Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.934 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.934 Généré par l'IA

Court dismisses urgent suspension request for medical exam rejection due to lack of serious grounds.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.934
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected an urgent application to suspend the execution of a decision declaring the applicant's medical admission exam appeal inadmissible. The applicant claimed he suffered a fainting spell during the exam and lost his only chance to start medical studies that year. The court found the applicant failed to challenge the statutory limitation of two exam sessions per year and did not specify alternative solutions sought from the exam committee.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles II.187, § 2, 1° of the Higher Education Code; Article 7, § 1 of the Flemish Government Decree of 2 February 2001: A decision limiting exam opportunities to two sessions annually is not unreasonable, and an applicant must explicitly state alternative solutions sought from the exam committee to justify a suspension request.

Mots-clés

Généré par l'IA
urgent suspension request medical admission exam statutory exam limits lack of serious grounds procedural exhaustion expertise médicale complémentaire évaluation de l'aptitude médicale renvoi malgré motifs médicaux

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article II.187, § 2, 1° of the Higher Education Code
Article 7, § 1 of the Flemish Government Decree of 2 February 2001
Article II.187, § 1 of the Higher Education Code
Article 17, §§ 1 and 4 of the coordinated Laws on the Council of State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE IXe KAMER

nr. 239.934 van 21 november 2017

in de zaak A. 223.758/IX-9176

In zake: Albéric SAERENS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de VLAAMSE GEMEENSCHAP

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Matthias Castelein kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 13 november 2017, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de “[b]eslissing dd. 31 oktober 2017 van de examencommissie toelatingsexamen arts/tandarts, waarbij het beroep van [Albéric Saerens] onontvankelijk en onge-

grond werd verklaar[d]”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 november 2017, om 10.00 uur.

IX-9176-1/12

Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoe-

kende partij en advocaat Matthias Castelein, die loco advocaat Sofie Logie ver-

schijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend ad-

vies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi-

neerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. De Vlaamse Regering organiseert telkens vóór de aanvang van het academiejaar tweemaal een toelatingsexamen voor de opleidingen van arts en tandarts. De eerste keer in de periode van 1 tot 15 juli, de tweede keer in de periode van 25 augustus tot 7 september (artikel II.187, § 2, 1°, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 7, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2001 „houdende nadere regels met betrekking tot het toelatingsexamen voor de opleidingen van arts en tandarts‟).

3.2. Verzoeker neemt op 29 augustus 2017 deel aan het toelatingsexamen voor de opleidingen van arts en tandarts.

Naar eigen zeggen wordt verzoeker tijdens het examen onwel, verliest hij het bewustzijn en wordt hij door de dienst 100 naar het ziekenhuis gevoerd.

3.3. Met een 26 september 2017 gedateerd schrijven wendt verzoeker zich als volgt tot de voorzitter van de examencommissie:

IX-9176-2/12

“Staat u mij toe om een beroep in te dienen in het kader van het toelatingsexamen arts/tandarts.

Ik heb aan de examensessie van 29 augustus 2017 deelgenomen, maar korte tijd na het begin van de sessie werd ik het slachtoffer van een syncope. De organisatoren hebben de dienst 100 verwittigd, die me naar de spoedgevallen van het UMC Brugmann-ziekenhuis hebben afgevoerd. Ik werd dus automatisch van het examen uitgesloten aangezien ik niet meer deel kon nemen.

Ik heb dus mijn laatste kans om dit jaar aan de studies geneeskunde; studies die me heel erg aan het hart liggen; te beginnen verloren. Ik heb veel moeite om me bij deze situatie neer te leggen.

Het examenreglement vermeldt niets over het gedwongen verlaten van het examen; hier voor dringende medische redenen. Zou de examencommissie mijn casus kunnen onderzoeken en eventueel een oplossing overwegen zodat ik, desondanks, de studies geneeskunde kan volgen, of tenminste een herkansing om het examen opnieuw af te leggen.”

3.4. Met een brief van 31 oktober 2017 deelt de voorzitter van de examencommissie aan verzoeker het volgende mee:

“Op 28 september 2017 diende u per aangetekende brief een intern beroep in tegen de uitsluiting om medische redenen tijdens het toelatingsexamen van 29 augustus 2017. Uw beroep werd met de nodige zorg bekeken.

Ontvankelijkheid van de klacht Wat betreft de ontvankelijkheid van de klacht moet er gekeken worden naar artikel 27 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2001, dat stelt dat: „Materiële vergissingen of onregelmatigheden die de geldigheid van de beslissingen van de examencommissie in het gedrang kunnen brengen, moeten binnen de dertig kalenderdagen na de verzendingsdatum van de individuele uitslagen aan de voorzitter aangetekend meegedeeld worden.‟ In casu is het beroep niet van die aard dat het een materiële vergissing aanklaagt of het een onregelmatigheid viseert die de geldigheid van de beslissingen in het gedrang kan brengen.

