Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.901 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.901 Généré par l'IA

Court dismisses appeal against administrative fine for vehicle overloading, rejecting delay arguments.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.901
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State dismissed the appeal filed by Ahmed Taabicht and NV Transport Jost & Cie against a €4,500 administrative fine for vehicle overloading. The court found the appeal lacked factual basis as the underlying administrative decision had already been contested and the prosecution had been dropped. Consequently, the court rejected arguments regarding procedural delays and the inapplicability of sentencing reduction measures.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 56 of the Load Decree 1998; Article 21ter of the preceding title of the Code of Criminal Procedure: Administrative fines for overloading are subject to strict statutory limitation periods, and the Council of State lacks jurisdiction to apply sentencing reduction provisions in administrative annulment proceedings.

Mots-clés

Généré par l'IA
administrative fine vehicle overloading procedural delay limitation period Council of State annulment appeal sentencing reduction infraction administrative

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 56 of the Decree of 19 December 1998
Article 21ter of the preceding title of the Code of Criminal Procedure
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIIe KAMER

nr. 239.901 van 17 november 2017

in de zaak A. 215.605/XII-8024

In zake: 1. Ahmed TAABICHT

2. de NV TRANSPORT JOST & Cie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alain Franken kantoor houdend te 4000 Luik Boulevard de la Sauvenière 91

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

het VLAAMSE GEWEST

woonplaats kiezend bij Agentschap Wegen en Verkeer T.a.v. Veerle Van Empten Koning Albert II-laan 20/4

1000 Brussel

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 13 april 2015, strekt tot de nietigver-

klaring van de beslissing van het Vlaamse Gewest van 25 februari 2015 om aan Ahmed Taabicht een administratieve geldboete van 4.500 euro op te leggen wegens inbreuk op het verbod om het wegdek te beschadigen door overlading van een voertuig en de nv Transports Jost & Cie burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze geldboete.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

XII-8024-1/41

Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld.

De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 september 2017.

Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Marion Lapage, die loco advocaat Alain Franken verschijnt voor de verzoekende partijen, is gehoord.

Auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Op 10 december 2013 wordt een vrachtwagen met oplegger, bestuurd door de eerste verzoekende partij, werknemer van de tweede verzoekende partij, door de Federale Politie gecontroleerd op de autosnelweg E40

te Wetteren. Bij weging van het voertuig wordt vastgesteld dat zowel de trekker als de oplegger overladen zijn. Op de eerste as van de trekker bedraagt de overlading 32 kg en op de tweede as 3.244 kg. Op de oplegger bedraagt de overlading 138 kg op de eerste as, 293 kg op de tweede as en 341 kg op de derde as. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op onder meer artikel 56

van het decreet van 19 december 1998 ‘houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999’ (hierna: het aslastendecreet).

XII-8024-2/41

3.2. Op 25 februari 2014 wordt het proces-verbaal bezorgd aan de procureur des Konings te Dendermonde. Op 3 maart 2014 wordt meegedeeld dat de procureur des Konings geen vervolging zal instellen.

3.3. Op 28 mei 2014 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 4.500 euro op te leggen en de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van de boete. Deze beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht.

Op 11 juni 2014 tekenen de verzoekende partijen verzet aan tegen die beslissing.

Op 29 september 2014 vindt een hoorzitting plaats.

Op 21 oktober 2014 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 4.500 euro op te leggen en de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze boete. Deze beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht.

3.4. Op 27 oktober 2014 stellen de verzoekende partijen tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken.

Op 4 december 2014 vindt een hoorzitting in beroep plaats.

Op 25 februari 2015 beslist de administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer aan de eerste verzoekende partij een admini-

stratieve geldboete op te leggen van 4.500 euro en de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van die boete.

XII-8024-3/41

Die beslissing wordt op 26 februari 2015 met een aangetekende brief aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht.

Dit is de bestreden beslissing.

IV. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

4. De verzoekende partijen voeren in een eerste middel de schending aan van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM).

In een eerste middelonderdeel wijzen de verzoekende partijen erop dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in een arrest van 14 oktober 2014 heeft geoordeeld dat artikel 6 EVRM voorziet in het recht op gratis bijstand van een tolk, niet enkel voor mondelinge verklaringen ter zitting maar ook wat de geschreven stukken van het voorbereidend onderzoek betreft. De bijstand van een tolk moet de betrokkene in staat stellen te begrijpen wat hem wordt verweten en zich te verweren en om zijn versie van de feiten te doen gelden voor de rechtbank. Dit is te dezen niet het geval geweest. De stukken waar de verwerende partij zich op beroept zijn enkel in het Nederlands opgesteld terwijl de verzoekende partijen Franstalig zijn. In hun conclusies in beroep hebben de verzoekende partijen uitdrukkelijk gevraagd om de bijstand van een tolk. De verwerende partij heeft dit geweigerd. Dit druist in tegen artikel 6

EVRM. Het feit dat de advocaat van de verzoekende partijen zich in het Frans heeft kunnen uitdrukken en een nota in het Frans heeft kunnen neerleggen doet hieraan geen afbreuk. Ook het feit dat beroep bij de Raad van State mogelijk is doet hieraan geen afbreuk: de stukken van het dossier hadden moeten worden vertaald en de verwerende partij had moeten voldoen aan de vraag om een tolk op

XII-8024-4/41

de hoorzitting.

In een tweede middelonderdeel betogen de verzoekende partijen dat de procedure niet regelmatig is verlopen omdat de vrachtwagenbestuurder niet de mogelijkheid had om zich bij het eerste verhoor door een advocaat te laten bijstaan. Zij verwijzen hierbij naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 27 november 2008 in de zaak Salduz t. Turkije, naar de wijziging van het Wetboek van Strafvordering door de wet van 13 augustus 2011

en naar het arrest nr. 7/2013 van 14 februari 2013 van het Grondwettelijk Hof, dat oordeelde dat ook bij verkeersovertredingen deze mogelijkheid moet worden geboden voordat de verbalisanten een eerste verhoor afnemen. Bovendien hebben de verbalisanten aan de vrachtwagenbestuurder een formulier overhandigd waarop wordt vermeld dat deze geen recht heeft op voorafgaand overleg met een advocaat.

Volgens de verzoekende partijen wordt in de bestreden beslissing overwogen dat het strafrechtelijk karakter pas van toepassing is zodra de geldboete wordt opgelegd. De verwerende partij verliest daarbij uit het oog dat de overtreding van de overlading een strafrechtelijke inbreuk is die door de fede-

rale politie werd vastgesteld. Het is pas zodra het Parket besliste om de inbreuk te klasseren dat deze inbreuk aan de verwerende partij werd voorgelegd. Aldus had de vrachtwagenbestuurder wel degelijk recht op een voorafgaandelijk overleg met een advocaat op het ogenblik van het vaststellen van de inbreuk. Voorts doen de verzoekende partijen gelden dat waar de bestreden beslissing verwijst naar een arrest van het Hof van Cassatie van 23 november 2010, deze geen rekening houdt met het latere arrest van het Grondwettelijk Hof van 14 februari 2013.

Ten slotte doen de verzoekende partijen nog gelden dat zij wel degelijk de overlading hebben betwist. De verwerende partij heeft kennelijk de in beroep neergelegde conclusies niet gelezen of begrepen waarin wordt aangevoerd dat de verbalisanten niet het bewijs leveren dat de asweger naar behoren werkt en enkel verwijzen naar een verslag van metrologische controle van de asweger

XII-8024-5/41

zonder dit voor te leggen.

5. In de memorie van wederantwoord betogen de verzoekende partijen, wat het eerste middelonderdeel betreft, dat artikel 36 van de wet op het taalgebruik in bestuurszaken aan de verwerende partij niet de mogelijkheid ontneemt om een tolk aan te stellen. Daarnaast wordt in de in eerste aanleg genomen beslissing van 21 oktober 2014 ten onrechte gesteld dat met in het Frans gestelde conclusies geen rekening kan worden gehouden.

Wat het tweede middelonderdeel betreft, doen de verzoekende partijen gelden dat de aanwezigheid van een advocaat een heel ander licht had kunnen werpen op dit dossier. Deze had aan de vrachtwagenbestuurder het belang van de vragenlijst kunnen uitleggen alsook de manier waarop deze vragenlijst diende te worden ingevuld.

6. In de laatste memorie betogen de verzoekende partijen nog met betrekking tot het eerste middelonderdeel, dat hoewel de groep Jost inderdaad een grote onderneming is, die zijn activiteiten (ook) in het Nederlandstalig gedeelte uitoefent, er niettemin dient te worden vastgesteld dat de vennootschappen die er deel van uitmaken een eigen rechtspersoonlijkheid hebben, dat de vennootschap in kwestie tot de Franstalige taalrol behoort, en haar maatschappelijke zetel in het Franstalig gedeelte ligt, zodat deze zich gemakkelijker in het Frans uitdrukt.

