Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.922 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.922 Généré par l'IA

Court annuls public tender award due to violation of material motivation duty and irregular pricing assessment.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.922
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Partiellement admis (Partially Allowed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State annulled the City of Sint-Niklaas's decision to award a construction contract to a competitor after finding the tendering authority violated its duty of material motivation. The authority incorrectly rejected the plaintiff's offer based on a material error in the competitor's bid, which constituted an illegal ground for decision-making. Consequently, the court ordered the authority to reconsider the award while rejecting the plaintiff's claim that their offer was automatically the lowest regular one.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 96 and 95 of the Royal Decree on Public Procurement; the authority must base its award decision on legal grounds and cannot rely on a material error in a competitor's offer, requiring a new decision if such an error is found.

Mots-clés

Généré par l'IA
public procurement material motivation duty irregular pricing tender award annulment illegal ground decision offres anormalement basses action en réduction du prix évaluation des offres

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 96 of the Royal Decree on Public Procurement
Wij verzoeken u vriendelijk om in toepassing van art. 96 KB Plaatsing deze materiële fout te verbeteren als volgt – zie de exacte opsplitsing en volledige prijsverantwoording hiervoor van onze onderaannemer in bijlage.
Article 95 of the Royal Decree on Public Procurement
Article 21 of the Royal Decree on Public Procurement
Article 30/1 of the Coordinated Laws on the Council of State
Article 67, § 1 of the Regent's Decision of 23 August 1948
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIIe KAMER

nr. 239.922 van 21 november 2017

in de zaak A. 220.930/XII-8271

In zake: de NV BOUWBEDRIJF VMG-DE COCK

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Geerts kantoor houdend te 9300 Aalst Bauwensplein 1 bus 10

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de STAD SINT-NIKLAAS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Willy Van der Gucht en Hilde Dhont kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 34-36

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 12 december 2016, strekt tot de nietig-

verklaring van “de beslissing van de stad Sint-Niklaas van 3 oktober 2016 tot gunning, ingevolge open aanbesteding, van de aanneming van werken inhoudende de interne verbouwing, uitbreiding met berging en vernieuwing van het buitenschrijnwerk van het kinderdagverblijf Driekoningen aan de bvba PIC, alsook van de beslissing tot het niet [aanwijzen] van de offerte van de [nv Bouw-

bedrijf VMG-De Cock] als de laagst regelmatige en van de impliciete beslissing om de werken niet te gunnen aan de [nv Bouwbedrijf VMG-De Cock]”.

XII-8271-1/14

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Eerste auditeur Jos Stevens heeft een verslag opgesteld.

De verwerende partij en de verzoekende partij hebben een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2017.

Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Filip Geerts, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Franky De Mil, die loco advocaat Willy Van der Gucht verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Jos Stevens heeft een met dit arrest gedeeltelijk eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht voor werken uit met als voorwerp “kinderdagverblijf Driekoningen: interne verbouwing, uitbreiding met berging en vernieuwen buitenschrijnwerk”.

XII-8271-2/14

De opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen van 9 mei 2016. De gunningswijze is de open aanbesteding. Het bestek 2016/002aa is van toepassing. De opdracht wordt geraamd op 378.504,42

euro, btw inbegrepen.

3.2. Er worden vijf offertes ingediend; de verzoekende partij dient de tweede laagste offerte in voor een bedrag van 344.850,00 euro, btw inbegrepen, en de bvba PIC de laagste voor een bedrag van 342.143,77 euro, btw inbegrepen.

3.3. Bij het nazicht van de prijzen stelt de verwerende partij bij de offerte van de bvba PIC vast dat deze inschrijver voor post 86-57.10B

“keukenmeubelen – algemeen – voedselberging” een eenheidsprijs biedt van 266

euro terwijl het gemiddelde van de ingediende offertes 6.404,03 euro bedraagt.

3.4. Op 16 juni 2016 vraagt de verwerende partij een prijsverantwoording aan de bvba PIC wegens een abnormaal lage eenheidsprijs voor post 86-57.10B.

