bedrijvigheid naar landbouw (B2, B5, B7, B10, B11, B12)

1. B5.

• Het betreft een garage die aan de oostzijde van de Breestraat gelokaliseerd is, en met het oog op de uitbreiding van de percelen aan de westzijde verworven zijn om zo te kunnen uitgroeien tot een concessiehouderschap.

• De percelen zijn niet in agrarisch gebruik, er is hier ook geen concrete vraag naar. Er bestaat dus geen enkele garantie dat deze terreinen zullen ingezet worden voor landbouwdoeleinden. De inplanning van een agrarische bestemmingszone die niet beantwoordt aan maatschappelijke noden of een concrete vraagstelling, waarbij de realisatie van de landbouwbestemming niet in rede aannemelijk is, schendt het zorgvuldigheidsbeginsel, alsook het artikel 2.1.2, 5° van het Decreet Grond- en Pandenbeleid.

• De toelichtingsnota vermeld enkel de conclusies over de plan-mer-

screening en niet deze van de plan-mer-screening. Dit wordt opgelegd door art. 2.2.2 §1, eerste lid 6° VCRO dat de conclusies van alle effectenrapportages worden vermeld in de toelichtingsnota. Dit is een vormgebrek. Bij de screening kan het begrip milieu ruim geïnterpreteerd worden. Hierbij moet ook aandacht besteed worden aan het aspect „sociale en/of sociaal-economische omstandigheden‟.

Deze maken ook deel uit van de discipline „de (gezondheid van de)

mens‟ (evaluatierapport Europese commissie). Het dossier heeft geen aandacht besteed aan de socio-economische gevolgen. Het dossier geeft bijgevolg onvoldoende inzicht in de milieu-effecten in ruime zin.

• Volgens het Europees hof voor de rechten van de mens bestaat er een soort „recht op onteigening‟ bij belangrijke verstoringen van het eigendomsrecht. Uiteraard geschiedt dergelijke (pseudo-) onteigening volgens een vaste rechtspraktijk aan de waarde die het goed had alvorens de belemmerende maatregel werd ingevoerd. Ook VCRO

art 2.4.10 §1, eerste lid vermeld een dergelijk recht op onteigening:

„De eigenaar van een onroerend goed kan van het Vlaamse Gewest de verwerving daarvan eisen indien hij aantoont dat, ten gevolge van de

X-16.361-5/29

vaststelling van één of meer al dan niet opeenvolgende ruimtelijke uitvoeringsplannen, de waardevermindering van zijn onroerend goed ernstig is of de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt‟. Recente uitspraken van het Europees hof voor de rechten van de mens staven dit: de overheid kan „niet zonder vergoeding lasten opleggen die groter zijn dan die welke een persoon in het algemeen belang moet dragen‟. Recente rechtsleer leidt hieruit af dat elke (substantiële) inmenging in het eigendomsrecht onderhevig wordt aan de integrale vergoedingsvereiste van artikel 16

van de Grondwet De omzetting vormt een zeer belangrijke (en niet voorziene)

eigendomsbelemmering. Het houd[t] een volledige eigendomsverlamming in, contrair aan de vandaag bestaande [ruime]

ontwikkelingsmogelijkheden. In het planproces is op geen enkele wijze duidelijk gemaakt hoe een en ander zal worden vergoed. In art.

1.1.4 VCRO wordt gesteld dat „[e]r wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen‟. Met de economische gevolgen is op geen enkele wijze rekening gehouden.

De overheid kan niet volstaan met een verwijzing naar de planschaderegeling. Deze verwijzing is kennelijk onredelijk aangezien de ontwikkelingsmogelijkheden aan deze straatzijde volledig weggenomen worden. Ze kan helemaal niet gezien worden als een vergoeding conform de principes van artikel 16 van de Grondwet: billijk, volledig en voorafgaand.

[…].”

3.8. Op 2 oktober 2014 bespreekt de Procoro het dossier en de ingediende bezwaren. De Procoro stelt onder meer voor om de gehele voormalige site van “ex-Wielexco” uit het plangebied te schrappen omdat “[d]e verschillende problematieken in deze zone [...] verder uitgeklaard [dienen] te worden alvorens ze op te nemen in een ruimtelijk uitvoeringsplan”.

3.9. Met een besluit van 22 december 2014 stelt de provincieraad van de provincie West-Vlaanderen het PRUP definitief vast. De kwestieuze percelen van de verzoekende partijen blijven in het plangebied en krijgen een agrarische bestemming.

3.10. In zitting van 30 april 2015 beslist de provincieraad van de provincie West-Vlaanderen om met toepassing van de “bestuurlijke lus” van het toentertijd geldende artikel 2.2.10, § 9, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke

X-16.361-6/29

Ordening (hierna: de VCRO) het definitieve vaststellingsbesluit van 22 december 2014 in te trekken en het PRUP opnieuw definitief vast te stellen.

Dit is het eerste bestreden besluit.

3.11. Met een besluit van 10 juli 2015 keurt de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw het PRUP goed.

Dit is het tweede bestreden besluit.

IV. De regelmatigheid van de rechtspleging

4.1. In hun memorie van wederantwoord vragen de verzoekende partijen om de toelichtende memorie van de tussenkomende partij uit het debat te weren, omdat deze is ingediend door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wielsbeke en niet door de gemeente zelf.

In hun laatste memorie stellen zij nog dat “[a]ndere stukken in het dossier ten spijt, […] niet anders [kan] dan worden vastgesteld dat de toelichtende memorie werd ingediend door het college van burgemeester en schepenen, en niet door de gemeente Wielsbeke”.

4.2. Artikel 193 van het gemeentedecreet stelt dat het college van burgemeester en schepenen de gemeente in gerechtelijke en buitengerechtelijke gevallen vertegenwoordigt, en beslist om in rechte op te treden namens de gemeente. Het college doet dit laatste als orgaan van de betrokken gemeente en is daarbij van de gemeente niet te onderscheiden.

