Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.910 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.910 Généré par l'IA

Court dismisses request to suspend negative financial manager evaluation and dismisses dismissal order.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.910
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's request to suspend a negative performance evaluation and to prevent the dismissal of the city's financial manager. The court found that the evaluation committee's findings regarding the manager's passivity and lack of initiative were substantiated by evidence and did not violate legal rules. Consequently, the applicant was ordered to pay the costs of the proceedings.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 11 and 12 of the Decree on the Evaluation of Civil Servants; The Council of State holds that a negative evaluation based on documented lack of proactivity and initiative does not constitute a violation of legal rules and may lead to dismissal upon failure to improve.

Mots-clés

Généré par l'IA
negative performance evaluation dismissal for unfitness financial manager duties proactive conduct requirement administrative dismissal procedure suspension of decision burden of proof modalités d'évaluation

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 11 of the Evaluation Decree
Article 12 of the Evaluation Decree
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE Xe KAMER

nr. 239.910 van 17 november 2017

in de zaak A. 223.727/X-17.064.

In zake : Johan VANHOUTTE

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gitte Laenen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de STAD KORTRIJK

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Van Heuven en Maïté Bultheel kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 8 november 2017, strekt in hoofdorde tot de schorsing van de beslissing van het evaluatiecomité van de stad Kortrijk van 23 oktober 2017 om de financieel beheerder ongunstig te beoordelen over de bijzondere evaluatieperiode van 27 juni 2016 tot 30 september 2017.

Ondergeschikt wordt gevraagd dat bij wege van voorlopige maatregel wordt bevolen dat de gemeenteraad van de stad Kortrijk niet mag beslissen tot het ontslag van de financieel beheerder wegens beroepsongeschiktheid voordat de Raad van State uitspraak heeft gedaan over diens verzoekschrift tot nietigverklaring in de zaak A. 220.186/X-16.720.

X-17.064-1/17

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 november 2017, om 10.30 uur.

Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht.

Advocaten Gitte Laenen en Jente Wouters, die verschijnen voor verzoeker, en advocaat Dirk Van Heuven, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. Verzoeker is financieel beheerder van de stad Kortrijk. Het evaluatiecomité, bestaande uit het college van burgemeester en schepenen en de voorzitter van de gemeenteraad, beoordeelt op 27 juni 2016 zijn functioneren in de periode van 1 april 2014 tot 31 maart 2016 als ongunstig. Onder meer wordt overwogen dat hij een zeer passieve indruk geeft in zijn handelen als financieel beheerder, wat tot een vertrouwensdeficit leidt bij zowel de politieke mandatarissen als bij de administratie; hij vertoont te weinig verantwoordelijkheidszin en pro-activiteit, waardoor hij zich binnen de gemeentelijke organisatie in een gemarginaliseerde positie heeft laten drummen.

X-17.064-2/17

In de brief van 5 juli 2016 waarmee het evaluatieverslag aan verzoeker wordt bezorgd, wordt erop gewezen dat overeenkomstig artikel 11 van het evaluatiereglement van de decretale graden (hierna: het evaluatiereglement)

de functiehouder die het evaluatieresultaat “ongunstig” behaalt, kan worden ontslagen wegens beroepsongeschiktheid, maar slechts “als na de afspraken voor verbetering van de wijze van functioneren, gedurende een periode van minstens 12 maanden volgend op het afsluitend evaluatiegesprek, uit een bijzondere evaluatie blijkt dat de betrokken functiehouder nog steeds niet voldoet”.

Verzoeker stelt tegen de ongunstige beoordeling van 27 juni 2016 bij de Raad van State het annulatieberoep gekend onder nr. A. 220.186/X-16.720 in.

4. Op 5 september 2016 wordt aan verzoeker met het oog op het planningsgesprek van daags nadien een planningsdocument bezorgd dat “de basis voor de volgende bijzondere evaluatie” is. In het document wordt aangegeven waaraan zijn functioneren tijdens de bijzondere evaluatie zal worden afgetoetst, dat hij de kans heeft aan de verwachtingen te werken met ondersteuning van een personal coach, en dat de planningsovereenkomst opgevolgd zal worden “benevens door de driemaandelijkse functioneringsgesprekken, [ook] via een tussentijds gestructureerd feedbackoverleg waarin er door zowel de functiehouder als door de vertegenwoordigers vanuit de Stad Kortrijk [...] wordt beschouwd of de competenties en resultaatsgebieden al dan niet op het beoogde professionele niveau [...] zijn ingevuld”.

