Court dismisses appeal against administrative fine for overloading, rejecting reasonable time limit and recidivism arguments.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the appeal filed by SA Jost and Pierre Drion against an administrative fine of 4,500 euros imposed for vehicle overloading. The court found that the procedural timeline complied with statutory deadlines and that the alleged delay in issuing the auditor's report did not constitute a reasonable time violation. Consequently, the decision to impose the fine and hold the company civilly liable was upheld, and the appellants were ordered to bear the legal costs.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 3, 17, and 21ter of the Decree of 3 May 2013 on the protection of road infrastructure; The Council of State lacks jurisdiction to apply recidivism provisions under Article 21ter of the Code of Criminal Procedure and will not examine diligence beyond explicit statutory deadlines.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIIe KAMER
nr. 239.904 van 17 november 2017
in de zaak A. 216.964/XII-8041
In zake: 1. SA JOST
2. Pierre DRION
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alain Franken kantoor houdend te 4000 Liège Boulevard de la Sauvenière 91
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
het VLAAMSE GEWEST
woonplaats kiezend bij Agentschap Wegen en Verkeer T.a.v. Veerle Van Empten Koning Albert II-laan 20/4
1000 Brussel
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 14 september 2015, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Vlaamse Gewest van 17 juli 2015 om aan Pierre Drion een administratieve geldboete van 4.500 euro op te leggen wegens inbreuk op het verbod om het wegdek te beschadigen door overlading van een voertuig en de SA Jost burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze geldboete.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
XII-8041-1/39
Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 september 2017.
Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Marion Lapage, die loco advocaat Alain Franken verschijnt voor de verzoekende partij, en adjunct van de directeur Veerle Vanempten, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Op 1 juli 2014 wordt een vrachtauto met aanhangwagen, bestuurd door Pierre Drion, de tweede verzoekende partij en werknemer van de eerste verzoekende partij, door de Wegeninspectie gecontroleerd op de autosnelweg E313 te Tessenderlo. Bij weging van het voertuig wordt vastgesteld dat de vrachtauto overladen is op de tweede as met 3.198 kg en op de derde as met 1.801 kg. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: het decreet bijzonder wegtransport).
XII-8041-2/39
3.2. Op 14 juli 2014 wordt het proces-verbaal bezorgd aan de procureur des Konings te Hasselt met het verzoek om overeenkomstig artikel 17, § 3, van het decreet bijzonder wegtransport binnen een termijn van 60 dagen mee te delen welk gevolg aan de zaak zal worden gegeven. Op 17 juli 2014 wordt meegedeeld dat de procureur des Konings geen vervolging zal instellen.
3.3. Op 14 oktober 2014 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de tweede verzoekende partij een administratieve geldboete van 4.500 euro op te leggen en de eerste verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve geldboete.
3.4. Op 24 oktober 2014 tekenen de verzoekende partijen bezwaar aan tegen die beslissing.
Op 9 februari 2015 vindt een hoorzitting plaats.
Op 3 maart 2015 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de tweede verzoekende partij een administratieve geldboete van 4.500 euro op te leggen en de eerste verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve geldboete. Deze beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht.
3.5. Op 20 maart 2015 stellen de verzoekende partijen tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse regering.
Op 19 mei 2015 vindt een hoorzitting in beroep plaats.
Op 17 juli 2015 beslist de administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer aan de tweede verzoekende partij een admini-
stratieve geldboete van 4.500 euro op te leggen en de eerste verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve
XII-8041-3/39
geldboete. Die beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht.
Dit is de bestreden beslissing.
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste Middel
Uiteenzetting van het middel
4. De verzoekende partijen voeren in een eerste middel de verjaring van de strafvordering aan. Zij wijzen erop dat de inbreuk die de tweede verzoekende partij wordt verweten een overtreding betreft. Artikel 68 van “de wet van 16 maart 1968” bepaalt dat de verjaringstermijn voor een verkeers-
overtreding hoogstens een jaar bedraagt. De feiten die de tweede verzoekende partij worden verweten zijn gebeurd op 11 juni 2014. Ze zijn dus ondertussen verjaard. De tweede verzoekende partij moet dan ook worden ontlast van de administratieve geldboete, zodat er geen sprake van kan zijn om de eerste verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling ervan. Een andere redenering zou volgens hen een schending inhouden van het beginsel dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet omdat de verjaringstermijn dan zou verschillen al naargelang de zaak voor een strafrechter of voor de verwerende partij wordt gebracht.
5. In de memorie van wederantwoord blijven de verzoekende partijen erbij dat te dezen de verjaringstermijn bepaald in de “wet van 16 maart 1968” van toepassing zou zijn.
6. In de laatste memorie betwisten de verzoekende partijen dat te dezen een verjaringstermijn van vijf jaar van toepassing zou zijn. De verbalisanten maken ook gewag van een overtreding in de zin van de “wet van
XII-8041-4/39
1968 betreffende het verkeersreglement”, naast een overtreding van het decreet bijzonder wegtransport; “aangezien deze wet een afwijkende bepaling is van het gemeenrecht [moet] ze op een restrictieve manier geïnterpreteerd […] worden, inzonderheid met betrekking tot de verjaringstermijn”. De verzoekende partijen menen tenslotte dat deze vraag in elk geval op zijn minst zou moeten worden gesteld op het ogenblik dat het te wijzen arrest wordt opgesteld.
Beoordeling
7. In artikel 14, § 2, van het decreet bijzonder wegtransport worden de straffen voor een inbreuk op artikel 3, tweede lid, van dit decreet bepaald. Het gaat om correctionele straffen. Bijgevolg dient de inbreuk op deze bepaling als een wanbedrijf te worden beschouwd.
In het proces-verbaal maken de verbalisanten enkel gewag van een inbreuk op artikel 3, alinea 1 en 2, van het decreet bijzonder wegtransport en de bestreden beslissing steunt ook niet op een vervolging voor een “overtreding in de zin van de wet van 1968 betreffende het verkeersreglement” maar wel op één voor een inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport; artikel 68 van wet van 16 maart 1968 ‘betreffende de politie over het wegverkeer’ is te dezen dus niet van toepassing. Aldus gelden in beginsel de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen.
Overeenkomstig artikel 21, eerste lid, 4°, van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering is de verjaringstermijn van een wanbedrijf in beginsel vijf jaar.
Aldus blijkt het middel op een onjuist juridisch uitgangspunt te berusten.
8. Er blijkt in het licht van het voorgaande niet dat de toepasselijke verjaringstermijn een schending van het gelijkheidsbeginsel met zich zou
XII-8041-5/39
meebrengen. Of de inbreuk nu door een strafrechter of door de verwerende partij wordt afgehandeld, de verjaringstermijn is in beide gevallen immers vijf jaar.
9. Het eerste middel wordt verworpen.
B. Tweede Middel
Uiteenzetting van het middel
10. De verzoekende partijen voeren in een tweede middel de schending aan van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM).
In een eerste onderdeel wijzen zij erop dat zij niet in een taal die zij begrijpen op de hoogte werden gesteld van de feiten die hen ten laste werden gelegd. De verzoekende partijen kennen geen Nederlands. Desondanks werd de vaststelling van de overtreding enkel in het Nederlands opgesteld. Bovendien was ook de brief waarbij een administratieve geldboete werd opgelegd en waarin de rechtsmiddelen tegen die beslissing werden vermeld enkel in het Nederlands opgesteld. Vervolgens wijzen de verzoekende partijen erop dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in een arrest van 14 oktober 2014
heeft geoordeeld dat artikel 6 EVRM voorziet in het recht op gratis bijstand van een tolk, niet enkel voor mondelinge verklaringen ter zitting maar ook voor de geschreven stukken van het voorbereidend onderzoek. De verzoekende partijen hadden bijstand van een tolk moeten krijgen en het strafdossier had moeten worden vertaald. Geen van beide is te dezen het geval geweest hoewel de eerste verzoekende partij op de hoorzitting in beroep werd vertegenwoordigd door een aangestelde. Het feit dat beroep bij de Raad van State mogelijk is, doet hieraan geen afbreuk: de verwerende partij moet artikel 6 EVRM naleven.
