Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.902 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.902 Généré par l'IA

Court dismisses appeal against administrative fine for vehicle overloading, rejecting reasonable time limit argument.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.902
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State dismissed the applicant's appeal against a 600 euro fine imposed for overloading a truck. The applicant argued that the administrative proceedings exceeded the reasonable time limit due to delays in the auditor's report, but the court found no grounds to question the inspector's diligence given the short statutory deadlines. Consequently, the appeal was rejected, and the applicant was ordered to pay the associated court costs.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Decree on Road Transport Protection; Article 17, Section 3: The Council of State lacks jurisdiction to apply Article 21ter of the Code of Criminal Procedure and must reject appeals based on reasonable time limit violations in administrative penalty proceedings where statutory deadlines were strictly observed.

Mots-clés

Généré par l'IA
administrative penalty appeal reasonable time limit vehicle overloading Council of State jurisdiction procedural delay defense infraction administrative calcul de l'amende peine pécuniaire avec sursis

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Decree of 3 May 2013 on the protection of road infrastructure in the event of special road transport
Article 17, Section 3 of the Decree on Road Transport Protection
Article 21ter of the preceding title of the Code of Criminal Procedure
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIIe KAMER

nr. 239.902 van 17 november 2017

in de zaak A. 216.632/XII-8029

In zake: SA TRANSPORTS INTERNATIONAUX MULLER

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alain Franken kantoor houdend te 4000 Liège Boulevard de la Sauvenière 91

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

het VLAAMSE GEWEST

woonplaats kiezend bij Agentschap Wegen en Verkeer T.a.v. Veerle Van Empten Koning Albert II-laan 20/4

1000 Brussel

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 4 augustus 2015, strekt tot de nietig-

verklaring van de beslissing van het Vlaamse Gewest van 9 juni 2015 om de SA

Transports Internationeaux Muller een administratieve geldboete van 600 euro op te leggen wegens inbreuk op het verbod om het wegdek te beschadigen door overlading van een voertuig.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

XII-8029-1/35

Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld.

De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 september 2017.

Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Marion Lapage, die loco advocaat Alain Franken verschijnt voor de verzoekende partij, en adjunct van de directeur Veerle Vanempten die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Op 26 maart 2014 wordt een vrachtwagen met oplegger, bestuurd door Alain Omer Cornet, werknemer van de verzoekende partij, door de Wegeninspectie gecontroleerd op de autosnelweg E313 te Ranst. Bij weging van het voertuig wordt vastgesteld dat de trekker overladen is. Op de eerste as bedraagt de overlading 165 kg en op de tweede as 707 kg. Er wordt proces-

verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: het decreet bijzonder wegtransport).

XII-8029-2/35

3.2. Op 6 mei 2014 wordt het proces-verbaal bezorgd aan de procureur des Konings te Antwerpen met het verzoek om overeenkomstig artikel 17, § 3, van het decreet bijzonder wegtransport binnen een termijn van 60

dagen mee te delen welk gevolg aan de zaak zal worden gegeven. Op 21 mei 2014 beslist de procureur des Konings dat geen vervolging wordt ingesteld.

3.3. Op 30 juli 2014 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 600 euro op te leggen.

3.4. Op 25 augustus 2014 tekent de verzoekende partij bezwaar aan tegen die beslissing.

Op 5 januari 2015 vindt een hoorzitting plaats.

Op 29 januari 2015 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 600 euro op te leggen. Deze beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partij ter kennis gebracht.

3.5. Op 16 februari 2015 stelt de verzoekende partij tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse regering.

Op 9 april 2015 vindt een hoorzitting in beroep plaats.

Op 9 juni 2015 beslist de administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer aan de verzoekende partij een administratieve geldboete op te leggen van 600 euro. Die beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partij ter kennis gebracht.

Dit is de bestreden beslissing.

XII-8029-3/35

IV. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

4. De verzoekende partij voert in een eerste middel de verjaring van de strafvordering aan. Zij wijst erop dat de inbreuk die haar wordt verweten een overtreding betreft. De strafrechtelijke regels inzake verjaring bepalen dat de verjaringstermijn voor een overtreding hoogstens een jaar bedraagt. De feiten die de verzoekende partij worden verweten zijn gebeurd op 26 maart 2014. Ze zijn dus ondertussen verjaard. De verzoekende partij moet dan ook worden “ontlast”

van de administratieve geldboete.

5. In de memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij dat de verwerende partij uit het oog verliest dat artikel 68 van “de wet van 16 maart 1968” bepaalt dat de verjaringstermijn voor verkeersovertredingen een jaar bedraagt, wat duidelijk ook geldt voor een overladingsovertreding. Het feit dat een administratieve geldboete wordt opgelegd heeft niet tot gevolg dat een overtreding wordt omgevormd tot een wanbedrijf. Een andere redenering zou erop neerkomen dat het beginsel dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet wordt geschonden aangezien in dat geval de verjaringstermijn zou afhangen van de eventuele seponering van een strafdossier.

6. In de laatste memorie blijft de verzoekende partij erbij dat een verjaringstermijn van vijf jaar te dezen niet van toepassing is. De verbalisanten maken immers ook gewag van een overtreding in de zin van “de wet van 1968

betreffende het verkeersreglement”, naast een overtreding van het decreet bijzonder wegtransport. “Aangezien deze wet een afwijkende bepaling is van het gemeenrecht [moet] ze op een restrictieve manier geïnterpreteerd […] worden, inzonderheid met betrekking tot de verjaringstermijn”.

XII-8029-4/35

Beoordeling

7. Daargelaten dat de verzoekende partij zich niet op ontvanke-

lijke wijze voor het eerst in de memorie van wederantwoord op artikel 68 van de wet van 16 maart 1968 ‘betreffende de politie over het wegverkeer’ (hierna: de wegcode) kan beroepen, dient te worden vastgesteld dat deze bepaling als volgt luidt:

“De strafvordering die het gevolg is van een overtreding van deze wet alsmede van de ter uitvoering ervan vastgestelde besluiten, verjaart door verloop van een jaar te rekenen van de dag waarop de overtreding is begaan; deze termijn bedraagt evenwel drie jaar te rekenen van de dag waarop de overtreding is begaan voor overtredingen van artikel 30, § 1 en § 3, 33, 34, § 2, 35 en 37bis, § 1, 1° en 4° tot 6°.”

Aldus blijkt deze bepaling enkel overtredingen van de wegcode zelf te betreffen. Weliswaar wordt in het proces-verbaal ook een overtreding van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 ‘houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen’ vastgesteld, doch de bestreden beslissing steunt niet op een vervolging voor deze inbreuk maar wel voor een inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport; het voormelde artikel 68 van de wegcode is te dezen dus niet van toepassing. Derhalve gelden in beginsel de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen.

8. Artikel 14, § 2, van het decreet bijzonder wegtransport bepaalt de straffen voor een inbreuk op artikel 3, tweede lid, van dit decreet. Het gaat om correctionele straffen. Bijgevolg dient de inbreuk op dit artikel als een wanbedrijf te worden beschouwd.

Overeenkomstig artikel 21, eerste lid, 4°, van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering is de verjaringstermijn van een wanbedrijf in beginsel vijf jaar.

XII-8029-5/35

Het middel gaat derhalve uit van een juridisch onjuiste premisse.

9. Er ligt ook geen schending van het gelijkheidsbeginsel voor, nu de verjaringstermijn niet blijkt af te hangen van het gevolg dat de procureur des Konings al dan niet aan de inbreuk geeft.

10. Het eerste middel wordt verworpen.

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

11. De verzoekende partij voert in een tweede middel de schending aan van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM).