4.3. Uit het dossier van de tussenkomende partij blijkt dat “het college van burgemeester en schepenen” beslist dat “[d]e gemeente Wielsbeke, handelend door haar College van burgemeester en schepenen, zal tussenkomen in de procedure voor [de] Raad van State […]”, en dat daartoe een raadsman wordt

X-16.361-7/29

aangesteld bij wie voor de procedure keuze van woonplaats wordt gedaan, waarbij uitdrukkelijk naar artikel 193 van het gemeentedecreet wordt verwezen.

4.4. Dat de toelichtende memorie van de tussenkomende partij niet uitdrukkelijk vermeldt dat het college van burgemeester en schepenen optreedt voor de gemeente, betekent niet dat die memorie niet zou uitgaan van de gemeente.

4.5. De vraag van de verzoekende partijen om de toelichtende memorie van de tussenkomende partij uit het debat te weren, wordt afgewezen.

V. Ontvankelijkheid van het beroep

Standpunt van de partijen

5.1.1. In hun verzoekschrift betogen de verzoekende partijen, wat hun belang betreft, dat de eerste verzoekende partij door het bestreden PRUP wordt “getroffen, want geremd, in haar bedrijfsactiviteiten doordat het PRUP ingevolge een herbestemming tot zone voor landbouw een uitbreiding van de Garage D‟Hoop over de percelen 305d en 304g onmogelijk maakt”.

5.1.2. Tweede verzoeker is “(via zijn vennootschap EVYDAV BVBA

waarvan hij [de] vaste vertegenwoordiger is), zaakvoerder” van de eerste verzoekende partij. Hij “wordt getroffen in zijn beroepsactiviteiten, nu hij als zaakvoerder van eerste verzoekende partij zijn garageactiviteiten uitoefent in vennootschapsvorm via eerste verzoekende partij en voormelde garageactiviteiten door het PRUP […] worden beknot. Als zaakvoerder heeft tweede verzoekende partij tevens een belangrijk moreel belang bij onderhavige procedure […]”.

5.1.3. Verder stellen derde en vierde verzoeker eigenaars te zijn van de kwestieuze percelen en betogen zij dat deze “verworven [werden] in functie van de noodzakelijke uitbreiding van het bedrijf”, en “in het kader van een generatiewissel waarbij [de eerste verzoekende partij], gesticht door [derde

X-16.361-8/29

verzoeker], gecontinueerd en uitgebouwd wordt door [tweede verzoeker]”. Als eigenaars van percelen die binnen het beheersingsgebied van het bestreden PRUP

gelegen zijn, menen zij een evident belang bij hun beroep te hebben.

5.2. De eerste verwerende partij betwist in haar memorie van antwoord het belang van de verzoekende partijen bij de gevorderde nietigverklaring.

Zij werpt tegen dat, enerzijds, de eerste en de tweede verzoekende partij stellen “allerlei plannen” te hebben met de kwestieuze percelen maar dat deze partijen “niet de minste beschikking over deze gronden”

hebben, en, anderzijds, derde en vierde verzoeker hun belang steunen op de gewenste uitbreiding van de garage D‟Hoop waarover zij echter geen zeggenschap hebben.

Verder werpt de eerste verwerende partij op dat de uitbreiding van de garage op de voormelde percelen ook op grond van de gewestplanbestemming niet mogelijk is. Het gewestplanvoorschrift is volgens haar immers zeer duidelijk, waarbij “[d]e uitdoving aan de westelijke zijde van de Breestraat [...] altijd de bedoeling [is] geweest” en de mogelijke uitbreiding van de bestaande nijverheid enkel in functie stond van het bedrijf Bospan-Unilin dat ten tijde van de gewestplanherziening onmiddellijk aan de terreinen paalde. Het bestreden PRUP brengt de verzoekende partijen derhalve geen nadeel toe en de vernietiging ervan kan hen niet het nagestreefde voordeel, te weten de uitbreiding van de garage D‟Hoop, opleveren. Meer nog maakt het PRUP een dergelijke uitbreiding thans wel mogelijk, weze het aan de oostelijke kant van de Breestraat.

De verzoekende partijen zouden dit volgens de eerste verwerende partij ook inzien, nu zij inmiddels voor hun eigendommen aan de oostelijke zijde van de Breestraat een stedenbouwkundige aanvraag hebben ingediend om hun garage uit te breiden.

5.3. De tweede verwerende partij betwist in haar memorie van antwoord eveneens het belang van de verzoekende partijen. Ook zij merkt op dat

X-16.361-9/29

de nagestreefde uitbreiding van de garage op de kwestieuze percelen nooit mogelijk is geweest, gelet op de voormalige gewestplanbestemming als “gebied voor milieubelastende industrie – gebied voor uitbreiding en sanering van bestaande nijverheid”.

5.4. Ook de tussenkomende partij werpt in haar memorie tegen dat de verzoekende partijen door het bestreden PRUP geen uitbreidingsmogelijkheden verliezen, gelet op de voormalige gewestplanbestemming. Het bestreden PRUP biedt aan de verzoekende partijen net de mogelijkheid om de bestaande activiteiten verder uit te breiden op de percelen aan de oostzijde van de Breestraat, “waar […] zij [ook] in geloven” nu zij precies daar een stedenbouwkundige aanvraag hebben ingediend om de gewenste uitbreiding te realiseren. Verder werpt de tussenkomende partij op dat de verzoekende partijen niet met stukken of “concreet cijfermateriaal” aantonen dat het voortbestaan van hun garage bedreigd zou zijn indien geen uitbreiding mogelijk is.

In de mate dat de verzoekende partijen een moreel belang aanvoeren, merkt de tussenkomende partij op dat dergelijk belang “enkel [wordt]

aangenomen in tuchtzaken of aanverwante aangelegenheden waarin de bestreden maatregel specifiek steunt op het persoonlijk gedrag van de betrokkene”.

Derde en vierde verzoeker kunnen volgens de tussenkomende partij ook niet opkomen of ijveren voor de belangen van de eerste en de tweede verzoekende partij, aangezien dit “geen enkel persoonlijk belang” betreft. Zij beweren verder eigenaar te zijn van de kwestieuze percelen maar bewijzen dit niet.

5.5. In de memorie van wederantwoord stellen derde en vierde verzoeker als eigenaars van percelen waarvan de bestemming door het PRUP

wordt gewijzigd een “evident belang” te hebben bij het beroep.

