Flemish Government fine dismissed; appeal rejected due to inadmissibility and lack of reasonable delay grounds.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Court of Cassation declared the appeal against a Flemish fine inadmissible and rejected the claim of unreasonable delay. The applicant argued that the proceedings were too slow, but the court noted that statutory limitation periods were strictly observed and no procedural delays occurred. Consequently, the fine was upheld and the appeal costs were assigned to the applicant.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 17, § 3 and 21ter of the Decree of 3 May 2013 on the protection of road infrastructure; The Court of Cassation holds that an appeal based solely on the non-observation of the reasonable time limit is inadmissible if statutory limitation periods were respected and no procedural delays occurred.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIIe KAMER
nr. 239.903 van 17 november 2017
in de zaak A. 216.678/XII-8033
In zake: de NV JOST & CIE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alain Franken kantoor houdend te 4000 Liège Boulevard de la Sauvenière 91
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
het VLAAMSE GEWEST
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 10 augustus 2015, strekt tot de nietig-
verklaring van de beslissing van het Vlaamse Gewest van 11 juni 2015 om de SA
Jost & Cie een administratieve geldboete van 1.050 euro op te leggen wegens inbreuk op het verbod om het wegdek te beschadigen door overlading van een voertuig.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend.
Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend.
XII-8033-1/34
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 september 2017.
Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Marion Lapage, die loco advocaat Alain Franken verschijnt voor de verzoekende partij, en adjunct van de directeur Veerle Vanempten, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Op 21 mei 2014 wordt een vrachtwagen met oplegger, bestuurd door Valentin Calin Iovan, werknemer van de verzoekende partij, door de Wegeninspectie gecontroleerd op de autosnelweg E17 te Waregem. Bij weging van het voertuig wordt vastgesteld dat de trekker overladen is. Op de tweede as bedraagt de overlading 1.076 kg. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op onder meer artikel 3, tweede lid, van het decreet van 3 mei 2013
‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: het decreet bijzonder wegtransport).
3.2. Op 13 juni 2014 wordt het proces-verbaal bezorgd aan de procureur des Konings te Kortijk met het verzoek om overeenkomstig artikel 17, § 3, van het decreet bijzonder wegtransport binnen een termijn van 60 dagen mee te delen welk gevolg aan de zaak zal worden gegeven. Op 18 juni 2014 wordt meegedeeld dat de procureur des Konings geen vervolging zal instellen.
XII-8033-2/34
3.3. Op 13 augustus 2014 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.050 euro op te leggen.
3.4. Op 25 augustus 2014 tekent de verzoekende partij bezwaar aan tegen die beslissing.
Op 5 januari 2015 vindt een hoorzitting plaats.
Op 29 januari 2015 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.050 euro op te leggen.
3.5. Op 17 februari 2015 stelt de verzoekende partij tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse regering.
Op 16 april 2015 vindt een hoorzitting in beroep plaats.
Op 11 juni 2015 beslist de administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer aan de verzoekende partij een administratieve geldboete op te leggen van 1.050 euro.
Die beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partij ter kennis gebracht.
Dit is de bestreden beslissing.
XII-8033-3/34
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
4. De verzoekende partij voert in een eerste middel de verjaring van de strafvordering aan. Zij wijst erop dat de inbreuk die haar wordt verweten een overtreding betreft. De strafrechtelijke regels inzake verjaring bepalen dat de verjaringstermijn voor een overtreding hoogstens een jaar bedraagt. De feiten die de verzoekende partij worden verweten zijn gebeurd op 21 mei 2014. Ze zijn dus ondertussen verjaard. De verzoekende partij moet dan ook worden ontlast van de administratieve geldboete.
5. In de laatste memorie betwist de verzoekende partij dat te dezen een verjaringstermijn van vijf jaar van toepassing zou zijn. De verbalisanten maken ook gewag van een overtreding in de zin van “de wet van 1968
betreffende het verkeersreglement”, naast een overtreding van het decreet bijzonder wegtransport; “aangezien deze wet een afwijkende bepaling is van het gemeenrecht [moet] ze op een restrictieve manier geïnterpreteerd […] worden, inzonderheid met betrekking tot de verjaringstermijn”.
Beoordeling
6. In artikel 14, § 2, van het decreet bijzonder wegtransport worden de straffen voor inbreuk op artikel 3, tweede lid, van dit decreet bepaald.
Het gaat om correctionele straffen. Dienvolgens dient de inbreuk op deze bepaling als een wanbedrijf te worden beschouwd.
Weliswaar wordt in het proces-verbaal ook een overtreding van artikel 32bis van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 ‘houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen’ vastgesteld, doch de
XII-8033-4/34
bestreden beslissing steunt niet op een vervolging voor deze inbreuk maar wel voor een inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport;
artikel 68 van de wet van 16 maart 1968 ‘betreffende de politie over het wegverkeer’ is te dezen dus niet van toepassing. Aldus gelden in beginsel de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen.
Overeenkomstig artikel 21, eerste lid, 4°, van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering is de verjaringstermijn van een wanbedrijf in beginsel vijf jaar.
Aldus blijkt het middel op een onjuist juridisch uitgangspunt te berusten.
7. Het eerste middel wordt verworpen.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
8. De verzoekende partij voert in een tweede middel de schending aan van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM).
In een eerste onderdeel wijst zij erop dat zij niet in een taal die zij begrijpt op de hoogte werd gesteld van de feiten die haar ten laste werden gelegd. De verzoekende partij kent geen Nederlands. Desondanks werd de vaststelling van de overtreding enkel in het Nederlands opgesteld. Bovendien was ook de brief waarbij een administratieve geldboete werd opgelegd en waarin de rechtsmiddelen tegen die beslissing werden vermeld enkel in het Nederlands opgesteld. Vervolgens wijst de verzoekende partij erop dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in een arrest van 14 oktober 2014 heeft geoordeeld dat artikel 6 EVRM voorziet in het recht op gratis bijstand van een tolk, niet enkel voor mondelinge verklaringen ter zitting maar ook wat betreft de
XII-8033-5/34
geschreven stukken van het voorbereidend onderzoek. De verzoekende partij had bijstand van een tolk moeten krijgen en het strafdossier had moeten worden vertaald. Geen van beide is te dezen het geval geweest. Het feit dat beroep bij de Raad van State mogelijk is doet hieraan geen afbreuk: de verwerende partij moet artikel 6 EVRM naleven.
In een tweede onderdeel betoogt de verzoekende partij dat de procedure niet regelmatig is verlopen omdat de vrachtwagenbestuurder niet de mogelijkheid had om zich bij het eerste verhoor door een advocaat te laten bijstaan. Zij verwijst hierbij naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 27 november 2008 in de zaak Salduz t. Turkije, naar de wijziging van het Wetboek van Strafvordering door de wet van 13 augustus 2011
en naar het arrest nr. 7/2013 van 14 februari 2013 van het Grondwettelijk Hof, dat oordeelde dat ook bij verkeersovertredingen deze mogelijkheid moet worden geboden voordat de verbalisanten een eerste verhoor afnemen. Te dezen is het gebrek aan voorafgaand overleg met een advocaat des te nadeliger aangezien het dossier niet het verhoor van de vrachtwagenbestuurder bevat. In de bestreden beslissing wordt ten onrechte gesteld dat deze geen vragenlijst zou hebben ingevuld omdat hij geen afstand wou doen van zijn recht op overleg met een advocaat. Bijlage 3 bij het proces-verbaal blijkt niet door de vrachtwagen-
bestuurder te zijn ondertekend. Het staat dan ook niet vast dat de vrachtwagen-
bestuurder afstand zou hebben gedaan van dat recht.