In een eerste onderdeel wijst zij erop dat zij niet in een taal die zij begrijpt op de hoogte werd gesteld van de feiten die haar ten laste werden gelegd. De verzoekende partij kent geen Nederlands. Desondanks werd de vaststelling van de overtreding enkel in het Nederlands opgesteld. Bovendien was ook de brief waarbij een administratieve geldboete werd opgelegd en waarin de rechtsmiddelen tegen die beslissing werden vermeld enkel in het Nederlands opgesteld. Vervolgens wijst de verzoekende partij erop dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in een arrest van 14 oktober 2014 heeft geoordeeld dat artikel 6 EVRM voorziet in het recht op gratis bijstand van een tolk, niet enkel voor mondelinge verklaringen ter zitting maar ook wat de geschreven stukken van het voorbereidend onderzoek betreft. De verzoekende partij had bijstand van een tolk moeten krijgen en het strafdossier had moeten worden vertaald. Geen van beide is te dezen het geval geweest. Het feit dat beroep bij de Raad van State mogelijk is doet hieraan geen afbreuk.

XII-8029-6/35

In een tweede onderdeel betoogt de verzoekende partij dat de procedure niet regelmatig is verlopen omdat de vrachtwagenbestuurder niet de mogelijkheid heeft gehad om zich bij het eerste verhoor door een advocaat te laten bijstaan. Zij verwijst hierbij naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 27 november 2008 in de zaak Salduz t. Turkije, naar de wijziging van het Wetboek van Strafvordering door de wet van 13 augustus 2011

en naar het arrest nr. 7/2013 van 14 februari 2013 van het Grondwettelijk Hof, dat oordeelde dat ook bij verkeersovertredingen deze mogelijkheid moet worden geboden voordat de verbalisanten een eerste verhoor afnemen. Te dezen is het gebrek aan voorafgaand overleg met een advocaat des te nadeliger aangezien het dossier niet het verhoor van de vrachtwagenbestuurder bevat. In de bestreden beslissing wordt ten onrechte gesteld dat deze een vragenlijst zou hebben ingevuld. Deze werd niet aan de verzoekende partij bezorgd zodat zij niet over een volledig dossier beschikte. De bestreden beslissing is aangetast door een interne tegenstrijdigheid nu, enerzijds, wordt gesteld dat de vrachtwagen-

bestuurder een vragenlijst zou hebben ingevuld maar, anderzijds, het gebrek aan vragenlijst bij het dossier wordt verantwoord.

12. In de memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij, wat het eerste middelonderdeel betreft, dat het feit dat zij conclusies in het Frans heeft kunnen indienen en dat haar advocaat zich in het Frans heeft kunnen uitdrukken, geen afbreuk doet aan het feit dat haar de bijstand van een tolk werd geweigerd. De verzoekende partij verwijst naar een arrest van het Hof van Cassatie van 10 november 2015 waaruit volgens haar blijkt dat er gevolg moet worden gegeven aan het verzoek tot bijstand van een tolk.

Wat het tweede middelonderdeel betreft, benadrukt de verzoe-

kende partij dat uit het arrest van het Grondwettelijk Hof van 14 februari 2013

volgt dat verkeersovertredingen onder het toepassingsgebied van de Salduz-wet vallen. De rechten van verdediging werden niet gewaarborgd in deze zaak. De vrachtwagenbestuurder werd nooit op de hoogte gebracht dat hij gebruik kon maken van de bijstand van een advocaat. Voor het overige herhaalt de

XII-8029-7/35

verzoekende partij in haar betoog in de memorie van wederantwoord allerlei feitelijke kritieken die ook bij de overige middelen reeds aan bod komen en niet rechtstreeks in verband staan met de in dit middelonderdeel aangevoerde grief inzake het gebrek aan bijstand van een advocaat, zoals het feit dat de schriftelijke verklaring van de vrachtwagenbestuurder niet bij het dossier werd gevoegd, dat de rechten van verdediging niet werden geëerbiedigd doordat de volledige rechtspleging werd gevoerd in een taal die de verzoekende partij niet begrijpt; dat er nooit een vertaler tot haar beschikking werd gesteld, dat het bewijs niet wordt geleverd van de goede werking van de weegschaal, en dat er in het dossier geen enkel objectief element is waaruit kan worden afgeleid dat de verzoekende partij de inbreuk niet zou betwisten.

13. In de laatste memorie wijst de verzoekende partij, wat het eerste onderdeel betreft, nog op de ongelijkheid in behandeling van administratieve vervolgingen ten opzichte van strafrechtelijke, aangezien voor de politie- of correctionele rechtbank de mogelijkheid bestaat om de doorverwijzing te vragen naar een rechtscollege van zijn taalrol, wat hier op een heel eenvoudige manier zou kunnen worden opgelost door de overtreder gebruik te laten maken van de diensten van een tolk.

Wat het tweede onderdeel betreft, benadrukt de verzoekende partij nogmaals dat uit het strafdossier niet blijkt dat er een vragenlijst is overhandigd geweest aan de vrachtwagenbestuurder en dat de aanwezigheid van een advocaat de mogelijkheid zou hebben geboden om klaarheid te scheppen.

Beoordeling

Wat het gebruik der talen betreft

14. In het eerste middelonderdeel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 6, lid 3, a) en e), EVRM. Krachtens deze bepaling heeft eenieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, het recht om onverwijld,

XII-8029-8/35

in een taal welke hij verstaat, en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging en om zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal welke ter zitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt.

Niet betwist wordt dat de administratieve geldboetes die wegens inbreuken op het decreet bijzonder wegtransport door de verwerende partij kunnen worden opgelegd een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van het voormelde artikel, zodat de rechtzoekende aan wie ze worden opgelegd aanspraak moet kunnen maken op de waarborgen vervat in deze verdragsbepaling.

Artikel 6, lid 3, a), EVRM, verleent de strafrechtelijk vervolgde persoon evenwel niet het recht om de taal van de rechtspleging te kiezen. Met toepassing van artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 ‘op het gebruik der talen in gerechtszaken’ (hierna: taalwet in gerechtszaken), worden de processen-verbaal betreffende de opsporing en vaststelling van misdrijven in het Nederlandse taalgebied in het Nederlands gesteld. Voorts dient de verwerende partij, in overeenstemming met artikel 36 van de Gewone Wet van 9 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’, de zaak in het Nederlands te behandelen. De beslissingen van de wegeninspecteur-controleur en de minister dienden bijgevolg in het Nederlands te worden opgesteld.

Uit artikel 6, lid 3, a), EVRM volgt wel dat de verplichting om de betrokkene in een taal die hij verstaat in kennis te stellen van de hem ten laste gelegde feiten en de juridische omschrijving ervan, moet worden nageleefd door de administratieve overheden die een administratieve sanctie opleggen. De rechter beoordeelt of de overtreder op de hoogte werd gebracht van de feiten die hem worden verweten in een taal die hij voldoende verstond opdat zijn recht van verdediging in acht zou zijn genomen. De overtreder moet zichzelf kunnen verdedigen en in het bijzonder de mogelijkheid hebben om de rechter zijn versie van de feiten voor te leggen. De beoordeling van het voorgaande dient bijgevolg

XII-8029-9/35

te gebeuren in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak, waarbij onder meer de complexiteit van de inbreuk of het dossier en de talenkennis van de overtreder een primordiale rol spelen. De mate waarin een gedetailleerde kennis van de in de procedure gehanteerde voertaal is vereist, neemt dan ook toe naarmate de inbreuk of het dossier complexer wordt.

Dit geldt eveneens voor de vraag of een rechtspleging zonder bijstand van een tolk, de uitoefening van de rechten van verdediging van de overtreder heeft miskend. Anders dan de verzoekende partij te dezen veronderstelt, gaat artikel 6, lid 3, e), EVRM blijkens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet zo ver dat deze bepaling een vertaling vereist van elk schriftelijk bewijsstuk of van elk officieel stuk van het dossier. In dit opzicht heeft het Hof er op gewezen dat de betrokken bepaling verwijst naar de bijstand van een tolk en niet van een vertaler (EHRM 4 november 2010, nr. 22575/08, Katritsch t. Frankrijk, nr. 41 en 43;

EHRM 6 juli 2009, nr. 16084/90, Protopapa t. Turkije nr. 80 en EHRM 18 oktober 2006, nr. 18114/02, Hermi t. Italië, nr. 70) en dat de uitoefening van het voormelde recht op vertolking veronderstelt dat de betrokkene aanwezig is op de zitting (EHRM 14 februari 2017, nr. 30749/12, Hokkeling t. Nederland).