X-16.361-10/29

Wat de uitbreidingsmogelijkheden van het garagebedrijf betreft, menen zij dat de vraag naar uitbreidingsmogelijkheden van de garage onder het gewestplan “geen afbreuk [doet] aan het gegeven dat de kwestieuze percelen aangekocht werden met het oog op een uitbreiding van het garagebedrijf en dat dergelijke uitbreiding ingevolge de bestreden beslissing onmogelijk wordt gemaakt”. “[H]et punt” is volgens de verzoekende partijen “dat de bestemming die voortvloeit uit de thans bestreden beslissingen alleszins het garagebedrijf in haar belangen schaadt”. De kwestieuze percelen worden bovendien thans reeds als parking gebruikt. Dat het bestreden PRUP aan de oostzijde van de Breestraat bijkomende uitbreidingsmogelijkheden zou bieden, doet volgens hen niet ter zake, evenmin als de omstandigheid dat aldaar inmiddels een stedenbouwkundige aanvraag werd ingediend om een uitbreiding van het garagebedrijf te realiseren.

Tot slot stellen de verzoekende partijen dat hun garagebedrijf wel degelijk aan de voorwaarden voldoet om op grond van de gewestplanbestemming aan de overzijde van de straat te kunnen uitbreiden.

5.6. De verzoekende partijen doen in hun laatste memorie nog gelden dat het gegeven dat tweede verzoeker zijn beroepsactiviteiten als garagist “via vennootschapsstructuren” uitoefent, er geen afbreuk aan doet dat het bestreden PRUP hem rechtstreeks in zijn beroepsactiviteiten treft.

5.7. De eerste verwerende partij stelt in haar laatste memorie nog dat tweede verzoeker een voldoende rechtstreeks belang ontbeert en dat een “herleven” van de gewestplanbestemming voor de eerste, de derde en de vierde verzoekende partij “geen zoden aan de dijk [brengt]”.

5.8. De tweede verwerende partij doet in haar laatste memorie nog gelden dat “het nadeel dat verzoekende partijen beweren te lijden door het bestreden besluit, […] al onder de gelding van het gewestplan [bestond]”.

X-16.361-11/29

Beoordeling

6.1. De eerste verzoekende partij steunt haar belang bij het beroep op het gegeven dat zij een uitbreiding van haar activiteiten op de kwestieuze percelen wenst te realiseren. Dit belang kan worden aanvaard, temeer nu de kwestieuze percelen ook volgens derde en vierde verzoeker zijn verworven “in functie van de noodzakelijke uitbreiding van het bedrijf [...] in het kader van een generatiewissel”.

De omstandigheid dat in geval van vernietiging van het PRUP

de gewestplanbestemming “herleeft” en dat deze bestemming geen mogelijkheid zou bieden om het garagebedrijf op de kwestieuze percelen uit te breiden, doet aan het belang van de eerste verzoekende partij geen afbreuk. Een vernietiging houdt voor haar de kans in op een gunstigere bestemming.

6.2. Niet tweede verzoeker maar de bvba Evyday is zaakvoerder van de eerste verzoekende partij. Tweede verzoeker heeft geen voldoende rechtstreeks belang bij de vernietiging van het bestreden PRUP.

6.3. Derde en vierde verzoeker zijn eigenaars van de kwestieuze percelen die zich binnen het beheersingsgebied van het PRUP situeren. Met hun laatste memorie brengen zij daarvan het bewijs bij. Alleen al op grond van die hoedanigheid hebben zij in beginsel een voldoende belang bij hun beroep. Het betoog van de tussenkomende partij en de verwerende partijen toont niet aan dat het in concreto anders zou zijn.

6.4. De excepties zijn ongegrond, behoudens ten aanzien van tweede verzoeker.

X-16.361-12/29

VI. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

7.1. De verzoekende partijen roepen in een eerste middel de schending in van de artikelen 2.2.10, § 9, 2.1.2, §§ 2 en 3, en 2.2.9, § 2, VCRO, van het RSV, het PRS, de omzendbrief RO 2010/01, alsook van het materiëlemotiverings-, redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Zij zetten uiteen dat het eerste bestreden besluit een “intrekkings- en hernemingsbesluit” betreft dat “om wettig te zijn, het kwestieuze wettigheidsgebrek effectief moet rechtzetten”.

De verzoekende partijen betwisten dat de wettigheidsgebreken van het PRUP met de eerste bestreden beslissing effectief werden hersteld. Zij menen vooreerst dat de in het advies van het departement Ruimte Vlaanderen van 15 juli 2014 vastgestelde strijdigheid van het plan met de opties van het RSV

inzake specifieke economische knooppunten en met de taakstelling van het PRS

in dit verband omdat een ruimtelijk-economische visie betreffende Wielsbeke als specifiek economisch kruispunt ontbreekt, nog steeds bestaat. Daarnaast menen zij dat geen herstel blijkt van het in datzelfde advies vastgestelde gebrek dat de inname van het herbevestigd agrarisch gebied door het PRUP niet in overeenstemming is met de in de omzendbrief RO 2010/01 vooropgestelde taak van de plannende overheid om in het herstel van het planologisch evenwicht te voorzien. Ten slotte menen de verzoekende partijen dat de eerste bestreden beslissing bij de herbestemming van de kwestieuze percelen nog steeds onvoldoende rekening houdt met hun bedrijfsactiviteiten en de gewenste uitbreiding daarvan.

X-16.361-13/29

7.1.1. Wat de eerstgenoemde onregelmatigheid betreft, betogen zij meer bepaald dat de aan de toelichtingsnota bij het PRUP toegevoegde passage een loutere verwijzing a posteriori naar het “locatieonderzoek voor nieuwe Regionale bedrijventerreinen in de Specifieke economische knooppunten in de Roeselaarse Regio” betreft. Naast het feit dat hieruit niet blijkt dat een kwalitatief onderzoek werd gevoerd, stellen de verzoekende partijen dat het bestreden PRUP

de marge van 10 ha die de studie aangeeft aanzienlijk overschrijdt. Een studie op regionaal niveau beantwoordt volgens hen bovendien niet aan de vereiste van het RSV dat voor ieder knooppunt een specifieke gewenste ruimtelijk-economische structuur moet worden uitgewerkt.