3.5. De bvba PIC antwoordt met een brief van 4 juli 2016, waarbij zij een bijlage van haar onderaannemer De Ruyver van 13 juni 2016 voegt, als volgt:

“In het kader van uw vraag tot prijsverantwoording van post 86 hebben wij de prijzen van onze offerte grondig onderzocht.

Wij stellen vast dat wij een zuiver materiële fout hebben begaan. Met name hebben wij de offerteprijzen van onze onderaannemer verkeerdelijk opgesplitst op onze inschrijving zie zijn offerte in bijlage.

Wij verzoeken u vriendelijk om in toepassing van art. 96 KB Plaatsing deze materiële fout te verbeteren als volgt – zie de exacte opsplitsing en volledige prijsverantwoording hiervoor van onze onderaannemer in bijlage.

Wij hadden volgende opsplitsing toegepast (afgerond):

44.24 bekledingspanelen + regelwerk+ folie 30.682,00 €+ 10 % winst= 33.750,00 € 57.10A meubelen algemeen keuken 4.720,00 € + 10 % winst =5.192,00 € 57.10B meubelen algemeen voedselberging 242,00 + 10% winst= 265,00 € 57.10C meubelen algemeen eindcorpus 840,00 € + 10% winst = 924,00 € Totaal : 40.131,00 €

XII-8271-3/14

Verbeterde materiële fout (afgerond):

44.24 bekledingspanelen + regelwerk+ folie 28.506,00 € + 10 % winst= 31.357,00 € 57.10A meubelen algemeen keuken 4.975,00 €+ 10 % winst = 5.472,00 € 57.10B meubelen algemeen voedselberging 2.542,00 € + 10 % winst= 2.796,00 € 57.10C meubelen algemeen eindcorpus 460,00 € + 10% winst : 506,00 € Totaal : 40.131,00 € Als slot bevestigen wij dat al onze prijzen rekening houden en gebaseerd zijn met en op de prijzen van onze leveranciers.”

3.6. Op 12 juli 2016 vraagt de verwerende partij aan de bvba PIC

bijkomende verantwoording voor de kwestieuze post:

“De ingediende prijsverantwoording laat niet toe om te zien hoe de prijs van de posten 57.10A, 57.1[0]B en 57.10C afzonderlijk is samengesteld.

Is het mogelijk om duidelijkheid te brengen hoe de opsplitsing gebeurd is van de totale prijs van 7977,00 EUR naar respectievelijk 4975,00 EUR, 2542,00 EUR en 460,00 EUR zodat duidelijk wordt hoe elk van deze posten afzonderlijk is samengesteld?

Er wordt bijzondere aandacht gevraagd voor de gedetailleerde verantwoording van de prijs van artikel 57.10 B die, na deze aanpassing, nog steeds een grote afwijking vertoont ten opzichte van de andere ingediende prijzen.”

3.7. Op 14 juli 2016 geeft de bvba PIC de volgende nadere verantwoording door middel van een brief van haar onderaannemer De Ruyver van 13 juli 2016. In deze brief van 13 juli 2016 geeft deze onderaannemer voor de posten 57.10A, 57.10B en 57.10C een uiteenzetting van de prijssamenstelling.

3.8. De verwerende partij vraagt aan inschrijver, de bvba PIC, op 8 augustus 2016 “een verduidelijking van de bijkomende prijsverantwoording”:

“In de opgesplitste prijsverantwoording van 57.10 A, B en C valt de verhouding op tussen de kostprijs van deze verschillende artikels voor het onderdeel „kostprijs houtplaten HPL‟. Er worden respectievelijk prijzen opgegeven van 1125, 410 en 245 euro. Deze komen overeen met respectievelijk ongeveer 63, 23 en 14% van de totaalprijs van 1780 euro.

