Court dismisses appeal against administrative fine for truck overloading due to inadmissibility and procedural errors.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's annulment appeal against an administrative fine of 4,500 euros imposed for truck overloading. The court declared the appeal inadmissible because the cassation proceedings were not properly served on the opposing party, and it rejected the claim regarding excessive procedural length. Consequently, the applicant was ordered to bear the costs of the annulment proceedings.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 10 and 11 of the Code of Criminal Procedure; The Council of State lacks jurisdiction to apply Article 21ter of the preceding title of the Code of Criminal Procedure, and appeals are inadmissible if cassation provisions are not served on the opposing party.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIIe KAMER
nr. 239.900 van 17 november 2017
in de zaak A. 215.é/XII-8018
In zake: MIKOM-SPED
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alain Franken kantoor houdend te 4000 Liège Boulevard de la Sauvenière 91
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
het VLAAMSE GEWEST
woonplaats kiezend bij Agentschap Wegen en Verkeer T.a.v. Veerle Van Empten Koning Albert II-laan 20/4
1000 Brussel
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 5 maart 2015, strekt tot de nietigverklaring van “[de] beslissing van het Vlaams Gewest van 12 januari 2015, waarbij een zogenaamde administratieve boete van 4.500 € en de vrijgave van de geconsigneerde geldboete bevolen werd ten voordele van het Vlaams Infrastructuurfonds”.
II. Verloop van de rechtspleging
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld.
XII-8018-1/29
De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 september 2017.
Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Marion Lapage, die loco advocaat Alain Franken verschijnt voor de verzoekende partij, en adjunct van de directeur Veerle Vanempten die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Op 25 september 2013 wordt een vrachtwagen met oplegger, bestuurd door Krzysztof Dettlaff, werknemer van de verzoekende partij, door de Wegeninspectie gecontroleerd op de autosnelweg A18 te Jabbeke. Bij weging van het voertuig wordt vastgesteld dat de trekker overladen is. Op de eerste as bedraagt de overlading 473 kg en op de tweede as 3.215 kg. Er wordt proces-
verbaal opgesteld wegens inbreuk op onder meer artikel 56 van het decreet van 19 december 1998 ‘houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999’ (hierna: het aslastendecreet).
3.2. Op 13 november 2013 wordt het proces-verbaal bezorgd aan de procureur des Konings te Brugge met het verzoek om overeenkomstig artikel 59
van het aslastendecreet binnen een termijn van 90 dagen (eventueel verlengbaar met 30 dagen) mee te delen welk gevolg aan de zaak zal worden gegeven. Op
XII-8018-2/29
11 december 2013 beslist de procureur des Konings dat geen vervolging wordt ingesteld.
3.3. Op 11 maart 2014 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 4.500 euro op te leggen. Deze beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partij ter kennis gebracht.
3.4. Op 19 maart 2014 tekent de verzoekende partij verzet aan tegen die beslissing.
Op 16 juni 2014 vindt een hoorzitting plaats.
Op 2 juli 2014 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 4.500 euro op te leggen.
Deze beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partij ter kennis gebracht.
3.5. Op 18 augustus 2014 stelt de verzoekende partij tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken.
Op 18 oktober 2014 vindt een hoorzitting in beroep plaats.
Op 12 januari 2015 beslist de administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer aan de verzoekende partij een administratieve geldboete op te leggen van 4.500 euro.
Dit is de bestreden beslissing.
IV. Ontvankelijkheid
4. De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het beroep bij de Raad van State door erop te wijzen dat het beroep bij de Vlaamse regering niet tijdig werd ingesteld. De beroepstermijn bedraagt 45 dagen en liep
XII-8018-3/29
te dezen af op 17 augustus 2014, het administratief beroep werd ingesteld op 18 augustus 2014. Dat in de kennisgeving van de beslissing in eerste aanleg van de wegeninspecteur-controleur per vergissing een beroepstermijn van 60 dagen werd vermeld doet hieraan geen afbreuk, het komt niet aan hem toe om een langere beroepstermijn toe te kennen dan wettelijk is bepaald.
5. De verzoekende partij betwist de exceptie. Zij doet in essentie gelden dat de verwerende partij ertoe gehouden is de rechtszoekenden op duidelijke en nauwkeurige manier op de hoogte te brengen van de beroeps-
mogelijkheden waarover zij beschikken.
Beoordeling
6. Overeenkomstig het door de verwerende partij te dezen ingeroepen artikel 9, § 1, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 2013 ‘betreffende handhaving inzake de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ bedraagt de termijn om bij de Vlaamse regering een georganiseerd administratief beroep in te stellen tegen de beslissing in eerste aanleg van de wegeninspecteur-controleur 45 dagen.
De beslissing in eerste aanleg van de wegeninspecteur-
controleur van 2 juli 2014 verwijst evenwel naar een beroepstermijn van 60 dagen.
7. Artikel 35 van het decreet van 26 maart 2004 ‘betreffende de openbaarheid van bestuur’ luidt als volgt:
“Een beslissing of een administratieve handeling met individuele strekking die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor een of meer bestuurden of voor een ander bestuur, wordt slechts geldig ter kennis gebracht als tevens de beroepsmogelijkheden en de modaliteiten van het beroep worden vermeld.
Bij ontstentenis daarvan neemt de termijn voor het indienen van een beroep een aanvang vier maanden nadat de betrokkene in kennis werd gesteld van de akte of van de beslissing met individuele strekking.”
XII-8018-4/29
8. Deze bepaling wijkt af van de regels betreffende de verjaring van de beroepen en is, net als die regels, van openbare orde en kent geen uitzondering. In het kader van de toepassing van deze bepaling dient het foutief vermelden van de geldende beroepstermijn te worden gelijkgesteld met het niet-
vermelden ervan. Dit heeft tot gevolg dat wanneer een foutieve beroepstermijn wordt vermeld, de sanctie van het voormelde artikel 35 van toepassing is.