Bijgevolg menen de verzoekende partijen dat met toepassing van artikel 23 van de wet van 15 juni 1935 de zaak diende te worden doorverwezen naar een rechts-

college van de andere taalrol. Indien hieromtrent anders wordt geoordeeld voor administratieve rechtscolleges dan voor de gewone strafrechtbanken brengt dit volgens de verzoekende partijen een schending van het gelijkheidsbeginsel met zich mee. De verzoekende partijen menen ook nog dat het feit dat in deze zaak diverse rechtsmiddelen worden aangevoerd, aantoont dat het toch niet zomaar een eenvoudige zaak betreft. Zij betwisten tevens nog dat zij niet benadeeld zouden zijn geweest door de afwezigheid van een tolk op de hoorzitting, nu de tweede verzoekende partij een vertegenwoordiger van haar personeel had afgevaardigd.

XII-8024-6/41

Hetzelfde geldt met betrekking tot de vragenlijsten die zogezegd bezorgd zouden zijn geweest.

Met betrekking tot het tweede onderdeel, volharden de verzoe-

kende partijen dat de aanwezigheid van een advocaat vereist is tijdens het eerste verhoor.

Beoordeling

Wat het gebruik der talen betreft

7. In het eerste middelonderdeel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 6, lid 3, a) en e), EVRM. Krachtens deze bepaling heeft eenieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, het recht om onverwijld, in een taal welke hij verstaat, en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging en om zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal welke ter zitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt.

Niet betwist wordt dat de administratieve geldboetes die wegens inbreuken op het aslastendecreet door de verwerende partij kunnen worden opgelegd een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van het voormelde artikel, zodat de rechtzoekende aan wie ze worden opgelegd aanspraak moet kunnen maken op de waarborgen vervat in deze verdragsbepaling.

Artikel 6, lid 3, a), EVRM, verleent de strafrechtelijk vervolgde persoon evenwel niet het recht om de taal van de rechtspleging te kiezen. Met toepassing van artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 ‘op het gebruik der talen in gerechtszaken’, worden de processen-verbaal betreffende de opsporing en vaststelling van misdrijven in het Nederlandse taalgebied in het Nederlands gesteld. Voorts dient de verwerende partij, in overeenstemming met artikel 36

van de Gewone Wet van 9 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’, de

XII-8024-7/41

zaak in het Nederlands te behandelen. De beslissingen van de wegeninspecteur-

controleur en de minister dienden bijgevolg in het Nederlands te worden opgesteld.

Uit artikel 6, lid 3, a), EVRM volgt wel dat de verplichting om de betrokkene in een taal die hij verstaat in kennis te stellen van de hem ten laste gelegde feiten en de juridische omschrijving ervan, moet worden nageleefd door de administratieve overheden die een administratieve sanctie opleggen. De rechter beoordeelt of de overtreder op de hoogte werd gebracht van de feiten die hem worden verweten in een taal die hij voldoende verstond opdat zijn recht van verdediging in acht zou zijn genomen. De overtreder moet zichzelf kunnen verdedigen en in het bijzonder de mogelijkheid hebben om de rechter zijn versie van de feiten voor te leggen. De beoordeling van het voorgaande dient bijgevolg te gebeuren in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak, waarbij onder meer de complexiteit van de inbreuk of het dossier en de talenkennis van de overtreder een primordiale rol spelen. De mate waarin een gedetailleerde kennis van de in de procedure gehanteerde voertaal is vereist, neemt dan ook toe naarmate de inbreuk of het dossier complexer wordt.

Dit geldt eveneens voor de vraag of een rechtspleging zonder bijstand van een tolk, de uitoefening van de rechten van verdediging van de overtreder heeft miskend. Anders dan de verzoekende partijen te dezen veronderstellen, gaat artikel 6, lid 3, e), EVRM blijkens de rechtspraak van het Europees hof voor de Rechten van de Mens niet zo ver dat deze bepaling een vertaling vereist van elk schriftelijk bewijsstuk of van elk officieel stuk van het dossier. In dit opzicht heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens er op gewezen dat de betrokken bepaling verwijst naar de bijstand van een tolk en niet van een vertaler (EHRM 4 november 2010, nr. 22575/08, Katritsch t. Frankrijk, nr. 41 en 43; EHRM 6 juli 2009, nr. 16084/90, Protopapa t. Turkije nr. 80 en EHRM 18 oktober 2006, nr. 18114/02, Hermi t. Italië, nr. 70) en dat de uitoefening van het voormelde recht op vertolking veronderstelt dat de betrokkene aanwezig is op de zitting (EHRM 14 februari 2017, nr. 30749/12,

XII-8024-8/41

Hokkeling t. Nederland).

Te dezen dient te worden vastgesteld dat de betrokken inbreuk een relatief eenvoudige inbreuk betreft waarvoor duidelijk bewijsmateriaal bestaat –dat wordt vergaard met gebruik van een asweger– en waaraan een-

voudige feiten –de overlading– ten grondslag liggen. De inbreuk geeft evenmin aanleiding tot een omvangrijk of ingewikkeld dossier. Het feit dat de verzoekende partijen in de voorliggende zaak vele middelen aanvoeren doet niet anders oordelen.

Uit het proces-verbaal van 10 december 2013 blijkt dat aan de vrachtwagenbestuurder door de Federale Politie een in het Nederlands én in het Frans gestelde vragenlijst werd voorgelegd die, naar keuze, in één van beide talen kon worden ingevuld. De vrachtwagenbestuurder heeft de vragenlijst in het Frans ingevuld.

Het proces-verbaal, waarbij de voormelde vragenlijst in bijlage werd gevoegd, werd aan de beide verzoekende partijen toegezonden en maakte deel uit van het dossier waarvan zij een afschrift hebben verkregen. In deze vragenlijst wordt er in beide talen op gewezen dat de overtreder niet kan worden verplicht zichzelf te beschuldigen en dat hij de keuze heeft om een verklaring af te leggen, te antwoorden op de hem gestelde vragen of te zwijgen. Ook wordt hem in beide talen een beknopte mededeling gegeven van de feiten. De Federale Politie heeft deze vragenlijst bij de wegcontrole voorgelegd aan de eerste verzoe-

kende partij, als materiële dader van de overtreding, die deze vragenlijst heeft ingevuld. Uit het dossier blijkt aldus dat alleszins een bijlage van het proces-

verbaal, dat informatie geeft over de aard van de feiten en een aantal rechten van verdediging, en wat dus kan worden beschouwd als essentiële informatie over de tenlastelegging, in zowel het Nederlands als het Frans werd opgesteld.

De verzoekende partijen maken in het licht van het voorgaande noch in het verzoekschrift noch in de memorie van wederantwoord en de laatste

XII-8024-9/41

memorie geloofwaardig dat zij de draagwijdte van de hun ten laste gelegde feiten, die, het weze herhaald, te dezen van zeer eenvoudige aard zijn –de strafbare gedraging bestaat uit het besturen van een overladen voertuig– niet zouden hebben begrepen. Daarenboven blijkt uit het administratief dossier dat de verzoekende partijen op behoorlijke wijze hun verdediging op zich hebben genomen tijdens de bestuurlijke procedure en in de taal van hun keuze hun standpunt over de feiten hebben kunnen doen gelden. Over de opmerking in de beslissing na verzet van 21 oktober 2014 dat met in het Frans gestelde conclusies geen rekening kan worden gehouden, werd klaarblijkelijk anders geoordeeld in de bestreden beslissing, waarin alle grieven werden besproken en onderzocht die de verzoekende partijen in hun in het Frans gestelde conclusies hadden doen gelden. Bovendien is de eerste verzoekende partij blijkens het verslag van de hoorzitting in beroep daarop niet aanwezig geweest. De tweede verzoekende partij zou een vertegenwoordiger van haar personeel hebben afgevaardigd, doch zij toont niet in concreto aan hoe de afwezigheid van een tolk op de hoorzitting haar benadeeld zou hebben: er werden schriftelijke conclusies in het Frans neergelegd en er blijkt niet dat deze persoon of haar advocaat deze niet heeft mogen toelichten in het Frans.

In de gegeven omstandigheden kan niet worden aangenomen dat er een schending van artikel 6, lid 3, a), EVRM voorligt.

De verwijzing naar een arrest van het EHRM van 14 oktober 2014 leidt niet tot een ander besluit. Dat arrest handelt immers niet om een vergelijkbare eenvoudige verkeersinbreuk, maar over een ongeletterd persoon die in Turkije werd vervolgd omwille van terroristische activiteiten. De Raad van State ziet niet in hoe de bevindingen inzake de toepassing van artikel 6 EVRM in een dergelijke context ook op huidig geval van toepassing zouden zijn.

De in het laatste memorie aangeklaagde ongelijke behandeling van de verzoekende partijen – daargelaten de ontvankelijkheid van deze in de laatste memorie aangevoerde grief – doordat zij in het kader van de

XII-8024-10/41

administratieve procedure niet de mogelijkheid hebben om de zaak door te verwijzen naar een rechtbank van een andere taalrol die wel geldt bij een strafrechtelijke procedure, heeft betrekking op de inhoud en de draagwijdte van het aslastendecreet en de wet van 15 juni 1935. De Raad van State heeft geen rechtsmacht om een dergelijke kritiek te beoordelen.

8. Het eerste middelonderdeel wordt verworpen.

Wat de bijstand van een advocaat betreft

9. In het tweede middelonderdeel klagen de verzoekende partijen aan dat de vrachtwagenbestuurder niet de mogelijkheid werd geboden om zich bij het eerste verhoor door een advocaat te laten bijstaan.