Als de benodigde oppervlakte plaatmateriaal artikels 57.10A, 57.10B en 57.10C met elkaar vergeleken worden, dan komt deze verhouding hierin helemaal niet terug.

Kan er daarom een verduidelijking gegeven worden van dit onderdeel „kostprijs houtplaten HPL‟ voor artikels 57.10A, 57.10B en 57.10C?”

XII-8271-4/14

3.9. Hierop antwoordt de bvba PIC op 12 augustus 2016 als volgt:

“Een correcte opsplitsing van de kostprijs HPL houtplaten is moeilijk op te maken omdat bij het aankopen en verwerken van HPL platen er geen rekening gehouden wordt met de opsplitsing keuken, voedselberging of eindcorpus en leggers. De platen worden op basis van de goedgekeurde tekeningen in een éénmalig order besteld en verwerkt.

Met deze reden hebben wij in de eerste verantwoording alles in 1 verantwoording verantwoord. Het terug „recupereren‟ ervan is een ommekeer, de facto overbodig proces, en geeft aanleiding tot kunstmatige en dus verwrongen uitkomsten, waarvan de vergelijking met andere „gebaised‟ is.

Wij hebben dus 1780 euro aan plaatmateriaal nodig om alles uit te voeren.

In de opsplitsing hiervan hebben wij het materiaal verdeeld op basis van de kostprijs van het artikel, wat natuurlijk geen exacte weergave is van [de] prijs per artikel rekening houdend met de hierboven vermelde opmerking.

Dit omdat verliezen van het plaatmateriaal van de keuken gebruikt kunnen worden bij de opdeling en fabricage van de voedselberging en corpus.”

3.10. Op 17 augustus 2016 wordt het “verslag van nazicht van de offertes” opgesteld. Hierin wordt over de problematiek van de kwestieuze prijsverantwoording het volgende vermeld:

“Bijkomende motivering: Er werd prijsverantwoording gevraagd aan de inschrijver PIC voor volgend artikel:

Post 86 - 57.10B : keukenmeubelen - algemeen - voedselberging.

Binnen de wettelijke termijnen werd door deze inschrijver een gedetailleerde prijsverantwoording en extra verduidelijkingen bezorgd waarbinnen zij stellen een materiële vergissing begaan te hebben in de opsplitsing van de opgegeven totaalprijs van hun onderaannemer voor 4 artikels (waaronder het artikel waarvoor verantwoording werd gevraagd). Dit wordt gestaafd door een nieuwe opsplitsing, die in een latere verduidelijking nog verder werd gedetailleerd, tussen deze 4 verschillende artikels en de detaillering van elk artikel waarbij de verschillende benodigde materialen en de kosten voor de bijhorende werkuren en winstmarges toegelicht werden. Ook de prijzen van de artikels die PM stonden beschreven in het bestek bij deze artikels werden toegelicht. Ondanks het feit dat er voor deze 4 artikels dus een aangepaste prijs werd bezorgd, blijft de globale prijs van de offerte dezelfde. Er werd nog een extra verduidelijking gevraagd en opgegeven i.v.m. de kostprijs van het plaatmateriaal waaruit blijkt dat de opsplitsing van de kostprijs van het plaatmateriaal over artikele[n] 57.10A, B en C eerder kunstmatig

XII-8271-5/14

werd gedaan aangezien de snijverliezen van het ene meubel in het andere gebruikt kunnen worden.

Uit de combinatie van de nieuwe prijs voor artikel 57.10B, gedetailleerde prijsopgave van dit artikel en de andere artikels waarvoor de prijs is gewijzigd, en het feit dat snijverliezen van het ene meubel gebruikt kunnen worden in een ander meubel blijkt dat de offerte als regelmatig beschou[w]d mag worden. Alle opgegeven materiaal- en uitvoerings-

prijzen verantwoorden afdoende de totaal opgegeven eenheidsprijzen van bovenstaand artikel.