Te dezen heeft dit tot gevolg dat, overeenkomstig artikel 35, tweede lid, de beroepstermijn pas een aanvang kon nemen vier maanden nadat de betrokkene in kennis werd gesteld van de beslissing in eerste aanleg – dit is ten vroegste op 2 november 2014. In dat licht kon het georganiseerd administratief beroep bij de Vlaamse regering wel degelijk nog tijdig worden ingesteld op 18 augustus 2014.
9. De exceptie wordt verworpen.
V. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
10. De verzoekende partij voert in een eerste middel de schending aan van “de rechten van verdediging”, meer bepaald van “artikel 6.3 [EVRM]” en “artikel 47 bis, 1ste alinea van het Wetboek van Strafvordering”.
In een eerste middelonderdeel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Zij wijst erop dat zijzelf en de vrachtwagenbestuurder Pools zijn. Overeenkomstig artikel 6 EVRM heeft eenieder het recht om in een taal die hij begrijpt op de hoogte te worden gesteld van de aard en de redenen van de tegen hem ingebrachte beschuldiging. Zowel in eerste aanleg als in beroep heeft de verzoekende partij bijstand gevraagd van een vertaler, wat haar werd geweigerd. Zij heeft dus geen billijk proces gekregen in
XII-8018-5/29
de zin van artikel 6 EVRM. Zij heeft nooit een vertaling gekregen van de dossierstukken. Alle stukken werden in het Nederlands aan de verzoekende partij bezorgd, een taal die zij niet begrijpt. Het is van geen belang dat de vragenlijst in meerdere talen werd bezorgd aan de vrachtwagenbestuurder, deze is geen partij in het geding en wordt niet vervolgd. Het feit dat de verzoekende partij werd bijgestaan door een advocaat is irrelevant, het volstaat niet dat een advocaat aanwezig zou zijn om artikel 6 EVRM te eerbiedigen.
In een tweede middelonderdeel doet de verzoekende partij een miskenning van artikel 47bis van het Wetboek van Strafvordering gelden. Zij wijst erop dat uit een arrest van het Grondwettelijk Hof van 14 februari 2013
volgt dat zij als overtreder recht heeft op een vertrouwelijk overleg met een advocaat voor haar verhoor. De verbalisanten van het Vlaamse Gewest hebben deze verplichting niet nageleefd. Het verhoor van de vrachtwagenbestuurder is strijdig met de wet. De verbalisanten hebben hem een document in het Engels overhandigd waarin stond dat hij geen recht had op voorafgaandelijk overleg. In de bestreden beslissing wordt dan ook onrechtmatig geschreven dat de vrachtwagenbestuurder de kans kreeg om te overleggen met zijn advocaat maar dit weigerde. De verwerende partij legt geen enkel door de vrachtwagen-
bestuurder ondertekend document voor waaruit blijkt dat de vrachtwagen-
bestuurder de bijstand van een advocaat zou hebben geweigerd of dat hem gemeld werd dat hij er een beroep op kon doen. De verzoekende partij verwijst naar het Salduz-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) van 27 november 2008. De rechtspleging die tegen de verzoekende partij werd gevoerd is onrechtmatig en de bestreden beslissing moet worden vernietigd.
11. In de memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij wat het eerste middelonderdeel betreft dat de verwerende partij “in [haar]
laatste richtlijn” uitdrukkelijk de toepassing erkent van artikel 6 EVRM. Het EHRM heeft er in een arrest van 14 oktober 2014 nog op gewezen dat artikel 6
EVRM voorziet in het recht op gratis bijstand van een tolk, niet enkel voor mondelinge verklaringen ter zitting maar ook wat de geschreven stukken van het voorbereidend onderzoek betreft. De verzoekende partij heeft zowel voor de
XII-8018-6/29
eerste ambtenaar als in graad van beroep om de bijstand van een tolk gevraagd, hetgeen haar geweigerd werd. Het Hof van Cassatie heeft in een arrest van 8 februari 1995 geoordeeld dat een beklaagde op grond van artikel 6 EVRM recht heeft op bijstand door een tolk indien hij de taal die in de rechtszaal wordt gehanteerd niet begrijpt. Ook de Raad van State zou volgens de verzoekende partij van mening zijn dat er gevolg diende te worden gegeven aan het verzoek tot bijstand van een tolk (arrest nr. 226.957 van 22 maart 2014).
Wat het tweede middelonderdeel betreft doet de verzoekende partij gelden dat de verwerende partij verwijst naar een arrest van het Hof van Cassatie van 23 november 2010 maar geen rekening houdt met het veel latere arrest van het Grondwettelijk Hof van 14 februari 2013. De verwerende partij heeft nooit aan de vrachtwagenbestuurder gevraagd om afstand te doen van zijn rechten inzake een voorafgaand overleg met een advocaat. Het feit dat de verzoekende partij het recht heeft gehad om een advocaat te raadplegen voor het verdere verloop van de rechtspleging neemt niet weg dat de eerste vaststellingen op onregelmatige manier werden uitgevoerd omdat er helemaal geen advocaat bij aanwezig was. Dit brengt de onregelmatigheid van de volledige rechtspleging met zich mee.