7.1.2. Met betrekking tot de problematiek van het herbevestigd agrarisch gebied merken de verzoekende partijen op dat een omzendbrief geen verbindende kracht heeft, waardoor een gebeurlijke strijdigheid ermee nooit een “onregelmatigheid” in de zin van artikel 2.2.10, § 9, VCRO kan zijn en derhalve de intrekking van het eerste definitieve vaststellingsbesluit van 22 december 2014

niet kan rechtvaardigen. Daarnaast komt de toegevoegde passage in de toelichtingsnota bij het PRUP met betrekking tot het herbevestigd agrarisch gebied volgens de verzoekende partijen sowieso niet tegemoet aan de bezwaren van het departement Ruimte Vlaanderen en aan de omzendbrief RO 2010/01. De toelichtingsnota verwijst immers naar compensaties in het PRUP Palingbeek, Hill 60 en omgeving. In de omzendbrief wordt echter benadrukt dat provinciale opties steeds zullen getoetst worden aan de ruimtelijke doelstellingen voor de op Vlaams niveau herbevestigde agrarische gebieden. Volgens de verzoekende partijen zal een motivering in die zin bijgevolg steeds een wezenlijk deel moeten uitmaken van (de toelichting bij) deze plannen. Een loutere verwijzing naar reeds voorziene compensaties in een ander PRUP voldoet volgens hen vanzelfsprekend niet aan de grondige afweging die de omzendbrief vereist.

7.1.3. Tenslotte betogen de verzoekende partijen dat de in de toelichtingsnota bij het PRUP opgenomen passage met betrekking tot de redenen om de kwestieuze percelen te herbestemmen louter “oplapwerk a posteriori”

betreft “voor een totale lacune bij het opstellen van het kwestieuze PRUP”. Zij

X-16.361-14/29

menen dat op geen enkel ogenblik met hun bedrijfsactiviteiten rekening werd gehouden.

7.2. De verzoekende partijen stellen in hun memorie van wederantwoord dat zij uiteraard belang hebben bij een uitgewerkte ruimtelijk-

economische visie met betrekking tot het specifiek economisch knooppunt Wielsbeke, waarbij rekening wordt gehouden met hun percelen en garagebedrijf.

Aangezien de kwestieuze percelen een landbouwfunctie krijgen, raakt ook de problematiek van de inname van herbevestigd agrarisch gebied en de wijze waarop naar het herstel van het planologisch evenwicht wordt gestreefd hun belangen.

Verder stellen de verzoekende partijen dat de tussenkomende partij en de verwerende partijen “nergens op pertinente wijze tegemoet [komen]

aan de in het eerste middel uiteengezette wettigheidsbezwaren”. In zoverre de tussenkomende partij erop wijst dat de omzendbrief geen verordenende kracht heeft en zelfs onwettig is, merken zij op dat de tussenkomende partij over het hoofd ziet dat de niet overeenstemming met de omzendbrief werd ingeroepen als een van de gronden om het oorspronkelijke PRUP in te trekken. Wordt de redenering van de tussenkomende partij doorgetrokken, dan noopt zulks volgens hen tot een schending van artikel 2.2.10, § 9, VCRO.

Anders dan wat de eerste verwerende partij voorhoudt, voorzag het gewestplan volgens de verzoekende partijen niet in de uitdoving van hun garagebedrijf. Evenmin was dergelijk scenario voorzien voor de kwestieuze percelen. Bovendien blijft volgens hen de vaststelling gelden dat het PRUP niet is gesteund op een voorafgaandelijke uitgewerkte ruimtelijk-economische visie met betrekking tot het specifiek economisch knooppunt Wielsbeke waarbij rekening werd gehouden met hun percelen en garagebedrijf.

7.3.1. In hun laatste memorie doen de verzoekende partijen nog gelden dat aangezien Wielsbeke door het RSV geselecteerd is als een specifiek economisch knooppunt, een specifieke gewenste ruimtelijk-economische

X-16.361-15/29

structuur voor Wielsbeke moet worden uitgewerkt. In het “locatieonderzoek”

gebeurt dit volgens hen niet. Zij wijzen erop dat het PRUP de marge van 10 ha die de studie “Locatieonderzoek” aangeeft aanzienlijk overschrijdt. Wat tenslotte het herbevestigd agrarisch gebied betreft, bevestigen zij dat een omzendbrief geen verbindende kracht heeft, zodat een gebeurlijke strijdigheid daarmee nooit een “onregelmatigheid” in de zin van artikel 2.2.10, § 9, VCRO kan zijn die een intrekking van het vaststellingsbesluit van 22 december 2014 kan rechtvaardigen.

7.3.2. Tenslotte betogen de verzoekende partijen nog dat het motief met betrekking tot het beperken van het aantal ontsluitingsmogelijkheden op de Breestraat omwille van veiligheidsredenen geen uitstaans heeft met een herbestemming van hun percelen. Zij wijzen erop dat het PRUP ten zuiden van hun percelen in een bedrijventerrein voorziet. Niets staat er volgens hen aan in de weg dat voor hun percelen bijvoorbeeld wordt opgelegd dat zij dienen te worden ontsloten via de zuidelijke percelen die een bestemming als bedrijvigheid krijgen (of omgekeerd). “Buitendien”, stellen zij “behoeft de bestemming die het [P]RUP

thans aan de percelen van verzoekers [g]eeft, een ontsluiting”.

Beoordeling

8.1. Het toentertijd geldende artikel 2.2.10, § 9, VCRO luidt:

“De provincieraad kan, met het oog op het herstel van een onregelmatigheid, het besluit houdende definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan geheel of gedeeltelijk intrekken en hernemen, waarbij het wettigheidsgebrek wordt rechtgezet.”