In een tweede onderdeel betogen de verzoekende partijen dat de huidige vervolging wordt gevoerd op grond van het eerste verhoor van de
XII-8041-6/39
vrachtwagenbestuurder. De procedure is niet regelmatig verlopen omdat de vrachtwagenbestuurder niet de mogelijkheid had om zich bij het eerste verhoor door een advocaat te laten bijstaan. Zij verwijzen hierbij naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 27 november 2008 in de zaak Salduz t. Turkije, naar de wijziging van het wetboek van strafvordering door de wet van 13 augustus 2011 en naar het arrest nr. 7/2013 van 14 februari 2013 van het Grondwettelijk Hof, dat oordeelde dat ook bij verkeersovertredingen deze mogelijkheid moet worden geboden voordat de verbalisanten een eerste verhoor afnemen. Te dezen is het gebrek aan voorafgaand overleg met een advocaat des te nadeliger aangezien het dossier niet het verhoor van de vrachtwagenbestuurder bevat. Bovendien schrijven de verbalisanten dat de betrokkene afstand doet van zijn recht op overleg met een advocaat in een ondertekend document, maar dat document blijkt niet te zijn ondertekend.
11. In de memorie van wederantwoord betogen de verzoekende partijen, wat het eerste middelonderdeel betreft, dat het feit dat zij conclusies in het Frans hebben kunnen indienen en dat hun advocaat zich in het Frans heeft kunnen uitdrukken, geen afbreuk doet aan het feit dat hen de bijstand van een tolk werd geweigerd. De eerste verzoekende partij had één van haar werknemers afgevaardigd op de hoorzitting, de ambtenaren van de verwerende partij hebben zich in het Nederlands uitgedrukt en deze afgevaardigde begreep hen niet. De verzoekende partijen verwijzen naar een arrest van het Hof van Cassatie van 10 november 2015 waaruit volgens hen blijkt dat er gevolg moet worden gegeven aan het verzoek tot bijstand van een tolk. Zij merken nog op dat hoewel een doorverwijzing naar een rechtscollege van een andere taalrol uiteraard niet mogelijk is voor een administratieve rechtscollege, dit uiteraard wel impliceert dat er gevolg moet worden gegeven aan het verzoek tot bijstand van een tolk.
Wat het tweede middelonderdeel betreft, benadrukken de verzoekende partijen dat uit het arrest van het Grondwettelijk Hof van 14 februari 2013 volgt dat verkeersovertredingen onder het toepassingsgebied van de Salduz-
wet vallen. Bovendien stellen zij vast dat er geen schriftelijke verklaring bij het
XII-8041-7/39
dossier van de rechtspleging werd gevoegd en deze ook geen enkele vermelding bevat dat deze verklaring bezorgd zou zijn geweest aan de vrachtwagen-
bestuurder die geweigerd zou hebben om deze in te vullen, zodanig dat het niet bewezen is dat deze verklaring hem werd aangeboden. Zij benadrukken dat de rechten van verdediging niet werden geëerbiedigd doordat de volledige rechtspleging werd gevoerd in een taal die de verzoekende partijen niet begrijpen;
dat er nooit een vertaler tot haar beschikking werd gesteld, dat het dossier geen schriftelijke verklaring bevat van de vrachtwagenbestuurder of de onderneming, dat zij hun opmerkingen niet hebben kunnen doen gelden aangezien de vrachtwagenbestuurder er nooit van op de hoogte werd gebracht dat hij gebruik kon maken van de bijstand van een raadsman, dat het bewijs niet wordt geleverd van de goede werking van de weegbrug, en dat er in het dossier geen enkel objectief element is waaruit kan worden afgeleid dat de verzoekende partijen de inbreuk niet zouden betwisten.
12. In de laatste memorie betogen de verzoekende partijen nog met betrekking tot het eerste middelonderdeel, dat hoewel de groep Jost inderdaad een grote onderneming is, die zijn activiteiten (ook) in het Nederlandstalig gedeelte uitoefent, er niettemin dient te worden vastgesteld dat de vennootschappen die er deel van uitmaken een eigen rechtspersoonlijkheid hebben, dat de vennootschap in kwestie tot de Franstalige taalrol behoort, en zijn maatschappelijke zetel in het Franstalig landsgedeelte ligt, zodat deze zich gemakkelijker in het Frans uitdrukt.
Voorts menen de verzoekende partijen dat de afwezigheid van de mogelijkheid tot doorverwijzing naar een rechtscollege van de andere taalrol neerkomt op een schending van het gelijkheidsbeginsel. De verzoekende partijen menen ook nog dat het feit dat in deze zaak diverse rechtsmiddelen worden aangevoerd, aantoont dat het toch niet zomaar een eenvoudige zaak betreft. Zij betwisten tevens nog dat zij niet benadeeld zouden zijn geweest door de afwezigheid van een tolk op de hoorzitting, nu de eerste verzoekende partij een vertegenwoordiger van haar personeel had afgevaardigd, terwijl nochtans een transportbedrijf beter dan wie dan ook geplaatst is om uitleg te verschaffen over de technische omstandigheden met betrekking tot dit soort zaken. Hetzelfde geldt volgens hen met betrekking tot
XII-8041-8/39
de vragenlijsten die zogezegd bezorgd zouden zijn geweest.
Wat het tweede onderdeel betreft, volharden de verzoekende partijen in hetgeen zij reeds hebben uiteengezet.
Beoordeling
Wat het gebruik der talen betreft
13. In het eerste middelonderdeel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 6, lid 3, a) en e), EVRM.
Niet betwist wordt dat de administratieve geldboetes die wegens inbreuken op het decreet bijzonder wegtransport door de verwerende partij kunnen worden opgelegd een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van het voormelde artikel, zodat de rechtzoekende aan wie ze worden opgelegd aan-
spraak moet kunnen maken op de waarborgen vervat in deze verdragsbepaling.
De daarin vervatte taalwaarborgen verlenen de strafrechtelijk vervolgde persoon evenwel niet het recht om de taal van de rechtspleging te kiezen. Met toepassing van artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 ‘op het gebruik der talen in gerechtszaken’ (hierna: de taalwet in gerechtszaken), worden de processen-verbaal betreffende de opsporing en vaststelling van misdrijven in het Nederlandse taalgebied in het Nederlands gesteld. Voorts dient de verwerende partij, in overeenstemming met artikel 36 van de gewone wet van 9 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ (hierna: GWHI), de zaak in het Nederlands te behandelen. De beslissingen van de wegeninspecteur-controleur en de minister dienden bijgevolg in het Nederlands te worden opgesteld.
Uit artikel 6, lid 3, a) en e), EVRM volgt wel de verplichting om de betrokkene in een taal die hij verstaat in kennis te stellen van de hem ten laste gelegde feiten en de juridische omschrijving ervan en om hem kosteloos te
XII-8041-9/39
doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal welke ter zitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt. De rechter beoordeelt of de overtreder op de hoogte werd gebracht van de feiten die hem worden verweten in een taal die hij voldoende verstond en of de bijstand van een tolk is vereist opdat zijn recht van verdediging in acht zou zijn genomen. De overtreder moet zichzelf kunnen verdedigen en in het bijzonder de mogelijkheid hebben om de rechter zijn versie van de feiten voor te leggen. De beoordeling van het voorgaande dient bijgevolg te gebeuren in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak, waarbij onder meer de complexiteit van de inbreuk of het dossier en de talenkennis van de overtreder een rol spelen. De mate waarin een gedetailleerde kennis van de in de procedure gehanteerde voertaal is vereist, neemt dan ook toe naarmate de inbreuk of het dossier complexer wordt.
Dit geldt eveneens voor de vraag of een rechtspleging zonder bijstand van een tolk, de uitoefening van de rechten van verdediging van de overtreder heeft miskend. Anders dan de verzoekende partijen te dezen veronderstellen, gaat artikel 6, lid 3, e), EVRM blijkens de rechtspraak van het Europees hof voor de Rechten van de Mens niet zo ver dat deze bepaling een vertaling vereist van elk schriftelijk bewijsstuk of van elk officieel stuk van het dossier. In dit opzicht heeft het Hof er op gewezen dat de betrokken bepaling verwijst naar de bijstand van een tolk en niet van een vertaler (EHRM
4 november 2010, nr. 22575/08, Katritsch t. Frankrijk, nr. 41 en 43; EHRM 6 juli 2009, nr. 16084/90, Protopapa t. Turkije nr. 80 en EHRM 18 oktober 2006, nr. 18114/02, Hermi t. Italië, nr. 70) en dat de uitoefening van het voormelde recht op vertolking veronderstelt dat de betrokkene aanwezig is op de zitting (EHRM 14 februari 2017, nr. 30749/12, Hokkeling t. Nederland).
Te dezen dient te worden vastgesteld dat de betrokken inbreuk een relatief eenvoudige inbreuk betreft waarvoor duidelijk bewijsmateriaal bestaat – dat wordt vergaard met gebruik van een asweger – en waaraan eenvoudige feiten – de overlading – ten grondslag liggen. De inbreuk geeft evenmin aanleiding tot een omvangrijk of ingewikkeld dossier. Het feit dat de
XII-8041-10/39
verzoekende partijen in de voorliggende zaak vele middelen aanvoeren, doet niet anders oordelen.