12. In de laatste memorie blijft de verzoekende partij erbij, wat het eerste onderdeel betreft, dat artikel 6 EVRM is geschonden doordat de verwerende partij geen tolk ter beschikking heeft gesteld, terwijl zij weet dat de verzoekende partij het Nederlands niet beheerst. Zij benadrukt dat het doel van het voormelde artikel erin bestaat om de mogelijkheid te bieden aan de overtreder om zich alleen te verdedigen, hetgeen in casu niet het geval is geweest, dat het stelselmatig laten plaatsvinden van dit soort zaken voor de Nederlandstalige kamer van de Raad van State alleen maar de situatie verergert van een niet-
Nederlandstalige verzoekende partij die wordt geconfronteerd met hoge vertalingskosten, dat de verzoekende partij het recht heeft om als laatste het woord te nemen, zelfs na haar advocaat, hetgeen onmogelijk is zonder de aanwezigheid van een tolk en dat een transportbedrijf beter dan wie ook is geplaatst om aan een ambtenaar uit te leggen hoe een voertuig wordt geladen en hoe de vracht is verdeeld over een voertuig. De verzoekende partij wijst ook nog
XII-8018-7/29
op de ongelijkheid in behandeling van administratieve vervolgingen ten opzichte van strafrechtelijke, aangezien voor de politie- of correctionele rechtbank de mogelijkheid bestaat om de doorverwijzing te vragen naar een rechtscollege van zijn taalrol, wat hier op een heel eenvoudige manier zou kunnen worden opgelost door de overtreder gebruik te laten maken van de diensten van een tolk. De verzoekende partij wijst er ten slotte nog op dat zij niet aanwezig is geweest tijdens de hoorzitting in beroep, omdat aan de vrachtwagenbestuurder, die Pools was en die zij in eerste aanleg had afgevaardigd, geen tolk ter beschikking werd gesteld en ook helemaal geen aandacht aan hem werd geschonken. Tenslotte wijst zij er nog op dat de vragenlijst die door de vrachtwagenbestuurder zou zijn ingevuld, nooit aan haar werd bezorgd en derhalve uit de debatten dient te worden geweerd.
Wat het tweede middelonderdeel betreft, herhaalt de verzoekende partij dat het strafdossier geen enkele vragenlijst bevat die aan de vrachtwagenbestuurder werd overhandigd en door hem ondertekend is en het is evenmin bewezen dat hij heeft geweigerd dit document te ondertekenen. Voorts blijft zij erbij dat de aanwezigheid van een advocaat vereist is tijdens het eerste verhoor.
Beoordeling
Wat het gebruik der talen betreft
13. In het eerste middelonderdeel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 6, lid 3, a) en e), EVRM. Krachtens deze bepaling heeft eenieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, het recht om onverwijld, in een taal welke hij verstaat, en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging en om zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal welke ter zitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt.
XII-8018-8/29
Niet betwist wordt dat de administratieve geldboetes die wegens inbreuken op het aslastendecreet door de verwerende partij kunnen worden opgelegd een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van het voormelde artikel, zodat de rechtzoekende aan wie ze worden opgelegd aanspraak moet kunnen maken op de waarborgen vervat in deze verdragsbepaling.
Artikel 6, lid 3, a), EVRM, verleent de strafrechtelijk vervolgde persoon evenwel niet het recht om de taal van de rechtspleging te kiezen. Met toepassing van artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 ‘op het gebruik der talen in gerechtszaken’, worden de processen-verbaal betreffende de opsporing en vast-
stelling van misdrijven in het Nederlandse taalgebied in het Nederlands gesteld.
Voorts dient de verwerende partij, in overeenstemming met artikel 36 van de Gewone Wet van 9 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’, de zaak in het Nederlands te behandelen. De beslissingen van de wegeninspecteur-contro-
leur en de minister dienden bijgevolg in het Nederlands te worden opgesteld.
Uit artikel 6, lid 3, a), EVRM volgt wel dat de verplichting om de betrokkene in een taal die hij verstaat in kennis te stellen van de hem ten laste gelegde feiten en de juridische omschrijving ervan, moet worden nageleefd door de administratieve overheden die een administratieve sanctie opleggen. De rechter beoordeelt of de overtreder op de hoogte werd gebracht van de feiten die hem worden verweten in een taal die hij voldoende verstond opdat zijn recht van verdediging in acht zou zijn genomen. De overtreder moet zichzelf kunnen verdedigen en in het bijzonder de mogelijkheid hebben om de rechter zijn versie van de feiten voor te leggen. De beoordeling van die feiten dient bijgevolg te gebeuren in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak, waarbij onder meer de complexiteit van de inbreuk of het dossier en de talenkennis van de overtreder een primordiale rol spelen. De mate waarin een gedetailleerde kennis van de in de procedure gehanteerde voertaal is vereist, neemt dan ook toe naarmate de inbreuk of het dossier complexer wordt.
Dit geldt eveneens voor de vraag of een procedure zonder bijstand van een tolk, de uitoefening van de rechten van verdediging van de overtreder heeft miskend. Anders dan de verzoekende partij te dezen
XII-8018-9/29
veronderstelt, gaat artikel 6, lid 3, e), EVRM blijkens de rechtspraak van het EHRM niet zo ver dat deze bepaling een vertaling vereist van elk schriftelijk bewijsstuk of van elk officieel stuk van het dossier. In dit opzicht heeft het EHRM er op gewezen dat de tekst van de betrokken bepaling verwijst naar de bijstand van een tolk en niet van een vertaler. (EHRM 4 november 2010, nr.
22575/08, Katritsch t. Frankrijk, nr. 41 en 43; EHRM 6 juli 2009, nr. 16084/90, Protopapa t. Turkije nr. 80 en EHRM 18 oktober 2006, nr. 18114/02, Hermi t.
Italië, nr. 70) en dat de uitoefening van het voormelde recht op vertolking veronderstelt dat de betrokkene aanwezig is op de zitting (EHRM 14 februari 2017, nr. 30749/12, Hokkeling t. Nederland).
14. Te dezen dient te worden vastgesteld dat de betrokken inbreuk een relatief eenvoudige inbreuk betreft waarvoor duidelijk bewijsmateriaal bestaat –dat wordt vergaard met gebruik van een asweger– en waaraan eenvoudige feiten –de overlading– ten grondslag liggen. De inbreuk geeft evenmin aanleiding tot een omvangrijk of ingewikkeld dossier.
