Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.943 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.943 Généré par l'IA

Court dismisses appeal claiming economic loss violates planning law, ruling unproven harm lacks standing.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.943
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's cassation appeal challenging a provincial decision to maintain a subdivision permit. The applicant argued that the permit violated planning regulations and caused unproven economic harm, while the respondent maintained that such claims do not constitute a legally protected interest. The court held that the alleged commercial loss was merely an unverified assertion without evidence of risk, thereby denying the applicant standing to challenge the administrative act.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 1.1.4, 4.7.21, 4.7.22, 4.7.23, and 4.8.11 of the Spatial Planning and Urban Development Code; An alleged economic loss constitutes a protected legal interest only if the existence of a risk of suffering such loss is sufficiently substantiated, not merely asserted.

Mots-clés

Généré par l'IA
standing to sue economic loss spatial planning subdivision permit procedural standing VCRO administrative appeal qualité pour recourir contre permis

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 1.1.4 of the Spatial Planning and Urban Development Code
Wanneer de auditeur concludeert tot de verwerping van het cassatieberoep moet verzoeker luidens artikel 18, § 1, van het cassatieprocedurebesluit, op straffe van de toewijzing van de afstand van geding, “vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord”.
Article 4.7.21, Section 2, Item 2 of the Spatial Planning and Urban Development Code
betreffende de schending van art. 4.7.21 VCRO, en deze ‘delen’ daarbij heeft ‘verworpen’”.
Article 4.7.22 of the Spatial Planning and Urban Development Code
betreffende de schending van art. 4.7.21 VCRO, en deze ‘delen’ daarbij heeft ‘verworpen’”.
Article 4.7.23 of the Spatial Planning and Urban Development Code
betreffende de schending van art. 4.7.21 VCRO, en deze ‘delen’ daarbij heeft ‘verworpen’”.
Article 4.8.11, Section 1, Item 3 of the Spatial Planning and Urban Development Code
betreffende de schending van art. 4.7.21 VCRO, en deze ‘delen’ daarbij heeft ‘verworpen’”.
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VIIe KAMER

nr. 239.943 van 23 november 2017

in de zaak A. 221.189/VII-39.885.

In zake : Luc ORYE

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Andy Beelen kantoor houdend te 3740 Bilzen Grensstraat 4

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD

VAN LIMBURG

Tussenkomende partijen :

1. het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN

VAN DE STAD HASSELT

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Bouckaert en Stefanie François kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25

bij wie woonplaats wordt gekozen 2. de NV KANAALKOM

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Els Empereur kantoor houdend te 2018 Antwerpen Generaal Lemanstraat 67

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het cassatieberoep, ingesteld op 10 januari 2017, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb/A/1617/0380 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 6 december 2016 in de zaak 1415/0095/A/2/0113.

VII-39.885-1/16

II. Verloop van de rechtspleging

2. Een beschikking van 1 februari 2017 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar.

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

De tussenkomende partijen hebben verzoekschriften tot tussenkomst ingediend. De tussenkomsten zijn toegestaan bij beschikking van 29 maart 2017. De tussenkomende partijen hebben memories ingediend.

Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State.

Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2017.

Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Andy Beelen, die verschijnt voor verzoeker, afdelingschef Tom Roosen, die verschijnt voor de verwerende partij, advocaat Stefanie François, die verschijnt voor de eerste tussenkomende partij, en advocaat Olivier Drooghmans, die loco advocaat Els Empereur verschijnt voor de tweede tussenkomende partij, zijn gehoord.

VII-39.885-2/16

Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. Op 4 september 2014 verklaart de deputatie van de provincieraad van Limburg (hierna: deputatie) het bestuurlijk beroep van verzoeker tegen de vergunningsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Hasselt van 24 april 2014 onontvankelijk en beslist dat de verkavelingsvergunning die door laatstgenoemde aan de NV Kanaalkom werd verleend “behouden blijft voor het bouwen van een binnenstedelijk project Havenkwartier aan de Kanaalkom” te Hasselt.