15. Te dezen dient te worden vastgesteld dat de betrokken inbreuk een relatief eenvoudige inbreuk betreft waarvoor duidelijk bewijsmateriaal bestaat - dat wordt vergaard met gebruik van een asweger - en waaraan eenvoudige feiten - de overlading - ten grondslag liggen. De inbreuk geeft evenmin aanleiding tot een omvangrijk of ingewikkeld dossier.

De verzoekende partij maakt noch in het verzoekschrift noch in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie geloofwaardig dat zij de draagwijdte van de haar ten laste gelegde feiten, die, het weze herhaald, te dezen van zeer eenvoudige aard zijn – de strafbare gedraging bestaat uit het op de weg brengen van een overladen voertuig – niet zou hebben begrepen. Daarenboven

XII-8029-10/35

blijkt uit het administratief dossier dat de verzoekende partij op behoorlijke wijze haar verdediging op zich heeft genomen tijdens de bestuurlijke procedure en in de taal van haar keuze haar standpunt over de feiten heeft kunnen doen gelden en deze heeft kunnen betwisten. Op de hoorzitting in beroep, waarop haar raadsman en haar gedelegeerd bestuurder aanwezig was, heeft zij ook haar standpunt kunnen doen gelden in de taal van haar keuze en uit het verslag van de hoorzitting, zoals dit bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt dat de aanwezige ambtenaar dat relaas goed heeft begrepen. Aldus blijkt niet dat of hoe de verzoekende partij zou zijn benadeeld door de afwezigheid van een tolk op de hoorzitting.

De verwijzing naar een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 14 oktober 2014 leidt niet tot een ander besluit. Dat arrest handelt immers niet over een vergelijkbare eenvoudige verkeersinbreuk, maar over een ongeletterd persoon die in Turkije werd vervolgd omwille van terroristische activiteiten. De Raad van State ziet niet in hoe de bevindingen inzake de toepassing van artikel 6 EVRM in een dergelijke context ook op het voorliggende geval van toepassing zouden zijn.

Het arrest van het Hof van Cassatie van 10 november 2015

waar de verzoekende partij naar verwijst leidt evenmin tot een ander besluit. Dit arrest handelt over de toepassing van artikel 23 van de taalwet in gerechtszaken en de weigering van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde om een zaak door te verwijzen naar een Franstalige rechtbank. De verzoekende partij maakt op generlei wijze aannemelijk dat deze bepaling op deze zaak van toepassing zou zijn.

De in het laatste memorie aangeklaagde daaruit voortvloeiende ongelijke behandeling van de verzoekende partij –daargelaten de ontvanke-

lijkheid van deze in de laatste memorie aangevoerde grief– doordat zij in het kader van de administratieve procedure niet de mogelijkheid heeft om de zaak door te verwijzen naar een rechtbank van een taalrol van haar keuze die wel geldt

XII-8029-11/35

bij een strafrechtelijke procedure, heeft betrekking op de inhoud en de draagwijdte van het decreet bijzonder wegtransport. De Raad van State heeft geen rechtsmacht om een dergelijke kritiek te beoordelen.

Uit het voorgaande blijkt niet en de verzoekende partij toont dit ook niet aan dat te dezen haar rechten van verdediging zouden zijn geschonden doordat haar de bijstand van een tolk en de vertaling van het dossier werd geweigerd.

Het eerste middelonderdeel wordt verworpen.

Wat de bijstand van een advocaat betreft

16. Wat het tweede middelonderdeel betreft, klaagt de verzoekende partij aan dat de vrachtwagenbestuurder niet de mogelijkheid werd geboden om zich bij het eerste verhoor door een advocaat te laten bijstaan.

Niet elke ondervraging van een persoon, waarbij inlichtingen en bewijselementen worden verzameld die op het bestaan van een misdrijf zouden kunnen wijzen, moet worden beschouwd als een “verhoor”.

In het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 7/2013 van 14 februari 2013 waar de verzoekende partij herhaaldelijk naar verwijst, wordt aldus juist gesteld dat in de voorbereidende werken van de wet van 13 augustus 2011 ‘tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis’, die ertoe strekt aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, een aantal situaties worden vermeld die niet overeenstemmen met de definitie van het verhoor, zoals het verzamelen van inlichtingen op de plaats van het delict tijdens de eerste fase van het onderzoek, de spontane mededelingen, de antwoorden op een schriftelijke vragenlijst waarin beperkte informatie wordt

XII-8029-12/35

gevraagd of de verklaringen in het kader van een administratief onderzoek (GwH

14 februari 2013, nr. 7/2013. B.5.5).

De Raad van State verwijst voorts naar het arrest Zaichenko waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aangaande een verhoor zonder bijstand van een advocaat tijdens een wegcontrole tot de niet-schending van artikel 6, lid 3, c), EVRM besloot. Volgens het Hof wezen de omstandig-

heden van de zaak niet op een noemenswaardige beperking van de vrijheid van handelen van de betrokken persoon van die aard dat de bijstand van een advocaat vanaf dat ogenblik vereist zou zijn (EHRM 18 februari 2010, Zaichenko t.

Rusland, nr. 39660/02, §§ 47 en 48). Het Hof wijst ook op de eerder beperkte rol van de verbalisanten en stelt vast dat het strafonderzoek pas werd geopend na de toezending van het verslag of het proces-verbaal van de verbalisanten aan de bevoegde overheid (§ 49). Deze vaststellingen gaan ook op voor de voorliggende wegcontrole waarbij het voertuig wordt gewogen door de asweger en waarna de vrachtwagenbestuurder mag beschikken en zijn rit met zijn voertuig verder zetten.

De in het tweede middelonderdeel aangevoerde tegenstrijdig-

heid in de motivering inzake de vragenlijst wordt ook aangevoerd in het zesde middel inzake gebrek aan afdoende motivering van de bestreden beslissing. Deze grief zal daar worden onderzocht en beoordeeld.

Het tweede onderdeel van het tweede middel wordt verworpen.

17. Het tweede middel wordt in zijn geheel verworpen.

XII-8029-13/35

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

18. De verzoekende partij voert in een derde middel machtsafwending aan.

Artikel 36 van de “wet van 9 augustus 1980” bepaalt dat het bestuur het Nederlands dient te gebruiken. Dit betekent niet dat personen die niet in het Nederlands taalgebied gevestigd zijn het Nederlands dienen te gebruiken ten aanzien van het bestuur. Daarenboven bepaalt artikel 39 van deze wet dat het Gewest de mogelijkheid heeft om met particulieren die in een ander taalgebied wonen te corresponderen in de taal waarvan de betrokkenen gebruik maken. Om te voldoen aan artikel 6, lid 3, a), EVRM had de verwerende partij dan ook met de verzoekende partij enkel in het Frans mogen corresponderen. De verwerende partij gebruikt trouwens het Frans om de administratieve geldboete te innen. Met deze handelwijze, die enkel tot doel heeft de overtreders te verhinderen om hun rechten van verdediging te laten gelden en op een zo gemakkelijk mogelijke manier de betaling van de boetes te verkrijgen, maakt de verwerende partij zich schuldig aan machtsafwending.

19. In de memorie van wederantwoord herhaalt de verzoekende partij haar standpunt dat de verzoekende partij niet zorgt voor een vertaling van haar briefwisseling wanneer zij hier zelf geen baat bij heeft en zich zo schuldig maakt aan machtsafwending.