Het planningsdocument wordt door verzoeker ter gelegenheid van het planningsgesprek van 6 september 2016 ondertekend.

Feedbackgesprekken hebben plaats op 7 oktober 2016, 16 december 2016, 17 maart 2017 en 19 mei 2017. Functioneringsgesprekken hebben plaats op 14 november 2016, 9 januari 2017, 27 maart 2017 en 10 juli 2017.

X-17.064-3/17

In het kader van de evaluatie op het eind van de bijzondere-

evaluatieperiode – volgens de zogenaamde “360 graden feedbackmethode” –

wordt van 2 tot 11 oktober 2017 een online-bevraging gehouden bij negentien personen en heeft op 9 oktober 2017 een interview van de externe deskundige met verzoeker plaats.

In haar voorbereidend verslag van 20 oktober 2017 concludeert de externe deskundige dat er geen verbetering is op te merken tegenover de vorige 360°-evaluatie, “integendeel zelfs”.

Na verzoeker op 23 oktober 2017 over het voorbereidend verslag te hebben gehoord, beslist het evaluatiecomité hem ongunstig te evalueren over de bijzondere-evaluatieperiode van 27 juni 2016 tot 30 september 2017.

IV. Grondvoorwaarden voor een schorsing of een (andere) voorlopige maatregel

5. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts bij uiterst dringende noodzakelijkheid tot schorsing van de tenuitvoerlegging of tot het bevelen van een voorlopige maatregel worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.

X-17.064-4/17

V. Voorwaarde van een ernstig middel

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

6.1. Verzoeker leidt een eerste middel af uit het door hem ingediende verzoekschrift tot vernietiging van de beslissing van 27 juni 2016 tot eerste ongunstige evaluatie, “hangende voor [de] Raad en gekend onder het rolnummer G/A 220.186/X-16720”.

Uiteengezet wordt dat verzoeker de (drie) middelen die hij in die zaak aanvoerde “integraal” bijtreedt en herneemt en dat, aangezien deze eerste beslissing tot ongunstige evaluatie manifest onwettig is en bijgevolg moet worden vernietigd, “dit dan ook onmiskenbaar de ongeldigheid van de thans be[s]treden beslissing tot tweede ongunstige evaluatie van verzoeker tot gevolg [heeft]”.

6.2. Naar ter terechtzitting wordt benadrukt, is het uitdrukkelijk niet verzoekers bedoeling dat de beide zaken worden gevoegd.

Beoordeling

7. De bestreden beslissing van 23 oktober 2017 is het resultaat van de bijzondere evaluatie van verzoeker, die gevolgd is op zijn ongunstige evaluatie van 27 juni 2016 over de periode van 1 april 2014 tot 31 maart 2016.

Deze ongunstige evaluatie van 27 juni 2016 lijkt er niet specifiek op gericht de bestreden bijzondere evaluatie voor te bereiden. Het belet op het eerste gezicht niet dat er tussen de beide beslissingen toch een zodanige band bestaat dat indien de eerste beslissing wordt vernietigd, of ten minste wordt geschorst, daardoor de vereiste grondslag voor de tweede beslissing wegvalt of onwerkzaam wordt.

X-17.064-5/17

8. Weliswaar heeft verzoeker tegen zijn ongunstige evaluatie van 27 juni 2016 het annulatieberoep gekend onder nr. A. 220.186/X-16.720

ingediend, maar daar is nog geen uitspraak over gedaan. Ook is de ongunstige evaluatie niet geschorst.

Aangezien het verzoekschrift dat verzoekster in het eerste middel aanvoert (nog) niet tot de vaststelling heeft geleid, weze het slechts voorlopig, van de onwettigheid van de ongunstige evaluatie van 27 juni 2016, wordt het op het eerste gezicht dan ook tevergeefs aangewend om de schorsing van de bestreden bijzondere evaluatie te verkrijgen.

Het middel is niet ernstig.

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

9. Een tweede middel wordt genomen uit de schending van de artikelen 1, 4, 5, 6, 7 en 10 van het evaluatiereglement van de decretale graden en van artikel 115 van het gemeentedecreet, evenals uit de schending van het patere legem quam ipse fecisiti-beginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het fair play-

beginsel en het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel.

Op het eerste gezicht worden vijf concrete grieven geformuleerd.