Het interne beroep is aldus niet ontvankelijk.

Wat betreft het eerste middel In uw brief geeft u aan dat u op het toelatingsexamen arts en tandarts van 29 augustus 2017 slachtoffer werd van een syncope en het examen moest verlaten, nadat de organisatoren van het examen de hulpdiensten hebben gebeld. U verwijst naar het examenreglement dat niets vermeldt over het moeten verlaten van het examen om medische redenen. U vraagt eveneens naar een herkansing voor het examen.

Er is decretaal vastgelegd dat er twee examenmomenten per jaar worden georganiseerd, namelijk een eerste maal begin juli en een tweede maal eind augustus. Er worden geen extra examenmomenten georganiseerd voor deelnemers omwille van afwezigheid om medische redenen of het niet volledig kunnen afleggen van het examen om medische redenen.

IX-9176-3/12

Bovendien heeft u zich akkoord verklaard om het examen stop te zetten omdat uw toestand het niet toeliet om het examen verder te zetten en u bent met uw toestemming naar een ziekenhuis weggebracht.

De commissie verklaart dit middel onontvankelijk.

Conclusie:

De examencommissie verklaart het beroep onontvankelijk.”

Deze beslissing maakt het voorwerp uit van de voorliggende vordering.

IV. Ontvankelijkheid van de vordering

4. De verwerende partij werpt in haar nota een exceptie van onontvankelijkheid van de vordering op, gesteund op het ontbreken van het rechtens vereiste belang in hoofde van verzoeker.

Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over deze exceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over deze exceptie zouden slechts nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is.

V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden

5. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.

IX-9176-4/12

VI. Ernst van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

6. Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van artikel 27 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2001 „houdende nadere regels met betrekking tot het toelatingsexamen voor de opleidingen van arts en tandarts‟, evenals de schending van “het motiveringsbeginsel”.

Verzoeker betoogt in een eerste middelonderdeel dat de examencommissie van het toelatingsexamen voor de opleidingen van arts en tandarts, doordat zij de overmachtssituatie die hem is overkomen niet beschouwt als een onregelmatigheid die de geldigheid van de beslissing in het gedrang kan brengen, een eigen en te restrictieve interpretatie geeft aan de term „onregelmatigheid‟. De verslagen van de vergaderingen van de examencommissie doen een dergelijke interpretatie niet vermoeden. Ook de adviezen 26.397 en 30.915 van de afdeling Wetgeving van de Raad van State over de ontwerpbesluiten van de Vlaamse Regering betreffende onder meer de organisatie van het toelatingsexamen bieden geen enkel aanknopingspunt om tot een dergelijke restrictieve uitlegging te kunnen of mogen komen. De overmachtssituatie die hem is overkomen, moet volgens verzoeker wel degelijk worden beschouwd als een onregelmatigheid die de geldigheid van de beslissing aantast. De geldigheid van zijn resultaten is immers onmiskenbaar een gevolg van “deze bijzondere omstandigheid” en kan bezwaarlijk als een „regelmatigheid‟ worden bestempeld.

Verzoeker laat in een tweede middelonderdeel gelden dat in de bestreden beslissing geen motivering kan worden gelezen “waarom het beroep niet van die aard zou zijn dat het geen materiële vergissing of onregelmatigheid viseert die de geldigheid van de beslissing in het gedrang kan brengen”. De examencommissie poneert dit alleen, zonder duidelijk te maken waarom de

IX-9176-5/12

overmacht geen onregelmatigheid is die de bestreden beslissing aantast. De beslissing is dus niet afdoende gemotiveerd. Verzoeker kan op basis van “de ene zinsnede” de beslissing niet begrijpen.

Beoordeling

7.1. Artikel 27 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2001 „houdende nadere regels met betrekking tot het toelatingsexamen voor de opleidingen van arts en tandarts‟ bepaalt:

“Materiële vergissingen of onregelmatigheden die de geldigheid van de beslissingen van de examencommissie in het gedrang kunnen brengen, moeten binnen de dertig kalenderdagen na de verzendingsdatum van de individuele uitslagen aan de voorzitter aangetekend meegedeeld worden. Binnen de dertig kalenderdagen na ontvangst van een dergelijke mededeling, roept de voorzitter de examencommissie in een buitengewone vergadering bijeen. De examencommissie kan geldig beslissen over de te nemen maatregelen indien ten minste vijf stemgerechtigde leden aanwezig zijn, de voorzitter inbegrepen.”