De verzoekende partijen maken noch in het verzoekschrift noch in de memorie van wederantwoord geloofwaardig dat zij de draagwijdte van de aan de tweede verzoekende partij ten laste gelegde feiten, die, het weze herhaald, te dezen van zeer eenvoudige aard zijn –de strafbare gedraging bestaat uit het besturen van een overladen voertuig– niet zouden hebben begrepen. Daarenboven blijkt uit het administratief dossier dat de verzoekende partijen op behoorlijke wijze hun verdediging op zich hebben genomen tijdens de bestuurlijke procedure en in de taal van hun keuze hun standpunten over de feiten hebben kunnen doen gelden en deze hebben kunnen betwisten. Op de hoorzitting hebben zij ook hun standpunten kunnen doen gelden in de taal van hun keuze en uit het verslag van de hoorzitting, zoals dit bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt dat de aanwezige ambtenaar dat relaas goed heeft begrepen. De tweede verzoekende partij – de vrachtwagenbestuurder – was trouwens blijkens het verslag van de hoorzitting in beroep daarop niet aanwezig. In het licht van haar vrijwillige afwezigheid op de hoorzitting blijkt niet hoe de tweede verzoekende partij in haar belangen zou zijn geschaad door de afwezigheid van een tolk Nederlands-Frans op de hoorzitting in beroep. Wat de eerste verzoekende partij betreft, dient te worden vastgesteld dat ernstige vragen rijzen bij de stelling dat deze het Nederlands niet machtig zou zijn en nood zou hebben aan de bijstand van een tolk op de hoorzitting. Het gaat immers om een vennootschap die deel uitmaakt van de Jost Group, een grootschalige transportonderneming die ook in het Vlaamse Gewest aanzienlijke commerciële activiteiten ontwikkelt en aldus mag worden geacht het Nederlands te beheersen of minstens te beschikken over medewerkers die het Nederlands beheersen.
De verwijzing naar een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 14 oktober 2014 leidt niet tot een ander besluit. Dat arrest betreft immers geen vergelijkbare eenvoudige verkeersinbreuk, maar een ongeletterd persoon die in Turkije werd vervolgd omwille van terroristische
XII-8041-11/39
activiteiten. De Raad van State ziet niet in hoe de bevindingen inzake de toepassing van artikel 6 EVRM in een dergelijke context ook op huidig geval van toepassing zouden zijn.
Het arrest van het Hof van Cassatie van 10 november 2015
waar de verzoekende partijen naar verwijzen leidt evenmin tot een ander besluit.
Dit arrest handelt over de toepassing van artikel 23 van de taalwet gerechtszaken en de weigering van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde om een zaak door te verwijzen naar een Franstalige rechtbank. De verzoekende partijen maken op generlei wijze aannemelijk dat deze wet op de huidige zaak van toepassing zou zijn.
De in de laatste memorie daaruit voortvloeiende aangeklaagde ongelijke behandeling van de verzoekende partijen –daargelaten de ontvanke-
lijkheid van deze in de laatste memorie aangevoerde grief– doordat zij in het kader van de administratieve procedure niet de mogelijkheid hebben om de zaak door te verwijzen naar een rechtbank van een andere taalrol die wel geldt bij een strafrechtelijke procedure, heeft betrekking op de inhoud en de draagwijdte van het decreet bijzonder wegtransport en de taalwet gerechtszaken. De Raad van State heeft geen rechtsmacht om een dergelijke kritiek te beoordelen.
Het eerste middelonderdeel wordt verworpen.
Wat de bijstand van een advocaat betreft
14. In het tweede middelonderdeel klagen de verzoekende partijen aan dat de tweede verzoekende partij –de vrachtwagenbestuurder– niet de mogelijkheid werd geboden om zich bij het eerste verhoor door een advocaat te laten bijstaan.
Niet elke ondervraging van een persoon, waarbij inlichtingen en bewijselementen worden verzameld die op het bestaan van een misdrijf zouden
XII-8041-12/39
kunnen wijzen, mag worden beschouwd als een “verhoor”.
In het arrest van het Grondwettelijk Hof van 14 februari 2013
waar de verzoekende partijen herhaaldelijk naar verwijzen, wordt aldus juist gesteld dat in de voorbereidende werken van de wet van 13 augustus 2011 ‘tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en van de wet van 20 juli 1990
betreffende de voorlopige hechtenis’, die ertoe strekt aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, een aantal situaties worden vermeld die niet overeenstemmen met de definitie van het verhoor, zoals het verzamelen van inlichtingen op de plaats van het delict tijdens de eerste fase van het onderzoek, de spontane mededelingen, de antwoorden op een schriftelijke vragenlijst waarin beperkte informatie wordt gevraagd of de verklaringen in het kader van een administratief onderzoek (GwH 14 februari 2013, nr. 7/2013. B.5.5).
De Raad van State verwijst voorts naar het arrest Zaichenko waarin het EHRM aangaande een verhoor zonder bijstand van een advocaat tijdens een wegcontrole tot de niet-schending van artikel 6, lid 3, c), EVRM, besloot. Volgens het Hof wezen de omstandigheden van de zaak niet op een noemenswaardige beperking van de vrijheid van handelen van de betrokken persoon van die aard dat de bijstand van een advocaat vanaf dat ogenblik vereist zou zijn (EHRM 18 februari 2010, Zaichenko t. Rusland, nr. 39660/02, §§ 47 en 48). Het Hof wijst ook op de eerder beperkte rol van de verbalisanten en stelt vast dat het strafonderzoek pas werd geopend na de toezending van het verslag of het proces-verbaal van de verbalisanten aan de bevoegde overheid (§ 49). Deze vaststellingen gaan ook op voor de voorliggende wegcontrole waarbij het voertuig wordt gewogen door de asweger en waarna de vrachtwagenbestuurder vervolgens mag beschikken en zijn rit met zijn voertuig mag verder zetten.
XII-8041-13/39
De kritieken die de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord doen gelden en die ook worden aangevoerd bij hun overige middelen, zullen worden besproken bij het onderzoek van die middelen.
Het tweede onderdeel van het tweede middel wordt verworpen.
15. Het tweede middel wordt in zijn geheel verworpen.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
16. De verzoekende partijen voeren in een derde middel machtsafwending aan.
Artikel 36 van de wet van 9 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ bepaalt dat het bestuur het Nederlands dient te gebruiken. Dit betekent niet dat personen die niet in het Nederlands taalgebied gevestigd zijn het Nederlands dienen te gebruiken ten aanzien van het bestuur. Daarenboven bepaalt artikel 39 van deze wet dat het gewest de mogelijkheid heeft om met particulieren die in een ander taalgebied wonen te corresponderen in de taal waarvan de betrokkenen gebruik maken. Om te voldoen aan artikel 6, lid 3, a), EVRM, had de verwerende partij dan ook met de verzoekende partijen enkel in het Frans mogen corresponderen. De verwerende partij gebruikt trouwens het Frans om de administratieve geldboete te innen. Met deze handelwijze, die enkel tot doel heeft de overtreders te verhinderen om hun rechten van verdediging te laten gelden en op een zo gemakkelijk mogelijke manier de betaling van de boetes te verkrijgen, maakt de verwerende partij zich schuldig aan machtsafwending.
17. In hun memorie van wederantwoord herhalen de verzoekende partijen hun standpunt dat de verwerende partij niet zorgt voor een vertaling van haar briefwisseling wanneer zij hier zelf geen baat bij heeft en zich zo schuldig
XII-8041-14/39
maakt aan machtsafwending.
18. In de laatste memorie benadrukken de verzoekende partijen dat het machtsmisbruik in hoofde van de verwerende partij wel degelijk is aangetoond, nu vaststaat dat de verwerende partij in staat is zich in het Frans te richten tot de overtreder om de betaling van de boetes te verkrijgen, doch weigert om de stukken van het dossier te vertalen, dat het strafdossier geen enkel bewijs bevat voor het feit dat de vrachtwagenbestuurder een vragenlijst zou hebben ingevuld en de aanwezigheid van een tolk wordt geweigerd, zodat het enige doel van het bestuurslichaam erin bestaat om buitenlandse overtreders gemakkelijker te kunnen veroordelen en wanneer dit eenmaal is gebeurd, contact op te nemen met de overtreder in zijn moedertaal om de betaling van de boete te verkrijgen.