8.2.1. Wat verzoekers‟ kritiek op het gebrek aan een ruimtelijk-

economische visie betreffende Wielsbeke als specifiek economisch kruispunt betreft, wordt vooreerst opgemerkt dat in de toelichtingsnota bij het PRUP wordt vastgesteld dat het RSV bepaalt “dat de provincie de regionale bedrijventerreinen afbakent in de specifieke economische knooppunten”, en dat zo ook “Wielsbeke [werd] geselecteerd als specifiek economisch knooppunt [SPEK]”. Verder volgt luidens diezelfde nota uit het RSV dat voor ieder specifiek economisch knooppunt “een ruimtelijke visie” opgemaakt moet worden, en dat “[o]mwille

X-16.361-16/29

van het grote aantal aan SPEK‟s in dit deel van West-Vlaanderen [werd beslist]

om de SPEK‟s in deze Regio samen te bekijken”. Dit resulteerde in het “locatieonderzoek voor nieuwe Regionale bedrijventerreinen in de Specifieke economische knooppunten in de Roeselaarse Regio”, waarin de locatie van de Breestraat werd geselecteerd voor de realisatie van een 10-tal hectare aan bijkomend regionaal bedrijventerrein. Daarnaast werd deze locatie afgewogen op basis van de criteria van het RSV, te weten de ruimtelijke draagkracht en ruimtelijke kwaliteit, de bestaande woonfunctie, de bestaande ruimtelijke-

economische structuur, de ruimtelijke economische potenties, en de afbakening van de gebieden van de natuurlijke en agrarische structuur. Vervolgens werden alternatieve locaties onderzocht en werd een impactanalyse gedaan. Ook de overeenstemming van het PRUP met het PRS wordt op omstandige wijze getoetst.

8.2.2. Wat de overschrijding van de vooropgestelde 10 hectare voor bijkomend regionaal bedrijventerrein betreft, moet met de tussenkomende partij worden vastgesteld dat die oppervlakte enkel wordt vermeld in het informatief gedeelte van het PRS. Daarenboven wordt in de toelichtingsnota bij het PRUP op duidelijke en afdoende wijze aangegeven waarom het plan in meer dan 10 hectare bedrijventerrein voorziet :

“De oppervlakte van 10 ha die vermeld wordt in het informatief gedeelte van het PRS wordt in het PRUP met 4 ha overschreden. Deze overschrijding is een ruimtelijk logische keuze omdat het enerzijds tegemoet komt aan een acute vraag m.b.t. de werking van een bestaand bedrijf (BIG) en anderzijds omdat dit het gevolg is van de configuratie van het gebied waardoor er anders een onwerkbaar restgedeelte agrarisch gebied zou blijven bestaan.”

8.2.3. In de motivatienota van de deputatie wordt bovendien aangemerkt dat de betreffende afwijking ook is ingegeven door de recente vernietiging van andere PRUP‟s in de streek (Blauwpoort Waregem en Menen-

West) en om een geografisch gespreid, werkbaar aanbod van regionale bedrijventerreinen te bekomen. De verzoekende partijen blijken in hun kritiek geen rekening te houden met deze elementen. Zij tonen ook niet aan dat de gevolgde, en door de gewestelijke administratie gesuggereerde benadering om in

X-16.361-17/29

deze regio van de provincie West-Vlaanderen een aantal specifieke economische knooppunten samen te bekijken met het oog op het formuleren van een ruimtelijke visie voor de economische structuur, als dusdanig strijdig zou zijn met de principes die in het RSV zijn terug te vinden over de specifieke economische knooppunten. Dat het locatieonderzoek vanuit dit uitgangspunt werd gevoerd, is niet strijdig met de door de verzoekende partijen aangevoerde rechtsregels.

8.3. Verzoekers‟ kritiek dat onvoldoende zou zijn verantwoord waarom de kwestieuze percelen tot agrarisch gebied worden bestemd, kan evenmin bijval vinden. Zo wordt in de toelichtende nota bij het PRUP overwogen dat “[h]et [...] ruimtelijk aangewezen [is] de industriële ontwikkeling te bundelen aan de oostzijde van de Breestraat en zo weinig mogelijk ontsluitingsmogelijkheden op de Breestraat te voorzien omwille van de verkeersveiligheid”, dat enkel aan de te saneren gronden en/of gebouwen nog een industriële bestemming wordt gegeven om die sanering mogelijk te maken, en dat een agrarische bestemming wordt voorzien omwille van de aansluiting bij het (herbevestigd) agrarisch gebied en de gefragmenteerde open ruimte die moet behouden blijven.

Terecht geeft de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord aan dat het garagebedrijf van de verzoekende partijen zich precies daar bevindt waar volgens het bestreden PRUP de bedrijfsactiviteiten zijn gesitueerd en zich kunnen ontwikkelen, dit is aan de oostelijke zijde van de Breestraat.

8.4. De kritiek van de verzoekende partijen op het motief om zo weinig mogelijk ontsluitingen op de Breestraat te voorzien, laat het motief dat “[h]et [...] ruimtelijk aangewezen [is] de industriële ontwikkeling te bundelen aan de oostzijde van de Breestraat” onverlet. Wat verzoekers‟ betoog betreft dat de kwestieuze percelen tezamen met het meer zuidelijk gelegen bedrijfsterrein zouden kunnen ontsloten worden, wordt bovendien vastgesteld dat tussen de beide terreinen nog een bestaand woongebouw ligt. Rekening houdend ook met het motief om in de Breestraat de “verkeersveiligheid” voorop te stellen, tonen

X-16.361-18/29

verzoekers de onwettigheid van de genomen planoptie voor de kwestieuze percelen niet aan.

8.5. In de gegeven omstandigheden heeft de plannende overheid terecht toepassing gemaakt van het toenmalige artikel 2.2.10, § 9, VCRO.

Verzoekers‟ kritiek met betrekking tot de beweerde ontoereikendheid van de bijkomende motivering betreffende de herbestemming van herbevestigd agrarisch gebied, gesteund op de omzendbrief 2010/01, die geen verordenend karakter heeft, is niet van aard om de bestreden beslissingen te vitiëren.