9. In de laatste memorie betoogt de verzoekende partij nog met betrekking tot het eerste middelonderdeel, dat hoewel de groep Jost inderdaad een grote onderneming is, die zijn activiteiten (ook) in het Nederlandstalig gedeelte uitoefent, er niettemin dient te worden vastgesteld dat de vennootschappen die er deel van uitmaken een eigen rechtspersoonlijkheid hebben, dat de vennootschap in kwestie tot de Franstalige taalrol behoort, en zijn maatschappelijke zetel in het Franstalig landsgedeelte ligt, zodat deze zich gemakkelijker in het Frans uitdrukt.
Bijgevolg meent de verzoekende partij dat met toepassing van artikel 23 van de wet van 15 juni 1935 de zaak diende te worden doorverwezen naar een rechts-
XII-8033-6/34
college van de andere taalrol. Indien hieromtrent anders wordt geoordeeld voor administratieve rechtscolleges dan voor de gewone strafrechtbanken brengt dit volgens de verzoekende partijen een schending van het gelijkheidsbeginsel met zich mee. De verzoekende partij meent ook nog dat het feit dat in deze zaak diverse rechtsmiddelen worden aangevoerd, aantoont dat het toch niet zomaar een eenvoudige zaak betreft.
Met betrekking tot het tweede onderdeel, volhardt de verzoekende partij dat de aanwezigheid van een advocaat vereist is tijdens het eerste verhoor.
Beoordeling
Wat het gebruik der talen betreft
10. In het eerste middelonderdeel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 6, lid 3, a) en e), EVRM. Krachtens deze bepaling heeft eenieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, het recht om onverwijld, in een taal welke hij verstaat, en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging en om zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal welke ter zitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt.
Niet betwist wordt dat de administratieve geldboetes die wegens inbreuken op het decreet bijzonder wegtransport door de verwerende partij kunnen worden opgelegd een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van het voormelde artikel, zodat de rechtzoekende aan wie ze worden opgelegd aanspraak moet kunnen maken op de waarborg vervat in deze verdragsbepaling.
Artikel 6, lid 3, a), EVRM, verleent de strafrechtelijk vervolgde persoon evenwel niet het recht om de taal van de rechtspleging te kiezen. Met toepassing van artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 ‘op het gebruik der talen in
XII-8033-7/34
gerechtszaken’ (hierna: de taalwet in gerechtszaken), worden de processen-
verbaal betreffende de opsporing en vaststelling van misdrijven in het Nederlandse taalgebied in het Nederlands gesteld. Voorts dient de verwerende partij, in overeenstemming met artikel 36 van de Gewone Wet van 9 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ (hierna: GWHI), de zaak in het Nederlands te behandelen. De beslissingen van de wegeninspecteur-controleur en de minister dienden bijgevolg in het Nederlands te worden opgesteld.
Uit artikel 6, lid 3, a), EVRM volgt wel dat de verplichting om de betrokkene in een taal die hij verstaat in kennis te stellen van de hem ten laste gelegde feiten en de juridische omschrijving ervan, moet worden nageleefd door de administratieve overheden die een administratieve sanctie opleggen. De rechter beoordeelt of de overtreder op de hoogte werd gebracht van de feiten die hem worden verweten in een taal die hij voldoende verstond opdat zijn recht van verdediging in acht zou zijn genomen. De overtreder moet zichzelf kunnen verdedigen en in het bijzonder de mogelijkheid hebben om de rechter zijn versie van de feiten voor te leggen. De beoordeling van het voorgaande dient bijgevolg te gebeuren in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak, waarbij onder meer de complexiteit van de inbreuk of het dossier en de talenkennis van de overtreder een primordiale rol spelen. De mate waarin een gedetailleerde kennis van de in de procedure gehanteerde voertaal is vereist, neemt dan ook toe naarmate de inbreuk of het dossier complexer wordt.
Dit geldt eveneens voor de vraag of een rechtspleging zonder bijstand van een tolk, de uitoefening van de rechten van verdediging van de overtreder heeft miskend. Anders dan de verzoekende partij te dezen veronderstelt, gaat artikel 6, lid 3, e), EVRM blijkens de rechtspraak van het Europees hof voor de Rechten van de Mens niet zo ver dat deze bepaling een vertaling vereist van elk schriftelijk bewijsstuk of van elk officieel stuk van het dossier. In dit opzicht heeft het Hof er op gewezen dat de betrokken bepaling verwijst naar de bijstand van een tolk en niet van een vertaler (EHRM 4
november 2010, nr. 22575/08, Katritsch t. Frankrijk, nr. 41 en 43; EHRM 6 juli
XII-8033-8/34
2009, nr. 16084/90, Protopapa t. Turkije nr. 80 en E.H.R.M 18 oktober 2006, nr. 18114/02, Hermi t. Italië, nr. 70) en dat de uitoefening van het voormelde recht op vertolking veronderstelt dat de betrokkene aanwezig is op de zitting (EHRM 14 februari 2017, nr. 30749/12, Hokkeling t. Nederland).
11. Te dezen dient te worden vastgesteld dat de betrokken inbreuk een relatief eenvoudige inbreuk betreft waarvoor duidelijk bewijsmateriaal bestaat –dat wordt vergaard met gebruik van een asweger– en waaraan een-
voudige feiten –de overlading– ten grondslag liggen. De inbreuk geeft evenmin aanleiding tot een omvangrijk of ingewikkeld dossier. Het feit dat de verzoekende partij in de voorliggende zaak vele middelen aanvoert doet niet anders oordelen.
De verzoekende partij maakt noch in het verzoekschrift, noch in de toelichtende memorie en de laatste memorie geloofwaardig dat zij de draagwijdte van de haar ten laste gelegde feiten, die, het weze herhaald, te dezen van zeer eenvoudige aard zijn –de strafbare gedraging bestaat uit het besturen van een overladen voertuig– niet zou hebben begrepen. Daarenboven blijkt uit het administratief dossier dat de verzoekende partij op behoorlijke wijze haar verdediging op zich heeft genomen tijdens de bestuurlijke procedure en in de taal van haar keuze haar standpunt over de feiten heeft kunnen doen gelden en deze heeft kunnen betwisten. Op de hoorzitting heeft zij ook haar standpunt kunnen doen gelden in de taal van haar keuze en uit de bestreden beslissing blijkt dat de aanwezige ambtenaar dat relaas goed heeft begrepen. Schriftelijke conclusies werden in het Frans neergelegd en er blijkt niet dat haar vertegenwoordiger of haar advocaat deze niet heeft mogen toelichten in het Frans. Aldus blijkt niet dat of hoe de verzoekende partij zou zijn benadeeld door de afwezigheid van een tolk op de hoorzitting.
De verwijzing naar een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 14 oktober 2014 leidt niet tot een ander besluit. Dat arrest betreft hier geen vergelijkbare eenvoudige verkeersinbreuk, maar over een ongeletterd persoon die in Turkije werd vervolgd omwille van terroristische
XII-8033-9/34
activiteiten. De Raad van State ziet niet in hoe de bevindingen inzake de toepassing van artikel 6 EVRM in een dergelijke context ook op huidig geval van toepassing zouden zijn.
De in de laatste memorie aangeklaagde ongelijke behandeling van de verzoekende partij –daargelaten de ontvankelijkheid van deze in de laatste memorie aangevoerde grief– doordat zij in het kader van de administratieve procedure niet de mogelijkheid heeft om de zaak door te verwijzen naar een rechtbank van een andere taalrol die wel geldt bij een strafrechtelijke procedure, heeft betrekking op de inhoud en de draagwijdte van het decreet bijzonder wegtransport en de voormelde taalwet in gerechtszaken. De Raad van State heeft geen rechtsmacht om een dergelijke kritiek te beoordelen.
Het eerste middelonderdeel wordt verworpen.