Beoordeling
19. Artikel 36 van de gewone wet van 9 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ (GWHI) regelt het gebruik van de talen door de “diensten van de Executieven waarvan de werkkring het gehele ambtsgebied van de Vlaamse Gemeenschap, van de Franse Gemeenschap of van het Waalse Gewest bestrijkt”, als volgt:
“§ 1. Behoudens de bepalingen van § 2 gebruiken:
1° de diensten van de Vlaamse Executieve het Nederlands als bestuurstaal;
2° de diensten van de Franse Gemeenschapsexecutieve en die van de Waalse Gewestexecutieve, het Frans als bestuurstaal.
§ 2. Met betrekking tot de gemeenten met een speciale taalregeling uit hun ambtsgebied, is op de in § 1 bedoelde diensten de taalregeling van toepassing die door de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken is opgelegd aan de plaatselijke diensten van die gemeenten, voor de berichten, mededelingen en formulieren die bestemd zijn voor het publiek, voor de betrekkingen met particulieren en voor het opstellen van akten, getuigschriften, verklaringen en vergunningen.
Voor hun betrekkingen met de openbare besturen, waarvan de zetel gevestigd is in een gemeente van het Duits taalgebied, gebruiken de diensten van de Waalse Gewestexecutieve het Duits.
§ 3. […].”
XII-8041-15/39
Aangezien de verzoekende partijen niet in een gemeente met een speciale taalregeling gevestigd zijn dan wel wonen, wordt in de bestreden beslissing terecht vastgesteld dat de Vlaamse overheid in overeenstemming met het voormelde artikel 36 het Nederlands als bestuurstaal dient te gebruiken.
In de bestreden beslissing wordt, anders dan de verzoekende partijen doen gelden, overigens niet gesteld dat personen die niet in het Neder-
lands taalgebied gevestigd zijn uitsluitend het Nederlands dienen te gebruiken ten aanzien van het bestuur. Zij hebben –zoals reeds vastgesteld bij de beoordeling van het tweede middel– zowel in hun conclusies als op de hoorzitting het Frans kunnen gebruiken zonder dat blijkt dat zij door het hanteren van die taal benadeeld zouden zijn geweest door de verwerende partij.
20. Het door de verzoekende partijen ingeroepen artikel 39 GWHI
luidt:
“Op de in artikel 37 bedoelde diensten, waarvan de werkkring zowel gemeenten zonder speciale taalregeling als gemeenten met een speciale taalregeling uit eenzelfde taalgebied omvat, is, met betrekking tot de gemeenten met een speciale taalregeling, de taalregeling van toepassing die door de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken is opgelegd aan de plaatselijke diensten van die gemeenten, voor de berichten, mededelingen en formulieren die bestemd zijn voor het publiek, voor de betrekkingen met particulieren en voor het opstellen van akten, getuigschriften, verklaringen, machtigingen en vergunningen.
De diensten worden derwijze georganiseerd dat, zonder enige moeite, kan worden voldaan aan de bepalingen van het eerste lid.”
Het in deze bepaling genoemde artikel 37 luidt op zijn beurt:
“De bepalingen van deze afdeling zijn toepasselijk op de gecentraliseerde en gedecentraliseerde diensten van de Vlaamse Executieve, van de Franse Gemeenschapsexecutieve en van de Waalse Gewestexecutieve, waarvan de werkkring niet het gehele ambtsgebied van de Gemeenschap of het Gewest, al naar het geval, bestrijkt.”
Anders dan de verzoekende partijen doen gelden blijkt aldus niet uit artikel 39 dat dit de verwerende partij de mogelijkheid zou bieden om met
XII-8041-16/39
particulieren die in een ander taalgebied wonen te corresponderen in de taal waarvan de betrokkenen gebruik maken. Dit artikel betreft immers gemeenten met een speciale taalregeling uit hetzelfde taalgebied.
Het middel berust dan ook op een onjuist juridisch uitgangspunt.
21. Waar de verzoekende partijen in dit middel de verwerende partij machtsafwending verwijten dienen zij erop te worden gewezen dat een verzoekende partij die machtsafwending inroept het bewijs moet leveren dat de beweegredenen die het bestuur opgeeft voor een bepaalde handeling niet de werkelijke beweegredenen zijn. Een dergelijke verzoekende partij moet met andere woorden het bewijs leveren dat het bestuur met de bestreden beslissing uitsluitend een ongeoorloofd oogmerk nastreeft. De omstandigheid dat de verwerende partij in overeenstemming met artikel 36 GWHI het Nederlands heeft gebruikt in de bestuurlijke procedure en de brief van betaling in het Frans heeft gesteld, toont dit alleszins niet aan.
22. Het derde middel wordt verworpen.
D. Vierde middel
Uiteenzetting van het middel
23. De verzoekende partijen voeren in een vierde middel aan dat het strafdossier hen niet volledig werd bezorgd. Zij wijzen erop dat het bewijs van de seponering door het Parket pas bij de beslissing na bezwaar werd bezorgd.
Het gaat niet om een beslissing tot seponeren, waarbij zij verwijzen naar het vijfde middel.
Evenmin werd aan de verzoekende partijen de verklaring van de vrachtwagenbestuurder bezorgd. Volgens de bestreden beslissing zou de vracht-
wagenbestuurder hebben geweigerd een vragenlijst in te vullen, wat het
XII-8041-17/39
ontbreken van een vragenlijst zou verklaren. Dit kan niet uit het dossier worden afgeleid.
24. In de memorie van wederantwoord voegen de verzoekende partijen niets substantieel toe aan hun betoog uit het verzoekschrift.
25. In de laatste memorie benadrukken de verzoekende partijen nog dat in het strafdossier helemaal niet wordt vermeld dat de vrachtwagenbestuurder geweigerd zou hebben om deze vragenlijst in te vullen, dat het proces-verbaal geen enkele vermelding bevat met betrekking tot een vragenlijst die overhandigd zou zijn geweest aan de vrachtwagenbestuurder en dat de verbalisanten genoegen nemen met onder rubriek 3 “Inlichtingen” te vermelden dat de betrokkene schriftelijk afstand doet van het recht op een vertrouwelijk overleg, doch dat deze “afstandsverklaring” nooit werd ondertekend. De verzoekende partijen menen dat ingevolge het ontbreken van een verhoor en van welke vragenlijst dan ook, het vrij moeilijk is om de morele en materiële elementen van de overtreding vast te stellen.
Beoordeling
26. Uit de bestreden beslissing blijkt dat aan de vrachtwagen-
bestuurder de vragenlijst die in gelijkaardige zaken doorgaans wordt voorgelegd niet werd voorgelegd. Evenmin blijkt hij door de Wegeninspectie te zijn verhoord. Het proces-verbaal moet daar bijgevolg geen melding van maken. De vaststelling van de inbreuk berust te dezen genoegzaam op eenvoudige materiële vaststellingen verricht door middel van een asweger.
Nu er dient te worden aangenomen dat er überhaupt geen vragenlijst werd ingevuld door de vrachtwagenbestuurder, blijkt niet hoe de verzoekende partijen zouden zijn gegriefd door het feit dat dit onbestaande document hun niet werd bezorgd.
XII-8041-18/39
27. Wat het niet-bezorgen van de beslissing tot seponering door het Parket betreft, blijkt het middel feitelijke grondslag te missen. Uit het administratief dossier blijkt immers dat deze beslissing reeds aan de verzoekende partijen werd bezorgd samen met de beslissing na bezwaar, genomen op 3 maart 2015. Er blijkt niet hoe het feit dat dit stuk hen met die beslissing werd bezorgd zou hebben benadeeld. Zij hebben dit stuk immers aan tegenspraak en kritiek kunnen onderwerpen zowel in het kader van het georganiseerd administratief beroep als thans in de procedure voor de Raad van State.
28. Het vierde middel wordt verworpen.
E. Vijfde middel
Uiteenzetting van het middel
29. In een vijfde middel doen de verzoekende partijen gelden dat niet is aangetoond dat het Parket zou hebben beslist om geen strafvervolging in te stellen.
Het decreet bijzonder wegtransport maakt de verwerende partij enkel bevoegd in zoverre het openbaar ministerie geen strafvervolging instelt.
Het komt aan de verwerende partij toe om dit bewijs te leveren.
Het stuk dat de verwerende partij voorlegt is ondertekend door “D. Aerts”. De verzoekende partijen kunnen onmogelijk weten wie dat is. Het stuk draagt een stempel “wegeninspectie”. Het stuk draagt ook de vermelding van het adres van de wegeninspectie. In die omstandigheden blijkt niet dat D. Aerts substituut-procureur te Hasselt is en geen ambtenaar van de verwerende partij.
Uit het dossier blijkt niet dat dit stuk aan het betrokken Parket werd bezorgd, noch door wie de vermelding “strafvervolging instellen” werd doorstreept.
XII-8041-19/39
30. In de memorie van wederantwoord benadrukken de verzoekende partijen dat niet blijkt dat D. Aerts wel degelijk substituut is te Hasselt en geen “agent” van de verwerende partij.