Niet elke ondervraging van een persoon, waarbij inlichtingen en bewijselementen worden verzameld die op het bestaan van een misdrijf zouden kunnen wijzen, mag worden beschouwd als een “verhoor”.

In het arrest van het Grondwettelijk Hof van 14 februari 2013

waar de verzoekende partijen naar verwijzen, wordt juist gesteld dat in de voorbereidende werken van de wet van 13 augustus 2011 ‘tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis’, die ertoe strekt aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, een aantal situaties worden vermeld die niet overeenstemmen met de definitie van het verhoor, zoals het verzamelen van inlichtingen op de plaats van het delict tijdens de eerste fase van het onderzoek, de spontane mededelingen, de antwoorden op een schriftelijke vragenlijst waarin beperkte informatie wordt gevraagd of de verklaringen in het kader van een administratief onderzoek (GwH 14 februari 2013, nr. 7/2013. B.5.5).

XII-8024-11/41

De Raad van State verwijst voorts naar het arrest Zaichenko waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aangaande een verhoor zonder bijstand van een advocaat tijdens een wegcontrole tot de niet-schending van artikel 6, lid 3, c), EVRM besloot. Volgens het Hof wezen de omstandig-

heden van de zaak niet op een noemenswaardige beperking van de vrijheid van handelen van de betrokken persoon van die aard dat de bijstand van een advocaat vanaf dat ogenblik vereist zou zijn (EHRM 18 februari 2010, Zaichenko t.

Rusland, nr. 39660/02, §§ 47 en 48). Het Hof wijst ook op de eerder beperkte rol van de verbalisanten en stelt vast dat het strafonderzoek pas werd geopend na de toezending van het verslag of het proces-verbaal van de verbalisanten aan de bevoegde overheid (§ 49). Deze vaststellingen gaan ook op voor de voorliggende wegcontrole waarbij het voertuig wordt gewogen door de asweger en waarbij de vrachtwagenbestuurder enkel wordt gevraagd een schriftelijke vragenlijst in te vullen waarin eerder beperkte informatie wordt gevraagd en waarna hij mag beschikken en zijn rit met zijn voertuig mag verder zetten.

Waar de verzoekende partijen ten slotte nog doen gelden dat zij de overlading wel degelijk hebben betwist, wordt verwezen naar de beoordeling en verwerping van het achtste middel inzake de weegbon en de asweger, waar de verzoekende partijen dezelfde grief hernemen.

10. Het tweede middelonderdeel wordt verworpen.

11. Het eerste middel wordt in zijn geheel verworpen.

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

12. De verzoekende partijen voeren in een tweede middel de schending aan van artikel 33, § 1, “des lois sur l’emploi des langues en matière administrative”. Daarnaast verwijten zij de verwerende partij machtsafwending.

XII-8024-12/41

Artikel 33 “de la loi du 9 août 1980” bepaalt volgens de verzoe-

kende partijen dat de gewesten met particulieren die gevestigd zijn in een ander taalgebied briefwisseling kunnen voeren in de taal waarvan de betrokkenen zich bedienen. Om te voldoen aan artikel 6, lid 3, a), EVRM had de verwerende partij dan ook met de verzoekende partijen enkel in het Frans mogen corresponderen.

De verwerende partij gebruikt trouwens het Frans om de administratieve geldboete te innen. Zij weigert tevens, in strijd met artikel 6 EVRM, de dossierstukken te vertalen. Met deze handelwijze, die enkel tot doel heeft de overtreders te verhinderen om hun rechten van verdediging te laten gelden en op een zo gemakkelijk mogelijke manier de betaling van de boetes te verkrijgen, maakt de verwerende partij zich schuldig aan machtsafwending.

13. In de memorie van wederantwoord betogen de verzoekende partijen dat de gewesten de mogelijkheid hebben, als ze dat wensen, om in een andere landstaal te corresponderen met de rechtzoekende. Wanneer het haar goed uitkomt aarzelt de verwerende partij niet om met de overtreders in het Frans te corresponderen om boetes in te vorderen die werden uitgesproken op basis van een rechtspleging die uitsluitend in het Nederlands werd gevoerd. Dit is machtsafwending.

14. In de laatste memorie benadrukken de verzoekende partijen dat het machtsmisbruik in hoofde van de verwerende partij wel degelijk is aangetoond, nu vaststaat dat de verwerende partij in staat is zich in het Frans te richten tot de overtreder om betaling van de boetes te verkrijgen, doch weigert om de stukken van het dossier te vertalen, de overtreders in hun moedertaal te verhoren en de aanwezigheid van een tolk weigert. Zij wensen er de aandacht op te vestigen dat de beklaagde doorgaans het laatste woord heeft, zelfs nadat de advocaat heeft gesproken, en dat dit in casu niet het geval is geweest.

XII-8024-13/41

Beoordeling

15. Met een gebrekkige juridische accuraatheid halen de verzoe-

kende partijen in de adstructie van hun middel de Gewone Wet van 9 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ (hierna: GWHI) en de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 ‘op het gebruik van de talen in bestuurszaken’ dooreen.

In die omstandigheid volstaat hetgeen volgt.

In de bestreden beslissing en in haar memorie van antwoord wijst de verwerende partij op de toepassing van artikel 36 GWHI. Deze bepaling regelt het gebruik van de talen door de “diensten van de Executieven waarvan de werkkring het gehele ambtsgebied van de Vlaamse Gemeenschap, van de Franse Gemeenschap of van het Waalse Gewest bestrijkt”, als volgt:

“§ 1. Behoudens de bepalingen van § 2 gebruiken:

1° de diensten van de Vlaamse Executieve het Nederlands als bestuurstaal;

2° de diensten van de Franse Gemeenschapsexecutieve en die van de Waalse Gewestexecutieve, het Frans als bestuurstaal.

§ 2. Met betrekking tot de gemeenten met een speciale taalregeling uit hun ambtsgebied, is op de in § 1 bedoelde diensten de taalregeling van toepassing die door de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken is opgelegd aan de plaatselijke diensten van die gemeenten, voor de berichten, mededelingen en formulieren die bestemd zijn voor het publiek, voor de betrekkingen met particulieren en voor het opstellen van akten, getuigschriften, verklaringen en vergunningen.

Voor hun betrekkingen met de openbare besturen, waarvan de zetel gevestigd is in een gemeente van het Duits taalgebied, gebruiken de diensten van de Waalse Gewestexecutieve het Duits.

§ 3. […].”

Aangezien de verzoekende partijen niet in een gemeente met een speciale taalregeling zijn gevestigd, wordt in de bestreden beslissing terecht vastgesteld dat de Vlaamse overheid in overeenstemming met het voormelde artikel 36 het Nederlands als bestuurstaal dient te gebruiken.

XII-8024-14/41

De verzoekende partijen beroepen zich in dit middel op de miskenning van artikel 33 van deze wet. Deze bepaling heeft echter geen uitstaans met het gebruik van de talen in bestuurszaken en betreft daarentegen het overleg en de samenwerking tussen de federale staat, de gemeenschappen en de gewesten.

Waar de verzoekende partijen nog doen gelden dat het dossier had moeten worden vertaald, kan worden verwezen naar het onderzoek van het eerste onderdeel van het eerste middel.

16. Waar de verzoekende partijen in dit middel voorts de verwe-

rende partij nog machtsafwending verwijten dienen zij erop te worden gewezen dat een verzoekende partij die machtsafwending inroept het bewijs moet leveren dat de beweegredenen die het bestuur opgeeft voor een bepaalde handeling niet de werkelijke beweegredenen zijn. Met andere woorden dienen de verzoekende partijen het bewijs te leveren dat het bestuur met de bestreden beslissing uitsluitend een ongeoorloofd oogmerk nastreeft. De omstandigheid dat de verwerende partij in overeenstemming met artikel 36 GWHI het Nederlands heeft gebruikt in de bestuurlijke procedure en de brief van betaling in het Frans heeft gesteld, toont dit alleszins niet aan.

17. Het tweede middel wordt verworpen.

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

18. De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in een derde middel aan dat zij geen billijk proces hebben gekregen. Zij wijzen opnieuw op artikel 6 EVRM en op hun stelling dat het dossier had moeten worden vertaald en dat zij hadden moeten worden bijgestaan door een tolk. Daardoor werd de wapengelijkheid tussen de partijen niet nageleefd en stonden de verzoekende

XII-8024-15/41

partijen op ongelijke voet tegenover de verwerende partij.

19. In de memorie van wederantwoord benadrukken de verzoekende partijen dat zij een vertaling van het dossier hadden moeten krijgen en hadden moeten worden bijgestaan door een tolk.

Beoordeling

20. Het derde middel herhaalt de grieven aangevoerd in de beide onderdelen van het eerste middel. De verzoekende partijen blijken dit overigens te erkennen nu zij in de laatste memorie geen repliek meer voeren op deze vaststelling in het auditoraatsverslag.

Het derde middel wordt verworpen.

D. Vierde middel

Uiteenzetting van het middel

21. De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in een vierde middel de schending aan van het proportionaliteitsbeginsel.