Wat de bijstand van een advocaat betreft
12. In het tweede middelonderdeel klaagt de verzoekende partij aan dat de vrachtwagenbestuurder niet de mogelijkheid werd geboden om zich bij het eerste verhoor door een advocaat te laten bijstaan.
Niet elke ondervraging van een persoon, waarbij inlichtingen en bewijselementen worden verzameld die op het bestaan van een misdrijf zouden kunnen wijzen, mag worden beschouwd als een “verhoor”.
In het arrest van het Grondwettelijk Hof van 14 februari 2013
waar de verzoekende partij herhaaldelijk naar verwijst, wordt aldus juist gesteld dat in de voorbereidende werken van de wet van 13 augustus 2011 ‘tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis’, die ertoe strekt aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, een aantal
XII-8033-10/34
situaties worden vermeld die niet overeenstemmen met de definitie van het verhoor, zoals het verzamelen van inlichtingen op de plaats van het delict tijdens de eerste fase van het onderzoek, de spontane mededelingen, de antwoorden op een schriftelijke vragenlijst waarin beperkte informatie wordt gevraagd of de verklaringen in het kader van een administratief onderzoek (GwH 14 februari 2013, nr. 7/2013. B.5.5).
De Raad van State verwijst voorts naar het arrest Zaichenko waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aangaande een verhoor zonder bijstand van een advocaat tijdens een wegcontrole tot de niet-schending van artikel 6, lid 3, c), EVRM besloot. Volgens het Hof wezen de omstandig-
heden van de zaak niet op een noemenswaardige beperking van de vrijheid van handelen van de betrokken persoon van die aard dat de bijstand van een advocaat vanaf dat ogenblik vereist zou zijn. Het Hof wijst ook op de eerder beperkte rol van de verbalisanten en stelt vast dat het strafonderzoek pas werd geopend na de toezending van het verslag of het proces-verbaal van de verbalisanten aan de bevoegde overheid. Deze vaststellingen gaan ook op voor de voorliggende wegcontrole waarbij het voertuig wordt gewogen door de asweger en waarna de vrachtwagenbestuurder vervolgens mag beschikken en zijn rit met zijn voertuig mag verder zetten.
Het tweede onderdeel van het tweede middel wordt verworpen.
13. Het tweede middel wordt in zijn geheel verworpen.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
14. De verzoekende partij voert in een derde middel machtsafwending aan.
XII-8033-11/34
Artikel 36 van de wet van 9 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ bepaalt dat het bestuur het Nederlands dient te gebruiken. Dit betekent niet dat personen die niet in het Nederlands taalgebied gevestigd zijn het Nederlands dienen te gebruiken ten aanzien van het bestuur. Daarenboven bepaalt artikel 39 van deze wet dat het Gewest de mogelijkheid heeft om met particulieren die in een ander taalgebied wonen te corresponderen in de taal waarvan de betrokkenen gebruik maken. Om te voldoen aan artikel 6, lid 3, a), EVRM, had de verwerende partij dan ook met de verzoekende partij enkel in het Frans mogen corresponderen. De verwerende partij gebruikt trouwens het Frans om de administratieve geldboete te innen. Met deze handelwijze, die enkel tot doel heeft de overtreders te verhinderen om hun rechten van verdediging te laten gelden en op een zo gemakkelijk mogelijke manier de betaling van de boetes te verkrijgen, maakt de verwerende partij zich schuldig aan machtsafwending.
15. In de laatste memorie benadrukt de verzoekende partij dat het machtsmisbruik in hoofde van de verwerende partij wel degelijk is aangetoond, nu vaststaat dat de verwerende partij in staat is zich in het Frans te richten tot de overtreder om betaling van de boetes te verkrijgen, doch weigert om de stukken van het dossier te vertalen en de aanwezigheid van een tolk wordt geweigerd, zodat het doel van het bestuurslichaam er aldus duidelijk in bestaat om buiten-
landse overtreders gemakkelijker te kunnen veroordelen en wanneer dit eenmaal is gebeurd, contact op te nemen met de overtreder in zijn moedertaal om de betaling van de boete te verkrijgen. Zij meent dat als de verwerende partij in staat is zich in het Frans tot de overtreders te richten, zij ook in staat moet zijn om de stukken van het dossier te vertalen en om de overtreders in hun moedertaal te verhoren. Zij benadrukt dat de beklaagde het laatste woord moet krijgen, zelfs nadat zijn advocaat heeft gesproken.
Beoordeling
16. Artikel 36 van de gewone wet van 9 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ (GWHI) regelt het gebruik van de talen door de “diensten van de Executieven waarvan de werkkring het gehele ambtsgebied van
XII-8033-12/34
de Vlaamse Gemeenschap, van de Franse Gemeenschap of van het Waalse Gewest bestrijkt”, als volgt:
“§ 1. Behoudens de bepalingen van § 2 gebruiken:
1° de diensten van de Vlaamse Executieve het Nederlands als bestuurstaal;
2° de diensten van de Franse Gemeenschapsexecutieve en die van de Waalse Gewestexecutieve, het Frans als bestuurstaal.
§ 2. Met betrekking tot de gemeenten met een speciale taalregeling uit hun ambtsgebied, is op de in § 1 bedoelde diensten de taalregeling van toepassing die door de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken is opgelegd aan de plaatselijke diensten van die gemeenten, voor de berichten, mededelingen en formulieren die bestemd zijn voor het publiek, voor de betrekkingen met particulieren en voor het opstellen van akten, getuigschriften, verklaringen en vergunningen.
Voor hun betrekkingen met de openbare besturen, waarvan de zetel gevestigd is in een gemeente van het Duits taalgebied, gebruiken de diensten van de Waalse Gewestexecutieve het Duits.
§ 3. […].”
Aangezien de verzoekende partij niet in een gemeente met een speciale taalregeling gevestigd is, wordt in de bestreden beslissing terecht vastgesteld dat de Vlaamse overheid in overeenstemming met het voormelde artikel 36 het Nederlands als bestuurstaal dient te gebruiken.
In de bestreden beslissing wordt, anders dan de verzoekende partij doet gelden, overigens niet gesteld dat personen die niet in het Nederlands taalgebied gevestigd zijn uitsluitend het Nederlands dienen te gebruiken ten aanzien van het bestuur. Zij heeft – zoals reeds vastgesteld bij de beoordeling van het tweede middel – zowel in haar conclusies als op de hoorzitting het Frans kunnen gebruiken zonder dat blijkt dat zij door het hanteren van die taal benadeeld zou zijn geweest door de verwerende partij.
17. Het door de verzoekende partij ingeroepen artikel 39 GWHI
luidt:
“Op de in artikel 37 bedoelde diensten, waarvan de werkkring zowel gemeenten zonder speciale taalregeling als gemeenten met een speciale taalregeling uit eenzelfde taalgebied omvat, is, met betrekking tot de
XII-8033-13/34
gemeenten met een speciale taalregeling, de taalregeling van toepassing die door de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken is opgelegd aan de plaatselijke diensten van die gemeenten, voor de berichten, mededelingen en formulieren die bestemd zijn voor het publiek, voor de betrekkingen met particulieren en voor het opstellen van akten, getuigschriften, verklaringen, machtigingen en vergunningen.
De diensten worden derwijze georganiseerd dat, zonder enige moeite, kan worden voldaan aan de bepalingen van het eerste lid.”
Het in deze bepaling genoemde artikel 37 luidt:
“De bepalingen van deze afdeling zijn toepasselijk op de gecentraliseerde en gedecentraliseerde diensten van de Vlaamse Executieve, van de Franse Gemeenschapsexecutieve en van de Waalse Gewestexecutieve, waarvan de werkkring niet het gehele ambtsgebied van de Gemeenschap of het Gewest, al naar het geval, bestrijkt.”