20. In de laatste memorie benadrukt de verzoekende partij dat het machtsmisbruik in hoofde van de verwerende partij wel degelijk is aangetoond, nu vaststaat dat de verwerende partij in staat is zich in het Frans te richten tot de overtreder om betaling van de boetes te verkrijgen, doch weigert om de stukken van het dossier te vertalen, het strafdossier geen enkel bewijs bevat voor het feit dat de vrachtwagenbestuurder een vragenlijst zou hebben ingevuld en de

XII-8029-14/35

aanwezigheid van een tolk wordt geweigerd, zodat het enige doel van het bestuurslichaam erin bestaat om buitenlandse overtreders gemakkelijker te kunnen veroordelen en wanneer dit eenmaal is gebeurd, contact op te nemen met de overtreder in zijn moedertaal om de betaling van de boete te verkrijgen.

Beoordeling

21. Artikel 36 van de gewone wet van 9 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ (GWHI) regelt het gebruik van de talen door de “diensten van de Executieven waarvan de werkkring het gehele ambtsgebied van de Vlaamse Gemeenschap, van de Franse Gemeenschap of van het Waalse Gewest bestrijkt”, als volgt:

“§ 1. Behoudens de bepalingen van § 2 gebruiken:

1° de diensten van de Vlaamse Executieve het Nederlands als bestuurstaal;

2° de diensten van de Franse Gemeenschapsexecutieve en die van de Waalse Gewestexecutieve, het Frans als bestuurstaal.

§ 2. Met betrekking tot de gemeenten met een speciale taalregeling uit hun ambtsgebied, is op de in § 1 bedoelde diensten de taalregeling van toepassing die door de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken is opgelegd aan de plaatselijke diensten van die gemeenten, voor de berichten, mededelingen en formulieren die bestemd zijn voor het publiek, voor de betrekkingen met particulieren en voor het opstellen van akten, getuigschriften, verklaringen en vergunningen.

Voor hun betrekkingen met de openbare besturen, waarvan de zetel gevestigd is in een gemeente van het Duits taalgebied, gebruiken de diensten van de Waalse Gewestexecutieve het Duits.

§ 3. […].”

Aangezien de verzoekende partij niet in een gemeente met een speciale taalregeling ten aanzien van het Vlaamse Gewest is gevestigd, wordt in de bestreden beslissing terecht vastgesteld dat de Vlaamse overheid in overeen-

stemming met het voormelde artikel 36 het Nederlands als bestuurstaal dient te gebruiken.

In de bestreden beslissing wordt, anders dan de verzoekende partij doet gelden, overigens niet gesteld dat personen die niet in het Nederlands

XII-8029-15/35

taalgebied gevestigd zijn uitsluitend het Nederlands dienen te gebruiken ten aanzien van het bestuur. De verzoekende partij heeft – zoals reeds vastgesteld bij de beoordeling van het tweede middel – zowel in haar conclusies als op de hoorzitting het Frans kunnen gebruiken zonder dat blijkt dat zij door het hanteren van die taal benadeeld zou zijn geweest door de verwerende partij.

22. Het door de verzoekende partij ingeroepen artikel 39 GWHI

luidt:

“Op de in artikel 37 bedoelde diensten, waarvan de werkkring zowel gemeenten zonder speciale taalregeling als gemeenten met een speciale taalregeling uit eenzelfde taalgebied omvat, is, met betrekking tot de gemeenten met een speciale taalregeling, de taalregeling van toepassing die door de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken is opgelegd aan de plaatselijke diensten van die gemeenten, voor de berichten, mededelingen en formulieren die bestemd zijn voor het publiek, voor de betrekkingen met particulieren en voor het opstellen van akten, getuigschriften, verklaringen, machtigingen en vergunningen.

De diensten worden derwijze georganiseerd dat, zonder enige moeite, kan worden voldaan aan de bepalingen van het eerste lid.”

Het in deze bepaling genoemde artikel 37 luidt op zijn beurt:

“De bepalingen van deze afdeling zijn toepasselijk op de gecentraliseerde en gedecentraliseerde diensten van de Vlaamse Executieve, van de Franse Gemeenschapsexecutieve en van de Waalse Gewestexecutieve, waarvan de werkkring niet het gehele ambtsgebied van de Gemeenschap of het Gewest, al naar het geval, bestrijkt.”

Anders dan de verzoekende partij doet gelden blijkt aldus niet uit artikel 39 dat dit de verwerende partij de mogelijkheid zou bieden om met particulieren die in een ander taalgebied wonen te corresponderen in de taal waarvan de betrokkenen gebruik maken. Dit artikel betreft immers gemeenten met een speciale taalregeling uit hetzelfde taalgebied.

Het middel berust dan ook op een onjuist juridisch uitgangspunt.

XII-8029-16/35

23. Waar de verzoekende partij in dit middel de verwerende partij machtsafwending verwijt dient zij erop te worden gewezen dat een verzoekende partij die machtsafwending inroept het bewijs moet leveren dat de beweegredenen die het bestuur opgeeft voor een bepaalde handeling niet de werkelijke beweegredenen zijn. Met andere woorden de verzoekende partij moet het bewijs leveren dat het bestuur met de bestreden beslissing uitsluitend een ongeoorloofd oogmerk nastreeft. De omstandigheid dat de verwerende partij in overeenstemming met artikel 36 GWHI het Nederlands heeft gebruikt in de bestuurlijke procedure en de brief van betaling in het Frans heeft gesteld, toont dit alleszins niet aan.

24. Het derde middel wordt verworpen.

D. Vierde middel

Uiteenzetting van het middel

25. De verzoekende partij voert in een vierde middel aan dat het strafdossier haar niet volledig werd bezorgd. Zij wijst erop dat het bewijs van de seponering door het Parket haar evenmin werd bezorgd. Evenmin werd haar de verklaring van de vrachtwagenbestuurder bezorgd. In de bestreden beslissing wordt gesteld dat de vrachtwagenbestuurder afstand heeft gedaan zijn recht op bijstand door een advocaat, wat het ontbreken van een vragenlijst en een verhoor zou verklaren. De afstand van dit recht door de vrachtwagenbestuurder kan niet uit het dossier worden afgeleid.

26. In de memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij dat de verbalisanten niet verduidelijken dat de vrachtwagenbestuurder zou hebben geweigerd de vragenlijst in te vullen. De beslissing van seponering door het Parket werd wel betwist in graad van beroep. Het document van het Parket is niet ondertekend, niet gedateerd en bevat geen enkele vermelding die het bevoegde Parket identificeert. Het document dat bij de bestreden beslissing werd gevoegd volstaat niet. Het is dus niet bewezen dat het dossier werd geseponeerd

XII-8029-17/35

door het parket.

27. In de laatste memorie benadrukt de verzoekende partij nog dat het proces-verbaal niet vermeldt dat de vrachtwagenbestuurder een vragenlijst zou hebben ontvangen, die hij geweigerd zou hebben te ondertekenen en dat er trouwens in de bestreden beslissing wordt gesteld dat hij één zou hebben ontvangen (blz. 7) en enkele bladzijden verder precies het tegenovergestelde, zodanig dat niet is bewezen dat deze effectief is overhandigd geweest en geweigerd zou zijn geweest. Betreffende het bewijs van de seponering, wijst zij er nog op dat het invulformulier voor het openbaar ministerie, niet werd ondertekend door de substituut die met het dossier was belast, zodat er geen rekening kan worden gehouden met dit document.

Beoordeling

28. Uit de bestreden beslissing blijkt dat geen vragenlijst wordt voorgelegd aan de vrachtwagenbestuurder om in te vullen wanneer deze zijn advocaat wenst te raadplegen doch deze niet kan bereiken. Dit bleek in voorliggende zaak het geval te zijn en verklaart, aldus de bestreden beslissing, de afwezigheid van een ingevulde vragenlijst in dit dossier. Evenmin blijkt hij door de Wegeninspectie te zijn verhoord. Het proces-verbaal moet daar bijgevolg geen melding van maken. De vaststelling van de inbreuk berust te dezen genoegzaam op eenvoudige materiële vaststellingen verricht door middel van een asweger.