Uit het proces-verbaal van 25 september 2013 blijkt dat aan de vrachtwagenbestuurder een in het Nederlands en in het Engels gestelde vragenlijst werd voorgelegd die, naar keuze, in één van beide talen kon worden ingevuld. De vrachtwagenbestuurder heeft de vragenlijst ingevuld. Die vragenlijst maakt als bijlage 3 deel uit van het proces-verbaal, ze werd aan de vrachtwagenbestuurder van de verzoekende partij toegezonden en maakte deel uit van het dossier, waarvan de verzoekende partij een afschrift heeft verkregen; dit laatste blijkt uit haar vraag daarvan een vertaling te krijgen in het Pools of in het Engels. Er is dan ook geen reden om dit stuk uit de debatten te weren. De verzoekende partij heeft zelf in een brief, waarin zij haar voormelde vraag tot vertaling van de stukken stelde, aan de verwerende partij te kennen gegeven dat zij “documents in […] English language” begrijpt.
In deze vragenlijst wordt er overigens in beide voornoemde talen op gewezen dat de overtreder niet kan worden verplicht zichzelf te beschuldigen en dat hij de keuze heeft om een verklaring af te leggen, te antwoorden op de hem gestelde vragen of te zwijgen. Ook wordt hem in beide
XII-8018-10/29
talen een beknopte mededeling gegeven van de feiten. De wegeninspecteurs hebben deze vragenlijst bij de wegcontrole aan de vrachtwagenbestuurder van de verzoekende partij, als materiële dader van de overtreding voorgelegd, die deze vragenlijst heeft ingevuld. Daarbij gaven zij de betrokkene een in het Engels gestelde schriftelijke verklaring van zijn rechten. Deze “vragenlijst/verklaring”, bijlage 3 van het proces-verbaal, maakte, zoals reeds vermeld, deel uit van het dossier waarvan de verzoekende partij inzage kon nemen en waarvan zij een afschrift kon verkrijgen en ook heeft verkregen. Uit het dossier blijkt aldus dat alleszins een bijlage van het proces-verbaal, dat informatie geeft over de aard van de feiten en een aantal rechten van verdediging, wat dus kan worden beschouwd als essentiële informatie over de tenlastelegging, in zowel het Nederlands als het Engels werd opgesteld.
De verzoekende partij maakt in het licht van het voorgaande noch in het verzoekschrift noch in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie geloofwaardig dat zij de draagwijdte van de haar ten laste gelegde feiten, die, het weze herhaald, te dezen van zeer eenvoudige aard zijn –de strafbare gedraging bestaat uit het besturen van een overladen voertuig– niet zou hebben begrepen. Daarenboven blijkt uit het administratief dossier dat de verzoekende partij op behoorlijke wijze haar verdediging op zich heeft genomen tijdens de bestuurlijke procedure. Blijkens het verslag van de hoorzitting in beroep was de verzoekende partij daarop niet vertegenwoordigd door personen die het Nederlands niet machtig zouden zijn. Ook de Poolse vrachtwagen-
bestuurder was op de hoorzitting in beroep niet aanwezig. Enkel de raadsman van de verzoekende partij was namens haar aanwezig. De bestreden beslissing stelt hieromtrent vast, wat de verzoekende partij niet betwist, dat “deze kon communiceren met zijn cliënte” en dat “het feit dat er geen tolk aanwezig was op de hoorzitting […] de overtreder niet [heeft] belet om zijn argumentatie te voeren”. Hetzelfde geldt voor de hoorzitting in eerste aanleg: ook hier toont de verzoekende partij niet aan dat de afwezigheid van een tolk haar of zelfs haar aanwezige Poolse vrachtwagenbestuurder, zouden hebben belet hun argumentatie te voeren, via haar raadsman, die aanwezig was, besluiten heeft neergelegd en het “verslag van keuring weegbrug” heeft opgevraagd, zoals blijkt uit het verslag van de hoorzitting. Haar vrachtwagenbestuurder werd trouwens niet vervolgd, zoals
XII-8018-11/29
zijzelf erkent in haar verzoekschrift, noch een boete opgelegd in deze zaak.
De verwijzing naar een arrest van het EHRM van 14 oktober 2014 leidt niet tot een ander besluit. Dat arrest handelt immers niet over een vergelijkbare eenvoudige verkeersinbreuk, maar over een ongeletterd persoon die in Turkije werd vervolgd omwille van terroristische activiteiten. De Raad van State ziet niet in hoe de bevindingen inzake de toepassing van artikel 6 EVRM in een dergelijke context ook op het voorliggende geval van toepassing zouden zijn.
De in het laatste memorie aangeklaagde ongelijke behandeling van de verzoekende partij –daargelaten de ontvankelijkheid van deze in de laatste memorie aangevoerde grief– doordat zij in het kader van de administratieve procedure niet de mogelijkheid heeft om de zaak door te verwijzen naar een rechtbank van een taalrol van haar keuze die wel geldt bij een strafrechtelijke procedure, heeft betrekking op de inhoud en de draagwijdte van het aslastendecreet en de wet van 15 juni 1935. De Raad van State heeft geen rechtsmacht om een dergelijke kritiek te beoordelen.
15. Het eerste middelonderdeel wordt verworpen.
Wat de bijstand van een advocaat betreft
17. De verzoekende partij klaagt in het tweede middelonderdeel is essentie aan aan dat de vrachtwagenbestuurder niet de mogelijkheid werd geboden om zich bij het eerste verhoor door een advocaat te laten bijstaan.
Niet elke ondervraging van een persoon, waarbij inlichtingen en bewijselementen worden verzameld die op het bestaan van een misdrijf zouden kunnen wijzen, mag worden beschouwd als een “verhoor”.