Anders dan de verzoekende partij doet gelden blijkt aldus niet uit artikel 39 dat dit de verwerende partij de mogelijkheid zou bieden om met particulieren die in een ander taalgebied wonen te corresponderen in de taal waarvan de betrokkenen gebruik maken. Dit artikel betreft immers gemeenten met een speciale taalregeling uit hetzelfde taalgebied.
Het middel berust dan ook op een onjuist juridisch uitgangspunt.
18. Waar de verzoekende partij in dit middel de verwerende partij machtsafwending verwijt dient zij erop te worden gewezen dat een verzoekende partij die machtsafwending inroept het bewijs moet leveren dat de beweeg-
redenen die het bestuur opgeeft voor een bepaalde handeling niet de werkelijke beweegredenen zijn. De verzoekende partij moet met andere woorden het bewijs leveren dat het bestuur met de bestreden beslissing uitsluitend een ongeoorloofd oogmerk nastreeft. De omstandigheid dat de verwerende partij in overeen-
stemming met artikel 36 GWHI het Nederlands heeft gebruikt in de bestuurlijke procedure en de brief van betaling in het Frans heeft gesteld, toont dit alleszins niet aan.
XII-8033-14/34
19. Het derde middel wordt verworpen.
D. Vierde middel
Uiteenzetting van het middel
20. De verzoekende partij voert in een vierde middel aan dat het strafdossier haar niet volledig werd bezorgd. Zij wijst erop dat het bewijs van de seponering door het Parket haar pas bij de beslissing na bezwaar werd bezorgd.
Het gaat niet om een beslissing tot seponeren want de procureur des Konings maakt melding van een territoriaal bevoegdheidsprobleem. De verwerende partij had de territoriaal bevoegde procureur des Konings moeten bevragen.
Evenmin werd de verzoekende partij de verklaring van de vrachtwagenbestuurder bezorgd. Volgens de bestreden beslissing zou de vrachtwagenbestuurder afstand hebben gedaan zijn recht op bijstand door een advocaat, wat het ontbreken van een vragenlijst en een verhoor zou verklaren. De afstand van dit recht door de vrachtwagenbestuurder kan niet uit het dossier worden afgeleid.
21. In de laatste memorie blijft de verzoekende partij erbij dat de procureur des Konings zichzelf territoriaal onbevoegd heeft geacht, wat duidelijk blijkt uit de vermelding “plaatsbevoegdheid” in bijlage 2. Wat bijlage 3 betreft, benadrukt zij dat dit document niet werd ondertekend en dus geen enkele bewijskracht heeft.
Wat de vragenlijst betreft, merkt de verzoekende partij nog op dat er in het strafdossier niet wordt vermeld dat de vrachtwagenbestuurder geweigerd zou hebben deze in te vullen, dat het proces-verbaal ook geen enkel vermelding hieromtrent bevat en dat de afstandsverklaring onder rubriek 3
“Inlichtingen” niet werd ondertekend. Het dossier bevat geen vragenlijst die werd overhandigd aan de vrachtwagenbestuurder en ook geen document dat aantoont
XII-8033-15/34
dat deze laatste zou hebben geweigerd om deze vragenlijst in te vullen. De verzoekende partij meent dat ingevolge het ontbreken van een verhoor en van welke vragenlijst dan ook, het vrij moeilijk is om de morele en materiële elementen van de overtreding vast te stellen.
Beoordeling
22. Wat betreft het niet bezorgen van de beslissing tot seponering door het Parket blijkt het middel feitelijke grondslag te missen. Uit de stukken die de verzoekende partij zelf voorlegt blijkt immers dat deze beslissing haar reeds werd bezorgd samen met de beslissing na bezwaar, genomen op 29 januari 2015.
Er blijkt niet hoe het feit dat dit stuk met die beslissing werd bezorgd haar zou hebben benadeeld. Zij heeft dit stuk immers aan tegenspraak en kritiek kunnen onderwerpen zowel in het kader van het georganiseerd administratief beroep als thans in de procedure voor de Raad van State.
Bijlage 1 bij de beslissing na bezwaar van 29 januari 2015 is een brief van de verwerende partij aan de procureur des Konings te Kortrijk met het verzoek om overeenkomstig artikel 17, § 3, van het decreet bijzonder wegtransport binnen een termijn van 60 dagen mee te delen welk gevolg aan de zaak zal worden gegeven.
Bijlage 2 bij de beslissing na bezwaar van 29 januari 2015 is een schrijven aan de verwerende partij van de procureur des Konings van 18 juni 2014 met als hoofding “Parket van de procureur des Konings, West-Vlaanderen, Afdeling Kortrijk, Sectie Politieparket” waarin uitdrukkelijk het nummer wordt vermeld van het aan deze zaak ten grondslag liggend proces-verbaal en waarin de betrokken magistraat van het parket, die met naam wordt genoemd en deze beslissing ook heeft ondertekend, aan de verwerende partij meedeelt: “Beleefd het dossier in bijlage tot beschikking”. Daarnaast draagt dit schrijven de enigszins cryptische vermelding “Motief: plaatsbevoegdheid”. Aldus blijkt, in tegenstelling tot wat de verzoekende partij doet gelden, niet dat de procureur des Konings als
XII-8033-16/34
dusdanig aan de verwerende partij in onmiskenbare bewoordingen te kennen zou hebben gegeven dat er zich een territoriaal bevoegdheidsconflict zou voordoen.
Het lijkt zelfs veeleer om een materiële vergissing te gaan aangezien de inbreuk te Waregem werd vastgesteld, welke plaats wel degelijk deel uitmaakt van de gerechtelijke afdeling Kortrijk.
Bijlage 3 bij de beslissing na bezwaar van 29 januari 2015 is een document met hoofding “Invulformulier voor het Openbaar Ministerie”
waarin opnieuw uitdrukkelijk het nummer van het proces-verbaal wordt vermeld, alsook ditmaal de gegevens van de verzoekende partij en van de vrachtwagen-
bestuurder. Dit invulformulier werd gedatumstempeld en geparafeerd. Dit document is voorzien van een vak “Beslissing Parket”, waarin de keuze-
mogelijkheid “Strafvervolging instellen” werd doorstreept en waarin de keuzemogelijkheid “Administratieve afhandeling” onaangeroerd werd gelaten.
In het licht van deze feitelijke vaststellingen aan de hand van de eigen stukkenbundel van de verzoekende partij doet zij dan ook ten onrechte gelden dat niet bewezen zou zijn dat het dossier werd geseponeerd door de procureur des Konings of dat het niet rechtsgeldig zou zijn geseponeerd.
23. Uit de bestreden beslissing blijkt dat geen vragenlijst wordt voorgelegd aan de vrachtwagenbestuurder om in te vullen wanneer deze zijn advocaat wenst te raadplegen doch deze niet kan bereiken. Dit bleek in de huidige zaak het geval te zijn en verklaart, aldus de bestreden beslissing, de afwezigheid van een ingevulde vragenlijst in dit dossier. Evenmin blijkt hij door de Wegen-
inspectie te zijn verhoord. Het proces-verbaal moet daar bijgevolg geen melding van maken. De vaststelling van de inbreuk berust te dezen genoegzaam op eenvoudige materiële vaststellingen verricht door middel van een asweger, waarbij het verhoor van de vrachtwagenbestuurder of het door hem laten invullen van een vragenlijst geenszins noodzakelijk is. In verband met het moreel bestanddeel van een misdrijf neemt het Hof van Cassatie in een arrest van 8 oktober 2002 (nr. 515, A.R. P01.1149.N) aan dat wanneer de wet van de
XII-8033-17/34
delictsomschrijving geen schuldvorm vermeldt de rechter de schuld kan afleiden uit het materiële feit van de overtreding, voor zover de overtreder geen “grond van rechtvaardiging” of “schulduitsluitingsgrond” aannemelijk maakt.