Nu er dient te worden aangenomen dat er überhaupt geen vragenlijst werd ingevuld door de vrachtwagenbestuurder, blijkt niet hoe de verzoekende partij zou zijn gegriefd door het feit dat dit onbestaande document haar niet werd bezorgd.

29. Wat het niet bezorgen van de beslissing tot seponering door het Parket betreft, blijkt het middel feitelijke grondslag te missen. Zoals de verwerende partij doet gelden blijkt immers uit het administratief dossier dat deze

XII-8029-18/35

beslissing reeds aan de verzoekende partij werd bezorgd samen met de beslissing na bezwaar, genomen op 29 januari 2015.

Bijlage 1 bij de beslissing na bezwaar van 29 januari 2015 is een brief van de verwerende partij aan de procureur des Konings te Antwerpen met het verzoek om overeenkomstig artikel 17, § 3, van het decreet bijzonder wegtransport binnen een termijn van 60 dagen mee te delen welk gevolg aan de zaak zal worden gegeven.

Bijlage 2 bij de beslissing na bezwaar van 29 januari 2015 is een schrijven aan de verwerende partij van de procureur des Konings van 21 mei 2014 met als hoofding “Parket van de procureur des Konings, Antwerpen, Afdeling Antwerpen, Sectie Politieparket” waarin uitdrukkelijk het nummer wordt vermeld van het aan deze zaak ten grondslag liggend proces-verbaal en waarin de betrokken procureur des Konings, die met naam wordt genoemd en deze beslissing ook heeft ondertekend, aan de verwerende partij meedeelt:

“Beleefd het dossier in bijlage tot beschikking aan de ambtenaar belast met het opleggen van een administratieve boete”.

Bijlage 3 bij de beslissing na bezwaar van 29 januari 2015 is een document met hoofding “Invulformulier voor het Openbaar Ministerie”

waarin opnieuw uitdrukkelijk het nummer van het proces-verbaal wordt vermeld, alsook ditmaal de gegevens van de verzoekende partij en van de vrachtwagen-

bestuurder. Dit invulformulier werd gedatumstempeld en, in tegenstelling tot wat de verzoekende partij nog schijnt te betogen in de laatste memorie, wel degelijk ondertekend door dezelfde procureur des Konings als bijlage 2. Dit document is voorzien van een vak “Beslissing Parket”, waarin de keuzemogelijkheid “Strafvervolging instellen” werd doorstreept en waarin de keuzemogelijkheid “Administratieve afhandeling” onaangeroerd werd gelaten.

Voorts is aan de beslissing na bezwaar van 29 januari 2015, zoals deze deel uitmaakt van het administratief dossier, een bewijs van

XII-8029-19/35

aangetekende zending met ontvangstmelding gehecht waaruit blijkt dat de verzoekende partij dit stuk op 6 februari 2015 in ontvangst heeft genomen.

In het licht van deze feitelijke vaststellingen op grond van het administratief dossier doet de verzoekende partij dan ook ten onrechte gelden dat niet bewezen zou zijn dat het dossier werd geseponeerd door het Parket of dat het niet rechtsgeldig zou zijn geseponeerd. Er dient te worden aangenomen dat deze stukken haar werden bezorgd bij de beslissing na bezwaar van 29 januari 2015.

30. Het vierde middel wordt verworpen.

E. Vijfde middel

Uiteenzetting van het middel

31. De verzoekende partij voert in een vijfde middel de schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel. De ambtenaar die de boete in graad van bezwaar heeft opgelegd beschikt niet over de vereiste objectiviteit om van het dossier kennis te nemen en heeft er zelfs belang bij dat ingestelde beroepen falen.

In sommige gevallen legt deze persoon de initiële geldboete op. In andere zaken, zoals te dezen, doet zij uitspraak in eerste aanleg. In andere gevallen voert zij het verweer voor de Raad van State. Zij is dus betrokken in alle fasen van de procedure. Het feit dat beroep mogelijk is bij een andere ambtenaar doet aan deze vaststellingen geen afbreuk, aangezien de ambtenaar bij wie het beroep wordt ingediend evenmin onpartijdig is en rekenschap dient af te leggen aan de minister. De talrijke schendingen van de rechten van verdediging maken het mogelijk te beweren dat de ambtenaren van het Vlaamse Gewest niet aantonen te beschikken over de nodige onpartijdigheid om op een objectieve manier tot een besluit te komen in dit dossier. De verwerende partij is zowel rechter als partij.

Het feit dat de Raad van State aan de eisen van onpartijdigheid en onafhankelijkheid voldoet, volstaat niet, aangezien de waarborgen van artikel 6

EVRM ook van toepassing moeten zijn op de procedure die de rechterlijke

XII-8029-20/35

uitspraak voorafgaat.

32. In de memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij dat het middel geen kritiek op het decreet uitmaakt. Niets in het decreet verplicht de verwerende partij om dezelfde ambtenaar te belasten met de analyse van het dossier als met het opstellen van de memorie van antwoord voor de Raad van State. Deze persoon kan niet tegelijk rechter en “vervolgende partij”

voor de Raad van State zijn.

33. In de laatste memorie wijst de verzoekende partij er nog op dat niet kan worden betwist dat het Vlaamse Gewest meerdere wegeninspecteurs tot haar beschikking heeft, zodat cumul – immers dezelfde ambtenaar legt de boete op, doet uitspraak in eerste aanleg en stelt de memories op in de huidige procedure voor de Raad van State – kan worden vermeden. Zij herhaalt tevens dat de vrachtwagenbestuurder geen voorafgaandelijk overleg heeft gehad met zijn raadsman, dat het strafdossier niet de verklaring van de beschuldigde vrachtwagenbestuurder bevat en het ook niet aantoont dat deze zou hebben geweigerd om de vragenlijst in te vullen, dat er geen tolk ter beschikking werd gesteld, zij niet van de stukken in het Frans kennis hebben kunnen nemen en dat dezelfde ambtenaar in alle stadia van de rechtspleging is opgetreden.

Beoordeling

34. In het vijfde middel wordt in essentie aangevoerd dat de administratieve geldboete wegens overtreding van het decreet bijzonder wegtransport niet wordt opgelegd door een onafhankelijke en onpartijdige instantie.

De wegeninspecteur-controleur en de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit treden bij het opleggen van een administratieve geldboete ingevolge een inbreuk op het decreet bijzonder wegtransport niet op als jurisdictioneel orgaan, maar wel als organen van het actief bestuur.

XII-8029-21/35

Ook organen van het actief bestuur moeten de onpartijdigheids-

plicht in acht nemen, doch voor hen geldt die verplichting niet zo absoluut als voor de rechter en ze moet verenigbaar zijn met de eigen aard, meer bepaald de eigen structuur van bestuur. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de wijze waarop de bestuurlijke procedure door de decreetgever wordt geregeld.

De omstandigheid dat het Agentschap Wegen en Verkeer waartoe de wegeninspecteurs-controleurs behoren, onder de verantwoordelijkheid valt van de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit, is een gegeven dat eigen is aan de structuur van het bestuur en kan dienvolgens niet dienstig worden aangevoerd om de onpartijdigheid van de betrokken bestuursorganen te betwisten.

Ook al bevindt dit agentschap als instelling zich in een ondergeschikte positie ten opzichte van de regering, zijn zowel de vaststelling van de aslasteninbreuken door wegeninspecteurs als de beslissing om een administratieve boete op te leggen wegens die inbreuken door wegeninspecteur-

controleurs, eigen bevoegdheden die het decreet bijzonder wegtransport toekent aan deze ambtenaren van dit agentschap; in de uitoefening van die bevoegdheden, zijn deze structureel onafhankelijk en ontsnappen ze aan het gezag van de minister. Voorts is het eigen aan de procedure van bezwaar dat dezelfde instantie – te dezen dezelfde wegeninspecteur-controleur – het bezwaar behandelt. Te dezen regelt het decreet bijzonder wegtransport de procedure van bezwaar:

binnen de dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving van de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete, kan bezwaar worden aangetekend;

in dat geval wordt de overtreder en in voorkomend geval de onderneming binnen de vijftien dagen na het instellen van het bezwaar uitgenodigd op een hoorzitting, de overtreder en de onderneming kunnen op de hoorzitting een nota indienen, zij mogen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, van de hoorzitting wordt een verslag opgemaakt en binnen dertig dagen na de hoorzitting dient de wegeninspecteur-controleur zijn beslissing mee te delen aan de overtreder en in voorkomend geval de onderneming.