(a) “Inzake de aanvang van de bijzondere evaluatieperiode” –

Ofschoon de beoordelingsperiode van verzoekers bijzondere evaluatie volgens de bestreden beslissing liep vanaf 27 juni 2016, vond het planningsgesprek pas op 6 september 2016 plaats en ontving hij slechts op 21 oktober 2016 een ondertekend verslag van dit planningsgesprek. Volgens verzoeker kan de Raad van State “niet anders dan vaststellen dat verweerster artikel 5 van het Evaluatiereglement geheel misken[t] en op geen enkele wijze rekening houdt met

X-17.064-6/17

het eigenlijke doel van het planningsdocument, noch met de termijn van 12 maanden van een bijzondere evaluatieperiode”.

(b) “Inzake de evaluatiecriteria en het verslag van het planningsgesprek” – Onder verwijzing naar de artikelen 1, 4, 5 en 6, § 1, van het evaluatiereglement herhaalt verzoeker dat hij het verslag van het planningsgesprek te laat heeft ontvangen en betoogt hij dat hij niet, of toch niet vóór 21 oktober 2016, op de hoogte was van de evaluatiecriteria.

(c) “Inzake de miskenning van het ‘doel’ van een functionerings-

en feedbackgesprek en inzake de verslagen opgesteld n.a.v. deze functionerings-

en feedbackgesprekken” – Verwijzend naar artikel 10 van het evaluatiereglement doet verzoeker gelden dat de verwerende partij tijdens de bijzondere evaluatieperiode geheel voorbij is gegaan aan het belang en het doel van de functionerings- en feedbackgesprekken. Verzoeker moest meermaals om een verslag van die gesprekken vragen en er steeds weken op wachten. Vaak was hij hierdoor niet meer in de mogelijkheid nog relevante opmerkingen te formuleren;

hij kon op die manier onmogelijk tegemoet komen “aan de eerder door verweerster opgeworpen tekortkomingen in zijn functioneren”.

(d) “Inzake het niet-plaatsvinden van een voorbereidend evaluatiegesprek” – Artikel 7 van het evaluatiereglement is geschonden doordat er geen “voorbereidend evaluatiegesprek” heeft plaatsgehad. Het interview tussen verzoeker en de externe deskundige op 9 oktober 2017 is niet als zo een voorbereidend evaluatiegesprek te beschouwen. Er is verzoeker “dan ook” geen verslag van het voorbereidend evaluatiegesprek bekend.

(e) “Inzake de samenstelling van het evaluatiecomité tijdens de functioneringsgesprekken” – De samenstelling van het evaluatiecomité is niet in alle functioneringsgesprekken identiek geweest. In strijd met artikel 10 van het evaluatiereglement was de voorzitter van de gemeenteraad afwezig tijdens het derde functioneringsgesprek. Hoewel M. V., als externe deskundige, “alle voorgaande stappen in de bijzondere evaluatie van verzoeker heeft doorlopen en

X-17.064-7/17

dus ook de geschikte persoon was om verzoeker mee te beoordelen in de eindfase van de bijzondere evaluatieperiode” was zij niet aanwezig bij het afsluitend evaluatiegesprek met verzoeker. Al wie zich wenst uit te spreken over het al dan niet goed functioneren van verzoeker moet volstrekt op de hoogte zijn van alle gegevens die daarbij in aanmerking worden genomen en meer bepaald alle functioneringsgesprekken van verzoeker hebben bijgewoond.

Beoordeling

10.1. Artikel 11, tweede en derde lid, van het evaluatiereglement schrijft voor:

“De functiehouder die het evaluatieresultaat ‘ongunstig’ heeft behaald, kan door de gemeenteraad worden ontslagen ingevolge beroepsongeschiktheid. Het ontslag wegens beroepsongeschiktheid is echter alleen mogelijk als na de afspraken voor verbetering van de wijze van functioneren, gedurende een periode van minstens 12 maanden volgend op het afsluitend evaluatiegesprek, uit een bijzondere evaluatie blijkt dat de betrokken functiehouder nog steeds niet voldoet.

De bijzondere evaluatie gebeurt na een termijn van minstens 12 maanden volgend op het afsluitend evaluatiegesprek. In dit geval wordt in de voormelde periode van 12 maanden na minstens 3, 6 en 9 maanden een functioneringsgesprek gehouden. De bijzondere evaluatie gebeurt op dezelfde wijze als de evaluatie. De betrokken functiehouder wordt op voorhand gehoord.”