In het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 7/2013 van 14 februari 2013 waar de verzoekende partij naar verwijst, wordt aldus juist gesteld dat in de voorbereidende werken van de wet van 13 augustus 2011 ‘tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990
XII-8018-12/29
betreffende de voorlopige hechtenis’, die ertoe strekt aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, een aantal situaties worden vermeld die niet overeenstemmen met de definitie van het verhoor, zoals het verzamelen van inlichtingen op de plaats van het delict tijdens de eerste fase van het onderzoek, de spontane mededelingen, de antwoorden op een schriftelijke vragenlijst waarin beperkte informatie wordt gevraagd of de verklaringen in het kader van een administratief onderzoek (GwH 14 februari 2013, nr. 7/2013. B.5.5).
De Raad van State verwijst voorts naar het arrest Zaichenko waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aangaande een verhoor zonder bijstand van een advocaat tijdens een wegcontrole tot de niet-schending van artikel 6, lid 3, c), EVRM besloot. Volgens het Hof wezen de omstandig-
heden van de zaak niet op een noemenswaardige beperking van de vrijheid van handelen van de betrokken persoon van die aard dat de bijstand van een advocaat vanaf dat ogenblik vereist zou zijn (EHRM 18 februari 2010, Zaichenko t.
Rusland, nr. 39660/02, §§ 47 en 48). Het Hof wijst ook op de eerder beperkte rol van de verbalisanten en stelt vast dat het strafonderzoek pas werd geopend na de toezending van het verslag of het proces-verbaal van de verbalisanten aan de bevoegde overheid (§ 49). Deze vaststellingen gaan ook op voor de voorliggende wegcontrole waarbij het voertuig wordt gewogen door de asweger en waarbij de vrachtwagenbestuurder enkel wordt gevraagd een schriftelijke vragenlijst in te vullen waarin eerder beperkte informatie wordt gevraagd en waarna hij mag beschikken en zijn rit met zijn voertuig mag verder zetten.
18. Het tweede middelonderdeel wordt verworpen.
19. Het eerste middel wordt in zijn geheel verworpen.
XII-8018-13/29
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
20. De verzoekende partij voert in een tweede middel de schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel.
Zij acht dit beginsel geschonden doordat de wegeninspecteur-
controleur die de administratieve geldboete heeft opgelegd vervolgens zelf heeft beslist om deze sanctie te behouden, zodat hij zowel rechter als partij was. Het feit dat tegen die beslissing beroep kon worden ingesteld doet geen afbreuk aan die vaststelling, aangezien de ambtenaar bij wie het beroep wordt ingediend evenmin onpartijdig is en rekenschap dient af te leggen aan de minister. Ook het feit dat de Raad van State aan de eisen van onpartijdigheid en onafhankelijkheid voldoet, volstaat niet, aangezien de waarborgen van artikel 6 EVRM ook van toepassing moeten zijn op de procedure die de rechterlijke uitspraak voorafgaat.
De verzoekende partij had echter niet de mogelijkheid om bijkomende onder-
zoeksmaatregelen te vragen, getuigen te horen of “rechtvaardigingsgronden” in te roepen.
In een brief van 12 april 2005 heeft de minister toegegeven dat de geldboete beschouwd dient te worden als een straf en dat de bepalingen van het EVRM van toepassing dienen te zijn. De laatste richtlijn van het Vlaamse Gewest bevestigt deze interpretatie. De verzoekende partij dient de waarborgen van het EVRM te genieten. De talrijke schendingen van de rechten van verdediging maken het mogelijk te beweren dat de ambtenaren van het Vlaamse Gewest niet aantonen te beschikken over de nodige onpartijdigheid om op een objectieve manier tot een besluit te komen in dit dossier.
21. In de memorie van wederantwoord benadrukt de verzoekende partij dat zij de Raad van State niet verzoekt om zich uit te spreken over de geldigheid van de procedure van het decreet, maar wel over de manier waarop deze procedure toegepast wordt door de verwerende partij.
XII-8018-14/29
Beoordeling
22. In het middel wordt in essentie aangevoerd dat de admini-
stratieve geldboete wegens overtreding van het aslastendecreet niet wordt opgelegd door een onafhankelijke en onpartijdige instantie.
De wegeninspecteur-controleur en de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit treden bij het opleggen van een administratieve geldboete ingevolge een inbreuk op het aslastendecreet niet op als jurisdictioneel orgaan, maar wel als organen van het actief bestuur.
Ook organen van het actief bestuur moeten de onpartijdigheids-
plicht in acht nemen, doch voor hen geldt die verplichting niet zo absoluut als voor de rechter en ze moet verenigbaar zijn met de eigen aard, meer bepaald de eigen structuur van bestuur. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de wijze waarop de bestuurlijke procedure door de decreetgever wordt geregeld.
De omstandigheid dat het Agentschap Wegen en Verkeer waartoe de wegeninspecteurs-controleurs behoren, onder de verantwoordelijkheid valt van de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit, is een gegeven dat eigen is aan de structuur van het bestuur en kan dienvolgens niet dienstig worden aangevoerd om de onpartijdigheid van de betrokken bestuursorganen te betwisten.
Ook al bevindt dit agentschap als instelling zich in een ondergeschikte positie ten opzichte van de regering, zijn zowel de vaststelling van de aslasteninbreuken door wegeninspecteurs als de beslissing om een administratieve boete op te leggen wegens die inbreuken door wegeninspecteur-
controleurs, eigen bevoegdheden die de artikelen 61 respectievelijk 59 van het aslastendecreet toekennen aan deze ambtenaren van dit agentschap; in de uitoefening van die bevoegdheden, zijn deze structureel onafhankelijk en ontsnappen ze aan het gezag van de minister. Voorts is het eigen aan de procedure van verzet dat dezelfde instantie –te dezen dezelfde wegeninspecteur-
controleur– het verzet behandelt. Te dezen regelt artikel 60bis, § 2, van het
XII-8018-15/29
aslastendecreet de procedure van verzet: binnen de zestig dagen na ontvangst van de kennisgeving van de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete, kan verzet worden aangetekend; in dat geval wordt de overtreder en in voorkomend geval de onderneming binnen de vijftien dagen na het instellen van het verzet uitgenodigd op een hoorzitting, de overtreder en de onderneming kunnen op de hoorzitting een nota indienen, zij mogen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman, van de hoorzitting wordt een verslag opgemaakt en binnen dertig dagen na de hoorzitting dient de wegeninspecteur-
controleur zijn beslissing mee te delen aan de overtreder en in voorkomend geval de onderneming.
Uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij zowel in verzet, als in beroep schriftelijke conclusies heeft neergelegd, dat zij telkens werd uitgenodigd voor de hoorzittingen, dat tijdens de hoorzitting in beroep haar raadsman de zaak kon toelichten en alle dienstige elementen kon aanvoeren ter verdediging van zijn cliënte, waarbij een ambtenaar voor de administratieve beroepsinstantie een schriftelijk relaas heeft genotuleerd van het verloop van de zitting, waarop de minister in de bestreden beslissing uitgebreid heeft geantwoord zodat op bestuurlijk vlak de rechten van verdediging werden geëerbiedigd en het bestuur heeft doen blijken van de vereiste onafhankelijkheid en op zorgvuldige wijze heeft gehandeld. De verzoekende partij kan dus niet worden bijgevallen waar zij doet gelden dat er te dezen sprake zou zijn van “talrijke schendingen van de rechten van verdediging” waaruit zou blijken dat de ambtenaren van het Vlaamse Gewest niet beschikken over de nodige onpartijdig-
heid om op een objectieve manier tot een besluit te komen in dit dossier.
Wat de mogelijkheid betreft om bijkomende onderzoeks-
maatregelen te vragen, getuigen te horen of “rechtvaardigingsgronden” in te roepen, wordt opgemerkt dat, zoals blijkt uit het proces-verbaal van de wegeninspecteurs, de persoon die wordt verhoord kan vragen dat “bepaalde opsporingshandelingen worden verricht of dat een bepaald verhoor kan afgenomen worden”. Uit het dossier blijkt niet dat de vrachtwagenbestuurder of de verzoekende partij daarom heeft verzocht, laat staan dat een dergelijk verzoek zou zijn verworpen. De verzoekende partij toont evenmin aan dat zij niet de
XII-8018-16/29
mogelijkheid had om “rechtvaardigingsgronden” in te roepen.
23. Zoals de Raad van State reeds in talrijke arresten heeft geoordeeld, vereist artikel 6 EVRM niet dat de administratieve instanties die de administratieve geldboete hebben opgelegd of die kennis hebben genomen van het verzet of het beroep daartegen, aan alle vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM
moeten voldoen. Het volstaat dat tegen de eindbeslissing van de administratieve overheid een beroep openstaat bij een rechterlijke instantie met “volle rechts-
macht”, in de zin waarin het EHRM dat begrip verstaat. Tegen de beslissing van de minister kon de verzoekende partij overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een beroep tot nietigverklaring instellen bij de Raad van State. Het standpunt dat de Raad van State een rechtscollege is dat beantwoordt aan de vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM en dat reeds in talrijke arresten van de Raad van State werd aangenomen, werd tevens bevestigd door het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie (GwH, 18 februari 2016, nr. 25/2016, B.40.1 en B.40.2; Cass. 15 oktober 2009, Arr. Cass. 2009, 584).
De Raad van State valt ook in deze zaak deze rechtspraak bij.
Aldus heeft de verzoekende partij wel degelijk de waarborgen van het EVRM
kunnen genieten. De verwijzing naar een brief van de minister uit 2005 en naar “de laatste richtlijn van het Vlaams Gewest” doet geen afbreuk aan deze vaststelling.
24. Het tweede middel wordt verworpen.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
25. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het derde middel de “[n]iet-naleving door het Vlaams Gewest van haar eigen regelgeving en meer bepaald MOW-omzendbrief 2012.1 van 9 juli 2012” aan.
XII-8018-17/29
In een eerste middelonderdeel doet de verzoekende partij gelden dat de verwerende partij deze omzendbrief niet heeft nageleefd door aan de vrachtwagenbestuurder niet de nodige tijd te geven om zijn lading stabiel te laten worden.
In een tweede middelonderdeel betoogt de verzoekende partij dat de verwerende partij deze omzendbrief niet heeft nageleefd door geen rekening te houden met de verzachtende omstandigheid dat de vrachtwagenbestuurder niet aanwezig mocht zijn bij het laden en over geen enkele controlemogelijkheid beschikte. Dit blijkt uit een reeks verklaringen die de verzoekende partij bij haar dossier heeft gevoegd zowel in eerste aanleg als in beroep. De bestreden beslissing houdt met deze verklaringen geen rekening.
26. In de memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij, wat het eerste onderdeel betreft, dat het decreet en de omzendbrief niet voorzien in het vereiste dat de verzoekende partij moet aantonen hoe een “rustpauze” nodig zou zijn. De verzoekende partij is er niet toe gehouden deze gunst te vragen, deze moet zonder meer worden toegekend.
Wat het tweede onderdeel betreft, doet de verzoekende partij enkel gelden dat de verwerende partij wél met de verklaringen rekening had moeten houden, nu deze aantonen dat de vrachtwagenbestuurder niet de mogelijkheid had om aanwezig te zijn bij het laden.
27. In de laatste memorie benadrukt de verzoekende partij nog dat de mogelijkheid om de lading stabiel te laten worden voortvloeit uit de toepassing van een “goede justitie”. Voorts wijst zij er nog op dat uit geen enkel element van het strafdossier blijkt dat het onkruidverdelgingsmiddel eerder in een vaste vorm dan in een vloeibare vorm vervoerd zou zijn geweest.