In de prijsverantwoording werd ook een fout opgemerkt van 1 euro. Deze is aangepast omdat een verschil van 1 euro geen uitspraak doet over het al dan niet abnormaal laag zijn van […] de prijs. Verder werd de nieuw opgegeven prijs voor artikel 44.24 op[ge]geven als een totaalprijs i.p.v.

een prijs per m². De totaalprijs werd omgerekend naar een prijs per m².

Deze prijs per m² werd afgerond tot op 2 cijfers na de komma waardoor de totaalprijs van de offerte 75 cent verander[t].”

Er wordt voorgesteld de opdracht te gunnen aan de bvba PIC

voor een bedrag van 342.183,80 euro, btw inbegrepen.

3.11. Op 3 oktober 2016 beslist de verwerende partij onder verwijzing naar het verslag van nazicht de opdracht te gunnen aan de bvba PIC.

IV. Onderzoek van het eerste onderdeel van het tweede middel

Standpunt van de partijen

4. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 96

van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 „plaatsing overheidsopdrachten klassieke sectoren‟ (hierna: koninklijk besluit Plaatsing), van het gelijkheids-

beginsel en van de motiveringsplicht. In haar verzoekschrift betoogt zij dat volgens het voormelde artikel 96 de aanbestedende overheid rekenfouten en zuiver materiële fouten in de offertes kan verbeteren. Te dezen heeft de verwerende partij, volgens de verzoekende partij, “evenwel geen zuiver materiële fout verbeter[d] maar heeft zij toegelaten en aanvaard dat de bvba PIC zelf haar offerte aanpaste door bepaalde van de opgegeven eenheidsprijzen te wijzigen”

wat buiten het toepassingsgebied van dit artikel valt.

XII-8271-6/14

“Bovendien”, zo vervolgt zij, “gaat het niet eens om een zuiver materiële fout”. De bvba PIC kreeg van haar onderaannemer blijkbaar een prijs, waarvan zij een opsplitsing heeft gemaakt; de bvba PIC heeft dan immers welbepaalde keuzes gemaakt “teneinde eenheidsprijzen in te vullen in de samenvattende meetstaat” en mag hierop niet terugkomen “wanneer blijkt dat één of meerdere eenheidsprijzen door de aanbestedende overheid als kennelijk abnormaal werden aangeduid”. “Indien een dergelijke wijziging van de opgegeven eenheidsprijzen toegelaten wordt, dan kan iedere inschrijver zijn eenheidsprijzen herschikken telkens wanneer blijkt dat deze abnormaal zijn en er hem een prijsverantwoording wordt gevraagd”.

5. De verwerende partij wijst erop dat er van een wijziging van de offerte van de bvba PIC geen sprake is. Deze inschrijver heeft een materiële vergissing rechtgezet “waarbij de offerte van de onderaannemer op foutieve wijze over de verschillende artikels van het bestek / de offerte werd uitgesplitst”. “Aan de verantwoording is trouwens een prijsverantwoording gevoegd van de onderaannemer die dit uitdrukkelijk bevestigt. In [die] omstandigheden is zeker geen sprake van een willekeurige herschikking van prijzen, zoals door verzoekster gesuggereerd”. “De verwerende partij heeft de grenzen van de zorgvuldige beoordeling niet overschreden door in casu een materiële fout aan te nemen en de offerte van de P.I.C. bvba dienovereenkomstig te verbeteren. Voor de verwerende partij was er in de gegeven omstandigheden ook geen reden om de offerte als onregelmatig te weren”.

Voorts wijst de verwerende partij erop dat “ook zonder de aanpassing P.I.C. bvba de inschrijver was met de laagste prijs”.

6. Na inzage van het administratief dossier benadrukt de verzoekende partij dat het “geenszins [gaat] om een „materiële fout‟ maar om een ontegensprekelijke wijziging van enkele van de door de inschrijver ingevulde eenheidsprijzen”, namelijk vier; artikel 44.24 werd verlaagd van 33.750 naar 31.357 euro, artikel 57.10A werd verhoogd van 5.192 naar 5.472 euro, artikel

XII-8271-7/14

57.10B werd verhoogd van 265 naar 2.796 euro en artikel 57.10C werd verlaagd van 924 naar 506 euro.