4. Met het bestreden arrest van de RvVb wordt het beroep van verzoeker tegen de vergunningsbeslissing van 4 september 2014 verworpen.

IV. Regelmatigheid van de rechtspleging

5. Verzoeker heeft een procedurestuk ingediend waarin hij om de voortzetting van de procedure verzoekt en een repliek geeft op de beoordeling in het auditoraatsverslag van zijn middelen. Het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State (hierna: cassatieprocedurebesluit) voorziet na de kennisgeving van het auditoraatsverslag niet in de mogelijkheid om een laatste memorie neer te leggen.

Wanneer de auditeur concludeert tot de verwerping van het cassatieberoep moet verzoeker luidens artikel 18, § 1, van het cassatieprocedurebesluit, op straffe van de toewijzing van de afstand van geding, “vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord”. Het auditoraatsverslag concludeert tot de

VII-39.885-3/16

verwerping van het beroep van verzoeker. Het voormelde stuk wordt alleen als procedurestuk in aanmerking genomen in zoverre wordt gevraagd de procedure voort te zetten en gehoord te worden.

V. Onderzoek van de middelen

A. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

6. Verzoeker voert de schending aan van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), “het verbod om machtsoverschrijding”, “het gebrek aan rechtsmacht/bevoegdheid als administratieve rechter”, artikel 149 van de Grondwet, “de jurisdictionele motiveringsplicht als algemeen rechtsbeginsel, […]

‘het vereiste dat een rechterlijke beslissing moet steunen op een rechtsgrond’, […]

het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijke rechtsbedeling”, de artikelen 2, 8 en 19 van het Gerechtelijk Wetboek.

Hij betoogt dat hij “alleen maar [kan] vaststellen dat de RvVb […] zijn beroep tot nietigverklaring als onontvankelijk heeft verworpen” maar de RvVb er “kennelijk niet van weerhouden om zich […] toch (deels) uit te spreken over de gegrondheid van de aangevoerde middelen, o.a. betreffende de schending van art. 4.7.21 VCRO, en deze ‘delen’ daarbij heeft ‘verworpen’”. Dit kan niet volgens verzoeker. Wanneer de RvVb het beroep onontvankelijk verklaart op grond van artikel 4.8.11 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) put de RvVb zijn rechtsmacht/bevoegdheid uit en overschrijdt hij die door in het bestreden arrest zich over de gegrondheid van het beroep of de middelen van verzoeker uit te spreken. De RvVb “kan niet enerzijds oordelen dat het beroep van een verzoeker onontvankelijk/ontoelaatbaar is en vervolgens toch in het arrest op diens beroep uitspraak ten gronde doen”.

VII-39.885-4/16

Beoordeling

7. Onder de hoofding “V. De vordering tot vernietiging” besluit de RvVb het beroep van verzoeker te verwerpen na, samengevat, het volgende te hebben overwogen:

- de door verzoeker ingeroepen hinder en nadelen vallen samen “met de vraag of de [deputatie] de rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen die [verzoeker]

stelt te kunnen ondervinden overeenkomstig artikel 4.7.21, § 2, 2° VCRO al dan niet terecht heeft afgewezen” aangezien de door [verzoeker] “ingeroepen hinder en nadelen voor de [RvVb] […] dezelfde hinder en nadelen [zijn] die [hij] heeft ingeroepen in het kader van de administratieve beroepsprocedure” waardoor de “discussie over de ontvankelijkheid van het annulatieberoep […] in dit geval samen[valt] met het onderzoek van het door [verzoeker] ingeroepen middel ten gronde”;

- “[z]owel artikel 4.7.21, § 2, 2° VCRO als artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3° VCRO

vereisen dat de verzoekende partij om als belanghebbende bij de [deputatie]

respectievelijk de [RvVb] beroep te kunnen instellen aannemelijk maakt dat zij rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen door de bestreden beslissing kan ondervinden”;