Wat het tweede middelonderdeel betreft, verwijst de verzoekende partij nogmaals naar de overgelegde verklaringen die aantonen dat de vrachtwagenbestuurders niet het recht hebben om in de opslaghal te komen en dat ze in de nabijheid in de vrachtwagens moeten wachten. Zij benadrukt dat er
XII-8018-18/29
geen enkele manier is om na te gaan hoe het laden werd uitgevoerd of om een weging van het voertuig uit te voeren. De bestreden beslissing houdt geen rekening met het laatste deel van de verklaringen waaruit blijkt dat de vrachtwagenbestuurders geen enkele manier hebben om na te gaan hoe het laden van het voertuig werd uitgevoerd of om een weging van het voertuig uit te voeren, zodanig dat niet kan worden ingezien welke specifieke voorzorgsmaatregelen deze laatste hadden kunnen nemen.
Beoordeling
28. Ongeacht het antwoord op de vraag naar de rechtskracht van de omzendbrief MOW 2012/1 van 9 juli 2012, overtuigt de argumentatie van de verzoekende partij om de volgende redenen niet.
29. Wat het eerste middelonderdeel betreft, vermeldt de voormelde omzendbrief dat “de weging van het voertuig dient te gebeuren in de toestand zoals het van de weg werd gehaald” en dat de passus van de omzendbrief waar de verzoekende partij dit onderdeel op steunt enkel van toepassing is “[b]ij controles van voertuigen geladen met goederen die mogelijks onderhevig zijn aan verschuivingen tijdens het transport en die, zonder enige tussenkomst, zichzelf terug stabiliseren”.
Het is enkel in dat specifieke geval dat deze omzendbrief vermeldt om “de chauffeur steeds de kans te geven om de lading eerst te laten stabiliseren alvorens over te gaan tot de weging (bijvoorbeeld door een ‘rustpauze’ van 5 à 10 minuten in acht te nemen tussen de afleiding en de weging)”.
Uit het proces-verbaal van de wegeninspectie blijkt dat het voertuig te dezen geladen was met bentazon. Volgens de bestreden beslissing gaat het om een herbicide in vaste vorm die niet aan verschuivingen tijdens het transport onderhevig is, zodat geen stabiliseringstijd in acht moest worden genomen.
XII-8018-19/29
Indien de verzoekende partij doet gelden dat de verwerende partij haar ten onrechte niet van deze stabiliseringstijd heeft laten gebruik maken, komt het aan haar toe om het voor de Raad van State op enigerlei wijze aannemelijk te maken dat haar voertuig, in tegenstelling tot wat door de Wegeninspectie werd vastgesteld, wel degelijk geladen was met een goed onderhevig aan verschuivingen tijdens het transport. De verzoekende partij mag immers worden geacht goed op de hoogte te zijn van de aard van de goederen die werden vervoerd, ook wat hun vloeibare of vaste vorm betreft. Zij laat dat echter geheel na; zelfs in haar laatste memorie beperkt zij zich tot de loutere ontkenning dat het om een onkruidverdelger in vaste vorm zou gaan.
Het eerste middelonderdeel wordt verworpen.
30. Wat het tweede middelonderdeel betreft, komt het aan de verwerende partij toe om, binnen het kader van de decretale bepalingen, de beginselen van behoorlijk bestuur en de rechten van verdediging, een eigen handhavingsbeleid te ontwikkelen en oordeelt zij vrij over het bedrag van de boete en het al dan niet in aanmerking nemen van verzachtende omstandigheden.
De verzoekende partij dient er tevens op te worden gewezen dat de omzendbrief MOW 2012/1 van 9 juli 2012 stelt dat “de omstandigheden die als verzachtende omstandigheid in aanmerking kunnen worden genomen […]
restrictief [dienen] te worden toegepast. De ratio legis is niet de zware boetes systematisch te verlagen onder het wettelijke minimum. Enkel wanneer hiervoor gegronde redenen zijn kan dit gebeuren.” In tegenstelling tot wat de verzoekende partij lijkt te veronderstellen is het uitgangspunt van de regelgeving dan ook niet dat een overtreder zonder meer recht heeft op de toepassing van verzachtende omstandigheden, doch daarentegen juist dat deze enkel in uitzonderlijke omstandigheden facultatief kunnen worden toegepast. De verwerende partij is aldus niet verplicht om verzachtende omstandigheden in aanmerking te nemen.
Bovendien omschrijft de voormelde omzendbrief de situatie die eventueel als verzachtende omstandigheid in aanmerking zou kunnen worden genomen in zijn geheel als volgt:
XII-8018-20/29
“het voertuig werd geladen door een derde, in afwezigheid van de chauffeur of diens werkgever, er doet zich geen overlading voor in totaliteit en de overlading is niet van die aard dat de overlading onmiddellijk merkbaar is, maar wel dusdanig dat kan worden aangenomen dat een normale, voorzichtige en redelijke chauffeur, in dezelfde feitelijke omstandigheden de overlading zou hebben opgemerkt. De administratieve geldboete kan gedeeltelijk verlaagd worden.”
Het gaat dus niet louter om het “laden door een derde in afwe-
zigheid van de chauffeur” zoals de verzoekende partij thans wil doen uitschijnen.
Bovendien mag er zich geen “overlading voor[doen] in totaliteit”.
Wanneer de betrokkene evenwel verzachtende omstandigheden inroept, dient uit de motivering van de bestreden beslissing te blijken waarom op het verzoek van de betrokkene niet werd ingegaan.
De verklaringen waar de verzoekende partij zich te dezen op beroept betreffen negen documenten – uitsluitend in het Pools gesteld, vertaald in de procedurestukken van de verzoekende partij – waarin, aldus de verzoekende partij, haar werknemers zouden verklaren dat zij bij BASF niet aanwezig mogen zijn bij het laden en geen controlemogelijkheid hebben.