Het gaat niet om verschrijvingen of vergissingen; blijkbaar beschikte de bvba PIC op het moment van de redactie van haar offerte slechts over een offerte van de nv De Ruyver “welke enkel een totaalbedrag vermeldde dat betrekking had op vier posten (36.483 Euro excl. btw), zonder dat een op-

splitsing werd gemaakt per onderdeel”. “De bvba PIC heeft aan de nv De Ruyver niet gevraagd naar een gedetailleerde opsplitsing van dit totaalbedrag teneinde haar offerte behoorlijk te kunnen opmaken, maar zij heeft beslist om op eigen gezag en naar eigen inzichten een opsplitsing te maken van de prijs die zij van de nv De Ruyver had gekregen”. De verzoekende partij stelt dat het dus niet zo is dat de bvba PIC bepaalde cijfers uit de offerte van de nv De Ruyver verkeerd zou hebben overgenomen of dat zij een komma verkeerd heeft geplaatst of een foute berekening heeft gemaakt; de bvba PIC heeft zich niet vergist “maar heeft er voor gekozen om, zonder haar onderaannemer hierover te raadplegen, een eigen opsplitsing te maken van het opgegeven bedrag”.

“De bvba PIC heeft dus zelf een prijszetting gedaan waarbij zij ervoor heeft geopteerd om de eenheidsprijzen voor de posten 44.24, 57.10A, 57.10B en 57.10C op een welbepaalde manier in te vullen, wetende dat zij eigenlijk niet de informatie had om die opgave op die manier te kunnen/mogen doen. Zij kan op deze prijszetting naderhand niet terugkomen wanneer zij geconfronteerd wordt met het feit dat (minstens) één van die eenheidsprijzen een abnormaal karakter blijkt te hebben”.

“Het is maar [zo vervolgt de verzoekende partij] wanneer de bvba PIC geconfronteerd wordt met het feit dat de door haarzelf besliste opsplitsing tot gevolg heeft dat er sprake is van een abnormale prijszetting – waarbij zij maar al te goed weet dat dit de ongeldigheid van haar offerte tot gevolg kan hebben – dat zij probeert om er – in samenspraak met haar onderaannemer – een mouw aan te passen door te verwijzen naar informatie die

XII-8271-8/14

pas post factum werd opgemaakt en bekomen. Samen met de onderaannemer werd gewoon een (nieuwe) opsplitsing van het totaalbedrag van 36.483 Euro gemaakt”. Hierbij wijst de verzoekende partij erop dat deze nieuwe opsplitsing door de bvba PIC en de nv De Ruyver pas werd gemaakt na de vraag om prijsverantwoording zoals de data van de stukken aangeeft, het gaat dus om een post factum-opsplitsing gemaakt op een ogenblik dat de bvba PIC wist dat de voor de post 57.10B opgegeven eenheidsprijs abnormaal laag was bevonden.

Het wijzigen van een offerte na opening is echter niet toegelaten, zo stelt de verzoekende partij. “Indien zou worden aanvaard dat het in casu om een „materiële fout‟ ging die kon worden „rechtgezet‟ aan de hand van documenten die pas werden opgemaakt na indiening van de offerte en zelfs pas na een vraag om prijsverantwoording, dan zou het steeds heel eenvoudig zijn om abnormale eenheidsprijzen te doen verdwijnen en alzo te ontkomen aan de ongeldigheid van de offerte. Het zou dan volstaan om, wanneer men gevraagd wordt naar een verantwoording voor een abnormaal lage prijs, te beweren dat het om een foute prijszetting gaat en die prijszetting aan te passen, waarbij dan een nieuw document wordt gevoegd om die aanpassing te vergoelijken”.