Artikel 5, eerste en tweede lid, van het evaluatiereglement luidt:

“Bij de aanvang van de evaluatieperiode vindt een planningsgesprek plaats, waarin de streefdoelen en actiepunten voor de komende evaluatieperiode worden besproken, op basis van de decretale opdrachten en de functiebeschrijving en -profiel van de betrokken functiehouders en op basis van de afsprakennota.

Het planningsgesprek vindt plaats tussen 1 april en 31 juli van de lopende evaluatieperiode.”

10.2. Het afsluitend evaluatiegesprek over de evaluatie van 27 juni 2016 had dezelfde dag plaats. De periode van de bijzondere evaluatie loopt van dan af tot 30 september 2017. Ze duurde dus vijftien maanden.

X-17.064-8/17

Voortgaande op artikel 5, tweede lid, van het evaluatiereglement moest het planningsgesprek, waarin de streefdoelen en de actie- of verbeterpunten worden besproken, op het eerste gezicht plaats hebben binnen de eerste vier maanden. Hieraan is op het eerste gezicht voldaan. Het had plaats op 6 september 2016. Verzoeker ontving er een verslag van op 3 oktober 2016. Dat dit verslag (nog) niet door de andere aanwezigen zou zijn ondertekend, lijkt daar niets aan af te doen.

Er restte verzoeker bijgevolg, na het planningsgesprek en de ontvangst van het verslag, nog een bijzondere-evaluatieperiode van twaalf maanden om zijn handelen af te stemmen op wat tijdens het planningsgesprek was besproken en afgesproken.

10.3. De eerste grief komt niet ernstig voor.

11.1. In zoverre verzoeker in zijn tweede grief doet gelden dat hij het verslag van het planningsgesprek te laat ontving, valt de grief op het eerste gezicht samen met de eerste – hiervoor niet ernstig bevonden – grief.

11.2. Dat voorts verzoeker er slechts sedert 21 oktober 2016 van op de hoogte zou zijn “op grond van welke criteria zijn bijzondere evaluatie nu eigenlijk gebeurde”, lijkt onjuist.

Reeds het “planningsdocument” dat hij op 5 september 2016

ontving ter voorbereiding van het planningsgesprek van daags nadien, laat er geen twijfel over dat hij inzonderheid zou worden beoordeeld op basis van de vereisten in “de officiële functiebeschrijving”: “We wensen dus heel duidelijk aandacht te vragen voor alle in de functiebeschrijving vermelde resultaatgebieden en activiteiten, en tevens voor alle competenties.”

Dit is bij de bespreking van het document, tijdens het planningsgesprek van 6 september 2016, expliciet bevestigd geworden. Tot twee keer toe wees de burgemeester erop dat het functioneren van verzoeker zou

X-17.064-9/17

worden beoordeeld aan de hand van alle aspecten of criteria van de functiebeschrijving. Aan het eind van het planningsgesprek verklaarde verzoeker geen opmerkingen bij het planningsdocument te hebben en ondertekende hij het.

11.3. De tweede grief is niet ernstig.

12.1. Doel van een functioneringsgesprek is volgens artikel 10, eerste lid, van het evaluatiereglement “het positief beïnvloeden van het functioneren van de functiehouder”. Tevens voorziet artikel 10, vierde lid, erin dat van het functioneringsgesprek een schriftelijk verslag wordt opgesteld door de externe deskundige, dat het verslag door de gesprekspartners wordt ondertekend en in het evaluatiedossier wordt opgenomen, en dat allen een kopie krijgen van het verslag.

Met betrekking tot het feedbackgesprekken vermeldt het planningsdocument dat in dit overleg “door zowel de functiehouder als door de vertegenwoordigers vanuit de Stad Kortrijk (zijnde respectievelijk de kabinetschef van de burgemeester en de HRM manager) telkens aan de hand van concrete situaties wordt beschouwd of de competenties en resultaatsgebieden al dan niet op het beoogde professionele niveau [...] zijn ingevuld”. Na elk feedbackgesprek zal in “een schriftelijke terugkoppeling voorzien worden naar de evaluatoren, en dit via het verslag van het feedbackgesprek”; “De rapportage van de feedbackgesprekken en de daaraan onderliggende documenten worden toegevoegd aan het dossier ter voorbereiding van de functioneringsgesprekken.”