8.6. Het middel wordt verworpen.

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

9.1. De verzoekende partijen roepen in een tweede middel de schending in van het materiëlemotiverings-, redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

9.1.1. In een eerste middelonderdeel betogen zij dat de herbestemming van de kwestieuze percelen niet afdoende gemotiveerd wordt, en dat meer bepaald bij de screening onvoldoende aandacht werd besteed aan de (socio-economische) gevolgen van de doorgevoerde agrarische herbestemming voor de werking van hun garagebedrijf. Zij menen dat hun terreinen nergens in het dossier worden vermeld en dat de doorgevoerde herbestemming enkel gekaderd wordt als “een milderende maatregel [...] voor de landbouw”. Er zou “geen enkel inzicht” worden gegeven in “de dragende redenen die zouden moeten leiden [...] tot een herbestemming van de percelen 305d en 304g”, en het standpunt in de “volledig nieuwe passage” in de toelichtingsnota van april 2015 is volgens de verzoekende partijen “in redelijkheid beschouwd niet ernstig”. Waar wordt verwezen naar het uitdoofscenario dat is voorzien in de

X-16.361-19/29

gewestplanbestemming, merken de verzoekende partijen op dat dit, zonder actualisering, niet zomaar “onverkort en kritiekloos” kan worden overgenomen.

Zij menen dat de percelen waarop reeds bedrijfsgebouwen staan onder de gelding van het gewestplan niet meer ontwikkelingspotentieel voor industrie hebben dan de kwestieuze percelen. Doordat zij geen landbouwers zijn, hebben de kwestieuze percelen niet het minste ontwikkelingspotentieel als landbouwgrond, terwijl er van hen een acute vraag uitgaat om die percelen een bedrijfsbestemming te geven. Op het resterende gedeelte dat wordt bestemd als landbouwgrond staat een woning met tuin, zodat ook dit gedeelte niet het minste ontwikkelingspotentieel als landbouwgrond heeft. Het standpunt van de deputatie in de motiveringsnota dat er voor de kwestieuze percelen geen basis zou bestaan om in een bestemming van industriegebied te voorzien en dat deze zouden aansluiten bij het agrarisch gebied, kunnen de verzoekende partijen niet bijtreden.

Zij wijzen er verder op dat in de tweede bestreden beslissing enkel wordt overwogen dat een deel van het plangebied als agrarisch gebied wordt herbevestigd, en dat het aan de plannende overheid toekomt om die herbevestiging te motiveren. Verder wordt volgens de verzoekende partijen louter opgemerkt dat wordt voorzien in een compensatie voor de herbestemming van circa 14 hectare herbevestigd agrarisch gebied tot regionaal bedrijventerrein. Zij menen dat dit geen afdoende motivering uitmaakt.

9.1.2. In een tweede middelonderdeel betogen de verzoekende partijen dat de eerste verwerende partij in haar motiveringsnota het advies van de Procoro en de adviezen van de gemeentebesturen niet op afdoende wijze bij haar besluitvorming heeft betrokken en geen of minstens onvoldoende deugdelijke redenen heeft aangebracht om van die adviezen af te wijken. Zo stond de tussenkomende partij geen herbestemming naar landbouwgebied voor, maar meende zij dat de percelen als regionaal bedrijventerrein moesten worden bestemd. Dit standpunt werd door de Procoro niet bijgetreden, en er werd vervolgens onvoldoende duidelijk gemaakt waarom toch voor een herbestemming naar landbouwgebied werd geopteerd. Die laatste bestemming is volgens de verzoekende partijen niet “zinvol”, temeer nu zij zelf “oeverloos” hebben

X-16.361-20/29

uiteengezet “dat de percelen net door verzoekers werden aangekocht omwille van hun bestemming als industriegebied in het gewestplan, zulks met het oog op de noodzakelijke uitbreiding van de garageactiviteiten”. De bedrijfsbestemming van de kwestieuze percelen is volgens de verzoekende partijen niet achterhaald, en de gronden sluiten niet enkel aan bij agrarisch gebied maar ook bij industriegebied.

9.2. De verzoekende partijen stellen in hun memorie van wederantwoord nog dat het gewestplan niet in een uitdoofscenario voor hun garageactiviteit voorzag. Zij wijzen er ook op dat de eerste verwerende partij zelf de uitbreidingsmogelijkheden benadrukt die het PRUP voor de percelen aan de Breestraat nr. 10 zou impliceren. Een en ander is derhalve niet van aard om de kwestieuze percelen de mogelijkheid tot het ontwikkelen van economische activiteiten te ontzeggen.

Een bundeling van economische activiteit ten oosten van de Breestraat omwille van verkeersredenen klemt volgens de verzoekende partijen met het gegeven dat ten westen van de Breestraat, op gronden en gebouwen die zich ten zuiden van de kwestieuze percelen bevinden, wel economische activiteiten worden ingeplant. Het aansluiten bij agrarisch gebied noopt volgens de verzoekende partijen op zich niet tot een landbouwbestemming voor de kwestieuze percelen.

Tenslotte menen de verzoekende partijen dat de tussenkomende partij en de verwerende partijen niet antwoorden op het middelonderdeel dat de provincie heeft nagelaten om de bezwaren van het departement Ruimte Vlaanderen op afdoende wijze te weerleggen. Ter zake verwijzen zij naar de uiteenzetting van hun eerste middel.

9.3. In hun laatste memorie doen de verzoekende partijen naast het gestelde onder randnummer 7.3.2 nog opmerken dat de kwestieuze percelen geen deel uitmaken van “een verlaten industriezone” en niet onder de gemeente Oostrozebeke vallen, en dat hun bezwaren niet werden ontmoet.

X-16.361-21/29

Beoordeling

10.1. Verzoekers‟ betoog dat met de kwestieuze percelen geen rekening zou zijn gehouden, kan geen bijval vinden, temeer nu zij tijdens het openbaar onderzoek met betrekking tot de herbestemming van de kwestieuze percelen bezwaren hebben ingediend, die behandeld en beantwoord zijn geworden.

10.2. Zoals reeds bij de beoordeling van het eerste middel (zie randnummer 8.3) werd overwogen, is de bestemming van de kwestieuze percelen tot agrarisch gebied wel degelijk afdoende gemotiveerd. De optie om de kwestieuze percelen een agrarische bestemming te geven, wordt voorts gekaderd in de bestaande plancontext, waarbij inzonderheid een afweging wordt gemaakt tussen de relevante ruimtelijke principes van het RSV en het PRS, en waarbij de plannende overheid wettig tot het besluit kon komen dat het ruimtelijk aangewezen is om de industriële ontwikkeling te bundelen aan de oostzijde van de Breestraat en de kwestieuze percelen, die geen industriële invulling hebben, te herbestemmen naar agrarisch gebied. De omstandigheid dat de verzoekende partijen zelf geen landbouwers zijn en andere toekomstplannen hebben met hun percelen, toont geenszins de onwettigheid van de agrarisch bestemming van de kwestieuze percelen aan.