7. In haar laatste memorie benadrukt de verwerende partij dat de verduidelijkingen en de prijsverantwoording gegeven door de bvba PIC “geen enkele invloed [hebben] gehad op de totaalprijs van de offerte en evenmin op de totaalprijs voor de tussenkomsten van de betreffende onderaannemer”. De verzoekende partij “lijkt” bijgevolg belang te missen “bij het aanvechten van de doorgevoerde verbetering, nu deze geen invloed heeft op de rangschikking en deze de betrokken inschrijver geen voordeel oplevert”.

De verwerende partij vervolgt dat “[e]r […] geen sprake [is]

van een „kennelijke wijziging‟ / „essentiële wijziging‟ van de offerte. De inschrij-

ver heeft een materiële vergissing rechtgezet, waarbij de offerte van de onder-

aannemer op foutieve wijze over de verschillende artikels van het bestek / de offerte werd uitgesplitst. Aan de verantwoording is trouwens een prijsverant-

XII-8271-9/14

woording gevoegd van de onderaannemer die dit uitdrukkelijk bevestigt. In di[e]

omstandigheden is zeker geen sprake van een willekeurige herschikking van prijzen, zoals door verzoekster gesuggereerd. De prijsverantwoording wordt ondersteund door de offerte en prijsverantwoording van de onderaannemer”.

8. De verzoekende partij beklemtoont in haar laatste memorie dat zij wel degelijk een belang heeft bij het middel aangezien het middel de geldigheid van de offerte van de bvba PIC betreft; deze offerte dient volgens de verzoekende partij onregelmatig te worden verklaard zodat de problematiek van de rangschikking niet geldt.

Beoordeling

9. Uit het verslag van nazicht en uit het verweer dient te worden afgeleid dat de verwerende partij haar beslissing inzake de regelmatigheid van de offerte van de bvba PIC in het kader van het prijsonderzoek, steunt op de aanvaarding van een materiële fout in hoofde van de bvba PIC. Deze laatste zou de offerte van haar onderaannemer, de nv De Ruyver, bij de redactie van haar meetstaat hebben uitgesplitst op een verkeerde manier; zij zou dit hebben rechtgezet na interpellatie van de verwerende partij met staving van haar werkwijze door middel van een verduidelijking vanwege de nv De Ruyver.

10. Het verbeteren van offertes gebeurt in beginsel vóór het prijsonderzoek – artikel 99, § 1, van het koninklijk besluit Plaatsing luidt: “Na voorafgaand artikel 96 [inzake rekenfouten en zuiver materiële fouten in de offertes] te hebben toegepast, gaat de aanbestedende overheid over tot het prijsonderzoek overeenkomstig artikel 21”.

De verwerende partij is niet uit eigen beweging overgegaan tot het verbeteren van de offerte van de bvba PIC maar pas tijdens het prijsonderzoek op aangeven van de gekozen inschrijver zelf.

XII-8271-10/14

Met een zuiver materiële fout wordt in principe een verschrijving of vergissing bedoeld, begaan bij de materiële verrichtingen die gepaard gaan met het opstellen van een offerte zoals het uitschrijven, invullen en overbrengen van cijfergegevens; omtrent dergelijke fout lijkt nauwelijks discussie mogelijk.

11. Te dezen gaat het niet om een zuiver materiële vergissing.

Zoals de verzoekende partij terecht betoogt, toont de verwerende partij niet aan dat de bvba PIC bij de redactie van haar offerte met meetstaat, de door haar onderaannemer de nv De Ruyver opgegeven prijzen bij mistasten en onopzettelijk verkeerdelijk heeft ingevuld. Integendeel mag uit het administratief dossier en het verweer worden afgeleid dat de bvba PIC de opsplitsing van het totale bedrag van haar onderaannemer niet onopzettelijk en bij vergissing heeft gedaan. Het “recht-

zetten” van haar handelwijze, en dan nog aan de hand van stukken opgesteld na de vraag tot prijsverantwoording, geeft, wanneer een aanbestedende overheid dit aanvaardt, aanleiding tot de mogelijkheid van het vaststellen van een offerte met nieuwe prijzen, hier dus een nieuwe offerte, wat een onwettige werkwijze is.