Zij achten dit beginsel geschonden doordat voor de overlading een administratieve geldboete van 4.500 euro wordt opgelegd, terwijl dergelijke inbreuken volgens de wet van 21 juni 1985 ‘betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig moet voldoen’ met een geldboete van “10 tot 10.000 BEF”

worden bestraft. Zij verwijzen naar een vonnis van de politierechtbank te Luik waarbij voor een duidelijk zwaardere overlading een lagere geldboete werd opgelegd. Bovendien heeft het Hof van Justitie in een arrest van 9 februari 2012

(C-210/10) geoordeeld dat sancties in verhouding moeten staan tot de feiten en effectief, ontradend en niet discriminerend moeten zijn. De verwerende partij heeft in de bestreden beslissing ten onrechte aangevoerd dat deze kritiek niet

XII-8024-16/41

gericht is tegen de beslissing maar tegen het decreet. Zij verliest daarbij immers uit het oog dat zij de mogelijkheid heeft om geheel of gedeeltelijk uitstel toe te staan. De verzoekende partijen hebben in hun conclusies in eerste aanleg en in beroep uitdrukkelijk gevraagd om uitstel te verlenen, maar de verwerende partij is daar ten onrechte niet op ingegaan.

22. In de memorie van wederantwoord benadrukken de verzoe-

kende partijen dat zij in hun conclusies in beroep wel degelijk omstandigheden hebben aangevoerd die het mogelijk zouden maken om uitstel te verlenen.

23. In de laatste memorie benadrukken de verzoekende partijen dat zij niet de strafmarge zoals deze werd vastgesteld in het decreet bekritiseren, maar de manier waarop dit decreet werd toegepast. Zij menen dat het proportionaliteitsbeginsel had kunnen worden gerespecteerd door de sancties te versoepelen, waartoe de interne richtlijn van het Vlaamse Gewest ook de mogelijkheid biedt, en door een uitstel uit te spreken of een strafmaat die lager ligt dan het minimum waarin wordt voorzien in het decreet.

Beoordeling

24. Artikel 59, § 2, eerste lid, van het aslastendecreet bepaalt dat het tarief van de administratieve geldboete gelijk is aan de minimum geldboete overeenkomstig de overlading, zoals bepaald in artikel 57, verhoogd met de opdeciemen.

De overlading bedroeg op de tweede as van de trekker 3.244 kg.

Ook andere assen van het voertuig waren in mindere mate overladen.

Artikel 57 van het Aslastendecreet stelt de minimum geldboete bij een overlading met 3.000 kg en meer vast op 750 euro. Verhoogd met de opdeciemen brengt dit de administratieve geldboete op 4.500 euro.

XII-8024-17/41

Het komt de Raad van State niet toe om de proportionaliteit van de bedragen die in het aslastendecreet zijn vastgelegd, te beoordelen, vermits dit een kritiek op het aslastendecreet uitmaakt waarvoor hij geen rechtsmacht heeft.

Wel dient de Raad van State, wanneer hij daartoe wordt verzocht, te beoordelen of er een evenredigheidsverband bestaat tussen de gesanctioneerde gedraging en de opgelegde administratieve sanctie. Te dezen werd de minimum geldboete opgelegd, waarbij de minister geen lager bedrag mag opleggen, tenzij er verzachtende omstandigheden zijn.

Artikel 59, § 2, tweede lid, van het aslastendecreet bepaalt dat als er verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, de wegeninspecteur-

controleur of de Vlaamse regering, na de overtreder en in voorkomend geval de onderneming gehoord te hebben, een administratieve geldboete onder de voormelde minimumbedragen kan opleggen. Er blijkt evenwel niet dat de verzoekende partijen in de voorliggende zaak een specifiek afzonderlijk beroep hebben gedaan op verzachtende omstandigheden om een vermindering van het bedrag van de administratieve geldboete te verkrijgen. Zij hebben, zoals reeds vastgesteld, enkel om uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van de administratieve geldboete verzocht.

Zoals uit de beoordeling van het zevende middel zal blijken, is in de motivering van de bestreden beslissing op voldoende duidelijke wijze aangegeven waarom de verwerende partij niet is ingegaan op de vraag van de verzoekende partijen om uitstel toe te staan.

25. Het vierde middel wordt verworpen.

XII-8024-18/41

E. Vijfde middel

Uiteenzetting van het middel

26. De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in een vijfde middel de schending aan van “het beginsel dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet – artikel 10 van de Grondwet”. Zij menen dat het gelijkheidsbeginsel op verschillende punten werd geschonden.

De verzoekende partijen zijn ten eerste van oordeel dat zij op ongelijke wijze werden behandeld, aangezien hun verweer onontvankelijk werd verklaard omdat het in het Frans was gesteld, terwijl de verwerende partij er in andere zaken geen bezwaar tegen had dat het beroep in het Frans werd ingediend.

Volgens de verzoekende partijen was de administratieve geldboete op grond van artikel 60 van het aslastendecreet stilzwijgend vervallen, omdat de wegeninspec-

teur-controleur binnen de voorgeschreven termijn van dertig dagen na de hoor-

zitting geen beslissing heeft genomen waarin op hun argumenten werd ingegaan.

Voorts betogen de verzoekende partijen dat zij in het kader van de bestuurlijke procedure niet dezelfde waarborgen genieten als bij een strafrechtelijke vervolging. Zij verwijzen desbetreffend naar de verjaringsregels, naar het aannemen van verzachtende omstandigheden op grond van artikel 85 van het Strafwetboek, naar de toepassing van artikel 21 van het Wetboek van Strafvordering in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, en naar de mogelijkheid om getuigen te horen of bijkomende onderzoeksmaatregelen te eisen. Bovendien zijn de boetes die door de verwerende partij worden opgelegd beduidend hoger dan de bedragen die zijn bepaald in de Wegcode, zodat de overtreder die wordt vervolgd door de verwerende partij minder gunstig wordt behandeld dan degene die strafrechtelijk wordt vervolgd.

27. In de memorie van wederantwoord doen de verzoekende partijen enkel gelden dat in de bestreden beslissing geen antwoord wordt

XII-8024-19/41

geformuleerd op de argumentatie die op dit punt wordt aangevoerd.

28. In de laatste memorie benadrukken de verzoekende partijen dat het gelijkheidsbeginsel niet geëerbiedigd is aangezien voor eenzelfde overtreding overtreders op een andere manier worden behandeld al naargelang het rechtscollege waarvoor ze moeten verschijnen. Zij verwijzen opnieuw naar de mogelijkheid bij een correctionele rechtbank tot doorverwijzing naar een Franstalig rechtscollege, die niet bestaat bij een administratief rechtscollege. Zij menen ook nog dat “de aanwijzingen van schuld op een andere manier bestudeerd worden door een gewone strafrechtbank dan door een administratief rechtscollege”.

Beoordeling

29. In het kader van de bestuurlijke procedure werden noch het verzet van de verzoekende partijen tegen de initiële beslissing van de wegen-

inspecteur-controleur, noch hun beroep bij de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken onontvankelijk verklaard. Het verzet en het beroep werden trouwens beide in het Frans ingediend.

Op grond van artikel 60, § 2, van het aslastendecreet vervalt de administratieve geldboete stilzwijgend wanneer de wegeninspecteur-controleur zijn beslissing na verzet niet binnen dertig dagen na de hoorzitting met een aangetekende brief tegen ontvangstbewijs meedeelt aan de overtreder en in voorkomend geval de onderneming. Uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partijen op 11 juni 2014 verzet hebben aangetekend tegen de beslissing van 28 mei 2014 van de wegeninspecteur-controleur. Op 29 september 2014 werd een hoorzitting gehouden. Vervolgens heeft de wegeninspecteur-

controleur op 21 oktober 2014 een beslissing na verzet genomen, die diezelfde dag, dit is binnen de termijn van dertig dagen na de hoorzitting, met een aangetekende brief tegen ontvangstbewijs aan de verzoekende partijen werd betekend. Er is derhalve geen reden om de administratieve geldboete op grond

XII-8024-20/41

van artikel 60, § 2, van het aslastendecreet als vervallen te beschouwen. Het feit dat de wegeninspecteur-controleur geen rekening zou hebben gehouden met de door de verzoekende partijen in het Frans neergelegde conclusies doet aan deze vaststelling geen afbreuk.

De grief dat de verzoekende partijen door de wegeninspecteur-

controleur ongelijk werden behandeld omdat deze de in het Frans ingediende conclusies niet in aanmerking zou hebben genomen, kan niet tot vernietiging van de bestreden beslissing leiden, nu de bestreden beslissing ingevolge de devolutieve werking van het administratief beroep in de plaats is gekomen van de beslissing na verzet van de wegeninspecteur-controleur, waardoor de laatst-

genoemde beslissing niet langer rechtsgevolgen heeft. Eventuele onregelmatig-

heden waarmee de beslissing van de wegeninspecteur-controleur zou zijn behept, worden dan ook gedekt door de beslissing in beroep. Uit de bestreden beslissing in beroep blijkt dat de minister de zaak zelf opnieuw volledig heeft onderzocht en zijn beslissing steunt op eigen motieven. De bestreden beslissing stelt voorts vast dat noch in graad van verzet, noch in graad van beroep de advocaat van de verzoekende partijen het recht werd ontzegd zich in het Frans uit te drukken en dat de beslissing “bovendien het antwoord [vormt] op een uitsluitend in het Frans gestelde nota”. Bijgevolg heeft de minister in graad van beroep niet geweigerd om een antwoord te formuleren op conclusies die niet in het Nederlands zijn opgesteld. Integendeel stelt zij nogmaals – ditmaal in antwoord op dezelfde grief als thans aan de orde – dat zij besluit om “de in het Frans opgestelde conclusie te behandelen”. Het middel mist in zoverre het betrekking heeft op de bestreden beslissing feitelijke grondslag.