Nu er dient te worden aangenomen dat er überhaupt geen vragenlijst werd overhandigd aan en ingevuld door de vrachtwagenbestuurder, blijkt niet hoe de verzoekende partij zou zijn gegriefd door het feit dat dit onbestaande document haar niet werd bezorgd.
24. Het vierde middel wordt verworpen.
E. Vijfde middel
Uiteenzetting van het middel
25. De verzoekende partij voert in een vijfde middel de schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel. De ambtenaar die de boete in graad van bezwaar heeft opgelegd beschikt niet over de vereiste objectiviteit om van het dossier kennis te nemen en heeft er zelfs belang bij dat ingestelde beroepen falen.
In sommige gevallen legt deze persoon de initiële geldboete op. In andere zaken, zoals te dezen, doet deze persoon uitspraak in eerste aanleg. In andere gevallen voert deze persoon het verweer voor de Raad van State. Zij is dus betrokken in alle fasen van de procedure. Het feit dat beroep mogelijk is bij een andere ambtenaar doet aan deze vaststellingen geen afbreuk, aangezien de ambtenaar bij wie het beroep wordt ingediend evenmin onpartijdig is en rekenschap dient af te leggen aan de minister. De talrijke schendingen van de rechten van verdediging maken het mogelijk te beweren dat de ambtenaren van het Vlaamse Gewest niet aantonen te beschikken over de nodige onpartijdigheid om op een objectieve manier tot een besluit te komen in dit dossier. De verwerende partij is zowel rechter als partij. Het feit dat de Raad van State aan de eisen van onpartijdigheid en onafhankelijkheid voldoet, volstaat niet, aangezien de waarborgen van artikel 6 EVRM ook van toepassing moeten zijn op de procedure die de rechterlijke uitspraak voorafgaat.
XII-8033-18/34
26. In de laatste memorie wijst de verzoekende partij er nog op dat niet kan worden betwist dat het Vlaamse Gewest meerdere wegeninspecteurs tot haar beschikking heeft, zodat cumul – immers dezelfde ambtenaar legt de boete op, doet uitspraak in eerste aanleg en stelt de memories op in de huidige procedure voor de Raad van State – kan worden vermeden. Zij herhaalt tevens dat de vrachtwagenbestuurder geen voorafgaandelijk overleg heeft gehad met zijn raadsman, dat het strafdossier niet de verklaring van de beschuldigde vracht-
wagenbestuurder bevat en het ook niet aantoont dat deze zou hebben geweigerd om de vragenlijst in te vullen, dat er geen tolk ter beschikking werd gesteld, dat zij niet van de stukken in het Frans kennis heeft kunnen nemen en dat dezelfde ambtenaar in alle stadia van de rechtspleging is opgetreden. Zij benadrukt ten slotte nog dat de betrokken waarborgen van artikel 6 EVRM ook van toepassing zijn op de fases die voorafgaan aan “het vonnis”.
Beoordeling
27. In het vijfde middel wordt in essentie aangevoerd dat de administratieve geldboete wegens overtreding van het decreet bijzonder weg-
transport niet wordt opgelegd door een onafhankelijke en onpartijdige instantie.
De wegeninspecteur-controleur en de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit treden bij het opleggen van een administratieve geldboete ingevolge een inbreuk op het decreet bijzonder wegtransport niet op als jurisdictioneel orgaan, maar wel als organen van het actief bestuur.
Ook organen van het actief bestuur moeten de onpartijdigheids-
plicht in acht nemen, doch voor hen geldt die verplichting niet zo absoluut als voor de rechter en ze moet verenigbaar zijn met de eigen aard, meer bepaald de eigen structuur van bestuur. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de wijze waarop de bestuurlijke procedure door de decreetgever wordt geregeld.
XII-8033-19/34
De omstandigheid dat het Agentschap Wegen en Verkeer waartoe de wegeninspecteurs-controleurs behoren, onder de verantwoordelijkheid valt van de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit, is een gegeven dat eigen is aan de structuur van het bestuur en kan dienvolgens niet dienstig worden aangevoerd om de onpartijdigheid van de betrokken bestuursorganen te betwisten.
Ook al bevindt dit agentschap als instelling, zich in een onder-
geschikte positie ten opzichte van de regering, zijn zowel de vaststelling van de aslasteninbreuken door wegeninspecteurs als de beslissing om een administra-
tieve boete op te leggen wegens die inbreuken door wegeninspecteur-controleurs, eigen bevoegdheden die het decreet bijzonder wegtransport toekent aan deze ambtenaren van dit agentschap; in de uitoefening van die bevoegdheden, zijn deze structureel onafhankelijk en ontsnappen ze aan het gezag van de minister.
Voorts is het eigen aan de procedure van bezwaar dat dezelfde instantie – te dezen dezelfde wegeninspecteur-controleur – het bezwaar behandelt. Te dezen regelt het decreet bijzonder wegtransport de procedure van bezwaar: binnen de dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving van de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete, kan bezwaar worden aangetekend; in dat geval wordt de overtreder en in voorkomend geval de onderneming binnen de vijftien dagen na het instellen van het bezwaar uitgenodigd op een hoorzitting, de overtreder en de onderneming kunnen op de hoorzitting een nota indienen, zij mogen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, van de hoorzitting wordt een verslag opgemaakt en binnen dertig dagen na de hoorzitting dient de wegeninspecteur-controleur zijn beslissing mee te delen aan de overtreder en in voorkomend geval de onderneming.
Uit de stukken die de verzoekende partij zelf voorlegt blijkt dat zij zowel in bezwaar, als in beroep schriftelijke conclusies heeft neergelegd, dat zij telkens werd uitgenodigd voor de hoorzittingen, dat tijdens de hoorzitting in beroep haar raadsman de zaak kon toelichten en alle dienstige elementen kon aanvoeren ter verdediging van zijn cliënte, waarop de minister in de bestreden
XII-8033-20/34
beslissing uitgebreid heeft geantwoord zodat op bestuurlijk vlak de rechten van verdediging werden geëerbiedigd en het bestuur heeft doen blijken van de vereiste onafhankelijkheid en op zorgvuldige wijze heeft gehandeld. De verzoe-
kende partij kan dus niet worden bijgevallen waar zij doet gelden dat er te dezen sprake zou zijn van “talrijke schendingen van de rechten van verdediging”
waaruit zou blijken dat de ambtenaren van het Vlaamse Gewest niet beschikken over de nodige onpartijdigheid om op een objectieve manier tot een besluit te komen in dit dossier.
28. Het blijkt niet hoe de wettigheid van de bestreden beslissing zou worden aangetast door het feit dat de ambtenaar die de beslissing na bezwaar van 29 januari 2015 heeft genomen ook in andere hoedanigheden optreedt in andere dossiers inzake inbreuken op de aslastenregelgeving.
29. Zoals de Raad van State reeds in talrijke arresten heeft geoordeeld vereist artikel 6 EVRM niet dat de administratieve instanties die de administratieve geldboete hebben opgelegd of die kennis hebben genomen van het verzet of het beroep daartegen, aan alle vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM
moeten voldoen. Het volstaat dat tegen de eindbeslissing van de administratieve overheid een beroep openstaat bij een rechterlijke instantie met “volle rechts-
macht”, in de zin waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat begrip verstaat. Tegen de beslissing van de minister kon de verzoekende partij overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een beroep tot nietigverklaring instellen bij de Raad van State. Het standpunt dat de Raad van State een rechtscollege is dat beantwoordt aan de vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM en dat reeds in talrijke arresten van de Raad van State werd aangenomen, werd tevens bevestigd door het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie (GwH, 18 februari 2016, nr. 25/2016, B.40.1 en B.40.2;
Cass. 15 oktober 2009, Arr. Cass. 2009, 584).
De Raad van State valt ook in deze zaak deze rechtspraak bij.