12.2. Inderdaad volgden de verslagen van de externe begeleider met betrekking tot de functioneringsgesprekken – met de woorden van de verwerende partij zelf – “soms tergend traag”. Dit is zonder meer laakbaar.

Dat verzoeker hierdoor niet tijdig en voldoende duidelijk op de hoogte was van “waar zijn verbeterpunten lagen” wordt vooralsnog evenwel niet gevolgd. De verbeterpunten die in het verslag van een functioneringsgesprek eventueel aan bod komen zijn niet nieuw, maar zijn, zoals verzoeker zelf

X-17.064-10/17

aangeeft, “eerder door de verwerende partij opgeworpen” – namelijk tijdens het functioneringsgesprek. Bij dat functioneringsgesprek is verzoeker aanwezig.

In dat verband wordt in de bestreden beslissing op het eerste gezicht niet zonder pertinentie overwogen dat verzoeker oren heeft en dan ook niet kan beweren onbekend te zijn met de negatieve appreciatie van zijn werk.

Eveneens lijkt niet onterecht, zoals op het einde van het derde functioneringsgesprek werd opgemerkt, dat van hem verwacht mocht worden tijdens het gesprek ook zelf notities te maken.

Mee om die reden kan vooralsnog evenmin een bijzonder gewicht worden toegemeten aan verzoekers kritiek dat hij vanwege het tijdsverloop geen relevante opmerkingen meer kon maken op de verslagen.

12.3. Voor zoveel er eveneens met de tijdigheid van de verslaggeving over de feedbackgesprekken problemen zouden zijn geweest, wordt uit de feiten opgemaakt dat ze hoe dan ook verzoeker nooit hebben belet daadwerkelijk opmerkingen of aanvullingen bij de verslagen te formuleren.

Waar, voorts, de verslagen van de feedbackgesprekken op het eerste gezicht vooral met het oog op een terugkoppeling naar de evaluatoren werden opgesteld, wordt in het verzoekschrift niet beweerd dat deze evaluatoren er niet tijdig en nuttig kennis van hebben kunnen nemen.

12.4. De derde grief is niet ernstig.

13.1. Artikel 7 van het evaluatiereglement luidt:

“De evaluatie wordt voorafgegaan door een voorbereidend evaluatiegesprek tussen de externe deskundige(n) en de functiehouder.

Tijdens dit voorbereidend evaluatiegesprek worden de resultaten van het onderzoek verdiept en wordt de zelfevaluatie van de functiehouder besproken.

De externe deskundige(n) maken een verslag op van het voorbereidend evaluatiegesprek.”

X-17.064-11/17

13.2. Met een e-mail van 29 september 2017 werd aan verzoeker “de planning van de bevraging en de voorbereiding voor het evaluatiegesprek in het kader van de bijzondere evaluatie” bezorgd. Er wordt onder meer voorzien in een “360° Evaluatie looptijd” aan de hand van een online-vragenlijst die door negentien personen, onder wie verzoeker, moet worden beantwoord in de periode van 2 oktober 2017 tot 11 oktober 2017, evenals in een “Interview door externe deskundige met functiehouder – voorbereidende zelfevaluatie” op 9 of 10 oktober 2017.

Het kan bezwaarlijk twijfel lijden dat het op 9 oktober 2017

gehouden interview tussen de externe deskundige en verzoeker het in artikel 7

bedoelde voorbereidend evaluatiegesprek is. Het voorbereidende evaluatiegesprek heeft dus wel degelijk plaats gehad.

13.3. Weliswaar was op 9 oktober 2017 de termijn voor het beantwoorden van de online-vragenlijst nog niet helemaal verstreken en waren alsdan mogelijk nog niet alle antwoorden bekend.

Het euvel heeft verzoeker op het eerste gezicht niet kunnen schaden. Immers waren uiteindelijk alle respondenten, verzoeker buiten beschouwing gelaten, eensgezind in de (erg) negatieve beoordeling van de competenties en resultaatsgebieden die overeenkomstig verzoekers functiebeschrijving moesten worden getoetst. In die welbepaalde, concrete omstandigheden lijkt het voor de voorgeschreven “verdieping” van de resultaten van het onderzoek tijdens het voorbereidend evaluatiegesprek van 9 oktober 2017

zonder betekenisvolle invloed te zijn geweest dat (eventueel) nog niet alle antwoorden met betrekking tot de online-bevraging binnen waren.