10.3. Verder overtuigen de verwerende partijen ervan dat de door de verzoekende partijen aangehaalde passages uit het advies van de tussenkomende partij over het ontwerpplan geen betrekking hebben op de kwestieuze percelen.

10.4. Gezien het voormelde, wordt afdoende gemotiveerd waarom de kwestieuze percelen een agrarisch bestemming krijgen, niettegenstaande het advies van de Procoro dat de ruimtelijke problematieken in het gebied beter eerst “verder uitgeklaard” zouden worden.

10.5. Het middel wordt in zijn beide onderdelen verworpen.

X-16.361-22/29

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

11.1. De verzoekende partijen roepen in een derde middel de schending in van het zorgvuldigheidsbeginsel en van artikel 2.1.2, 5°, van het decreet van 27 maart 2009 „betreffende het grond- en pandenbeleid‟ (hierna: het grond- en pandenbeleiddecreet).

Zij zetten uiteen dat artikel 2.1.2, 5°, van het grond- en pandenbeleiddecreet bepaalt “dat de ruimtelijke politie van de Vlaamse, provinciale en gemeentelijke overheden inzonderheid gericht is op het versneld verwezenlijken van bestemmingsvoorschriften door middel van gebiedsontwikkeling en -herontwikkeling”. In de actuele planningspraktijk zou volgens de verzoekende partijen geen “traditionele ruimtelijke „toelatings- en verbodspolitiek‟” meer bedreven worden, maar “een ruimtelijke ontwikkelingspolitiek” met “een actieve ontwikkeling van gebieden waar diverse bestuursinstanties en particulieren samen aan de slag gaan en de overheid voorwaarden creëert”. Door twee kleine perceeltjes van een garagebedrijf om te zetten naar agrarisch gebied wordt volgens hen geen enkele garantie gecreëerd dat de betrokken gronden in de feiten voor daadwerkelijke landbouwdoeleinden zullen worden ingezet. De aan de gronden gegeven bestemming moet volgens de verzoekende partijen “in rede aannemelijk” zijn, wat hier niet het geval is. Zij wijzen erop dat zij geen landbouwers zijn en stellen dat er geen enkele concrete vraag vanuit de agrarische sector naar de benutting van de kwestieuze percelen bestaat. Meer nog, hebben zij een stedenbouwkundige vergunning aangevraagd met het oog op het aanbrengen van een verharding op de kwestieuze percelen (vooraan, aan de straatkant) in functie van het stallen van voertuigen.

11.2. De verzoekende partijen stellen in hun memorie van wederantwoord nog dat artikel 2.1.2, 5°, van het grond- en pandenbeleiddecreet van “direct toepasbaar” is. In zoverre verkeersveiligheid en het bundelingsprincipe worden ingeroepen om de bestemmingswijziging van de

X-16.361-23/29

kwestieuze percelen te verantwoorden, stellen zij dat een en ander er niet aan in de weg heeft gestaan om ten westen van de Breestraat, op de te saneren gronden en gebouwen die zich ten zuiden van de kwestieuze percelen bevinden, wel economische activiteiten toe te laten, “terwijl qua bundeling even goed kan worden aangesloten met de bestemmingen ten zuiden en ten oosten van het PRUP”.

Verder stellen de verzoekende partijen nog dat zij geen landbouwers zijn en dat de kwestieuze percelen niet het minste ontwikkelingspotentieel als landbouwgrond hebben, terwijl er een actuele en acute vraag is van henzelf om hun percelen een bedrijfsbestemming te geven.

11.3. In hun laatste memorie doen de verzoekende partijen nog gelden dat de agrarische bestemming van de kwestieuze percelen in casu niet aan maatschappelijke noden of een concrete vraagstelling beantwoordt en dat de realisatie van de landbouwbestemming niet in redelijkheid aannemelijk is.

Beoordeling

12.1. Artikel 2.1.2, 5°, van het grond- en pandenbeleiddecreet luidt:

“Het grond- en pandenbeleid is gericht op een maatschappelijk gewenst en kwaliteitsvol ruimtegebruik en dient ten minste volgende doelstellingen:

[...]

5° het versneld verwezenlijken van bestemmingsvoorschriften door middel van gebiedsontwikkeling en -herontwikkeling;

[...].”

12.2. Aangenomen dat de voormelde doelstellingenbepaling te dezen toepassing vindt, tonen de verzoekende partijen er nog geen schending van aan doordat de bestemming van de kwestieuze percelen van industriegebied “voor uitbreiding en sanering van bestaande nijverheid” naar landbouwgebied wordt gewijzigd.

X-16.361-24/29

12.3. Zoals reeds eerder overwogen, is de omstandigheid dat derde en vierde verzoeker als eigenaars andere plannen hebben met de kwestieuze percelen niet van aard om de bestemming ervan tot landbouwgebied te vitiëren. Dat deze verzoekers voor deze percelen een – inmiddels blijkbaar verworpen –

regularisatieaanvraag hebben ingediend voor het aanbrengen van een verharding voor het stallen en parkeren van wagens, vermag aan de geldigheid van deze landbouwbestemming evenmin enige afbreuk te doen, evenmin als het feit dat de verzoekende partijen zelf niet in de agrarische sector actief zijn. Hetzelfde geldt tenslotte voor verzoekers‟ loutere beweringen dat de agrarische bestemming van de kwestieuze percelen niet aan “maatschappelijke noden” zou voldoen, dat de realisatie ervan niet in redelijkheid aannemelijk zou zijn en niet het minste ontwikkelingspotentieel zou hebben.