XII-8029-22/35

Uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij zowel in bezwaar, als in beroep schriftelijke conclusies heeft neergelegd, dat zij telkens werd uitgenodigd voor de hoorzittingen, dat tijdens de hoorzitting in beroep haar advocaat de zaak kon toelichten en alle dienstige elementen kon aanvoeren ter verdediging van zijn cliënte, waarbij een ambtenaar voor de administratieve beroepsinstantie een schriftelijk relaas heeft genotuleerd van het verloop van de zitting, waarop de minister in de bestreden beslissing uitgebreid heeft geantwoord zodat op bestuurlijk vlak de rechten van verdediging werden geëerbiedigd en het bestuur heeft doen blijken van de vereiste onafhankelijkheid en op zorgvuldige wijze heeft gehandeld. De verzoekende partij kan dus niet worden bijgevallen waar zij doet gelden dat er te dezen sprake zou zijn van “talrijke schendingen van de rechten van verdediging” waaruit zou blijken dat de ambtenaren van het Vlaamse Gewest niet beschikken over de nodige onpar-

tijdigheid om op een objectieve manier tot een besluit te komen in dit dossier.

35. Daargelaten dat überhaupt niet duidelijk is hoe zulks de wettigheid van de bestreden beslissing zou aantasten, blijkt niet dat de ambtenaar die namens de verwerende partij de memorie van antwoord heeft opgesteld ook de thans bestreden beslissing heeft genomen. Er blijkt niet hoe het feit dat deze ambtenaar de beslissing na bezwaar van 29 januari 2015 heeft genomen tot een ander besluit inzake de wettigheid van de bestreden beslissing zou leiden.

36. Zoals de Raad van State reeds in talrijke arresten heeft geoordeeld vereist artikel 6 EVRM niet dat de administratieve instanties die de administratieve geldboete hebben opgelegd of die kennis hebben genomen van het verzet of het beroep daartegen, aan alle vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM

moeten voldoen. Het volstaat dat tegen de eindbeslissing van de administratieve overheid een beroep openstaat bij een rechterlijke instantie met “volle rechtsmacht”, in de zin waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat begrip verstaat. Tegen de beslissing van de minister kon de verzoekende partij overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een beroep tot nietigverklaring instellen bij de Raad van State. Het standpunt dat

XII-8029-23/35

de Raad van State een rechtscollege is dat beantwoordt aan de vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM en dat reeds in talrijke arresten van de Raad van State werd aangenomen, werd tevens bevestigd door het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie (GwH, 18 februari 2016, nr. 25/2016, B.40.1 en B.40.2;

Cass. 15 oktober 2009, Arr. Cass. 2009, 584).

De Raad van State valt ook in deze zaak deze rechtspraak bij.

Aldus heeft de verzoekende partij wel degelijk de waarborgen van het EVRM

kunnen genieten.

37. Ook het vijfde middel wordt verworpen.

F. Zesde middel

Uiteenzetting van het middel

38. De verzoekende partij voert in een zesde middel aan dat de bestreden beslissing ontoereikend is gemotiveerd. De bestreden beslissing is intern tegenstrijdig aangezien op bladzijde 3 wordt erkend dat geen vragenlijst bij het proces-verbaal werd gevoegd maar op bladzijde 7 wordt op deze lijst beroep gedaan om te stellen dat er geen schending is geweest van artikel 47bis van het Wetboek van Strafvordering. De verwerende partij kan zich niet beroepen op het ontbreken van een vragenlijst en zich daar tezelfdertijd op steunen om een argument van de verzoekende partij te verwerpen.

In de bestreden beslissing wordt niet geantwoord op het argu-

ment van de verzoekende partij betreffende het verlenen van uitstel. De bestreden beslissing grondt zich op artikel 59bis, § 2, van het aslastendecreet 1998 terwijl dit werd opgeheven en vervangen door het decreet bijzonder wegtransport. De motivering is tegenstrijdig omdat de verwerende partij meent dat het feit dat het ontbreken van een vroegere veroordeling een minimumvoorwaarde is voor het toekennen van uitstel, maar dat het feit dat er geen veroordeling is geweest als

XII-8029-24/35

dusdanig niet volstaat om uitstel te verlenen. Deze motivering houdt geen rekening met de argumentatie van de verzoekende partij dat de omzendbrief van 9 juli 2012 de verplichting oplegt om met verzachtende omstandigheden rekening te houden wanneer het voertuig geladen wordt door een derde in afwezigheid van de vrachtwagenbestuurder.

39. In de memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij dat zij had verwezen naar rechtspraak van het Hof van Cassatie inzake de bewijslast in strafzaken en dat de verwerende partij daarop geen antwoord formuleert in de bestreden beslissing. De motivering geeft de verzoekende partij niet de mogelijkheid om te begrijpen waarom ze werd veroordeeld.

40. In de laatste memorie betoogt de verzoekende partij nog dat het gronden van een veroordeling op een vragenlijst die ontbreekt, niet kan worden beschouwd als een materiële fout die geen ernstige gevolgen heeft voor de verderzetting van de rechtspleging en dat het niet aan haar toekomt om te bewijzen dat zij geen vroegere veroordelingen opliep, nu de verwerende partij geen enkel overzicht of een administratief strafblad bezorgt. Tevens benadrukt zij dat de overtreding een strafrechtelijke overtreding is, zodanig dat het de verwerende partij toekomt om haar beslissing met betrekking tot de straf met redenen te omkleden en uit te leggen waarom zij ervoor heeft gekozen om de overtreder dat specifiek bedrag op te leggen dat zich in de door de wet voorziene strafmarge bevindt. Zij herhaalt dat die motivering helemaal niet aanwezig is in de bestreden beslissing.

Beoordeling

41. In de motivering van de bestreden beslissing wordt, na een vermelding van de wettelijke grondslag van de beslissing, een uiteenzetting van de feiten en de vaststelling dat het beroep ontvankelijk is, een antwoord gegeven op de middelen van de verzoekende partij aangaande “vermeende gebreken in de procedure”, “taalgebruik in de procedure”, “vermeende schending van artikel 47bis, §1, 3° Sv.”, “schending van artikel 10 van de Grondwet”, “motivatie van

XII-8029-25/35

de bestreden beslissing”, “de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de onder-

neming”, “materieel element” en “uitstel van de tenuitvoerlegging van de administratieve geldboete”.

De bestreden beslissing geeft aldus duidelijk de redenen aan waarom de voormelde middelen tegen de beslissing na bezwaar van de wegen-

inspecteur-controleur worden verworpen. In zoverre kan de verzoekende partij niet worden bijgevallen waar zij doet gelden dat zij aan de hand van de bestreden beslissing niet zou weten waarom haar beroep wordt verworpen en een administratieve geldboete wordt opgelegd.

42. Wat de door de verzoekende partij aangehaalde tegen-

strijdigheid betreft, dient te worden vastgesteld dat de bestreden beslissing op bladzijde drie bij de weerlegging van het middelonderdeel “ontbreken van de vragenlijst bij het PV” van het middel “vermeende gebreken in de procedure”

vermeldt dat aan de vrachtwagenbestuurder te dezen geen vragenlijst werd voorgelegd, wat verklaart waarom een ingevulde vragenlijst geen deel uitmaakt van het dossier.

Op bladzijde zeven, bij de weerlegging van het middel “schending van artikel 47bis, §1, 3° Sv.” vermeldt de bestreden beslissing in tegenstrijd met het voorgaande dan weer dat de vrachtwagenbestuurder een schriftelijke verklaring zou hebben afgelegd.