Anders dan de verzoekende partijen doen gelden in de memorie van wederantwoord blijkt de bestreden beslissing op haar bladzijden 7, 8 en 9 wel degelijk een antwoord te bevatten op de argumentatie in de conclusies van de verzoekende partijen inzake de schending van artikel 10 van de Grondwet. Het middel mist ook in die mate feitelijke grondslag. Daarnaast kan worden opgemerkt dat deze nieuwe invulling van het middel die klaarblijkelijk berust op

XII-8024-21/41

een schending van de plicht tot formele motivering, niet tijdig in het debat werd gebracht en aldus niet ontvankelijk is.

30. De in het middel aangeklaagde ongelijke behandeling van de verzoekende partijen als gevolg van het ontbreken van bepaalde waarborgen die wel gelden bij een strafrechtelijke procedure, heeft, zoals de verwerende partij terecht opmerkt, wel degelijk betrekking op de inhoud en de draagwijdte van het aslastendecreet. De Raad van State heeft geen rechtsmacht om een dergelijke kritiek op het decreet te beoordelen.

Voor zover de verzoekende partijen in hun verzoekschrift verwijzen naar de onmogelijkheid om verzachtende omstandigheden in te roepen, mist hun middel juridische grondslag. Artikel 59, § 2, tweede lid, van het aslastendecreet voorziet in de mogelijkheid voor de wegeninspecteur-controleur en de Vlaamse regering om bij het opleggen van een administratieve geldboete in het geval van verzachtende omstandigheden onder het decretaal minimum te gaan:

“Als verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, kan de wegen-

inspecteur- controleur of de Vlaamse Regering, na de overtreder en in voorkomend geval de onderneming gehoord te hebben, een admini-

stratieve geldboete onder de betreffende minimumbedragen opleggen.”

Ook bestaat de mogelijkheid om geheel of gedeeltelijk uitstel te verlenen voor de betaling van de administratieve geldboete. Artikel 59bis, §§ 1 en 2, van het aslastendecreet luiden immers als volgt:

“§ 1. De wegeninspecteur-controleur kan, na de overtreder en in voorkomend geval de onderneming gehoord te hebben, geheel of gedeeltelijk uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van de administratieve geldboete toekennen.

§ 2. Het uitstel is enkel mogelijk als in de negatieve referteperiode geen andere administratieve geldboete werd opgelegd aan de overtreder of er geen strafrechtelijke veroordeling is geweest op basis van dit decreet.”

XII-8024-22/41

Het komt aan de verwerende partij toe om een eigen handha-

vingsbeleid te ontwikkelen. Binnen het kader van de decretale bepalingen, de beginselen van behoorlijk bestuur en de rechten van verdediging, oordeelt de verwerende partij vrij over het bedrag van de boete en het al dan niet in aanmerking nemen van verzachtende omstandigheden. Hetzelfde geldt voor het al dan niet verlenen van een geheel of gedeeltelijk uitstel wat betreft de tenuitvoer-

legging van de betaling van de opgelegde administratieve geldboete.

Wat de mogelijkheid betreft om bijkomende onderzoeks-

maatregelen te vragen en getuigen te horen, wordt opgemerkt dat uit het dossier niet blijkt dat de verzoekende partijen daarom zouden hebben verzocht, laat staan dat een dergelijk verzoek zou zijn verworpen. In dat licht blijkt niet welk belang zij hebben bij deze kritiek.

31. Het vijfde middel wordt verworpen.

F. Zesde middel

Uiteenzetting van het middel

32. De verzoekende partijen voeren in een zesde middel de schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel.

Zij achten dit beginsel geschonden doordat de wegeninspecteur-

controleur die de administratieve geldboete heeft opgelegd vervolgens zelf heeft beslist om deze sanctie al dan niet te behouden, zodat hij zowel rechter als partij was. Het feit dat tegen die beslissing beroep kon worden ingesteld doet geen afbreuk aan die vaststelling, aangezien de ambtenaar bij wie het beroep wordt ingediend evenmin onpartijdig is en rekenschap dient af te leggen aan de minister. Ook het feit dat de Raad van State aan de eisen van onpartijdigheid en onafhankelijkheid voldoet, volstaat niet, aangezien de waarborgen van artikel 6

EVRM ook van toepassing moeten zijn op de procedure die de rechterlijke

XII-8024-23/41

uitspraak voorafgaat. De verzoekende partijen hadden echter niet de mogelijkheid om bijkomende onderzoeksmaatregelen te vragen, getuigen te horen of “rechtvaardigingsgronden” in te roepen.

In een brief van 12 april 2005 heeft de minister toegegeven dat de geldboete beschouwd dient te worden als een straf en dat de bepalingen van het EVRM van toepassing dienen te zijn. De laatste richtlijn van het Vlaamse Gewest bevestigt deze interpretatie. De verzoekende partijen dienen de waar-

borgen van het EVRM te genieten. De talrijke schendingen van de rechten van verdediging maken het mogelijk te beweren dat de ambtenaren van het Vlaamse Gewest niet aantonen te beschikken over de nodige onpartijdigheid om op een objectieve manier tot een besluit te komen in dit dossier.

33. In de memorie van wederantwoord benadrukken de verzoe-

kende partijen dat zij de Raad van State niet verzoeken om zich uit te spreken over de geldigheid van de procedure van het decreet. Voorts is de ambtenaar die de memorie van antwoord heeft opgesteld ook bevoegd om de administratieve geldboete op te leggen en om uitspraak te doen in eerste aanleg. Het feit dat beroep bij de Raad van State mogelijk is verandert niet dat “de hele vorige rechtspleging” bezoedeld is met onregelmatigheden als gevolg van de houding van de ambtenaren van de verwerende partij. Zij doen volgens de verzoekende partijen aan “een parodie van rechtspraak”.

34. In de laatste memorie wijzen de verzoekende partijen er nog op dat niet kan worden betwist dat het Vlaamse Gewest meerdere wegeninspecteurs tot haar beschikking heeft, zodat cumul –immers dezelfde ambtenaar legt de boete op, doet uitspraak in eerste aanleg en stelt de memories op in de huidige procedure voor de Raad van State– kan worden vermeden. Zij herhalen tevens dat de vrachtwagenbestuurder geen voorafgaandelijk overleg heeft gehad met zijn raadsman, dat er geen tolk ter beschikking werd gesteld, zij niet van de stukken in het Frans kennis hebben kunnen nemen en dat dezelfde ambtenaar in alle stadia van de rechtspleging is opgetreden.

XII-8024-24/41

Beoordeling

35. In het middel wordt in essentie aangevoerd dat de administra-

tieve geldboete wegens overtreding van het aslastendecreet niet wordt opgelegd door een onafhankelijke en onpartijdige instantie.

De wegeninspecteur-controleur en de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit treden bij het opleggen van een administratieve geldboete ingevolge een inbreuk op het aslastendecreet niet op als jurisdictioneel orgaan, maar wel als organen van het actief bestuur.

Ook organen van het actief bestuur moeten de onpartijdig-

heidsplicht in acht nemen, doch voor hen geldt die verplichting niet zo absoluut als voor de rechter en ze moet verenigbaar zijn met de eigen aard, meer bepaald de eigen structuur van bestuur. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de wijze waarop de bestuurlijke procedure door de decreetgever wordt geregeld.

De omstandigheid dat het Agentschap Wegen en Verkeer waartoe de wegeninspecteurs-controleurs behoren, onder de verantwoordelijkheid valt van de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit, is een gegeven dat eigen is aan de structuur van het bestuur en kan dienvolgens niet dienstig worden aangevoerd om de onpartijdigheid van de betrokken bestuursorganen te betwisten. Ook al bevindt dit agentschap als instelling, zich in een ondergeschikte positie ten opzichte van de regering, zijn zowel de vaststelling van de aslasten-

inbreuken door wegeninspecteurs als de beslissing om een administratieve boete op te leggen wegens die inbreuken door wegeninspecteur-controleurs, eigen bevoegdheden die de artikelen 61 respectievelijk 59 van het aslastendecreet toekennen aan deze ambtenaren van dit agentschap; in de uitoefening van die bevoegdheden, zijn deze structureel onafhankelijk en ontsnappen ze aan het gezag van de minister. Voorts is het eigen aan de procedure van verzet dat dezelfde instantie –te dezen dezelfde wegeninspecteur-controleur– het verzet behandelt. Te dezen regelt artikel 60, § 2, van het aslastendecreet de procedure

XII-8024-25/41

van verzet: binnen de dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving van de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete, kan verzet worden aangetekend; in dat geval wordt de overtreder en in voorkomend geval de onderneming binnen de vijftien dagen na het instellen van het verzet uitgenodigd op een hoorzitting, de overtreder en de onderneming kunnen op de hoorzitting een nota indienen, zij mogen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, van de hoorzitting wordt een verslag opgemaakt en binnen dertig dagen na de hoorzitting dient de wegeninspecteur-controleur zijn beslissing mee te delen aan de overtreder en in voorkomend geval de onderneming.

Uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partijen zowel in verzet, als in beroep schriftelijke conclusies hebben neergelegd, dat zij telkens werden uitgenodigd voor de hoorzittingen, dat hun advocaat de zaak kon toelichten en alle dienstige elementen kon aanvoeren ter verdediging van zijn cliënten, waarbij een ambtenaar voor de administratieve beroepsinstantie een schriftelijk relaas heeft genotuleerd van het verloop van de zitting, waarop de minister in de bestreden beslissing uitgebreid heeft geantwoord, zodat op bestuurlijk vlak de rechten van verdediging werden geëerbiedigd en het bestuur heeft doen blijken van de vereiste onafhankelijkheid en op zorgvuldige wijze heeft gehandeld. De verzoekende partijen kunnen dus niet worden bijgevallen waar zij doen gelden dat er te dezen sprake zou zijn van “talrijke schendingen van de rechten van verdediging” waaruit zou blijken dat de ambtenaren van het Vlaamse Gewest niet beschikken over de nodige onpartijdigheid om op een objectieve manier tot een besluit te komen in dit dossier, noch blijkt de bestuurlijke fase “bezoedeld met onregelmatigheden” zoals de verzoekende partijen nog in hun memorie van wederantwoord doen gelden.

Wat de mogelijkheid betreft om bijkomende onderzoeks-

maatregelen te vragen en getuigen te horen wordt opgemerkt dat deze grief ook reeds werd onderzocht en verworpen bij het onderzoek van het vijfde middel. De verzoekende partijen tonen evenmin aan dat zij niet de mogelijkheid hadden om “rechtvaardigingsgronden” in te roepen.

XII-8024-26/41

Daargelaten dat überhaupt niet duidelijk is hoe zulks de wettigheid van de bestreden beslissing zou aantasten, blijkt niet dat de ambtenaar die de memorie van antwoord heeft opgesteld ook de bestreden beslissing zou hebben genomen, noch blijkt zij de beslissing na verzet te hebben genomen.

Aldus mist het middel in elk geval feitelijke grondslag.

De herhaling in de laatste memorie van diverse reeds in dit middel en in de vorige middelen aangevoerde en beantwoorde grieven, doet niet anders oordelen.

36. Zoals de Raad van State reeds in talrijke arresten heeft geoordeeld vereist artikel 6 EVRM niet dat de administratieve instanties die de administratieve geldboete hebben opgelegd of die kennis hebben genomen van het verzet of het beroep daartegen, aan alle vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM

moeten voldoen. Het volstaat dat tegen de eindbeslissing van de administratieve overheid een beroep openstaat bij een rechterlijke instantie met “volle rechts-

macht”, in de zin waarin het EHRM dat begrip verstaat. Tegen de beslissing van de minister konden de verzoekende partijen overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een beroep tot nietigverklaring instellen bij de Raad van State. Het standpunt dat de Raad van State een rechtscollege is dat beantwoordt aan de vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM werd reeds in talrijke arresten van de Raad van State aangenomen en bevestigd door het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie (GwH, 18 februari 2016, nr.

25/2016, B.40.1 en B.40.2; Cass. 15 oktober 2009, Arr. Cass. 2009, 584).

De Raad van State valt ook in deze zaak deze rechtspraak bij.

Aldus hebben de verzoekende partijen wel degelijk de waarborgen van het EVRM kunnen genieten. De verwijzing naar een brief van de minister uit 2005 en naar “de laatste richtlijn van het Vlaams Gewest” doet geen afbreuk aan deze vaststelling.

37. Ook het zesde middel wordt verworpen.

XII-8024-27/41

G. Zevende middel

Uiteenzetting van het middel

38. De verzoekende partijen voeren in een zevende middel aan dat de bestreden beslissing ontoereikend gemotiveerd is. Zij verwijzen daarbij naar de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’.

De verzoekende partijen stellen dat de motivering van de bestreden beslissing identiek is aan de motivering van andere beslissingen in gelijkaardige dossiers. Volgens de verzoekende partijen blijkt daaruit dat geen rekening werd gehouden met de specifieke kenmerken van het dossier. Zij voeren de volgende punten aan:

 de bestreden beslissing houdt geen rekening met een brief van de minister uit 2005 waarnaar de verzoekende partijen hadden verwezen, noch met een door de verzoekende partijen aangehaalde omzendbrief waarin het strafrechtelijk karakter van de procedure wordt erkend;

 de verwerende partij weigert zowel uitstel van de geldboete als om het bedrag van de geldboete te verlagen, hoewel de verzoekende partijen daartoe redenen hadden doen gelden;

 de bestreden beslissing is niet correct gemotiveerd wat betreft het taalgebruik;

 de bestreden beslissing vermeldt meermaals dat de verzoekende partijen de inbreuk en de overlading niet zouden betwisten terwijl zij dit wel degelijk doen, de verzoekende partijen verwijzen hierbij naar hun achtste middel in de procedure voor de Raad van State.

39. In de memorie van wederantwoord benadrukken de verzoe-

kende partijen dat de verwerende partij geen antwoord formuleert op het probleem van de bewijslast, meer bepaald of het voertuig al dan niet geladen werd door een derde en met betrekking tot de verzachtende omstandigheden.

XII-8024-28/41

40. In de laatste memorie benadrukken de verzoekende partijen dat de overtreding een strafrechtelijke overtreding is, zodanig dat het de verwerende partij toekomt om haar beslissing met betrekking tot de straf met redenen te omkleden en uit te leggen waarom zij ervoor heeft gekozen om de overtreder dat specifiek bedrag op te leggen dat zich in de door de wet voorziene marge bevindt.

Zij is er ook toe gehouden, wanneer de overtreder een aannemelijk element aanvoert, het tegendeel te bewijzen. Zij herhalen dat die motivering helemaal niet aanwezig is in de bestreden beslissing.

Beoordeling

41. In de motivering van de bestreden beslissing wordt, na een vermelding van de wettelijke grondslag van de beslissing, een uiteenzetting van de feiten en de vaststelling dat het beroep ontvankelijk is, een antwoord gegeven op de middelen van de verzoekende partijen aangaande het “gebruik van talen in bestuurszaken”, de “vermeende schending van artikel 47bis, § 1, 3° Sv”, de “schending van artikel 10 van de Grondwet”, de “motivatie van de bestreden beslissing”, de “schending van het proportionaliteitsbeginsel”, “de burgerrechte-

lijke aansprakelijkheid van de onderneming”, “materieel element” en “uitstel van tenuitvoerlegging van de administratieve geldboete”.

De bestreden beslissing geeft aldus duidelijk de redenen aan waarom voormelde middelen tegen de beslissing na verzet van de wegen-

inspecteur-controleur worden verworpen.

42. Uit de bestreden beslissing blijkt niet dat de verwerende partij het penale karakter van de administratieve geldboete zou betwisten, uit de uitgebreide motivering kan zelfs veeleer het tegendeel worden afgeleid. In dat licht blijkt niet waarom de verwerende partij in dit verband uitdrukkelijk zou hebben moeten verwijzen naar de door de verwerende partijen aangehaalde brief van de minister uit 2005 of de betrokken omzendbrief.

XII-8024-29/41

43. Krachtens artikel 59, § 2, tweede lid, van het aslastendecreet kan de wegeninspecteur-controleur of de Vlaamse regering als er verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, na de overtreder en in voorkomend geval de onderneming te hebben gehoord, een administratieve geldboete onder de betreffende minimumbedragen opleggen.

Evenwel blijkt te dezen noch uit de conclusies in beroep van de verzoekende partijen, noch uit het verslag van de hoorzitting in beroep, dat zij specifiek om de toepassing van verzachtende omstandigheden zouden hebben verzocht om het bedrag van de geldboete te verlagen. Zij blijken de verwerende partij enkel expliciet te hebben gevraagd om uitstel. In dat licht kunnen zij de bestreden beslissing niet met goed gevolg verwijten geen motieven inzake verzachtende omstandigheden te bevatten.

44. Op grond van artikel 59bis van het aslastendecreet kan de wegeninspecteur-controleur of de Vlaamse regering, na de overtreder en in voorkomend geval de onderneming gehoord te hebben, geheel of gedeeltelijk uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van de administratieve geldboete toekennen. Het uitstel is enkel mogelijk als in de negatieve referteperiode geen andere administratieve geldboete werd opgelegd of er geen strafrechtelijke veroordeling is geweest op grond van dit decreet.

Wanneer de overtreder verzoekt hem geheel of gedeeltelijk uitstel van betaling toe te kennen, moet uit de motivering blijken waarom op dat verzoek niet wordt ingegaan. De voorwaarde is wel dat de betrokkene specifieke redenen inroept om in zijn geval geheel of gedeeltelijk uitstel van betaling toe te staan.