Aldus heeft de verzoekende partij wel degelijk de waarborgen van het EVRM
XII-8033-21/34
kunnen genieten.
30. Ook het vijfde middel wordt verworpen.
F. Zesde middel
Uiteenzetting van het middel
31. De verzoekende partij voert in een zesde middel aan dat de bestreden beslissing ontoereikend gemotiveerd is. In de bestreden beslissing wordt niet geantwoord op het argument van de verzoekende partij betreffende het verlenen van uitstel. De bestreden beslissing grondt zich op artikel 59bis, § 2, van het aslastendecreet terwijl dit werd opgeheven en vervangen door het decreet bijzonder wegtransport. De motivering is tegenstrijdig omdat de verwerende partij meent dat het feit dat het ontbreken van een vroegere veroordeling een minimumvoorwaarde is voor het toekennen van uitstel, maar dat het feit dat er geen veroordeling is geweest als dusdanig niet volstaat om uitstel te verlenen.
Deze motivering houdt geen rekening met de argumentatie van de verzoekende partij dat de omzendbrief van 9 juli 2012 de verplichting oplegt om met verzachtende omstandigheden rekening te houden wanneer het voertuig geladen wordt door een derde in afwezigheid van de vrachtwagenbestuurder.
32. In de toelichtende memorie voegt de verzoekende partij nog aan het middel toe dat zij had verwezen naar rechtspraak van het Hof van Cassatie inzake de bewijslast in strafzaken en dat de verwerende partij daarop geen antwoord formuleert in de bestreden beslissing. De motivering geeft de verzoe-
kende partij niet de mogelijkheid om te begrijpen waarom ze werd veroordeeld.
33. In de laatste memorie benadrukt de verzoekende partij dat er een essentieel verschil is tussen, enerzijds, geen antwoord formuleren op alle argumenten en, anderzijds, deze argumenten stelselmatig verloochenen, dat de overtreding een strafrechtelijke overtreding is, zodanig dat het de verwerende
XII-8033-22/34
partij toekomt om haar beslissing met betrekking tot de straf met redenen te omkleden en uit te leggen waarom zij ervoor heeft gekozen om de overtreder dergelijke straf of maatregel op te leggen. Zij is er ook toe gehouden, wanneer de overtreder een aannemelijk element aanvoert, het tegendeel te bewijzen. Zij herhalen dat die motivering helemaal niet aanwezig is in de bestreden beslissing.
Beoordeling
34. In de motivering van de bestreden beslissing wordt, na een vermelding van de wettelijke grondslag van de beslissing, een uiteenzetting van de feiten en de vaststelling dat het beroep ontvankelijk is, een antwoord gegeven op de middelen van de verzoekende partij aangaande “vermeende gebreken in de procedure”, “taalgebruik in de procedure”, “vermeende schending van artikel 47bis, §1, 3° Sv.”, “schending van artikel 10 van de Grondwet”, “de burger-
rechtelijke aansprakelijkheid van de onderneming”, “motivatie van de bestreden beslissing”, “schending van het proportionaliteitsbeginsel”, “materieel element”
en “uitstel van de tenuitvoerlegging van de administratieve geldboete”.
De bestreden beslissing geeft aldus duidelijk de redenen aan waarom de voormelde middelen tegen de beslissing na bezwaar van de wegen-
inspecteur-controleur worden verworpen. In zoverre kan de verzoekende partij niet worden bijgevallen waar zij doet gelden dat zij aan de hand van de bestreden beslissing niet zou weten waarom haar beroep wordt verworpen en een administratieve geldboete wordt opgelegd.
35. Op grond van artikel 18 van het decreet bijzonder wegtransport kan de wegeninspecteur-controleur of de Vlaamse regering, na de overtreder en in voorkomend geval de onderneming te hebben gehoord, geheel of gedeeltelijk uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van de administratieve geldboete toekennen. Het uitstel is enkel mogelijk als in de negatieve referentieperiode geen andere administratieve geldboete werd opgelegd aan de overtreder en als er geen strafrechtelijke veroordeling is geweest op grond van dit decreet.
XII-8033-23/34
Het komt aan de verwerende partij toe om een eigen handha-
vingsbeleid te ontwikkelen. Binnen het kader van de decretale bepalingen, de beginselen van behoorlijk bestuur en de rechten van verdediging, oordeelt de verwerende partij soeverein over het bedrag van de boete en het al dan niet in aanmerking nemen van verzachtende omstandigheden of het toekennen van uitstel.
Wanneer de overtreder verzoekt hem geheel of gedeeltelijk uitstel van betaling toe te kennen, moet uit de motivering blijken waarom op dat verzoek niet wordt ingegaan. De voorwaarde is wel dat de betrokkene specifieke redenen inroept om in zijn geval geheel of gedeeltelijk uitstel van betaling toe te staan.
Te dezen heeft de verzoekende partij in haar conclusies in beroep in uiterst subsidiaire orde gevraagd om uitstel voor de betaling van de administratieve geldboete te verlenen. In de bestreden beslissing zet de verwe-
rende partij op bladzijde 13 en 14 expliciet de redenen uiteen waarom zij geen uitstel toekent. Aldus werd deze weigering wel degelijk formeel gemotiveerd. De in die motivering aangevoerde gronden zijn afdoende om die weigering te dragen.
Zoals uit de bestreden beslissing blijkt, verleent de omstandigheid dat in de negatieve referteperiode geen andere administratieve geldboete werd opgelegd of er geen strafrechtelijke veroordeling is geweest op grond van dit decreet, niet automatisch het recht op de toekenning van uitstel. Dit is wel een voorwaarde, maar uitstel kan maar worden verleend, zoals de bestreden beslissing terecht opmerkt, wanneer specifieke omstandigheden worden aangetoond die daartoe kunnen besluiten.
De verwijzing in de bestreden beslissing naar de bepaling inzake uitstel van het aslastendecreet (artikel 59bis van dat decreet) in plaats van naar de quasi identieke bepaling van het decreet bijzonder wegtransport (artikel 18) kan, als materiële misslag, niet tot de onwettigheid van de bestreden beslissing in haar geheel leiden.
XII-8033-24/34
Te dezen blijkt niet dat de verzoekende partij “aannemelijke elemente[en]” heeft aangevoerd om het uitstel toe te staan; de verwerende partij is er dan ook niet toe gehouden het “tegendeel te bewijzen”.
36. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij doet gelden, volgt uit de door haar aangehaalde omzendbrief niet dat, telkens als de lading door een derde wordt uitgevoerd in afwezigheid van de vrachtwagenbestuurder, als het ware “automatisch” uitstel zou moeten worden toegekend. De verzoekende partij gaat eraan voorbij dat de omzendbrief MOW 2012/1 van 9 juli 2012 als algemene regel oplegt dat “de omstandigheden die als verzachtende omstandigheid in aanmerking kunnen worden genomen […] restrictief [dienen] te worden toegepast. De ratio legis is niet de zware boetes systematisch te verlagen onder het wettelijk minimum. Enkel wanneer hiervoor gegronde redenen zijn kan dit gebeuren.” Het uitgangspunt van de regelgeving is dan ook niet dat een over-
treder sowieso recht heeft op de toepassing van verzachtende omstandigheden of uitstel, doch daarentegen juist dat deze enkel in uitzonderlijke omstandigheden facultatief kunnen worden toegepast. Bovendien omschrijft deze omzendbrief de situatie die eventueel als verzachtende omstandigheid in aanmerking zou kunnen worden genomen in zijn geheel als volgt:
“het voertuig werd geladen door een derde, in afwezigheid van de chauffeur of diens werkgever, er doet zich geen overlading voor in totaliteit en de overlading is niet van die aard dat de overlading onmiddellijk merkbaar is, maar wel dusdanig dat kan worden aangenomen dat een normale, voorzichtige en redelijke chauffeur, in dezelfde feitelijke omstandigheden de overlading zou hebben opgemerkt. De administratieve geldboete kan gedeeltelijk verlaagd worden.”