Er dient te worden vastgesteld dat deze laatste vermelding een materiële vergissing betreft. Deze blijkt bovendien niet van aard om de wettigheid, noch de strekking, van de bestreden beslissing aan te tasten nu, onmiddellijk na deze inderdaad onjuiste vermelding op bladzijde zeven, op bladzijde acht van de bestreden beslissing, het volgende wordt overwogen:

“Zowel de beslissing van de wegeninspecteur-controleur als onderhavige beslissing baseert zich evenwel niet op de verklaringen van de chauffeur om over te gaan tot het opleggen van een administratieve geldboete, maar wel op de materiële vaststelling van de overlading”.

XII-8029-26/35

Aldus blijkt de onterechte verwijzing naar een schriftelijke verklaring, “die nochtans ontbreekt” geen determinerend motief van de bestreden beslissing te vormen, noch zelfs maar van het weerleggen van het betrokken middel in de administratieve beroepsprocedure.

43. Op grond van artikel 18 van het decreet bijzonder wegtransport kan de wegeninspecteur-controleur of de Vlaamse regering, na de overtreder en in voorkomend geval de onderneming gehoord te hebben, geheel of gedeeltelijk uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van de administratieve geldboete toekennen. Het uitstel is enkel mogelijk als in de negatieve referentieperiode geen andere administratieve geldboete werd opgelegd aan de overtreder en als er geen strafrechtelijke veroordeling is geweest op grond van dit decreet. De verwerende partij stelt niet vast dat die voorwaarde niet zou zijn vervuld; de grief dat het onrechtmatig aan de verzoekende partij toekomt dit te bewijzen, mist aldus elke relevantie.

Het komt aan de verwerende partij toe om een eigen handha-

vingsbeleid te ontwikkelen. Binnen het kader van de decretale bepalingen, de beginselen van behoorlijk bestuur en de rechten van verdediging, oordeelt de verwerende partij soeverein over het bedrag van de boete en het al dan niet in aanmerking nemen van verzachtende omstandigheden of het toekennen van uitstel.

Wanneer de overtreder verzoekt hem geheel of gedeeltelijk uitstel van betaling toe te kennen, moet uit de motivering blijken waarom op dat verzoek niet wordt ingegaan. De voorwaarde is wel dat de betrokkene specifieke redenen inroept om in zijn geval geheel of gedeeltelijk uitstel van betaling toe te staan. De omstandigheid dat in de negatieve referteperiode geen andere administratieve geldboete werd opgelegd of er geen strafrechtelijke veroordeling is geweest op grond van dit decreet, verleent niet automatisch het recht op de toekenning van uitstel.

XII-8029-27/35

Te dezen heeft de verzoekende partij in haar conclusies in beroep in uiterst subsidiaire orde gevraagd om uitstel voor de betaling van de administratieve geldboete te verlenen. In de bestreden beslissing zet de verwe-

rende partij op bladzijde 14 expliciet de redenen uiteen waarom zij geen uitstel toekent. Aldus werd deze weigering wel degelijk formeel gemotiveerd. De in die motivering aangevoerde gronden zijn afdoende om die weigering te dragen.

De verwijzing in de bestreden beslissing naar de bepaling inzake uitstel van het aslastendecreet (artikel 59bis van dat decreet) in plaats van naar de quasi identieke bepaling van het decreet bijzonder wegtransport (artikel 18) kan, als materiële misslag, niet tot de onwettigheid van de bestreden beslissing leiden.

Te dezen blijkt niet dat de verzoekende partij “aannemelijke elemente[en]” heeft aangevoerd om het uitstel toe te staan; de verwerende partij is er dan ook niet toe gehouden het “tegendeel te bewijzen”.

44. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij doet gelden, volgt uit de door haar aangehaalde omzendbrief niet dat, telkens als de lading door een derde wordt uitgevoerd in afwezigheid van de vrachtwagenbestuurder, als het ware “automatisch” uitstel zou moeten worden toegekend. De verzoekende partij gaat eraan voorbij dat de omzendbrief MOW 2012/1 van 9 juli 2012 stelt dat “de omstandigheden die als verzachtende omstandigheid in aanmerking kunnen worden genomen […] restrictief [dienen] te worden toegepast. De ratio legis is niet de zware boetes systematisch te verlagen onder het wettelijk minimum.

Enkel wanneer hiervoor gegronde redenen zijn kan dit gebeuren.” Het uitgangspunt van de regelgeving is dan ook niet dat een overtreder sowieso recht heeft op de toepassing van verzachtende omstandigheden of uitstel, doch daarentegen juist dat deze enkel in uitzonderlijke omstandigheden facultatief kunnen worden toegepast. Bovendien omschrijft deze omzendbrief de situatie die eventueel als verzachtende omstandigheid in aanmerking zou kunnen worden genomen in zijn geheel als volgt:

XII-8029-28/35

“het voertuig werd geladen door een derde, in afwezigheid van de chauffeur of diens werkgever, er doet zich geen overlading voor in totaliteit en de overlading is niet van die aard dat de overlading onmiddellijk merkbaar is, maar wel dusdanig dat kan worden aangenomen dat een normale, voorzichtige en redelijke chauffeur, in dezelfde feitelijke omstandigheden de overlading zou hebben opgemerkt. De administratieve geldboete kan gedeeltelijk verlaagd worden.”

Het gaat dus niet louter om het “laden door een derde in afwe-

zigheid van de chauffeur” zoals de verzoekende partij thans wil doen uitschijnen.

Ook inzake het uitstel van de administratieve geldboete stelt de omzendbrief MOW 2012/1 van 9 juli 2012 gelijkaardige restrictieve voorwaarden, waarvan de verzoekende partij niet aantoont dat deze te dezen vervuld zouden zijn.

De verzoekende partij toont dan ook niet aan dat de in de bestreden beslissing opgenomen motivering inzake het niet verlenen van uitstel niet volstaat.

45. Het zesde middel wordt verworpen.

G. Zevende middel

Uiteenzetting van het middel

46. De verzoekende partij doet in een zevende middel gelden dat de bewijslast niet werd nageleefd.

De bewijslast ligt bij de verwerende partij. Het strafdossier in deze zaak is bijzonder pover en bevat geen verklaring van de vrachtwagen-

bestuurder zodat niet kan worden beweerd dat deze de inbreuk niet betwist. Uit het dossier blijkt niet dat de vrachtwagenbestuurder over middelen beschikte om het gewicht van de lading te kennen, noch dat deze op de hoogte was van de overlading. Dit is erg belangrijk want het gaat om een lage overlading van 4,8%.

XII-8029-29/35

In het proces-verbaal beweren de verbalisanten dat zij een asweger Supaweigh II met serienummer 57629 hebben gebruikt. Deze gegevens worden niet vermeld op de weegbon zodat niet vaststaat dat deze bon van deze machine afkomstig is. De verwerende partij beweert dat het bewijs dat deze machine werd getest bij het dossier werd gevoegd, maar dat klopt niet. De bestreden beslissing steunt dus op een stuk waarover geen tegenspraak werd gevoerd.

De verzoekende partij heeft altijd doen gelden dat zij niet aanwezig was bij het laden van het voertuig en dus geen kennis had van de overlading. De bestreden beslissing houdt daar geen rekening mee. Volgens de verzoekende partij dient het materiële element van de overtreding dan ook te worden herzien.

47. In de memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij dat de verwerende partij te kwader trouw beweert dat het bewijs van goede werking van de asweger bij de eerste beslissing was gevoegd. Uit het stuk dat wordt overgelegd blijkt niet dat de asweger correct werkte.

48. In de laatste memorie verwijst de verzoekende partij naar een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Namen dat werd bevestigd door het Hof van Cassatie. Zij meent dat de gewone strafrechtbank hierover een andere beoordeling heeft, zodat de verschillende situatie van de overtreders voor een “administratief rechtscollege” weer neerkomt op een schending van het gelijkheidsbeginsel.