- deze “hinder en nadelen moeten […] in een stedenbouwkundige context worden begrepen” zodat een “commercieel nadeel […] slechts aanvaard [kan] worden als een afdoende belang op voorwaarde dat het rechtstreeks of onrechtstreeks veroorzaakt wordt door hinder of nadelen van stedenbouwkundige aard ten gevolge van de bestreden vergunningsbeslissing”;

- “[d]e [RvVb] noch de [deputatie] kan […] in het kader van een […]

verkavelingsvergunningsaanvraag op ontvankelijke wijze gevat worden wanneer de procedure wordt ingeleid louter om een commerciële strijd onder concurrenten uit te vechten of, zoals in casu te beletten dat mogelijke concurrenten zich in de ruime omgeving van de bestaande handelszaken zouden kunnen vestigen”;

- verzoeker voert blijkens de uiteenzetting in het verzoekschrift “ter verantwoording van [zijn] belang enkel een commercieel nadeel aan, dat wil zeggen een mogelijk verlies aan cliënteel ten gevolge van de creatie van een ander

VII-39.885-5/16

winkelgebied” wat “geen afdoend rechtens vereist belang [is] om op te komen tegen een verkavelingsvergunning”;

- “het ingeroepen commercieel nadeel [blijft] een louter blote bewering, waarvan het bestaan niet wordt aangetoond, laat staan voldoende aannemelijk wordt gemaakt”.

8. Het middel dat ervan uitgaat dat het beroep van verzoeker onontvankelijk werd verklaard, mist feitelijke grond.

B. Eerste, derde, vierde en vijfde middel

Uiteenzetting van de middelen

9. Verzoeker voert de schending aan van de artikelen 1.1.4, 4.7.21, 4.7.22, 4.7.23 en 4.8.11, VCRO, artikel 6 van het EVRM, artikel 149 van de Grondwet, “de jurisdictionele motiveringsplicht als algemeen rechtsbeginsel, [...]

‘het vereiste dat een rechterlijke beslissing moet steunen op een rechtsgrond’, […]

het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijke rechtsbedeling”.

a. Eerste middel

10. Verzoeker licht toe dat hij in de procedure voor de RvVb bijzonderheden heeft verstrekt over zijn belang. De tussenkomende partijen hebben dat belang betwist en verzoeker heeft daarop gerepliceerd. Verzoeker verwijst naar rechtspraak waarin “het belang van een handelaar [werd] aanvaard om de vernietiging te krijgen van een stedenbouwkundige vergunning verleend aan een concurrent”, en meent dat de RvVb daar in het bestreden arrest tegen in gaat.

Tevens merkt hij op dat de deputatie zelf in de procedure voor de RvVb verwees naar meerdere arresten van de RvVb die in gelijkaardige omstandigheden het belang van een verzoekende partij aanvaardde. De RvVb is volgens verzoeker “onduidelijk en tegenstrijdig” waar in het arrest wordt aangenomen dat een commercieel nadeel “in welbepaalde omstandigheden” kan worden aanvaard maar

VII-39.885-6/16

dat de hinder en nadelen zelf “van stedenbouwkundige aard” moeten zijn of “een ruimtelijk/stedenbouwkundig aanknopingspunt” moeten hebben. De RvVb verwijst naar de parlementaire voorbereidingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, maar daar wordt tevens verwezen naar de waarborgen die het verdrag van Aarhus geeft aan de burger om toegang te hebben tot bestuursrechtelijke en rechterlijke procedures teneinde beslissingen te bestrijden die strijdig kunnen zijn met leefmilieubepalingen. Artikel 1.1.4 VCRO verplicht ten andere de besturen om ook rekening te houden met “economische” factoren bij het nemen van beslissingen inzake plannen en vergunningen. Het “verhogen van de rechtsbescherming” was één van de prioriteiten van de decreetgever, en een “al te restrictieve beoordeling” van het belangvereiste zou daarmee ”onverzoenbaar”