Conclusie is dan ook dat de aanbestedende overheid te dezen onterecht een zuiver materiële fout zoals bedoeld in artikel 96 van het koninklijk besluit Plaatsing heeft aanvaard bij de offerte van de bvba PIC. Dit houdt een schending in van het voornoemde artikel 96 en van de materiëlemotiverings-

plicht.

Het gegrond bevinden van het middel heeft gevolgen voor de beoordeling van de offerte van de nv PIC zodat de verzoekende partij belang heeft bij het middel.

De gunningsbeslissing dient te worden vernietigd.

XII-8271-11/14

V. Omtrent het beroep tegen de impliciete weigering de opdracht aan de verzoekende partij te gunnen

Standpunt van de partijen

12. De verzoekende partij stelt dat uit haar middelen blijkt dat de offerte van de bvba PIC ten onrechte als geldig is aangewezen en de opdracht dan ook ten rechte aan deze inschrijver is gegund. “Nu de offerte van de bvba PIC

had moeten zijn geweerd, is de offerte van de verzoekster in werkelijkheid en ontegensprekelijk de laagste regelmatige offerte”. Er is geen enkele reden, zo vervolgt de verzoekende partij, dat de opdracht niet aan haar zou moeten worden gegund. De impliciete weigeringsbeslissing om de opdracht aan haar te gunnen, dient dan ook te worden vernietigd.

13. De verwerende partij merkt op dat de vaststelling van een onregelmatigheid niet leidt “tot de noodzakelijke gevolgtrekking dat de opdracht hoedanook aan de verzoekende partij moet worden gegund”.

14. In haar memorie van wederantwoord merkt de verzoekende partij op dat uit de artikelen 21 en 95 van het koninklijk besluit Plaatsing volgt dat een offerte die behept is met een abnormale prijs substantieel onregelmatig is.

Te dezen is er hiervan sprake en moet de offerte van de bvba PIC worden nietigverklaard. Dienvolgens is de offerte van de verzoekende partij de laagste regelmatige en dient haar de opdracht te worden gegund.

Beoordeling

15. Sub 11 is vastgesteld dat de verwerende partij artikel 96 van het koninklijk besluit Plaatsing heeft geschonden alsook van de materiëlemotive-

ringsplicht; de verwerende partij steunt haar gunningsbeslissing op een onwettig motief, namelijk het feit dat de bvba PIC een zuiver materiële fout in haar offerte zou hebben begaan.

XII-8271-12/14

De verwerende partij zal na de nietigverklaring een nieuwe beslissing dienen te nemen en hierbij de beslissende overwegingen van het arrest moeten in acht nemen wanneer zij de offerte van de bvba PIC beoordeelt wat het prijsonderzoek betreft.

In die mate zijn hier niet duidelijk de uitzonderlijke omstandig-

heden voorhanden waaruit zou moeten blijken dat de offerte van de verzoekende partij in elk geval de laagste regelmatige offerte is.

VI. Kosten

16. Er is te dezen grond om met toepassing van artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 67, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟, de verzoekende partij de door haar gevraagde basisrechtsplegingsvergoeding van 700 euro toe te kennen, nu zij door de inwilliging van haar beroep als in het gelijk gestelde partij dient te worden beschouwd.

BESLISSING

1. De Raad van State vernietigt de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Sint-Niklaas van 3 oktober 2016 tot gunning van de aanneming van werken met als voorwerp de interne verbouwing, de uitbreiding met berging en de vernieuwing van het buitenschrijnwerk van het kinderdagverblijf Driekoningen aan de bvba PIC.

2. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige.

3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings-

vergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.

XII-8271-13/14

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 21november 2017, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:

Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier.

De griffier De voorzitter

Greta Scheveneels Dierk Verbiest

XII-8271-14/14

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.922