Deze bepaling organiseert een administratieve beroepsmogelijkheid tegen de beslissingen van de examencommissie, wanneer materiële vergissingen of onregelmatigheden worden aangevoerd die de geldigheid van de beslissingen van de examencommissie in het gedrang kunnen brengen.

Zoals de Raad van State ook in arrest nr. 229.686 van 23 december 2014 voorlopig heeft aangenomen, is deze beroepsprocedure beperkt tot materiële vergissingen of onregelmatigheden in de beslissing van de examencommissie over het al dan niet geslaagd zijn van de kandidaat, dit wil zeggen nadat de kandidaat heeft deelgenomen aan het – volledige –

toelatingsexamen en na de deliberatie over zijn resultaten.

7.2. Verzoeker is in de loop van het examen – hijzelf geeft in zijn brief van 26 september 2017 aan dat dit “korte tijd na het begin van de sessie”

IX-9176-6/12

was – onwel geworden en is als gevolg daarvan door de hulpdiensten naar het ziekenhuis gevoerd.

Hij lijkt zich daardoor te bevinden in het geval beschreven in artikel 26 van het werkingsreglement „toelatingsexamen arts en tandarts 2017‟:

“[…] Kandidaten die de examensite verlaten [...] tijdens het examen, worden niet meer toegelaten op de site en kunnen niet meer verder deelnemen aan het toelatingsexamen die dag.”

Artikel 25, derde lid, van hetzelfde werkingsreglement bepaalt dan weer:

“[…] Kandidaten moeten […] het hele examen hebben afgelegd om te kunnen worden gequoteerd.”

Artikel 41 van het werkingsreglement bevestigt dit als volgt:

“Een volledige deelname aan het examen is vereist om te worden gequo-

teerd. Kandidaten die slechts een deel hebben afgelegd, komen niet in aan-

merking bij het toekennen van de resultaten. Zij kunnen bijgevolg geen deel-

resultaat bekomen.”

7.3. Het voorgaande noopt op het eerste gezicht tot het besluit dat verzoeker niet werd gequoteerd en dat, met andere woorden, van zijn examen geen resultaten beschikbaar zijn, zodat evenmin over hem kon worden gedelibereerd.

Verzoeker lijkt derhalve niet in het geval te verkeren dat hij het administratief beroep zoals bedoeld in artikel 27 van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2001 vermocht in te stellen.

De examencommissie heeft dan ook terecht tot de onontvankelijkheid van verzoekers beroep besloten.

IX-9176-7/12

7.4. Het eerste middelonderdeel, dat van het tegendeel uitgaat, is niet ernstig.

8.1. In het tweede middelonderdeel voert verzoeker wezenlijk de schending van de formelemotiveringsplicht aan.

8.2. Met de bestreden beslissing verklaart de examencommissie het beroep van verzoeker onontvankelijk. Verzoeker verneemt uit de beslissing van de examencommissie wel degelijk waarom de examencommissie aldus heeft geoordeeld, namelijk omdat “het beroep niet van die aard [is] dat het een materiële vergissing aanklaagt of het een onregelmatigheid viseert die de geldigheid van de beslissingen in het gedrang kan brengen”.

Op het eerste gezicht is aldus voldaan aan de formelemotiveringsplicht. Wil verzoeker meer vernemen, dan lijkt hij op zoek te zijn naar de motieven van de motieven. In de huidige stand van de rechtspleging blijkt evenwel niet dat de formelemotiveringsplicht in dit geval zo ver reikt.

8.3. Het tweede middelonderdeel is evenmin ernstig.

9. Het eerste middel is aldus in geen enkel van zijn onderdelen ernstig.

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

10. Verzoeker voert in een tweede middel andermaal de schending aan van artikel 27 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2001

„houdende nadere regels met betrekking tot het toelatingsexamen voor de opleidingen van arts en tandarts‟, evenals van “het motiveringsbeginsel”.

IX-9176-8/12

In een eerste middelonderdeel stelt verzoeker dat de bestreden beslissing geen antwoord geeft op zijn vraag om desgevallend “een andere oplossing te voorzien zodat hij reeds zijn studies kan aanvatten”. Volgens verzoeker diende de examencommissie op deze vraag te antwoorden “gelet op de ruime remediërende bevoegdheden die de commissie toegewezen krijgt, conform artikel 27”.

In een tweede middelonderdeel laat hij gelden dat de bestreden beslissing artikel 27 van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2001 op “een dubbele manier” schendt. Vooreerst wijst hij erop dat de examencommissie krachtens de voormelde reglementaire bepaling alle maatregelen kan nemen die zij nuttig acht, zodat het voor haar nog perfect mogelijk is in een examenmoment te voorzien, gelet op de zeer uitzonderlijke omstandigheden die zich hebben voorgedaan en waaraan verzoeker geen enkele fout heeft. Voorts stelt de bevoegdheid van de examencommissie om in bijzondere omstandigheden ook bijzondere maatregelen te nemen, deze commissie in staat om gevolg te geven aan de tweede vraag van verzoeker, namelijk om na te gaan of er nog een andere oplossing is dan het opnieuw afleggen van het examen.