zijn. Ook het Grondwettelijk Hof besliste reeds dat het belang in procedures voor de Raad van State “niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze”

mag worden opgevat. De RvVb heeft volgens verzoeker in het bestreden arrest beslist dit alles te “negeren”, en heeft ook onvoldoende de elementen in overweging genomen die verzoeker had bijgebracht om zijn belang te staven. De RvVb zou van verzoeker “de facto” verlangen dat hij het bewijs bijbrengt van het bestaan van hinder of nadelen ten gevolge van “een realisatie die er nog niet is”, wat het enkele risico op die hinder of die nadelen overstijgt. Verder verwijst de RvVb ook naar een niet relevante passage uit de parlementaire voorbereidingen van de VCRO en negeert hij de correcte verwijzing naar die parlementaire voorbereidingen. Tenslotte miskent de RvVb de omstandigheid dat verzoeker zijn belang ook steeds (mede) heeft gesteund op de strijdigheid van het project aan de kanaalkom met het van kracht zijnde het Bijzonder Plan van Aanleg (hierna: BPA)

én op de onwettigheid van dat BPA, hetgeen voldoende “stedenbouwkundige aanknopingspunten” zijn.

11. Verzoeker voegt in de memorie van wederantwoord toe dat, “los van het feit dat het middel wel degelijk ontvankelijk is”, de Raad van State in een recent arrest heeft benadrukt dat het belangvereiste in het kader van procedures voor de bestuursrechter moet bekeken worden in het licht van de bepalingen van het verdrag van Aarhus, dat de RvVb dat “niet zo begrepen” heeft en om het belang

VII-39.885-7/16

te kaderen verwijst naar een foutieve passage uit de parlementaire voorbereidingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, dat hij niet alleen verwijst naar “oude rechtspraak”, dat verzoeker “van meet af aan de strijdigheid van de aanvraag met het BPA Blauwe Boulevard heeft aangekaart”, dat “de Provincie Limburg er zich [...] van af [heeft] gemaakt met zijn beroep onontvankelijk te verklaren waardoor zij ook geen uitspraak over de grieven van verzoeker heeft gedaan”, dat “geen enkele overheid met beslissende bevoegdheid (noch het CBS, noch de Deputatie, noch de RvVb) [...] zich tot dusver ten gronde over d[...]e grieven van verzoeker [heeft] willen uitspreken”, dat het belang van verzoeker “de toepassing van de vigerende ruimtelijke ordening zelve” betreft en “het de overheid zelf [is]

geweest die van commerciële doelstellingen en belangen verordenende stedenbouwkundige voorschriften en belangen heeft gemaakt en die daar dan ook de gevolgen van moet dragen wanneer die verzoeker zich daar o.a. op beroept”, en dat “die overheid nadien niet de wakkere burger-handelaar die bij de toepassing van die stedenbouwkundige voorschriften belang heeft, de mond [kan] snoeren door te stellen dat hij zelfs geen (procedureel) recht van spreken heeft”.

b. Derde middel

12. Verzoeker zet uiteen dat de tekst van artikel 4.7.21 VCRO

“identiek” is aan de tekst van artikel 4.8.11 VCRO, dat in de rechtspraak reeds meermaals werd aanvaard dat iemand met een commercieel belang een administratief beroep kan instellen bij de deputatie tegen een stedenbouwkundige of verkavelingsvergunning, dat de RvVb in het arrest verwijst naar een niet relevante passage uit de parlementaire voorbereidingen van de VCRO, dat de motieven van het arrest “onduidelijk en tegenstrijdig” zijn, dat uit het verdrag van Aarhus volgt dat een ruime toegang moet bestaan tot de administratieve beroepsprocedure bij de deputatie, dat ook artikel 1.1.4 VCRO oplegt om rekening te houden met economische overwegingen, dat het belangvereiste “niet buitensporig restrictief of formalistisch” mag worden ingevuld en opgevat, dat de RvVb er evenwel voor heeft geopteerd dit alles te “negeren”, dat verzoeker “wel degelijk [heeft] aangetoond dat hij zich in de voorwaarden vermeld in art. 4.7.21