Ten minste in de huidige stand van de procedure wordt niet aangenomen dat verzoeker bij het voorbereidend evaluatiegesprek onvoldoende kennis kon krijgen en kreeg van de resultaten van het onderzoek en onvoldoende in de gelegenheid was ze te bespreken.

X-17.064-12/17

De vermeldingen in het voorbereidend verslag van de externe deskundige van 20 oktober 2017, waarin van de gevoerde “verdiepende interviews” verslag wordt gedaan, bevestigen dat op het eerste gezicht.

13.4. De vierde grief is niet ernstig.

14.1. Artikel 10, derde lid, van het evaluatiereglement bepaalt dat het functioneringsgesprek een gesprek is tussen de betrokken functiehouder en het college van burgemeester en schepenen en de voorzitter van de gemeenteraad.

14.2. Het college van burgemeester en schepenen bestaat uit tien leden. Het beraadslaagt en beslist geldig als de meerderheid van de leden aanwezig is. Verzoeker voert aan dat één keer – tijdens het tweede functioneringsgesprek – één lid afwezig is geweest.

Ook is de voorzitter van de gemeenteraad één keer in de onmogelijkheid geweest aanwezig te zijn, om reden van (geattesteerde) ziekte.

Voor zoveel een en ander al een onwettigheid zou uitmaken, lijkt het er hoe dan ook geen die verzoeker heeft benadeeld.

In zoverre verzoeker zich in dit verband erover beklaagt dat de betrokkenen mee hebben geoordeeld over de bestreden beslissing zonder alle functioneringsgesprekken te hebben bijgewoond, mag er voorlopig mee volstaan worden op te merken dat van de functioneringsgesprekken verslagen werden opgesteld, waarvan de voormelde betrokkenen niet alleen kennis kónden nemen, maar die blijkens de formele motivering van de bestreden beslissing ook effectief bij het nemen van de bestreden beslissing in aanmerking zíjn genomen.

14.3. Volgens artikel 9 van het evaluatiereglement wordt de evaluatie gevolgd door een afsluitend evaluatiegesprek, waarin het evaluatieresultaat wordt meegedeeld, toegelicht en besproken. Dit afsluitend evaluatiegesprek wordt gevoerd met het college van burgemeester en schepenen en de voorzitter van de

X-17.064-13/17

gemeenteraad. De aanwezigheid daarbij van M. V., als externe deskundige, is geen vereiste.

14.4. Ook de vijfde en laatste grief doet er niet van blijken dat de verwerende partij de in het middel aangevoerd rechtsregels heeft geschonden. De grief is niet ernstig.

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

15. Verzoeker leidt een derde middel af uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, van artikel 8 van het evaluatiereglement, van de formele- en de materiëlemotiveringsplicht, van het evenredigheidsbeginsel, het patere legem quam ipse fecisti-beginsel, het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel.

Toegelicht wordt, in substantie, dat de verwerende partij bij de beoordeling is uitgegaan van foutieve feitelijke gegevens doordat zij steeds de aangepaste rol van verzoeker binnen de organisatie heeft miskend. Zo wordt hem meermaals verweten “onzichtbaar” te worden, terwijl dat nochtans de rol is die hem werd toebedeeld. De beide respondentengroepen beoordelen verzoeker op zijn zogenaamde tekortkomingen en onzichtbaarheid, maar zijn eigenlijk niet op de hoogte van de taken waarop hij effectief beoordeeld dient te worden. De verwerende partij slaagt er niet in om “op afdoende wijze aan te tonen op grond waarvan werd beslist tot een tweede ongunstige evaluatie van verzoeker”.

X-17.064-14/17

Beoordeling

16. Volgens artikel 8 van het evaluatiereglement “legt het evaluatiecomité de evaluatie vast in een kwalitatief, beschrijvend evaluatieverslag, op afdoende wijze onderbouwd”.