12.4. Het middel wordt verworpen.

D. Vierde middel

Uiteenzetting van het middel

13. De verzoekende partijen roepen in een vierde middel de schending in van artikel 2.2.2, § 1, eerste lid, 6°, VCRO.

Volgens de verzoekende partijen vereist de voormelde bepaling “dat de conclusies van alle effectenrapportages worden vermeld in de toelichtingsnota” bij het PRUP. De toelichtingsnota vermeldt enkel dat de dienst Mer heeft geconcludeerd dat er geen plan-MER nodig is, en vermeldt aldus “enkel de conclusies over de plan-m.e.r.-screening en niet deze van de plan-

m.e.r.-screening”. Dit “vormgebrek” is volgens de verzoekende partijen strijdig met artikel 2.2.2, § 1, eerste lid, 6°, VCRO, en “in een ruimere context, met de participatierechten van het publiek inzake milieuaangelegenheden, zoals onder meer neergelegd in het Verdrag van Aarhus”.

X-16.361-25/29

Beoordeling

14.1. Uit artikel 2.2.2, § 1, eerste lid, 6°, VCRO blijkt niet dat de conclusies van de milieueffectbeoordeling in de toelichtende nota bij het PRUP

moeten opgenomen worden.

Bovendien moet worden vastgesteld dat de plan-MER-

screeningsnota in casu een integrerend onderdeel uitmaakt van het plandossier en ter inzage werd gelegd tijdens het openbaar onderzoek over het ontwerp-PRUP.

14.2. Het middel wordt verworpen.

E. Vijfde middel

Uiteenzetting van het middel

15. De verzoekende partijen roepen in een vijfde middel de schending in van artikel 4.2.3 van het decreet van 5 april 1995 „houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid‟ (hierna: het DABM).

Zij betogen dat op grond van de voormelde bepaling nagegaan moet worden of er aanzienlijke milieueffecten zijn vooraleer een plan kan worden goedgekeurd en dat het begrip “milieu” daarbij ruim geïnterpreteerd moet worden. Bij de beoordeling van de discipline “mens” in de plan-MER-screening werd volgens hen ten onrechte geen aandacht besteed aan de sociaal-economische gevolgen van de agrarische bestemming voor de werking van hun garagebedrijf.

Beoordeling

16.1. Anders dan de verzoekende partijen dit zien, volgt uit de door hen geschonden geachte rechtsregel niet dat een milieueffectscreening een onderzoek naar de socio-economische gevolgen van een agrarische bestemming voor een garagebedrijf zou dienen te bevatten.

X-16.361-26/29

16.2. Het middel wordt verworpen.

F. Zesde middel

Uiteenzetting van het middel

17.1. De verzoekende partijen roepen in een zesde middel de schending in van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 16 van de Grondwet, alsook van artikel 1.1.4 VCRO.

Zij zetten uiteen dat de bestemming van de kwestieuze percelen tot agrarisch gebied voor hen een eigendomsbelemmering en -verlamming impliceert en menen dat in het planproces op geen enkele wijze duidelijk is gemaakt hoe een en ander zal worden vergoed. De plannende overheid kan niet volstaan met een verwijzing naar de planschaderegeling, die volgens hen slechts gedeeltelijk is en niet kan gezien worden als een vergoeding conform de principes van artikel 16 van de Grondwet. De verzoekende partijen menen dat zij een “(pseudo-)onteigening” moeten ondergaan, in die zin dat het “lasten [betreft] die groter zijn dan die welke een particulier in het algemeen belang kan worden geacht te dragen”. Ten slotte betogen zij dat in strijd met artikel 1.1.4 VCRO met de economische gevolgen van de herbestemming van de kwestieuze gronden geen rekening is gehouden.

17.2. De verzoekende partijen doen in hun laatste memorie nog gelden dat het motief dat “het [...] ruimtelijk aangewezen [is] de industriële ontwikkeling te bundelen aan de oostzijde van de Breestraat en zo weinig mogelijk ontsluitingsmogelijkheden op de Breestraat te voorzien omwille van de verkeersveiligheid”, de planoptie niet kan rechtvaardigen. Er is volgens hen geen behoorlijke ruimtelijke afweging aan de vaststelling van het PRUP voorafgegaan en hun bezwaren werden niet ontmoet.

X-16.361-27/29

Beoordeling

18.1. Uit het bestreden PRUP vloeien voor verzoekers‟ kwestieuze percelen beperkingen voort die rechtens geen onteigening en evenmin eigendomsberoving zijn, doch die wel kunnen worden aangemerkt als een inmenging in het recht op eigendom. Een dergelijke inmenging houdt evenwel niet ipso facto een schending in van de aangevoerde rechtsregels. Zo bepaalt het tweede lid van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM dat het recht op ongestoord genot “op geen enkele wijze” het recht aantast dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met “het algemeen belang”.

18.2. Uit hetgeen in het verzoekschrift wordt aangevoerd blijkt niet dat de herbestemming van verzoekers‟ kwestieuze percelen tot agrarisch gebied niet in overeenstemming met “het algemeen belang” zou zijn, en dat het bestreden PRUP geen billijk evenwicht tot stand zou brengen tussen de vereisten van het algemeen belang en van de bescherming van het recht van eenieder op het ongestoorde genot van zijn eigendom.

18.3. Het betoog in het verzoekschrift van de verzoekende partijen ten slotte dat de plannende overheid in strijd met artikel 1.1.4 VCRO “op geen enkele wijze” rekening zou hebben gehouden met de “economische gevolgen”

van de herbestemming van de kwestieuze gronden, betreft een loutere bewering.

18.4. Waar de verzoekende partijen voorhouden dat de planschaderegeling onredelijk zou zijn, voeren zij een onontvankelijke kritiek op het decreet aan. De Raad van State is verder onbevoegd in zoverre de verzoekende partijen menen op grond van de beweerde schending van hun eigendomsrecht een vergoeding voor de waardevermindering van hun eigendom te moeten krijgen, nu een geschil over burgerlijke rechten krachtens artikel 144

van de Grondwet uitsluitend tot de bevoegdheid van de justitiële rechter behoort.

X-16.361-28/29

18.5. Het middel wordt verworpen.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verzoekende partijen worden, elk voor een vierde, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 800 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan elk van de verwerende partijen.

De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig november 2017, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:

Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier.

De griffier De voorzitter

Silvan De Clercq Johan Lust

X-16.361-29/29

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.959