Te dezen hebben de verzoekende partijen in hun conclusies in beroep in uiterst subsidiaire orde gevraagd om uitstel voor de betaling van de administratieve geldboete te verlenen. In de bestreden beslissing zet de verwe-

rende partij op bladzijde 14 expliciet de redenen uiteen waarom zij geen uitstel

XII-8024-30/41

toekent. Aldus werd deze weigering wel degelijk formeel gemotiveerd. De in die motivering aangevoerde gronden zijn afdoende om die weigering te dragen. Zoals uit de bestreden beslissing blijkt, verleent de omstandigheid dat in de negatieve referteperiode geen andere administratieve geldboete werd opgelegd of er geen strafrechtelijke veroordeling is geweest op grond van dit decreet, niet automatisch het recht op de toekenning van uitstel. Dit is wel een voorwaarde, maar uitstel mag maar worden verleend, zoals de bestreden beslissing terecht opmerkt, wanneer specifieke omstandigheden worden aangetoond die daartoe kunnen besluiten.

Te dezen blijkt niet dat de verzoekende partijen “aannemelijke elemente[en]” hebben aangevoerd om het uitstel toe te staan; de verwerende partij is er dan ook niet toe gehouden het “tegendeel te bewijzen”.

45. De bestreden beslissing antwoordt voorts uitdrukkelijk op de door de verzoekende partijen aangevoerde grieven inzake het taalgebruik (namelijk op de bladzijden 3-5 en 8-9). Er blijkt niet dat die weerlegging niet zou volstaan vanuit het oogpunt van de formele motiveringsplicht.

46. Waar de verzoekende partijen ten slotte doen gelden dat de bestreden beslissing ten onrechte zou stellen dat zij noch de inbreuk, noch de overlading zelf betwisten, kan worden vastgesteld dat zij in hun conclusies in beroep onder een punt negen een ondergeschikt betoog voeren wat de grond van de zaak betreft “a titre subsidiaire quant au fond”, op welk betoog in de bestreden beslissing wordt geantwoord op de bladzijden 11, 12 en 13. De door de verzoekende partijen op dit punt aangevoerde argumenten werden aldus in de besluitvorming van de verwerende partij betrokken en uit de motivering kan worden afgeleid dat deze argumenten niet werden aangenomen.

47. De verzoekende partijen maken aldus niet aannemelijk dat in de motivering van de bestreden beslissing geen antwoord werd geformuleerd op de conclusies, en evenmin dat de motieven ontoereikend zouden zijn. Het feit dat in

XII-8024-31/41

andere beslissingen waarbij voor een gelijkaardige inbreuk een administratieve geldboete werd opgelegd, op dezelfde grieven in vergelijkbare bewoordingen wordt geantwoord, volstaat niet om te besluiten dat de formele motiveringsplicht werd geschonden.

48. Het zevende middel wordt verworpen.

H. Achtste middel

Uiteenzetting van het middel

49. De verzoekende partijen voeren in een achtste middel aan dat er geen bewijs is van enige overtreding in hoofde van de verzoekende partijen. In het proces-verbaal beweren de verbalisanten dat zij een asweger Supaweigh II

met serienummer 005520 hebben gebruikt. Deze gegevens worden niet vermeld op de weegbon. Er staat dus niet vast dat de vaststellingen met deze asweger zijn gebeurd. De verbalisanten verwijzen naar een verslag van metrologische controle van 6 september 2013 maar verduidelijken niet wat daar de inhoud van is. Dit stuk werd met de bestreden beslissing aan de verzoekende partijen bezorgd, maar er blijkt niet uit dat de asweger naar behoren zou werken.

50. In hun memorie van wederantwoord benadrukken de verzoe-

kende partijen dat de verwerende partij het bewijs niet levert dat de weegbon afkomstig is van het toestel dat werd gebruikt door de verbalisanten.

51. In de laatste memorie verwijzen de verzoekende partijen naar het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Namen dat werd bevestigd door het Hof van Cassatie en dat werd overgelegd door de verzoekende partijen.

Zij menen dat de gewone strafrechtbank hierover een andere beoordeling heeft, zodat de verschillende situatie van de overtreders voor een administratief rechtscollege weer neerkomt op een schending van het gelijkheidsbeginsel.

XII-8024-32/41

Beoordeling

52. In de eerste plaats dient te worden opgemerkt dat dit middel in zijn ontvankelijkheid wordt bezwaard doordat de verzoekende partijen nalaten om een duidelijke rechtsnorm aan te wijzen die zij geschonden achten en uiteen te zetten hoe de bestreden beslissing deze rechtsnorm zou miskennen. Het middel dient zich aan als een feitelijk en juridisch gebrekkig onderbouwde bedenking ten aanzien van de materiële motieven van de bestreden beslissing.

53. De inbreuk op het aslastendecreet en de overlading werden te dezen vastgesteld in een proces-verbaal opgesteld door de Federale Politie dat overeenkomstig artikel 154 van het Wetboek van Strafvordering dient te worden geacht bewijswaarde te hebben tot het bewijs van het tegendeel.

Dit proces-verbaal maakt uitdrukkelijk melding van het merk, type en serienummer van de gehanteerde asweger, welke gegevens volledig overeenstemmen met het serienummer op het verslag van de metrologische controle. De vaststellingen in het proces-verbaal stemmen overeen met de gegevens vermeld op de weegbon, zodat er geen twijfel over bestaat dat deze de resultaten bevat die met de in het proces-verbaal vermelde asweger werden vastgesteld. Bijgevolg mag de Raad van State ervan uit gaan dat de bijlage met de weegbon deel uitmaakt van het proces-verbaal. Overigens blijkt niet dat de verzoekende partijen een klacht voor valsheid in geschrifte hebben ingediend.

Voorts dient het verslag van de metrologische controle wel degelijk te worden geacht aan te tonen dat de gebruikte asweger naar behoren functioneert. Het verslag werd minder dan twee jaar voor de vaststelling van de overlading, door de metrologische dienst van de FOD Economie, K.M.O, Middenstand en Energie opgesteld. In dit verslag komt de Algemene Directie Kwaliteit en Veiligheid van de Dienst Verkeer van de FOD Economie uitdrukkelijk tot het besluit dat het betrokken toestel mag worden gebruikt “voor het bepalen van het gewicht per as en het totaalgewicht van voertuigen”.

XII-8024-33/41

Er is dan ook geen objectieve reden om de juistheid van de uitgevoerde weging in twijfel te trekken. Er is bovendien ook geen reden om aan te nemen dat de weegbon die als bijlage 1 bij het proces-verbaal is gevoegd, niet afkomstig zou zijn van het toestel waarvan de verbalisanten bij de controle van het voertuig gebruik hebben gemaakt.

Voor zover de verzoekende partijen in de laatste memorie verwijzen naar een vonnis van de correctionele rechtbank te Namen van 4 maart 2015, blijkt dat in dat vonnis ook wordt overwogen dat de termijn om het proces-

verbaal over te maken aan het Parket was overschreden, wat volgens de correctionele rechter afbreuk doet aan de bewijswaarde van het betreffende proces-verbaal. De verzoekende partijen tonen niet aan dat dit te dezen ook het geval is. Vervolgens wordt in het vonnis ook geoordeeld dat de inbreuk niet kan worden aangerekend aan de vrachtwagenbestuurder nu deze een ondergeschikte band heeft met zijn werkgever. Al deze elementen samen brengen de correctionele rechter er toe de beslissing tot het opleggen van de administratieve sanctie nietig te verklaren. In het cassatiearrest waar de verzoekende partijen ook nog naar verwijzen wordt het door de correctionele rechter ingenomen standpunt geenszins bevestigd, aangezien het cassatieberoep onontvankelijk wordt verklaard bij gebreke aan betekening van de cassatievoorziening aan de verwerende partij in cassatie.

54. Het achtste middel wordt verworpen.

I. Negende middel

Uiteenzetting van het middel

55. De verzoekende partijen voeren in een negende middel de schending aan van hun rechten van verdediging.

XII-8024-34/41

Op grond van het vermoeden van onschuld dient de verwerende partij het bestaan van de inbreuk te bewijzen. Te dezen hebben de verzoekende partijen doen gelden dat de lading door een derde werd uitgevoerd en dat zij niet over de middelen beschikten om een eventuele overlading na te gaan. De onnauwkeurigheid wat de aard van de vervoerde goederen betreft, laat niet toe om te besluiten dat de verzoekende partijen op de hoogte waren van de overlading. Het moreel bestanddeel van het misdrijf staat aldus niet vast en het komt aan de verwerende partij toe om het bewijs te leveren dat de stelling van de verzoekende partijen ongeloofwaardig is. Blijkens een omzendbrief van de verwerende partij dient het laden door een derde in afwezigheid van de vrachtwagenbestuurder in aanmerking te worden genomen als verzachtende omstandigheid of als grond om uitstel toe te staan.

56. In hun memorie van wederantwoord hernemen de verzoekende partijen het betoog uit het verzoekschrift.

57. In de laatste memorie benadrukken de verzoekende partijen dat het hier gaat om de niet naleving van de bewijslast die berust op de vervolgende partij, de verwerende partij.