Het gaat dus niet louter om het “laden door een derde in afwezigheid van de chauffeur” zoals de verzoekende partij thans wil doen uitschijnen. Ook inzake het uitstel van de administratieve geldboete stelt de omzendbrief MOW 2012/1 van 9 juli 2012 gelijkaardige restrictieve voor-
waarden, waarvan de verzoekende partij niet aantoont dat deze te dezen vervuld zouden zijn.
XII-8033-25/34
In dat licht volstaat de in de bestreden beslissing opgenomen motivering inzake het niet verlenen van uitstel.
37. Het zesde middel wordt verworpen.
G. Zevende middel
Uiteenzetting van het middel
38. De verzoekende partij voert in een zevende middel de schending aan van het proportionaliteitsbeginsel.
Zij acht dit beginsel geschonden doordat voor de overlading een administratieve geldboete van 1.050 euro wordt opgelegd, terwijl dergelijke inbreuken volgens de wet van 21 juni 1985 ‘betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig moet voldoen’ met een geldboete van “10 tot 10.000 BEF”
worden bestraft. Zij verwijst naar twee vonnissen van de politierechtbank te Luik en deze te Halle, waarbij voor een duidelijk zwaardere overlading telkens een lagere geldboete werd opgelegd. Bovendien heeft het Hof van Justitie in een arrest van 9 februari 2012 (C-210/10) geoordeeld dat sancties in verhouding moeten staan tot de feiten en effectief, ontradend en niet discriminerend moeten zijn. De verwerende partij heeft in de bestreden beslissing ten onrechte aangevoerd dat deze kritiek niet gericht is tegen de beslissing maar tegen het decreet. Zij verliest daarbij immers uit het oog dat zij de mogelijkheid heeft om geheel of gedeeltelijk uitstel toe te staan. De verzoekende partij heeft in haar conclusies in eerste aanleg en in beroep uitdrukkelijk gevraagd om uitstel te verlenen, maar de verwerende partij is daar ten onrechte niet op ingegaan.
39. In de laatste memorie benadrukt de verzoekende partij dat zij niet de strafmarge zoals deze werd vastgesteld in het decreet bekritiseert, maar de manier waarop dit decreet werd toegepast. Zij meent dat het proportionaliteits-
beginsel had kunnen worden gerespecteerd door de sancties te versoepelen,
XII-8033-26/34
waartoe de interne richtlijn van het Vlaamse Gewest ook de mogelijkheid biedt, en door een uitstel uit te spreken of een strafmaat die lager ligt dan het minimum waarin wordt voorzien in het decreet.
Beoordeling
40. Artikel 17, § 2, eerste lid, van het decreet bijzonder wegtransport bepaalt dat het tarief van de administratieve geldboete gelijk is aan de minimum geldboete overeenkomstig de overlading, zoals bepaald in artikel 14, verhoogd met de opdeciemen.
De overlading bedroeg op de tweede as van de trekker 1.076 kg.
Artikel 14, § 2, van het decreet bijzonder wegtransport stelt de minimum geldboete bij een overlading met 1000 kg tot minder dan 1500 kg vast op 175 euro. Verhoogd met de opdeciemen brengt dit de administratieve geldboete op 1.050 euro.
Het komt de Raad van State niet toe om de proportionaliteit van de bedragen die in het decreet bijzonder wegtransport zijn vastgelegd, te beoor-
delen, vermits dit een kritiek op het decreet uitmaakt. Wel dienen zij, wanneer zij daartoe worden verzocht, te beoordelen of er een evenredigheidsverband bestaat tussen de gesanctioneerde gedraging en de opgelegde administratieve sanctie. Te dezen werd de minimum geldboete opgelegd, waarbij de minister geen lager bedrag mag opleggen, tenzij er verzachtende omstandigheden zijn.
Artikel 17, § 2, vierde lid, van het decreet bijzonder weg-
transport bepaalt dat als verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, de wegen-
inspecteur-controleur of de Vlaamse regering een administratieve geldboete onder de voormelde minimumbedragen kan opleggen. Er blijkt evenwel niet dat de verzoekende partij in de voorliggende zaak een specifiek afzonderlijk beroep heeft gedaan op verzachtende omstandigheden om een vermindering van het
XII-8033-27/34
bedrag van de administratieve geldboete te verkrijgen. Zij heeft, zoals reeds vastgesteld, enkel om uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van de administratieve geldboete verzocht.
Zoals uit het onderzoek van het zesde middel blijkt, is in de motivering van de bestreden beslissing op voldoende duidelijke wijze aangege-
ven waarom de verwerende partij niet is ingegaan op de vraag van de verzoekende partij om uitstel toe te staan.
41. Het zevende middel wordt verworpen.
H. Achtste middel
Uiteenzetting van het middel
42. De verzoekende partij doet in een achtste middel gelden dat de bewijslast niet werd nageleefd.
De bewijslast ligt bij de verwerende partij. Het strafdossier in deze zaak is bijzonder pover en bevat geen verklaring van de vrachtwagen-
bestuurder zodat niet beweerd kan worden dat deze de inbreuk niet betwist. Uit het dossier blijkt niet dat de vrachtwagenbestuurder over middelen beschikte om het gewicht van de lading te kennen, noch dat deze op de hoogte was van de overlading. Dit is erg belangrijk want het gaat om een lage overlading van 7%.
In het proces-verbaal beweren de verbalisanten dat zij een asweger Supaweigh II met serienummer 003733 hebben gebruikt. Deze gegevens worden niet vermeld op de weegbon zodat niet vaststaat dat deze bon van deze machine afkomstig is. De verwerende partij beweert dat het bewijs dat deze machine werd getest bij het dossier werd gevoegd, dat klopt niet. Dit stuk werd pas aan de verzoekende partij bezorgd met de beslissing na bezwaar van 29 januari 2015. Dit stuk is dus niet onderworpen geweest aan een tegen-
XII-8033-28/34
sprekelijk debat. Uit het verslag van de metrologische dienst blijkt niet dat de asweger naar behoren zou werken. De test is bovendien bijna twee jaar oud.
De verzoekende partij heeft altijd doen gelden dat zij niet aanwezig was bij het laden van het voertuig en dus geen kennis had van de overlading. De bestreden beslissing houdt daar geen rekening mee. Volgens de verzoekende partij dient het materiële element van de overtreding dan ook te worden herzien.
43. In de toelichtende memorie voegt de verzoekende partij nog aan het middel toe dat de correctionele rechtbank te Namen in gelijkaardige omstandigheden de overtreder heeft vrijgesproken, welk vonnis bevestigd werd door een arrest van het Hof van Cassatie van 23 september 2015.
44. In de laatste memorie benadrukt de verzoekende partij dat het hier gaat om de niet naleving van de bewijslast die berust op de vervolgende partij, de verwerende partij. Zij verwijst opnieuw naar het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Namen dat werd “bevestigd” door het Hof van Cassatie. Zij meent dat de gewone strafrechtbank hierover een andere beoordeling heeft, zodat de verschillende situatie van de overtreders voor een “administratief rechtscollege” weer neerkomt op een schending van het gelijkheidsbeginsel.
Beoordeling
45. In de eerste plaats dient te worden opgemerkt dat dit middel in zijn ontvankelijkheid wordt bezwaard doordat de verzoekende partij nalaat om een duidelijke rechtsnorm aan te wijzen die zij geschonden acht en uiteen te zetten hoe de bestreden beslissing deze rechtsnorm zou miskennen. Het middel dient zich aan als een feitelijk en juridisch gebrekkig onderbouwde bedenking ten aanzien van de materiële motieven van de bestreden beslissing.