VII-39.885-8/16

VCRO bevond om ontvankelijk beroep in te kunnen stellen, en dat de RvVb ook geen rekening houdt met het feit dat verzoeker de problematiek i.v.m het BPA

‘Blauwe Boulevard’” als “stedenbouwkundig aanknopingspunt” heeft genomen.

13. Verzoeker voegt toe dat, “los van het feit dat het middel wel degelijk ontvankelijk is”, de Raad van State in een recent arrest heeft benadrukt dat het belangvereiste in het kader van procedures in de bestuursrechtelijke context moet bekeken worden in het licht van de bepalingen van het verdrag van Aarhus, dat de RvVb dat “niet zo begrepen” heeft en om het belang te kaderen verwijst naar een foutieve passage uit de parlementaire voorbereidingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, dat hij niet alleen verwijst naar “oude rechtspraak”, dat verzoeker “van meet af aan de strijdigheid van de aanvraag met het BPA Blauwe Boulevard heeft aangekaart”, dat “de Provincie Limburg er zich [...] van af [heeft]

gemaakt met zijn beroep onontvankelijk te verklaren waardoor zij ook geen uitspraak over de grieven van verzoeker heeft gedaan”, dat “geen enkele overheid met beslissende bevoegdheid (noch het CBS, noch de Deputatie, noch de RvVb)

[...] zich tot dusver ten gronde over d[...]e grieven van verzoeker [heeft] willen uitspreken”, dat het belang van verzoeker “de toepassing van de vigerende ruimtelijke ordening zelve” betreft en “het de overheid zelf [is] geweest die van commerciële doelstellingen en belangen verordenende stedenbouwkundige voorschriften en belangen heeft gemaakt en die daar dan ook de gevolgen van moet dragen wanneer die verzoeker zich daar o.a. op beroept”, en dat “die overheid nadien niet de wakkere burger-handelaar die bij de toepassing van die stedenbouwkundige voorschriften belang heeft, de mond [kan] snoeren door te stellen dat hij zelfs geen (procedureel) recht van spreken heeft”.

c. Vierde middel

14. Verzoeker zet uiteen dat de RvVb in het bestreden arrest “zeer weinig aandacht” heeft besteed aan het tweede onderdeel van zijn middel.

Verzoeker noemt dit geen “behoorlijke rechtsbedeling”, temeer omdat de RvVb in het arrest zelf bevestigt “dat op basis van het verslag van de PSA beslist werd om

VII-39.885-9/16

een procedurefout te herstellen”. Volgens verzoeker is dit “een bewijs te meer dat het concrete beroep van verzoeker expliciet (cf. ‘op ontvankelijke wijze gevat werd’ in het besluit van 03.07.2014), minstens impliciet ontvankelijk werd verklaard”. De RvVb heeft volgens verzoeker tenslotte “enkel oog voor het verslag van de PSA, niet voor het feit dat dit verslag en de bevestiging van de procedurefout daarin voortvloeit uit het concrete beroepsschrift van verzoeker”.