31. In de laatste memorie menen de verzoekende partijen nog dat de vaststelling dat uit het Belgisch Staatsblad blijkt dat D. Aerts wel degelijk substituut is, geen afbreuk doet aan hun vaststellingen met betrekking tot het feit dat de verwerende partij in het kader van de bestreden beslissing helemaal geen antwoord had geformuleerd op dit argument.
Beoordeling
32. In het Belgisch Staatsblad van 2 februari 2006 (editie 1), op bladzijde 5821, werd het koninklijk besluit van 17 september 2005 bekend-
gemaakt betreffende de vaste aanwijzing van de heer Aerts, D., tot eerste substituut-procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt.
Aldus blijkt de betrokken persoon wel degelijk magistraat van het openbaar ministerie te zijn en geen ambtenaar van de verwerende partij.
Voorts blijkt uit het administratief dossier dat het betrokken document wel degelijk aan het Parket te Hasselt werd bezorgd. De stempel “wegeninspectie” wordt door de verzoekende partijen selectief aangehaald, deze draagt immers voluit de vermelding “Wegeninspectie Ingekomen op:” en blijkt dus niet meer dan een datumstempel te betreffen. Nu de voornoemde magistraat van het openbaar ministerie het betrokken stuk heeft ondertekend, mag hij ook worden geacht de vermelding “strafvervolging instellen” te hebben doorstreept en daarmee te hebben beslist geen strafvervolging in te stellen. De bestreden beslissing mocht aldus, in antwoord op de grief dat “uit het aangeleverde stuk niet blijkt wie de beslissing tot niet vervolging heeft genomen”, vaststellen dat de beslissing tot niet vervolging werd genomen door een magistraat van het openbaar ministerie.
XII-8041-20/39
33. Het vijfde middel wordt verworpen.
F. Zesde Middel
Uiteenzetting van het middel
34. De verzoekende partijen voeren in een zesde middel de schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel. De ambtenaar die de boete in graad van bezwaar heeft opgelegd beschikt niet over de vereiste objectiviteit om van het dossier kennis te nemen en heeft er zelfs belang bij dat ingestelde beroepen falen. In sommige gevallen legt deze persoon de initiële geldboete op.
In andere zaken, zoals te dezen, doet deze persoon uitspraak in eerste aanleg. In andere gevallen voert deze persoon het verweer voor de Raad van State. Zij is dus betrokken in alle fasen van de procedure. Het feit dat beroep mogelijk is bij een andere ambtenaar doet aan deze vaststellingen geen afbreuk aangezien de ambtenaar bij wie het beroep wordt ingediend evenmin onpartijdig is en rekenschap dient af te leggen aan de minister. De verwerende partij ontneemt een aanleg aan de verzoekende partijen door de zaak in eerste aanleg door een partijdige ambtenaar te laten onderzoeken. De talrijke schendingen van de rechten van verdediging maken het mogelijk te beweren dat de ambtenaren van het Vlaamse Gewest niet aantonen te beschikken over de nodige onpartijdigheid om op een objectieve manier tot een besluit te komen in dit dossier. De verwerende partij is zowel rechter als partij. Het feit dat de Raad van State aan de eisen van onpartijdigheid en onafhankelijkheid voldoet, volstaat niet, aangezien de waarborgen van artikel 6 EVRM ook van toepassing moeten zijn op de procedure die de rechterlijke uitspraak voorafgaat.
35. In de memorie van wederantwoord betogen de verzoekende partijen dat het middel geen kritiek op het decreet uitmaakt. Niets in het decreet verplicht de verwerende partij om dezelfde ambtenaar te belasten met de analyse van het dossier als met het opstellen van de memorie van antwoord voor de Raad van State. Deze persoon kan niet tegelijk rechter en “vervolgende partij”
XII-8041-21/39
voor de Raad van State zijn.
36. In de laatste memorie wijzen de verzoekende partijen er nog op dat niet kan worden betwist dat het Vlaamse Gewest meerdere wegeninspecteurs tot haar beschikking heeft, zodat cumul – immers dezelfde ambtenaar legt de boete op, doet uitspraak in eerste aanleg en stelt de memories op in de huidige procedure voor de Raad van State – kan worden vermeden. Zij herhalen tevens dat de vrachtwagenbestuurder geen voorafgaandelijk overleg heeft gehad met zijn raadsman, dat het strafdossier niet de verklaring van de beschuldigde vrachtwagenbestuurder bevat en het ook niet aantoont dat deze zou hebben geweigerd om de vragenlijst in te vullen, dat er geen tolk ter beschikking werd gesteld, zij niet van de stukken in het Frans kennis hebben kunnen nemen en dat dezelfde ambtenaar in alle stadia van de rechtspleging is opgetreden.
Beoordeling
37. In het zesde middel wordt in essentie aangevoerd dat de admini-
stratieve geldboete wegens overtreding van het decreet bijzonder wegtransport niet wordt opgelegd door een onafhankelijke en onpartijdige instantie.
De wegeninspecteur-controleur en de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit treden bij het opleggen van een administratieve geldboete ingevolge een inbreuk op het decreet bijzonder wegtransport niet op als jurisdictioneel orgaan, maar wel als organen van het actief bestuur.
Ook organen van het actief bestuur moeten de onpartijdigheids-
plicht in acht nemen, doch voor hen geldt die verplichting niet zo absoluut als voor de rechter en ze moet verenigbaar zijn met de eigen aard, meer bepaald de eigen structuur van bestuur. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de wijze waarop de bestuurlijke procedure door de decreetgever wordt geregeld.
De omstandigheid dat het Agentschap Wegen en Verkeer waartoe de wegeninspecteurs-controleurs behoren, onder de verantwoordelijkheid
XII-8041-22/39
valt van de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit, is een gegeven dat eigen is aan de structuur van het bestuur en kan dienvolgens niet dienstig worden aangevoerd om de onpartijdigheid van de betrokken bestuursorganen te betwisten.
Ook al bevindt dit agentschap als instelling, zich in een ondergeschikte positie ten opzichte van de regering, zijn zowel de vaststelling van de aslasteninbreuken door wegeninspecteurs als de beslissing om een administratieve boete op te leggen wegens die inbreuken door wegeninspecteur-
controleurs, eigen bevoegdheden die het decreet bijzonder wegtransport toekent aan deze ambtenaren van dit agentschap; in de uitoefening van die bevoegdheden, zijn deze structureel onafhankelijk en ontsnappen ze aan het gezag van de minister. Voorts is het eigen aan de procedure van bezwaar dat dezelfde instantie – te dezen dezelfde wegeninspecteur-controleur – het bezwaar behandelt. Te dezen regelt het decreet bijzonder wegtransport de procedure van bezwaar:
binnen de dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving van de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete, kan bezwaar worden aangetekend;
in dat geval wordt de overtreder en in voorkomend geval de onderneming binnen de vijftien dagen na het instellen van het bezwaar uitgenodigd op een hoorzitting, de overtreder en de onderneming kunnen op de hoorzitting een nota indienen, zij mogen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, van de hoorzitting wordt een verslag opgemaakt en binnen dertig dagen na de hoorzitting dient de wegeninspecteur-controleur zijn beslissing mee te delen aan de overtreder en in voorkomend geval de onderneming.
Uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partijen zowel in bezwaar, als in beroep schriftelijke conclusies hebben neergelegd, dat zij telkens werden uitgenodigd voor de hoorzittingen, dat tijdens de hoorzitting in beroep hun raadsman de zaak kon toelichten en alle dienstige elementen kon aanvoeren ter verdediging van zijn cliënten, waarbij een ambtenaar voor de administratieve beroepsinstantie een schriftelijk relaas heeft genotuleerd van het verloop van de zitting, waarop de minister in de bestreden beslissing uitgebreid
XII-8041-23/39
heeft geantwoord zodat op bestuurlijk vlak de rechten van verdediging werden geëerbiedigd en het bestuur heeft doen blijken van de vereiste onafhankelijkheid en op zorgvuldige wijze heeft gehandeld. De verzoekende partijen kunnen dus niet worden bijgevallen waar zij doen gelden dat er te dezen sprake zou zijn van “talrijke schendingen van de rechten van verdediging” waaruit zou blijken dat de ambtenaren van het Vlaamse Gewest niet beschikken over de nodige onpartijdigheid om op een objectieve manier tot een besluit te komen in dit dossier.