XII-8033-29/34
46. De verzoekende partij betwist in dit middel in de eerste plaats het bestaan van het moreel bestanddeel van het misdrijf.
Wat de inbreuk bedoeld in artikel 3 van het decreet bijzonder wegtransport betreft, is niet vereist dat zij wetens en willens werd begaan, de schuld voor de inbreuk kan onder meer bestaan uit onachtzaamheid, wat betekent dat moet worden nagegaan of aan de betrokkene een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid kan worden verweten.
De omstandigheid dat de vrachtwagenbestuurder niet op de hoogte was van de overlading doordat hij het laden niet zelf had uitgevoerd en over geen middelen beschikte om het gewicht van het voertuig te controleren, maakt niet dat de betrokken onderneming geen enkel verwijt zou treffen noch kunnen ze worden aangemerkt als onoverkomelijk. Van een professionele vervoersonderneming mag worden verwacht dat zij de nodige maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat de vrachtwagens die zij in geladen toestand op de openbare weg brengt, voldoen aan de wettelijk toegestane maxima wat de asdrukken betreft, ook al heeft zijzelf het voertuig niet geladen. Het verzuim daaraan te voldoen kan het opzet of de schuldige nalatigheid uitmaken vereist opdat het morele element van het misdrijf zou bestaan (Cass., 2 november 2004, nr. 521, A.R. P.04.0767.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041102.8 ).
Voor het overige kan worden verwezen naar de beoordeling van het zesde middel, waarbij reeds werd vastgesteld dat de verzoekende partij er ten onrechte van uit gaat dat het laden door een derde een “automatische” grond tot uitstel zou zijn.
47. In de tweede plaats betwist de verzoekende partij het materieel bestanddeel van het misdrijf met een kritiek op de asweger en de weegbon.
Het verslag van de metrologische controle werd aan de verzoekende partij bezorgd met de beslissing na bezwaar van 29 januari 2015.
XII-8033-30/34
Anders dan de verzoekende partij doet gelden blijkt dit stuk het voorwerp te hebben uitgemaakt van tegenspraak: zij heeft haar kritieken op dit stuk kunnen doen gelden zowel in het kader van het georganiseerd administratief beroep als thans in de procedure voor de Raad van State.
Het verslag opgesteld door de metrologische dienst van de FOD
Economie, K.M.O, Middenstand en Energie dient te worden geacht wel degelijk aan te tonen dat de gebruikte asweger naar behoren functioneert. In dit verslag komt de Algemene Directie Kwaliteit en Veiligheid van de Dienst Verkeer van de FOD Economie uitdrukkelijk tot het besluit dat het betrokken toestel mag worden gebruikt “voor het bepalen van het gewicht per as en het totaalgewicht van voertuigen”. Het verslag werd opgesteld op 11 september 2012, dit is een jaar en acht maanden voor de vaststelling van de inbreuk op 21 mei 2014, dus minder dan twee jaar voordien en nog ruim binnen de door de metrologische dienst –
overigens vrijblijvend– aanbevolen termijn voor het uitvoeren van een nieuwe controle.
Er dient te worden vastgesteld dat het proces-verbaal uitdrukkelijk melding maakt van het merk, type en serienummer van de gehanteerde asweger, welke gegevens volledig overeenstemmen met het serie-
nummer op het verslag van de metrologische controle. De vaststellingen in het proces-verbaal stemmen overeen met de gegevens vermeld op de weegbon, zodat er geen twijfel over bestaat dat deze de resultaten bevat die met de in het proces-
verbaal vermelde asweger werden vastgesteld. Bijgevolg mag de Raad van State ervan uit gaan dat de bijlage met de weegbon deel uitmaakt van het proces-
verbaal.
Er is dan ook geen objectieve reden om de juistheid van de uitgevoerde weging in twijfel te trekken. Er is bovendien ook geen reden om aan te nemen dat de weegbon die als bijlage 1 bij het proces-verbaal is gevoegd, niet afkomstig zou zijn van het toestel waarvan de verbalisanten bij de controle van het voertuig gebruik hebben gemaakt.
XII-8033-31/34
Voor zover de verzoekende partij in de toelichtende memorie en laatste memorie verwijst naar een vonnis van de correctionele rechtbank te Namen van 4 maart 2015, blijkt dat in dat vonnis ook wordt overwogen dat de termijn om het proces-verbaal over te maken aan het parket was overschreden, wat volgens de correctionele rechter afbreuk doet aan de bewijswaarde van het betreffende proces-verbaal. De verzoekende partij toont niet aan dat dit te dezen ook het geval is. Vervolgens wordt in het vonnis ook geoordeeld dat de inbreuk niet kan worden aangerekend aan de vrachtwagenbestuurder nu deze een onder-
geschikte band heeft met zijn werkgever. Al deze elementen samen brengen de correctionele rechter er toe de beslissing tot het opleggen van de administratieve sanctie nietig te verklaren. In het cassatiearrest waar de verzoekende partij ook nog naar verwijst wordt het door de correctionele rechter ingenomen standpunt geenszins bevestigd, aangezien het cassatieberoep onontvankelijk wordt verklaard bij gebreke aan betekening van de cassatievoorziening aan de verwerende partij in cassatie.
48. Het achtste middel wordt verworpen.
I. Negende middel
49. De verzoekende partij voert in haar laatste memorie een nieuw middel aan, waarin zij doen gelden dat “de redelijke termijn van de rechts-
pleging” is overschreden “ingevolge de traagheid waarmee de administratieve rechtscolleges en inzonderheid de [Raad van State] een uitspraak hebben gedaan in dit dossier”. De overtreding dateert van 21 mei 2014 en het verslag van de auditeur werd slechts opgesteld op 14 maart 2017. Het gaat om vrij eenvoudige overtredingen en de verzoekende partij heeft geen enkel vertragingsmaneuver uitgevoerd. Dit rechtsmiddel kon niet eerder worden aangevoerd, nu de redelijke termijn volgens de verzoekende partij werd overschreden op het ogenblik van het opstellen van het advies van de auditeur. Zij verzoekt dan ook, in het geval de Raad van State niet zou overgaan tot nietigverklaring van de bestreden beslissing,
XII-8033-32/34
om met toepassing van artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, de sanctie te herleiden tot een eenvoudige schuldverklaring.
Beoordeling
50. Wat de redelijke termijn betreft voor de oplegging van de bestuurlijke boete in de bestuurlijke procedure, dient te worden opgemerkt dat het decreet bijzonder wegtransport vervaltermijnen oplegt en dat deze te dezen werden gerespecteerd. Er is, zeker nu de decretale regeling korte vervaltermijnen instelt die het bestuur niet toelaat te dralen, geen reden om te onderzoeken of de wegeninspecteur-controleur en de minister binnen die termijnen waarover zij beschikten en die zij naleefden, voldoende diligent gehandeld hebben en de redelijke termijn hebben overschreden. De verzoekende partij betoogt ook niet dat reeds in de bestuurlijke procedure, de redelijke termijn zou zijn overschreden.
Tegen de eindbeslissing in deze procedure, die dateert van 11 juni 2015 werd een annulatieberoep bij de Raad van State door de verzoekende partij ingesteld op 10 augustus 2015, met acht middelen, waarvan er een aantal verschillende onderdelen bevat.
Voor zover het middel niet de overschrijding van de redelijke termijn door de bestreden beslissing betreft, is het niet ontvankelijk, alleen al omdat het aldus geen onwettigheid betreft die tot een nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden.
De Raad van State bezit ten slotte hoe dan ook geen rechtsmacht om artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering toe te passen.
51. Het middel wordt verworpen.
XII-8033-33/34
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 17 november 2017, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier.
De griffier De voorzitter
Silja Doms Dierk Verbiest
XII-8033-34/34
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.903