15. Verzoeker voegt in de memorie van wederantwoord toe dat, “los van het feit dat het middel wel degelijk ontvankelijk is”, het middel niet gericht is tegen een overtollige overweging, dat het cassatiemiddel “integendeel de kern van de zaak” raakt, dat het bestreden arrest immers “manifest onwettig” is “als de Deputatie het beroep van verzoeker al ontvankelijk had verklaard”, en dat het feit dat de deputatie is overgegaan tot het bevelen van een openbaar onderzoek “omwille van de grieven opgenomen in het beroepsschrift van verzoeker” erop wijst “dat de deputatie zich op ontvankelijke wijze gevat zag specifiek door het beroep van verzoeker”.

d. Vijfde middel

16. Verzoeker zet uiteen dat het derde middelonderdeel dat hij voor de RvVb naar voor had gebracht “omzeggens niet [...] laat staan op zorgvuldige wijze” in het bestreden arrest werd behandeld. Hij meent dat de RvVb dat wel had moeten doen, en niet had mogen volstaan met “in één zinnetje” te stellen dat verzoeker geen belangenschade kan aantonen. Verzoeker wijst er ook op dat de RvVb er ten onrechte van uitgaat dat hij zich op de exceptie van gebrek aan belang in de administratieve beroepsprocedure zou hebben kunnen verdedigen tussen 27 augustus en 4 september 2014. In werkelijkheid bestond die verweermogelijkheid “vanaf 26/08/14 namiddag tot en met 27/08/14”. Volgens verzoeker vertrekt “de ontoereikende motivering die de RvVb in het arrest voorziet op het kwestieuze middelonderdeel [...] m.a.w. ook nog van een onjuiste premisse”.

VII-39.885-10/16

17. Verzoeker voegt toe dat de RvVb in het bestreden arrest wel “uitspraak heeft gedaan over het verloop van de administratieve beroepsprocedure en de vraag of de rechten van verzoeker (hoorplicht etc.) daarbij geschonden werden”, en dat niet betwist wordt dat verzoeker in de beroepsprocedure voor de deputatie slechts een korte termijn kreeg om zijn belang verder te staven.

Beoordeling

18. Als cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de RvVb overdoen maar mag hij enkel nagaan of het hem voorgelegde arrest overeenkomstig de wet is genomen. Luidens artikel 14, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 treedt de afdeling bestuursrechtspraak in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaken zelf”.

In zoverre de middelen de Raad van State nopen tot een beoordeling van de zaak zelf zijn deze onontvankelijk.

19. Artikel 6.1 van het EVRM omvat het algemeen rechtsbeginsel van goede rechtsbedeling. Er bestaat geen daarvan te onderscheiden “zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijke rechtsbedeling”.

20. Het toentertijd geldende artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3°, VCRO

bepaalt dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kan ondervinden als gevolg van een vergunningsbeslissing een belanghebbende is die beroep bij de RvVb kan instellen.

Deze bepaling vereist niet dat verzoeker hinder of nadelen die het gevolg zijn van de bestreden vergunningsbeslissing moet ondervinden. Het volstaat dat verzoeker redelijkerwijze aannemelijk maakt dat er een risico op het

VII-39.885-11/16

ondergaan van de aangevoerde rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen van de bestreden vergunningsbeslissing bestaat.

21. Luidens het toentertijd geldende artikel 4.8.11, § 3, VCRO wordt dit beroep ingesteld “bij wijze van verzoekschrift” dat aan een aantal vormvereisten moet voldoen waarvan de regulariseerbaarheid wordt bepaald door de Vlaamse regering daartoe gemachtigd door het toentertijd geldende artikel 4.8.12, tweede lid, VCRO.

Luidens artikel 11, tweede lid, 5°, van het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 2012 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: procedurereglement RvVb) bevat het verzoekschrift waarbij een beroep wordt ingesteld bij de RvVb een omschrijving van het belang van verzoeker.

22. Een omschrijving in het verzoekschrift van het belang van verzoeker is overeenkomstig de voormelde artikelen 4.8.11, § 3, en 4.8.12, VCRO

gelezen in samenhang met de toentertijd geldende artikelen 11 en 13 van het procedurereglement RvVb, een vormvereiste die niet regulariseerbaar is.