38. Daargelaten dat überhaupt niet duidelijk is hoe zulks de wettigheid van de bestreden beslissing zou aantasten, blijkt niet dat de ambtenaar die namens de verwerende partij de memorie van antwoord heeft opgesteld ook de thans bestreden beslissing zou hebben genomen. Er blijkt niet hoe het feit dat deze ambtenaar de beslissing na bezwaar van 3 maart 2015 heeft genomen tot een ander besluit inzake de wettigheid van de bestreden beslissing zou leiden. Deze voorafgaande beslissing is immers, ingevolge de devolutieve werking van het georganiseerd administratief beroep, uit het rechtsverkeer verdwenen en vervangen door de thans bestreden beslissing. Aldus mist het zesde middel in elk geval feitelijke grondslag.
39. Zoals de Raad van State reeds in talrijke arresten heeft geoordeeld, vereist artikel 6 EVRM niet dat de administratieve instanties die de administratieve geldboete hebben opgelegd of die kennis hebben genomen van het verzet of het beroep daartegen, aan alle vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM
moeten voldoen. Het volstaat dat tegen de eindbeslissing van de administratieve overheid een beroep openstaat bij een rechterlijke instantie met “volle rechtsmacht”, in de zin waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat begrip verstaat. Tegen de beslissing van de minister konden de verzoekende partijen overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een beroep tot nietigverklaring instellen bij de Raad van State. Het standpunt dat de Raad van State een rechtscollege is dat beantwoordt aan de vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM, dat reeds in talrijke arresten van de Raad
XII-8041-24/39
van State werd aangenomen, werd bevestigd door het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie (GwH, 18 februari 2016, nr. 25/2016, B.40.1 en B.40.2;
Cass. 15 oktober 2009, Arr. Cass. 2009, 584).
De Raad van State valt ook in deze zaak deze rechtspraak bij.
Aldus hebben de verzoekende partijen wel degelijk de waarborgen van het EVRM kunnen genieten.
40. Ook het zesde middel wordt verworpen.
G. Zevende Middel
Uiteenzetting van het middel
41. De verzoekende partijen doen in een zevende middel gelden dat de bestreden beslissing ontoereikend gemotiveerd is. Daarnaast beroepen zij zich op de “schending van het beginsel van het gezag van de handelingen”.
De motivering bevat interne tegenstrijdigheden en strijdt met de elementen van het dossier. In de bestreden beslissing wordt opgemerkt dat aan de vrachtwagenbestuurder een vragenlijst werd voorgelegd, dit blijkt niet uit het dossier.
In de bestreden beslissing wordt niet geantwoord op het argument van de verzoekende partijen betreffende het verlenen van uitstel. De motivering houdt geen rekening met de argumentatie dat de omzendbrief MOW2012/1 van 9 juli 2012 de verplichting oplegt om met verzachtende omstandigheden rekening te houden wanneer het voertuig geladen wordt door een derde in afwezigheid van de vrachtwagenbestuurder. Waar de verwerende partij schrijft dat het ontbreken van antecedenten niet volstaat om uitstel van betaling te krijgen miskent zij volgens de verzoekende partijen artikel 8 van de wet van 29 juni 1964.
XII-8041-25/39
42. In de memorie van wederantwoord wijzen de verzoekende partijen erop dat de verwerende partij in de memorie van antwoord geen enkel antwoord formuleert op de argumenten uit het verzoekschrift.
43. In de laatste memorie benadrukken de verzoekende partijen dat er een essentieel verschil is tussen, enerzijds, geen antwoord formuleren op alle argumenten en, anderzijds, deze argumenten stelselmatig verloochenen, dat de overtreding een strafrechtelijke overtreding is, zodanig dat het de verwerende partij toekomt om haar beslissing met betrekking tot de straf met redenen te omkleden en uit te leggen waarom zij ervoor heeft gekozen om de overtreder dergelijke straf of maatregel op te leggen. Zij is er ook toe gehouden, wanneer de overtreder een aannemelijk element aanvoert, het tegendeel te bewijzen. Zij herhalen dat die motivering helemaal niet aanwezig is in de bestreden beslissing.
Ten slotte merken zij op dat er gewacht moest worden tot de auditeur opzoekingen verricht heeft – die verricht hadden kunnen worden door de verwerende partij – om aan te tonen dat D. Aerts wel degelijk substituut van de procureur des Konings te Hasselt was, zodanig dat er kan worden gesteld dat de verwerende partij nooit een antwoord heeft geformuleerd op deze argumentatie die uiteengezet werd in de conclusies.
Beoordeling
44. De grief inzake het niet voorleggen aan de vrachtwagen-
bestuurder van een vragenlijst werd al besproken bij het onderzoek van het tweede en het vierde middel. Er wordt naar deze beoordeling verwezen. Er blijkt niet dat in dat verband een miskenning van de in het huidige middel ingeroepen formelemotiveringsplicht voorhanden zou zijn.
45. Op grond van artikel 18 van het decreet bijzonder wegtransport kan de wegeninspecteur-controleur of de Vlaamse regering, na de overtreder en in voorkomend geval de onderneming gehoord te hebben, geheel of gedeeltelijk uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van de administratieve geldboete
XII-8041-26/39
toekennen. Het uitstel is enkel mogelijk als in de negatieve referentieperiode geen andere administratieve geldboete werd opgelegd aan de overtreder en als er geen strafrechtelijke veroordeling is geweest op grond van dit decreet.
Het komt aan de verwerende partij toe om een eigen handhavingsbeleid te ontwikkelen. Binnen het kader van de decretale bepalingen, de beginselen van behoorlijk bestuur en de rechten van verdediging, oordeelt de verwerende partij soeverein over het bedrag van de boete en het al dan niet in aanmerking nemen van verzachtende omstandigheden of het toekennen van uitstel.
Wanneer de overtreder verzoekt hem geheel of gedeeltelijk uitstel van betaling toe te kennen, moet uit de motivering blijken waarom op dat verzoek niet wordt ingegaan. De voorwaarde is wel dat de betrokkene specifieke redenen inroept om in zijn geval geheel of gedeeltelijk uitstel van betaling toe te staan.
Te dezen hebben de verzoekende partijen in hun conclusies in beroep in uiterst subsidiaire orde gevraagd om uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van de administratieve geldboete te verlenen. In de bestreden beslissing zet de verwerende partij op bladzijde 13 expliciet de redenen uiteen waarom zij geen uitstel toekent. Aldus werd deze weigering wel degelijk formeel gemotiveerd. De in die motivering aangevoerde gronden zijn afdoende om die weigering te dragen.
Te dezen blijkt niet dat de verzoekende partijen “aannemelijke elemente[en]” hebben aangevoerd om het uitstel toe te staan; de verwerende partij is er dan ook niet toe gehouden het “tegendeel te bewijzen”.
46. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen doen gelden volgt uit de door hen aangehaalde omzendbrief niet dat, telkens als de lading door een derde wordt uitgevoerd in afwezigheid van de vrachtwagenbestuurder, als het
XII-8041-27/39
ware “automatisch” uitstel zou moeten worden toegekend. De verzoekende partijen gaan er immers aan voorbij dat de omzendbrief MOW 2012/1 van 9 juli 2012 als algemene regel oplegt dat “de omstandigheden die als verzachtende omstandigheid in aanmerking kunnen worden genomen […] restrictief [dienen] te worden toegepast. De ratio legis is niet de zware boetes systematisch te verlagen onder het wettelijk minimum. Enkel wanneer hiervoor gegronde redenen zijn kan dit gebeuren.” Het uitgangspunt van de regelgeving is dan ook niet dat een over-
treder sowieso recht heeft op de toepassing van verzachtende omstandigheden of uitstel, doch daarentegen juist dat deze enkel in uitzonderlijke omstandigheden facultatief kunnen worden toegepast. Bovendien omschrijft deze omzendbrief de situatie die eventueel als verzachtende omstandigheid in aanmerking zou kunnen worden genomen in zijn geheel als volgt:
“het voertuig werd geladen door een derde, in afwezigheid van de chauffeur of diens werkgever, er doet zich geen overlading voor in totaliteit en de overlading is niet van die aard dat de overlading onmiddellijk merkbaar is, maar wel dusdanig dat kan worden aangenomen dat een normale, voorzichtige en redelijke chauffeur, in dezelfde feitelijke omstandigheden de overlading zou hebben opgemerkt. De administratieve geldboete kan gedeeltelijk verlaagd worden.”
Het gaat dus niet louter om het “laden door een derde in afwezigheid van de chauffeur” zoals de verzoekende partijen thans willen doen uitschijnen. Ook inzake het uitstel van de administratieve geldboete stelt de omzendbrief MOW 2012/1 van 9 juli 2012 gelijkaardige restrictieve voor-
waarden, waarvan de verzoekende partijen niet aantonen dat deze te dezen vervuld zouden zijn.
In dat licht volstaat de in de bestreden beslissing opgenomen motivering inzake het niet verlenen van uitstel.