Beoordeling

49. In de eerste plaats dient te worden opgemerkt dat dit middel in zijn ontvankelijkheid wordt bezwaard doordat de verzoekende partij nalaat om een duidelijke rechtsnorm aan te wijzen die zij geschonden acht en uiteen te zetten hoe de bestreden beslissing deze rechtsnorm zou miskennen. Het middel dient zich aan als een feitelijk en juridisch gebrekkig onderbouwde bedenking ten

XII-8029-30/35

aanzien van de materiële motieven van de bestreden beslissing.

50. De verzoekende partij betwist in dit middel in de eerste plaats het bestaan van het moreel bestanddeel van het misdrijf.

Wat de inbreuk bedoeld in artikel 3 van het decreet bijzonder wegtransport betreft, is niet vereist dat zij wetens en willens werd begaan. De schuld voor de inbreuk kan onder meer bestaan uit onachtzaamheid, wat betekent dat moet worden nagegaan of aan de betrokkene een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid kan worden verweten.

De omstandigheid dat de vrachtwagenbestuurder niet op de hoogte was van de overlading doordat hij het laden niet zelf had uitgevoerd en over geen middelen beschikte om het gewicht van het voertuig te controleren, maakt niet dat de betrokken vervoersonderneming die hem in dienst neemt geen enkel verwijt zou treffen of dat ze kunnen worden aangemerkt als onoverko-

melijk. Van een professionele vervoersonderneming mag worden verwacht dat zij de nodige maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat de vrachtwagens die zij in geladen toestand op de openbare weg brengt [of laat brengen], voldoen aan de wettelijk toegestane maxima wat de asdrukken betreft, ook al heeft zijzelf noch haar vrachtwagenbestuurder het voertuig niet geladen. Het verzuim daaraan te voldoen kan het opzet of de schuldige nalatigheid uitmaken vereist opdat het morele element van het misdrijf zou bestaan (Cass., 2 november 2004, nr. 521, A.R. P.04.0767.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041102.8 ).

Voor het overige kan worden verwezen naar de beoordeling van het zesde middel, waarbij reeds werd vastgesteld dat de verzoekende partij er ten onrechte van uit gaat dat het laden door een derde een “automatische” grond tot uitstel zou zijn.

51. In de tweede plaats betwist de verzoekende partij het materieel bestanddeel van het misdrijf met een kritiek op de asweger en de weegbon.

XII-8029-31/35

Het bij het administratief dossier ontbrekend verslag van de metrologische controle werd door het auditoraat opgevraagd. Het verslag van de metrologische controle dient te worden geacht wel degelijk aan te tonen dat de gebruikte asweger naar behoren functioneert. Het verslag werd minder dan twee jaar voor de vaststelling van de overlading door de metrologische dienst van de FOD Economie, K.M.O, Middenstand en Energie opgesteld. In dit verslag komt de Algemene Directie Kwaliteit en Veiligheid van de Dienst Verkeer van de FOD

Economie uitdrukkelijk tot het besluit dat het betrokken toestel mag worden gebruikt “voor het bepalen van het gewicht per as en het totaalgewicht van voertuigen”.

Er dient te worden vastgesteld dat het proces-verbaal uit-

drukkelijk melding maakt van het merk, type en serienummer van de gehanteerde asweger, welke gegevens volledig overeenstemmen met het serienummer op het verslag van de metrologische controle. De vaststellingen in het proces-verbaal stemmen overeen met de gegevens vermeld op de weegbon, zodat er geen twijfel over bestaat dat deze de resultaten bevat die met de in het proces-verbaal vermelde asweger werden vastgesteld. Bijgevolg mag de Raad van State ervan uitgaan dat de bijlage met de weegbon deel uitmaakt van het proces-verbaal.

Er is dan ook geen objectieve reden om de juistheid van de uitgevoerde weging in twijfel te trekken. Er is bovendien ook geen reden om aan te nemen dat de weegbon die als bijlage 1 bij het proces-verbaal is gevoegd, niet afkomstig zou zijn van het toestel waarvan de verbalisanten bij de controle van het voertuig gebruik hebben gemaakt.

Voor zover de verzoekende partijen in de laatste memorie verwijzen naar een vonnis van de correctionele rechtbank te Namen van 4 maart 2015, blijkt dat in dat vonnis ook wordt overwogen dat de termijn om het proces-

verbaal over te maken aan het parket was overschreden, wat volgens de correctionele rechter afbreuk doet aan de bewijswaarde van het betreffende proces-verbaal. De verzoekende partij toont niet aan dat dit te dezen ook het

XII-8029-32/35

geval is. Vervolgens wordt in het vonnis ook geoordeeld dat de inbreuk niet kan worden aangerekend aan de vrachtwagenbestuurder nu deze een ondergeschikte band heeft met zijn werkgever – te dezen wordt, het weze herhaald, de vrachtwagenbestuurder zelf niet vervolgd. Al deze elementen samen brengen de correctionele rechter er toe de beslissing tot het opleggen van de administratieve sanctie nietig te verklaren (“mettre à néant”). In het cassatiearrest waar de verzoekende partij ook nog naar verwijst wordt het door de correctionele rechter ingenomen standpunt geenszins bevestigd, aangezien het cassatieberoep onontvankelijk wordt verklaard bij gebreke aan betekening van de cassatie-

voorziening aan de verwerende partij in cassatie.

52. Het zevende middel wordt verworpen.

H. Achtste middel

53. De verzoekende partijen voeren in hun laatste memorie een nieuw achtste middel aan, waarin zij doen gelden dat “de redelijke termijn van de rechtspleging” is overschreden “ingevolge de traagheid waarmee de admini-

stratieve rechtscolleges en inzonderheid de [Raad van State] een uitspraak hebben gedaan in dit dossier”. De overtreding dateert van 26 maart 2014 en het verslag van de auditeur werd slechts opgesteld op 14 maart 2017. Het gaat om vrij eenvoudige overtredingen en de verzoekende partij heeft geen enkel vertragings-

maneuver uitgevoerd. Dit rechtsmiddel kon niet eerder worden aangevoerd, nu de redelijke termijn volgens de verzoekende partij werd overschreden op het ogenblik van het opstellen van het advies van de auditeur. Zij verzoekt dan ook, in het geval de Raad van State niet zou overgaan tot nietigverklaring van de bestreden beslissing, om met toepassing van artikel 21ter van de voorafgaande titel van het wetboek van strafvordering, de sanctie te herleiden tot een eenvoudige schuldverklaring.

XII-8029-33/35

Beoordeling

54. Wat de redelijke termijn betreft voor de oplegging van de administratieve geldboete in de bestuurlijke procedure, dient te worden opgemerkt dat het decreet bijzonder wegtransport vervaltermijnen oplegt en dat deze te dezen werden gerespecteerd. Er is, zeker nu de decretale regeling korte vervaltermijnen instelt die het bestuur niet toelaat te dralen, geen reden om te onderzoeken of de wegeninspecteur-controleur en de minister binnen die termijnen waarover zij beschikten en die zij naleefden, voldoende diligent gehandeld hebben en de redelijke termijn hebben overschreden. De verzoekende partij betoogt ook niet dat reeds in de bestuurlijke procedure de redelijke termijn zou zijn overschreden.

Tegen de eindbeslissing in deze procedure, die dateert van 9 juni 2015 werd een annulatieberoep bij de Raad van State door de verzoekende partij ingesteld op 4 augustus 2015.

Voor zover het middel niet de overschrijding van de redelijke termijn door de bestreden beslissing betreft, is het niet ontvankelijk, alleen al omdat het aldus geen onwettigheid betreft die tot een nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden.

De Raad van State bezit ten slotte hoe dan ook geen rechtsmacht om artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering toe te passen.

55. Het middel wordt verworpen.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

XII-8029-34/35

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 17 november 2017, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:

Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier.

De griffier De voorzitter

Silja Doms Dierk Verbiest

XII-8029-35/35

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.902