Door de vormvereisten van het verzoekschrift aldus te bepalen heeft de decreetgever de uitoefening van het in artikel 6 van het EVRM erkende recht van verdediging wat deze aspecten betreft, zelf geregeld.

23. Artikel 4.7.21, § 2, VCRO, in zijn toepasselijke versie, bepaalt dat een georganiseerd administratief beroep tegen de uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing van het college van burgemeester en schepenen omtrent de vergunningsaanvraag kan worden ingesteld bij de deputatie van de provincie waarin de gemeente is gelegen, door onder meer volgende belanghebbenden:

“2° elke natuurlijke persoon […] die rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kan ondervinden ingevolge de bestreden beslissing”.

VII-39.885-12/16

Het toen toepasselijke artikel 4.7.25 VCRO bepaalt dat de Vlaamse regering nadere formele en procedureregelen in beroep kan bepalen, in het bijzonder wat betreft de opbouw van het beroepschrift.

Het toen toepasselijke artikel 1, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 24 juli 2009 tot regeling van sommige onderdelen van de administratieve beroepsprocedure inzake stedenbouwkundige of verkavelingsvergunningen (hierna: Beroepenbesluit) stelt onder meer dat, indien de indiener van het administratief beroep een natuurlijke persoon is die rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kan ondervinden ingevolge de bestreden beslissing, het beroepschrift, op straffe van onontvankelijkheid, een omschrijving van deze hinder of nadelen omvat.

24. Uit de stukken van het dossier blijkt dat verzoeker in het administratief beroep tegen de verkavelingsvergunning aanvoert dat de bestreden vergunningsbeslissing “de grondslag [zou] bieden voor ‘nieuwe en naar aard ongedifferentieerde handelszone (zeker niet alleen groothandel)’ met ‘commercieel voordeel’ voor het nieuwe handelsgebied t.o.v. de bestaande handel in de binnenstad door ‘direct nabije en omvangrijke ondergrondse parking’”, dat “het project […] afbreuk [zou] doen aan de handel in de binnenstad” en dat verzoeker “wordt bedreigd met omzet- en winstdaling”.

Voorts blijkt daaruit dat de deputatie het administratief beroep van verzoeker met de vergunningsbeslissing van 4 september 2014 onontvankelijk verklaart op grond van:

- de vaststelling dat verzoeker “op geen enkele wijze aanhaalt enige ‘stedenbouwkundige hinder’ te zullen ondervinden ten gevolge van” de vergunningsbeslissing;

- de overweging dat “een commercieel nadeel kan worden aangenomen” indien “het voldoende concreet omschreven” wordt “en er tevens een causaal verband [wordt] aangetoond met de realisatie van de werken die middels de beroepen beslissing werden vergund” maar dat verzoeker “heeft nagelaten om de aard en de

VII-39.885-13/16

omvang van het beweerde commerciële nadeel op een voldoende concrete en persoonlijke wijze te verduidelijken” en niet “op voldoende wijze aantoont dat er een rechtstreeks of onrechtstreeks causaal [verband] kan bestaan tussen de uitvoering of de realisatie van de bestreden beslissing en het beweerde nadeel”.

25. Het arrest van de RvVb moet overeenkomstig artikel 149 van de Grondwet met redenen worden omkleed.

De aan de RvVb opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet - al ware die redengeving verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Alleen een gemis aan motivering - of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven - maakt een schending uit van de aan de rechter opgelegde motiveringsverplichting.

26. De middelen van verzoeker gaan terug op de beoordeling door de RvVb van enerzijds de verantwoording die verzoeker heeft gegeven in verband met zijn “belang op grond van artikel 4.8.11, § 1, 3° VCRO” waarbij hij zijn “argumentatie zoals uiteengezet tijdens de administratieve beroepsprocedure”

herneemt en anderzijds zijn “betoog ten gronde dat de [deputatie] door economische nadelen uit te sluiten artikel 1.1.4 VCRO miskent en de graad van rechtsbescherming verlaagt” en dat het door hem “ingeroepen commercieel nadeel een specifiek ruimtelijk-planologische basis heeft, met name de onverenigbaarheid van het aangevraagde met de voorschriften van het bijzonder plan van aanleg Blauwe Boulevard en de schending van de Mer-regelgeving”.