47. Voorts kan de wet van 29 juni 1964 ‘betreffende de op-
schorting, het uitstel en de probatie’ te dezen niet worden toegepast –daargelaten dat deze wet de geldboetes uitgesproken door de strafgerechten van de rechterlijke macht betreft– nu het decreet bijzonder wegtransport zelf reeds in
XII-8041-28/39
zijn artikel 18 voorziet in een specifieke regeling inzake het verlenen van uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van de administratieve geldboete.
48. Het zevende middel wordt verworpen.
H. Achtste Middel
Uiteenzetting van het middel
49. De verzoekende partijen voeren in een achtste middel de schending aan van het proportionaliteitsbeginsel.
Zij achten dit beginsel geschonden doordat voor de overlading een administratieve geldboete van 4.500 euro wordt opgelegd, terwijl dergelijke inbreuken volgens de wet van 21 juni 1985 ‘betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig moet voldoen’ met een geldboete van “10 tot 10.000 BEF”
worden bestraft. Zij verwijst naar twee vonnissen van de politierechtbank te Luik en deze te Halle, waarbij voor een duidelijk zwaardere overlading telkens een lagere geldboete werd opgelegd. Bovendien heeft het Hof van Justitie in een arrest van 9 februari 2012 (C-210/10) geoordeeld dat sancties in verhouding moeten staan tot de feiten en effectief, ontradend en niet discriminerend moeten zijn. De verwerende partij heeft in de bestreden beslissing ten onrechte aangevoerd dat deze kritiek niet gericht is tegen de beslissing maar tegen het decreet. Zij verliest daarbij immers uit het oog dat zij de mogelijkheid heeft om geheel of gedeeltelijk uitstel toe te staan. De verzoekende partijen hebben in hun conclusies in eerste aanleg en in beroep uitdrukkelijk gevraagd om uitstel te verlenen, maar de verwerende partij is daar ten onrechte niet op ingegaan.
50. In de memorie van wederantwoord betogen de verzoekende partijen dat het aslastendecreet een uitzonderingswetgeving is en restrictief moet worden geïnterpreteerd.
XII-8041-29/39
51. In de laatste memorie merken de verzoekende partijen nog op dat zij niet de strafmarge zoals deze werd vastgesteld in het decreet bekritiseren, maar de manier waarop dit decreet werd toegepast. Zij menen dat het proportionaliteitsbeginsel had kunnen worden gerespecteerd door de sancties te versoepelen, waartoe de interne richtlijn van het Vlaamse Gewest ook de mogelijkheid biedt, en door een uitstel uit te spreken of een strafmaat die lager ligt dan het minimum waarin wordt voorzien in het decreet.
Beoordeling
52. Artikel 17, § 2, eerste lid, van het decreet bijzonder wegtransport bepaalt dat het tarief van de administratieve geldboete gelijk is aan de minimum geldboete overeenkomstig de overlading, zoals bepaald in artikel 14, verhoogd met de opdeciemen.
De overlading bedroeg op de tweede as van de vrachtauto 3.198 kg en op de derde as 1.801 kg.
Artikel 14, § 2, van het decreet bijzonder wegtransport stelt de minimum geldboete bij een overlading met 3.000 kg en meer vast op 750 euro.
Verhoogd met de opdeciemen brengt dit de administratieve geldboete op 4.500
euro.
53. Het komt de Raad van State niet toe om de proportionaliteit van de bedragen die in het decreet bijzonder wegtransport zijn vastgelegd, te beoor-
delen, vermits dit een kritiek op het decreet uitmaakt. Wel dient hij, wanneer hij daartoe wordt verzocht, te beoordelen of er een evenredigheidsverband bestaat tussen de gesanctioneerde gedraging en de opgelegde administratieve sanctie. Te dezen werd de minimum geldboete opgelegd, waarbij de minister geen lager bedrag mag opleggen, tenzij er verzachtende omstandigheden zijn.
XII-8041-30/39
Artikel 17, § 2, vierde lid, van het decreet bijzonder wegtransport bepaalt dat als verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, de wegeninspecteur-controleur of de Vlaamse regering een administratieve geld-
boete onder de voormelde minimumbedragen kan opleggen. Er blijkt evenwel niet dat de verzoekende partijen in de voorliggende zaak een specifiek afzonderlijk beroep hebben gedaan op verzachtende omstandigheden om een vermindering van het bedrag van de administratieve geldboete te verkrijgen. Zij hebben, zoals reeds vastgesteld, enkel om uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van de administratieve geldboete verzocht.
Bij het onderzoek van het zevende middel werd reeds vastgesteld dat de verwerende partij te dezen terecht kon besluiten om geen uitstel toe te staan.
54. Het achtste middel wordt verworpen.
I. Negende Middel
Uiteenzetting van het middel
55. De verzoekende partijen doen in een negende middel gelden dat de bewijslast niet werd nageleefd.
De bewijslast ligt bij de verwerende partij. Het strafdossier in deze zaak is bijzonder pover en bevat geen verklaring van de vrachtwagen-
bestuurder zodat niet kan worden beweerd dat deze de inbreuk niet betwist. Uit het dossier blijkt niet dat de vrachtwagenbestuurder over middelen beschikte om het gewicht van de lading te kennen, noch dat deze op de hoogte was van de overlading.
In het proces-verbaal beweren de verbalisanten dat zij een asweger Supaweigh II met serienummer 005657 hebben gebruikt. Deze gegevens
XII-8041-31/39
worden niet vermeld op de weegbon zodat niet vaststaat dat deze bon van deze machine afkomstig is. Hoewel op de weegbon het kenteken van een trekker en een aanhangwagen wordt vermeld, hebben de verbalisanten in hun proces-verbaal niet het kenteken genoteerd zodat uit de stukken niet blijkt dat de weegbon betrekking heeft op het voertuig dat toebehoorde aan de eerste verzoekende partij.
De verwerende partij beweert dat het bewijs dat de asweger werd getest bij het dossier werd gevoegd, dat klopt niet. Dit stuk werd pas aan de verzoekende partijen bezorgd met de beslissing na bezwaar van 3 maart 2015. Uit het verslag van de metrologische dienst blijkt niet dat de asweger naar behoren zou werken.
De test is bovendien anderhalf jaar oud.
Voorts wijzen zij erop dat het voertuig door derden werd geladen in afwezigheid van de vrachtwagenbestuurder en dat deze geen kennis kon nemen van de overlading. Het materieel bestanddeel van de inbreuk staat niet vast.
56. In de memorie van wederantwoord benadrukken de verzoekende partijen dat niet blijkt dat de kentekens van de voertuigen vermeld op de wegingsbon wel degelijk de kentekens zijn van de gecontroleerde voertuigen. Er blijkt niet dat de weegbon afkomstig is van het gebruikte toestel.
De verzoekende partijen moeten niet bewijzen dat de weegbon niet afkomstig is van de bestreden weegbrug.
57. In de laatste memorie benadrukken de verzoekende partijen dat het hier gaat om de niet naleving van de bewijslast die berust op de vervolgende partij, de verwerende partij. Zij verwijzen opnieuw naar het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Namen dat werd “bevestigd” door het Hof van Cassatie. Zij menen dat de gewone strafrechtbank hierover een andere beoordeling heeft, zodat de meer nadelige situatie van de overtreders voor een “administratief rechtscollege” opnieuw neerkomt op een schending van het gelijkheidsbeginsel.
XII-8041-32/39
Beoordeling
58. In de eerste plaats dient te worden opgemerkt dat dit middel in zijn ontvankelijkheid wordt bezwaard doordat de verzoekende partijen nalaten om een duidelijke rechtsnorm aan te wijzen die zij geschonden achten en uiteen te zetten hoe de bestreden beslissing deze rechtsnorm zou miskennen. Het middel dient zich aan als een feitelijk en juridisch gebrekkig onderbouwde bedenking ten aanzien van de materiële motieven van de bestreden beslissing.
59. De verzoekende partijen betwisten in dit middel in de eerste plaats het bestaan van het moreel bestanddeel van het misdrijf.
Wat de inbreuk bedoeld in artikel 3 van het decreet bijzonder wegtransport betreft, is niet vereist dat zij wetens en willens werd begaan, de schuld voor de inbreuk kan onder meer bestaan uit onachtzaamheid, wat betekent dat moet worden nagegaan of aan de betrokkene een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid kan worden verweten.