Beoordeling

11. Zowel in het eerste als het tweede onderdeel van het tweede middel gaat verzoeker ervan uit dat zijn schrijven van 26 september 2017 een beroep is zoals bedoeld in artikel 27 van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2001, dat de examencommissie daarover een beslissing heeft genomen met toepassing van die reglementaire bepaling en dat die beslissing dan ook moet worden beoordeeld in het licht van de bevoegdheid die deze bepaling aan de examencommissie verleent om “maatregelen” te nemen.

12. Bij de beoordeling van het eerste middel is op het eerste gezicht reeds gebleken dat verzoeker zich daarin vergist en dat hij niet in het geval verkeerde dat hij het administratief beroep zoals bedoeld in artikel 27 van het

IX-9176-9/12

voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2001 vermocht in te stellen.

De bestreden beslissing lijkt derhalve niet te mogen worden beoordeeld, zoals verzoeker nochtans beoogt, in het licht van de bevoegdheid die deze bepaling aan de examencommissie verleent om “maatregelen” te nemen en de motiveringsplicht waaraan de uitoefening van die bevoegdheid is onderworpen.

13. Het tweede middel is derhalve evenmin in één van zijn onderdelen ernstig.

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

14. In een derde middel voert verzoeker de schending aan van het redelijkheidsbeginsel. Hij betoogt dat voor zover de bestreden beslissing zou moeten worden gelezen als een antwoord op zijn vraag om de onregelmatigheid die zich heeft voorgedaan te herstellen door de organisatie van een bijkomend examen of door een andere oplossing, ze kennelijk onredelijk is. Die onredelijkheid doet zich volgens verzoeker voor omwille van de verstrekkende gevolgen van de overmachtssituatie waarvan hij het slachtoffer werd. Hij zal immers een volledig academiejaar verliezen.

Verzoeker voegt eraan toe dat geen enkel belang en geen enkele regelgeving de verwerende partij verhindert om wél een maatregel te nemen, zodat niet kan worden ingezien waarom een beslissing wordt genomen die louter in het nadeel van verzoeker speelt.

IX-9176-10/12

Beoordeling

15. Daargelaten of ook het derde middel, evenzeer als het eerste en het tweede middel, ten onrechte uitgaat van de op het eerste gezicht foutieve premisse dat verzoeker op zijn schrijven van 26 september 2017 vanwege de examencommissie een antwoord diende te krijgen op grond van de bevoegdheden die zij ontleent aan artikel 27 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2001 en alleen al om die reden niet ernstig kan worden bevonden, kan verzoekers argumentatie in de huidige stand van de rechtspleging hoe dan ook niet overtuigen, zelfs niet wanneer deze los wordt gezien van het voornoemde artikel 27.

Voor zover verzoeker het middel steunt op zijn vraag om een nieuwe examenkans, moet immers worden vastgesteld dat hij geen enkele kritiek formuleert op het motief van de bestreden beslissing dat er slechts “twee examenmomenten per jaar worden georganiseerd, namelijk een eerst maal begin juli en een tweede maal eind augustus”. Dit niet-betwiste motief refereert aan het voorschrift van artikel II.187, § 2, 1°, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 7, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2001. In het licht van die bepalingen kan de beslissing van de examencommissie om niet in te gaan op de vraag van verzoeker naar “een herkansing om het examen opnieuw af te leggen”, op het eerste gezicht niet onredelijk worden bevonden.

Voor zover verzoeker in zijn schrijven van 26 september 2017

vraagt naar een eventuele andere oplossing, moet dan weer worden vastgesteld dat hij ten aanzien van de examencommissie in het ongewisse heeft gelaten welke “oplossing” hij voor ogen had, in acht genomen dat krachtens artikel II.187, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs een inschrijving in een bacheloropleiding Geneeskunde maar mogelijk is mits geslaagd te zijn voor een toelatingsexamen.

Het stilzwijgen of zelfs de (impliciet) afwijzende houding van de examencommissie kan dienvolgens op het eerste gezicht ook op dit punt niet onredelijk worden bevonden.

IX-9176-11/12

16. Het derde middel is derhalve evenmin ernstig.

17. Aangezien verzoeker geen ernstig middel aanvoert, is er niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn opdat een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zou kunnen worden ingewilligd.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt de vordering.

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 21 novem-

ber 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.

De griffier De voorzitter

Tiny Temmerman Bert Thys

IX-9176-12/12

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.934