27. Het bestreden arrest verwerpt deze verantwoording en dat betoog van verzoeker met de overwegingen die samengevat hiervoor worden weergegeven in randnummer 7 en de volgende overwegingen:

VII-39.885-14/16

“6. De verzoekende partij verwijst vergeefs naar artikel 1.1.4 VCRO om voor het ingeroepen commercieel nadeel een ruimtelijk-planologisch aanknopingspunt te zoeken. Artikel 1.1.4 VCRO betreft een algemeen doelstellingenartikel dat enkel stelt dat bij de ruimtelijke ordening in het algemeen ook economische gevolgen in rekening kunnen gebracht worden.

Nog los van het gegeven dat artikel 1.1.4 VCRO een algemeen doelstellingenartikel is waaruit geen individuele rechten kunnen geput worden bij vergunningsbeslissingen, zijn economische gevolgen niet gelijk te stellen met een louter individueel commercieel beweerd nadeel. Ook de verwijzing naar de middelen met betrekking tot de mogelijke schending van het bijzonder plan van aanleg De Blauwe Boulevard of de Mer-regelgeving doen niet anders besluiten. Het onderzoek van de ten gronde ingeroepen schendingen van decretale regelgeving dient onderscheiden te worden van de verplichting voor een verzoekende partij om voorafgaand haar rechtens vereist belang aan te tonen.

7. De stelling van de verzoekende partij dat anders oordelen de graad van rechtsbescherming zou verlagen, wordt evenmin bijgetreden. Door het recht op toegang tot de verwerende partij en de Raad in het kader van een stedenbouwkundige vergunningsaanvraag of een aanvraag voor een verkavelingsvergunning voor te behouden aan belanghebbenden die ten gevolge van de stedenbouwkundige vergunningsbeslissing of de verkavelingsvergunningsbeslissing hinder en nadelen (dreigen te) ondervinden die in een ruimtelijke context moeten gesitueerd worden, leggen artikel 4.7.21, §2, 2° en artikel 4.8.11, §1, eerste lid, 3° VCRO geen onredelijke ontvankelijkheidsvoorwaarde op.

[…]

9. De stelling dat de verwerende partij het beroep van de verzoekende partij impliciet ontvankelijk heeft verklaard door een nieuw openbaar onderzoek te bevelen, vindt geen steun in de bestreden beslissing. Uit het initieel verslag van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar blijkt overigens dat ook door drie andere partijen administratief beroep was ingediend. De verwerende partij besluit op grond van het verslag van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar om een procedurefout te herstellen. Zulks impliceert geen voorafname op de ontvankelijkheid van het ingediende beroep door de verzoekende partij”.

28. Het bestreden arrest is aldus met redenen omkleed.

29. Door omstandig te oordelen dat “het [door verzoeker]

ingeroepen commercieel nadeel een louter blote bewering [blijft], waarvan het bestaan niet wordt aangetoond, laat staan voldoende aannemelijk wordt gemaakt”, en dus dat verzoeker niet redelijkerwijze aannemelijk maakt dat er een risico bestaat op het ondergaan van dat aangevoerde nadeel, kan het middel dat de

VII-39.885-15/16

schending aanvoert van artikel 1.1.4, 4.7.21, 4.7.22, 4.7.23 en 4.8.11, VCRO niet tot cassatie leiden.

De middelen worden verworpen.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.

2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op 200 euro.

De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomsten, begroot op 300 euro, elk voor de helft.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig november tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.

De griffier De voorzitter

Bart Tettelin Eric Brewaeys

VII-39.885-16/16

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.943