De omstandigheid dat de vrachtwagenbestuurder niet op de hoogte was van de overlading doordat hij het laden niet zelf had uitgevoerd en over geen middelen beschikte om het gewicht van het voertuig te controleren, maken niet dat de betrokken vervoersonderneming geen enkel verwijt meer zou treffen noch kunnen ze worden aangemerkt als onoverkomelijk. Van een professionele vervoersonderneming mag worden verwacht dat zij de nodige maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat de vrachtwagens die zij in geladen toestand op de openbare weg brengt, voldoen aan de wettelijk toegestane maxima wat de asdrukken betreft, ook al heeft zijzelf of de vrachtwagensbestuurder het voertuig niet geladen. Het verzuim daaraan te voldoen kan het opzet of de schuldige nalatigheid uitmaken vereist opdat het morele element van het misdrijf zou bestaan (Cass., 2 november 2004, nr. 521, A.R. P.04.0767.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041102.8 ).
XII-8041-33/39
Voor het overige kan worden verwezen naar de beoordeling van het zesde middel, waarbij reeds werd vastgesteld dat de verzoekende partij er ten onrechte van uit gaat dat het laden door een derde een “automatische” grond tot uitstel zou zijn.
60. In de tweede plaats betwisten de verzoekende partijen het ma-
terieel bestanddeel van het misdrijf met een kritiek op de asweger en de weegbon.
Het verslag van de metrologische controle werd aan de verzoekende partijen bezorgd met de beslissing na bezwaar van 3 maart 2015.
Het verslag opgesteld door de metrologische dienst van de FOD Economie, K.M.O, Middenstand en Energie dient te worden geacht wel degelijk aan te tonen dat de gebruikte asweger naar behoren functioneert. In dit verslag komt de Algemene Directie Kwaliteit en Veiligheid van de Dienst Verkeer van de FOD
Economie uitdrukkelijk tot het besluit dat het betrokken toestel mag worden gebruikt “voor het bepalen van het gewicht per as en het totaalgewicht van voer-
tuigen”. Het verslag werd opgesteld op 9 januari 2013, dit is een jaar en bijna zes maanden voor de vaststelling van de inbreuk op 1 juli 2014, dus minder dan twee jaar voordien en nog ruim binnen de door de metrologische dienst –overigens vrijblijvend – aanbevolen termijn voor het uitvoeren van een nieuwe controle.
Er dient te worden vastgesteld dat het proces-verbaal uitdrukkelijk melding maakt van het merk, type en serienummer van de gehan-
teerde asweger, welke gegevens volledig overeenstemmen met het serienummer op het verslag van de metrologische controle. De vaststellingen in het proces-
verbaal stemmen overeen met de gegevens vermeld op de weegbon, zodat er geen twijfel over bestaat dat deze de resultaten bevat die met de in het proces-verbaal vermelde asweger werden vastgesteld. Bijgevolg mag de Raad van State ervan uitgaan dat de bijlage met de weegbon deel uitmaakt van het proces-verbaal.
Er is dan ook geen objectieve reden om de juistheid van de uitgevoerde weging in twijfel te trekken. Er is bovendien ook geen reden om aan
XII-8041-34/39
te nemen dat de weegbon die als bijlage 1 bij het proces-verbaal is gevoegd, niet afkomstig zou zijn van het toestel waarvan de verbalisanten bij de controle van het voertuig gebruik hebben gemaakt.
Voor zover de verzoekende partijen in de memorie van weder-
antwoord en laatste memorie verwijzen naar een vonnis van de correctionele rechtbank te Namen van 4 maart 2015, blijkt dat in dat vonnis ook wordt overwogen dat de termijn om het proces-verbaal over te maken aan het Parket was overschreden, wat volgens de correctionele rechter afbreuk doet aan de bewijswaarde van het betreffende proces-verbaal. De verzoekende partijen tonen niet aan dat dit te dezen ook het geval is. Vervolgens wordt in het vonnis ook geoordeeld dat de inbreuk niet kan worden aangerekend aan de vrachtwagen-
bestuurder nu deze een ondergeschikte band heeft met zijn werkgever. Al deze elementen samen brengen de correctionele rechter er toe de beslissing tot het opleggen van de administratieve sanctie nietig te verklaren. In het cassatiearrest waar de verzoekende partijen ook nog naar verwijzen wordt het door de correctionele rechter ingenomen standpunt geenszins bevestigd, aangezien het cassatieberoep onontvankelijk wordt verklaard bij gebreke aan betekening van de cassatievoorziening aan de verwerende partij in cassatie.
61. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen doen gelden blijkt uit het proces-verbaal wel degelijk dat de weegbon betrekking heeft op een voertuig dat eigendom is van de eerste verzoekende partij. In het proces-verbaal schrijven de verbalisanten immers “[wij] gaan over tot de weging van de in bijlage 2 vermelde voertuigen, vrachtauto met aanhangwagen, bestuurd door de genaamde [Drion Pierre Yvonne]”.
In die bijlage 2 (gegevens over de eigenaar van het voertuig)
wordt vermeld:
“Voertuig: vrachtauto Nummerplaat: CN 5236
[…]
Eigenaar: vrachtauto
XII-8041-35/39
Naam: Jost SA
[…]
Voertuig: aanhangwagen Nummerplaat: KA 6271
[…]
Eigenaar: aanhangwagen Naam: Jost SA”
In bijlage 1 bij het proces-verbaal (de weegbon) wordt expliciet vermeld:
“Voertuig: CN 5236
Aanhangwagen: KA 6271”.
Aldus blijkt uit het proces-verbaal wel degelijk dat de weegbon betrekking heeft op een voertuig in eigendom van de eerste verzoekende partij en werd bestuurd door de tweede verzoekende partij. Het middel mist ook in die mate feitelijke grondslag.
62. Het negende middel wordt verworpen.
J. Tiende Middel
Uiteenzetting van het middel
63. In een tiende middel beklagen de verzoekende partijen zich over de weigering om uitstel te verlenen.
64. In de memorie van wederantwoord doen de verzoekende partijen gelden dat de weigering van het uitstel niet afdoende werd gemotiveerd.
XII-8041-36/39
Beoordeling
65. Het tiende middel houdt een herhaling in van de grief inzake het niet-verlenen van uitstel die door de verzoekende partijen reeds werd aangevoerd in het kader van het zevende middel. Er kan worden verwezen naar de beoordeling van dat middel.
Het tiende middel wordt eveneens verworpen.
K. Elfde middel
66. De verzoekende partijen voeren in hun laatste memorie een nieuw middel aan, waarin zij doen gelden dat de redelijke termijn van de rechtspleging is overschreden “ingevolge de traagheid waarmee de administra-
tieve rechtscolleges en inzonderheid de [Raad van State] een uitspraak hebben gedaan in dit dossier”. De overtreding dateert van 11 juni 2014 en het verslag van de auditeur werd slechts opgesteld op 14 maart 2017. Het gaat om vrij eenvoudige overtredingen en de verzoekende partij heeft geen enkel vertragings-
maneuver uitgevoerd. Dit rechtsmiddel kon niet eerder worden aangevoerd, nu de redelijke termijn volgens de verzoekende partij werd overschreden op het ogenblik van het opstellen van het advies van de auditeur. Zij verzoekt dan ook, in het geval de Raad van State niet zou overgaan tot nietigverklaring van de bestreden beslissing, om met toepassing van artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, de sanctie te herleiden tot een eenvoudige schuldverklaring.
Beoordeling
67. Wat de redelijke termijn betreft voor de oplegging van de bestuurlijke boete in de bestuurlijke procedure, dient te worden opgemerkt dat het decreet bijzonder wegtransport vervaltermijnen oplegt en dat deze te dezen werden gerespecteerd. Er is, zeker nu de decretale regeling korte vervaltermijnen
XII-8041-37/39
instelt die het bestuur niet toelaat te dralen, geen reden om te onderzoeken of de wegeninspecteur-controleur en de minister binnen die termijnen waarover zij beschikten en die zij naleefden, voldoende diligent gehandeld hebben en de redelijke termijn hebben overschreden. De verzoekende partijen betogen ook niet dat reeds in de bestuurlijke procedure de redelijke termijn zou zijn overschreden.
Tegen de eindbeslissing in deze procedure, die dateert van 17 juli 2015 werd een annulatieberoep bij de Raad van State door de verzoekende partijen ingesteld op 14 september 2015, met tien middelen, waaronder er een aantal verschillende onderdelen bevatten.
Voor zover het middel niet de overschrijding van de redelijke termijn door de bestreden beslissing betreft, is het niet ontvankelijk, alleen al omdat het aldus geen onwettigheid betreft die tot een nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden.
De Raad van State bezit ten slotte hoe dan ook geen rechtsmacht om artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering toe te passen.
68. Het middel wordt verworpen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft.
XII-8041-38/39
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 17 november 2017, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier.
De griffier De voorzitter
Silja Doms Dierk Verbiest
XII-8041-39/39
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.904