17. De bestreden beslissing beslaat zes bladzijden.

Daarin wordt in de eerste plaats het voorbereidend verslag van de externe deskundige bijgevallen, opgesteld na een bevraging bij de leden van het managementteam (MAT), het college van burgemeester en schepenen, de voorzitter van de gemeenteraad en verzoeker zelf, waaruit blijkt “dat de heer Vanhoutte, niettegenstaande het verbetertraject van de bijzondere evaluatieperiode, nog steeds onvoldoende dan wel totaal onvoldoende scoort voor alle competenties en resultaatsgebieden, zowel bij de respondenten van het MAT

als het college van burgemeester en schepenen”. Het evaluatiecomité voegt daar onder meer aan toe dat verzoeker “nog steeds een zeer passieve indruk [geeft] als financieel beheerder, hetgeen hem zo goed als onzichtbaar maakt in de organisatie”. Doordat hij weinig verantwoordelijkheidszin en pro-activiteit vertoont, is hij gemarginaliseerd binnen de gemeentelijke organisatie, en de taken die hij opneemt “lijken een meer dan onverantwoorde tijdsimpact te hebben” op zijn werking.

18. Door het evaluatiecomité vóór het nemen van de bestreden beslissing in de gelegenheid gesteld zijn opmerkingen over voormeld voorbereidend verslag van de externe deskundige te geven, beperkte verzoeker zich ertoe te doen gelden dat hij steeds zijn rol heeft waargenomen en dat hij, rekening houdend met de taak van de ad-interimmanager Financiën, zich “[i]n afspraak” “wat op de achtergrond [hield]”, reden waarom hij “minder zichtbaar was”.

Ten minste in de huidige stand van de procedure vermag dit niet te overtuigen. Naar het de Raad van State vooralsnog voorkomt, mocht en kon

X-17.064-15/17

verzoeker er niet onbekend mee zijn dat van hem verwacht werd dat hij “zichtbaarder” zou worden door meer daadkracht en proactiviteit aan de dag te leggen. De omstandigheid dat niet hij, maar de ad-interimmanager Financiën voor de “interne communicatie” zou instaan, spreekt dat niet beslissend tegen.

19. Waar verzoeker zijn geringe zichtbaarheid duidelijk niet betwist, lijkt het dan ook allesbehalve foutief in de bestreden beslissing te overwegen:

“Het comité stelt vast dat er helemaal niks geworden is van de ambities van de heer Vanhoutte zoals door hem verwoord tijdens het traject van de bijzonder[e] evaluatie. Zo wist hij tijdens het eerste feedbackgesprek te zeggen dat hij terug de leiding wenst te nemen over financiën en dat hij een hoofdboekhouder wil aanstellen. Tijdens het twee feedbackgesprek stelde de heer Vanhoutte het volgende: ‘dat hij voortaan no nonsense probeert te zijn. Hij wil vergeten wat er geweest is. Maar hij spreekt voortaan wel de mensen meer open aan. Hij heeft dit geleerd sinds vorige keer. Hij zal meer proactiever zijn, er is nu geen rem meer. Dit alles heeft hij van zich afgezet’. Uit de 360-evaluatie is evenwel gebleken dat de heer Vanhoutte minstens even passief en weinig performant is als voordien en hij het echte werk overlaat aan de Interim-manager Financiën. Er werd geen enkel initiatief door de heer Vanhoutte genomen om een hoofdboekhouder aan te stellen.”

20. In de tweede plaats wordt in de bestreden beslissing aandacht besteed aan de bijzondere opdracht die verzoeker in het planningsdocument met betrekking tot een mogelijke integratie OCMW-stad Kortrijk was gegeven. Het evaluatiecomité beargumenteert uitvoerig dat verzoeker “zijn bijzondere opdracht ruimschoots onvoldoende heeft uitgeoefend”.

De verwerende partij is in de nota op het eerste gezicht terecht van mening dat verzoeker die argumentatie niet ontkracht door er alleen een verwijzing naar zijn stuk 47 (voorbereiding vierde functioneringsgesprek)

tegenover te stellen.

21. Verzoeker doet niet aannemen dat de bestreden beslissing onvoldoende formeel gemotiveerd of inhoudelijk onderbouwd is, of anderszins de in het middel aangevoerde rechtsregels schendt. Het derde middel is niet ernstig.

X-17.064-16/17

D. Slotsom

22. Uit wat voorafgaat volgt dat geen ernstige middelen worden aangevoerd. Dit volstaat om de vordering tot schorsing en tot het bevelen van een voorlopige maatregel te verwerpen.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.

2. De Raad van State verwerpt de vordering tot het bevelen van een andere voorlopige maatregel.

3. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verwerende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien november 2017, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:

Johan Lust, kamervoorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier.

De griffier De voorzitter

Frank Bontinck Johan Lust

X-17.064-17/17

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.910