Beoordeling

58. De verzoekende partijen betwisten in dit middel het bestaan van het moreel bestanddeel van het misdrijf.

Wat de inbreuk bedoeld in artikel 56 van het aslastendecreet 1998 betreft, is niet vereist dat zij wetens en willens werd begaan, de schuld voor de inbreuk kan onder meer bestaan uit onachtzaamheid, wat betekent dat moet worden nagegaan of aan de betrokkene een gebrek aan voorzorg of voorzichtig-

heid kan worden verweten.

XII-8024-35/41

De omstandigheid dat de vrachtwagenbestuurder niet op de hoogte was van de overlading doordat hij het laden niet zelf had uitgevoerd en over geen middelen beschikte om het gewicht van het voertuig te controleren, maakt niet dat de betrokken onderneming die hem in dienst heeft geen enkel verwijt meer zou treffen noch kunnen ze worden aangemerkt als onoverkomelijk.

Van een professionele vervoersonderneming mag worden verwacht dat zij de nodige maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat de vrachtwagens die zij in geladen toestand op de openbare weg brengt, voldoen aan de wettelijk toegestane maxima wat de asdrukken betreft, ook al heeft zijzelf of haar vrachtwagen-

bestuurder het voertuig niet geladen. Het verzuim daaraan te voldoen kan het opzet of de schuldige nalatigheid uitmaken vereist opdat het morele element van het misdrijf zou bestaan (Cass., 2 november 2004, nr. 521, A.R. P.04.0767.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041102.8 )

Zoals reeds eerder opgemerkt, hebben de verzoekende partijen te dezen de verwerende partij niet expliciet om de toepassing van verzachtende omstandigheden verzocht en enkel om uitstel gevraagd. Zoals ook reeds vastgesteld bij de beoordeling van het zevende middel werd de weigering van dit uitstel te dezen afdoende gemotiveerd. Op dit punt is aldus geen schending van hun rechten van verdediging aangetoond.

59. Overigens, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen doen gelden, volgt uit de door hen aangehaalde omzendbrief bovendien niet dat, telkens als de lading door een derde wordt uitgevoerd in afwezigheid van de vrachtwagenbestuurder, de administratieve geldboete als het ware “automatisch”

tot een minimum moet worden beperkt of uitstel zou moeten worden toegekend.

De verzoekende partijen gaan eraan voorbij dat de omzendbrief MOW 2012/1

van 9 juli 2012 stelt dat “de omstandigheden die als verzachtende omstandigheid in aanmerking kunnen worden genomen […] restrictief [dienen] te worden toegepast. De ratio legis is niet de zware boetes systematisch te verlagen onder het wettelijk minimum. Enkel wanneer hiervoor gegronde redenen zijn kan dit gebeuren.” Het uitgangspunt van de regelgeving is dan ook niet dat een overtreder sowieso recht heeft op de toepassing van verzachtende omstandig-

XII-8024-36/41

heden, doch daarentegen juist dat deze enkel in uitzonderlijke omstandigheden facultatief kunnen worden toegepast. Bovendien omschrijft deze omzendbrief de situatie die eventueel als verzachtende omstandigheid in aanmerking zou kunnen worden genomen in zijn geheel als volgt:

“het voertuig werd geladen door een derde, in afwezigheid van de chauffeur of diens werkgever, er doet zich geen overlading voor in totaliteit en de overlading is niet van die aard dat de overlading onmiddellijk merkbaar is, maar wel dusdanig dat kan worden aangenomen dat een normale, voorzichtige en redelijke chauffeur, in dezelfde feitelijke omstandigheden de overlading zou hebben opgemerkt. De administratieve geldboete kan gedeeltelijk verlaagd worden.”

Het gaat dus niet louter om het “laden door een derde in afwezigheid van de chauffeur” zoals de verzoekende partijen thans willen doen uitschijnen.

Ook inzake het uitstel van de administratieve geldboete stelt de omzendbrief MOW 2012/1 van 9 juli 2012 gelijkaardige restrictieve voor-

waarden, waarvan de verzoekende partijen niet aantonen dat deze door hen werden aangevoerd en te dezen vervuld zouden zijn.

60. De verzoekende partijen verduidelijken voorts niet hoe hun rechten van verdediging zouden zijn geschaad door de “onnauwkeurigheid wat betreft de aard van de vervoerde goederen”. Deze stelling mist overigens feitelijke grondslag. In het proces-verbaal wordt immers vermeld dat er “hout beuk” werd vervoerd. De vrachtwagenbestuurder heeft zelf ingevuld dat hij hout (“des bois”) vervoerde, zonder dat nader te preciseren aan de verbalisanten. De verzoekende partijen mogen alleszins worden geacht de goederen te kennen die zij vervoeren. Zij tonen bovendien niet aan dat de specifieke aard van de vervoerde goederen gevolgen zou hebben voor de vaststelling van de inbreuk.

61. Het negende middel wordt verworpen.

XII-8024-37/41

J. Tiende middel

Uiteenzetting van het middel

62. De verzoekende partijen voeren in hun memorie van weder-

antwoord een nieuw middel aan, waarin zij doen gelden dat de strafvordering verjaard is.

Aangezien het middel betrekking heeft op de verjaring is het van openbare orde en mag het voor het eerst in de memorie van wederantwoord worden aangevoerd, aldus de verzoekende partijen.

De verzoekende partijen beroepen zich op de verjaringstermijn van een jaar waarin artikel 68 van de “wet van 16 maart 1968” voorziet. De laatste nuttige handeling om de verjaring te stuiten was het opleggen van een administratieve geldboete op 28 mei 2014. De verjaring werd dus verworven op 28 mei 2015, aldus de verzoekende partijen. Een andere redenering zou het beginsel dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet doorbreken aangezien in dat geval de verjaringstermijn zou afhangen van de eventuele seponering van een strafdossier.

63. In de laatste memorie betwisten zij dat te dezen een verjarings-

termijn van vijf jaar van toepassing zou zijn. De verbalisanten maken ook gewag van een overtreding in de zin van de “wet van 1968 betreffende het verkeers-

reglement”, naast een overtreding van het aslastendecreet; “aangezien deze wet een afwijkende bepaling is van het gemeenrecht [moet] ze op een restrictieve manier geïnterpreteerd […] worden, inzonderheid met betrekking tot de verjaringstermijn”.

XII-8024-38/41

Beoordeling

64. De verzoekende partijen zetten niet uiteen hoe het feit dat volgens hen de strafvordering op 28 mei 2015 zou zijn verjaard de wettigheid zou aantasten van de bestreden beslissing die reeds op 25 februari 2015 werd genomen, dit is meer dan drie maanden voordien. Er dient dan ook te worden vastgesteld dat het middel reeds feitelijke grondslag mist.

65. Die vaststelling volstaat om het middel te verwerpen.

K. Elfde middel

66. De verzoekende partijen voeren in hun laatste memorie een nieuw middel aan, waarin zij doen gelden dat de “redelijke termijn van de rechts-

pleging” is overschreden “ingevolge de traagheid waarmee de administratieve rechtscolleges en inzonderheid de [Raad van State] een uitspraak hebben gedaan in dit dossier”. De overtreding dateert van 10 december 2013 en het verslag van de auditeur werd slechts opgesteld op 14 maart 2017. Het gaat om vrij eenvoudige overtredingen en de verzoekende partijen hebben geen enkel vertragingsmaneuver uitgevoerd. Dit rechtsmiddel kon niet eerder worden aangevoerd, nu de redelijke termijn volgens de verzoekende partijen werd overschreden op het ogenblik van het opstellen van het advies van de auditeur.

Zij verzoeken dan ook, in het geval de Raad van State niet zou overgaan tot nietigverklaring van de bestreden beslissing, om met toepassing van artikel 21ter van de voorafgaande titel van het wetboek van strafvordering, de sanctie te herleiden tot een eenvoudige schuldverklaring.

Beoordeling

67. Wat de redelijke termijn betreft voor de oplegging van een administratieve geldboete en de bestuurlijke procedure, dient te worden opgemerkt dat het aslastendecreet vervaltermijnen oplegt en dat deze te dezen

XII-8024-39/41

werden gerespecteerd. Er is, zeker nu de decretale regeling korte vervaltermijnen instelt die het bestuur niet toelaat te dralen, geen reden om te onderzoeken of de wegeninspecteur-controleur en de minister binnen die termijnen waarover zij beschikten en die zij naleefden, voldoende diligent gehandeld hebben en de redelijke termijn hebben overschreden. De verzoekende partijen betogen ook niet dat reeds in de bestuurlijke procedure de redelijke termijn zou zijn overschreden.

Tegen de eindbeslissing in deze procedure, die in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen betogen geen procedure voor administratieve rechtscolleges is en dateert van 25 februari 2015 werd een annulatieberoep bij de Raad van State door de verzoekende partij ingesteld op 13 april 2015.

Voor zover het middel niet de overschrijding van de redelijke termijn door de bestreden beslissing betreft, is het niet ontvankelijk, alleen al omdat het aldus geen onwettigheid betreft die tot een nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden.

De Raad van State bezit ten slotte hoe dan ook geen rechtsmacht om artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering toe te passen.

68. Het middel wordt verworpen.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft.

XII-8024-40/41

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 17 november 2017, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:

Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier.

De griffier De voorzitter

Silja Doms Dierk Verbiest

XII-8024-41/41

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.901