Met de verwerende partij kan worden vastgesteld dat de bestreden beslissing wel degelijk rekening heeft gehouden met de door de verzoekende partij neergelegde verklaringen. De verwerende partij motiveert in dat verband dat “er in dit dossier onvoldoende elementen zijn” om verzachtende omstandigheden in rekening te brengen en dat te dezen “[h]et feit dat de chauffeur niet aanwezig kon zijn bij het laden van het voertuig […] geen grond uit[maakt] voor verzachtende omstandigheden”, integendeel diende dit volgens de bestreden beslissing “de chauffeur aan te manen tot extra voorzichtigheid en bijkomende controle daar hij geen enkele zekerheid had over de verdeling van de lading.” Voorts is het niet de vrachtwagenbestuurder die wordt vervolgd, maar wel de verzoekende partij en rijst de vraag naar de voorzorgsmaatregelen die zij heeft genomen om dergelijke inbreuken te voorkomen. De omstandigheid dat de vrachtwagenbestuurder niet op de hoogte was van de overlading doordat hij het
XII-8018-21/29
laden niet zelf had uitgevoerd en over geen middelen beschikte om het gewicht van het voertuig te controleren, maakt niet dat de betrokken vervoers-
onderneming die hem in dienst heeft geen enkel verwijt zou treffen of dat ze kunnen worden aangemerkt als onoverkomelijk. Van een professionele vervoersonderneming mag immers worden verwacht dat zij de nodige maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat de vrachtwagens die zij in geladen toestand op de openbare weg brengt, voldoen aan de wettelijk toegestane maxima wat de asdrukken betreft, ook al heeft noch zijzelf noch haar vrachtwagen-
bestuurder het voertuig geladen. Het verzuim daaraan te voldoen kan het opzet of de schuldige nalatigheid uitmaken vereist opdat het morele element van het misdrijf zou bestaan (Cass., 2 november 2004, nr. 521, A.R. P.04.0767.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041102.8 )
Het tweede middelonderdeel wordt verworpen.
31. Het derde middel wordt verworpen.
D. Vierde middel
Uiteenzetting van het middel
32. De verzoekende partij voert in een vierde middel aan dat de bestreden beslissing ontoereikend gemotiveerd is. Zij verwijst daarbij naar “de wet van 29 juli 1991”.
De verzoekende partij wijst erop dat zij bij haar dossier meerdere verklaringen had gevoegd waaruit blijkt dat haar personeel helemaal niet de mogelijkheid had om zelf de lading uit te voeren, om deze lading bij te wonen of om gebruik te maken van controlemiddelen. De verwerende partij is duidelijk vergeten om een antwoord te formuleren op deze argumenten en houdt geen rekening met de verklaringen.
33. In de memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij dat in de bestreden beslissing helemaal niet wordt uitgelegd waarom de verklaringen die door de verzoekende partij worden getoond ontoereikend zouden
XII-8018-22/29
zijn. De motivering maakt het niet mogelijk om te begrijpen waarom er geen verzachtende omstandigheden in aanmerking werden genomen. De verzoekende partij verwijst naar de omzendbrief die bij het derde middel aan bod kwam, waarin wordt vermeld dat het feit dat de vrachtwagenbestuurder de lading niet heeft uitgevoerd of er niet bij aanwezig kon zijn een verzachtende omstandigheid uitmaakt.
34. In de laatste memorie benadrukt de verzoekende partij dat er een essentieel verschil is tussen, enerzijds, geen antwoord formuleren op alle argumenten en, anderzijds, deze argumenten stelselmatig verloochenen, dat de overtreding een strafrechtelijke overtreding is, zodanig dat het aan de verwerende partij toekomt om haar beslissing met betrekking tot de straf met redenen te omkleden en uit te leggen waarom zij ervoor heeft gekozen om de overtreder dergelijke straf of maatregel op te leggen. Zij is er ook toe gehouden, wanneer de overtreder een aannemelijk element aanvoert, het tegendeel te bewijzen. Zij herhalen dat die motivering helemaal niet aanwezig is in de bestreden beslissing.
Beoordeling
35. De verzoekende partij voert in het vierde middel dezelfde grief aan als diegene die al aan bod kwam in het tweede onderdeel van het derde middel. Er wordt dan ook verwezen naar de beoordeling van dat middelonderdeel.
Het vierde middel wordt verworpen.
E. Vijfde middel
Uiteenzetting van het middel
36. De verzoekende partij voert in een vijfde middel aan:
“grondslag van het geschil – niet bewezen ten laste gelegde feiten in hoofde van [de verzoekende partij]”.
XII-8018-23/29
Vervolgens wijst zij erop dat de minister in een brief van 12 april 2005 heeft erkend dat de vervolging een strafrechtelijk karakter heeft, wat wordt bevestigd door de omzendbrief van 9 juli 2012. De strafrechtelijke procedureregels zijn van toepassing bij de vaststelling van de overtredingen en twijfel dient in het voordeel te spelen van de beschuldigde, aldus de verzoekende partij.
De agenten van de verwerende partij die de overtreding hebben vastgesteld en het proces-verbaal hebben opgesteld, worden niet vermeld in de lijst van personen bedoeld in het koninklijk besluit van 1 december 1975, zodanig dat de vaststellingen van deze ambtenaren slechts dienst doen als loutere inlichtingen en geen bewijs tot het tegendeel vormen.
In de betrokken omzendbrief wordt gevraagd om bij het proces-
verbaal de vervoersdocumenten te voegen. Dit hebben de verbalisanten in dit dossier niet gedaan. Er wordt geen enkele aanwijzing vermeld met betrekking tot het vervoer van goederen en de identiteit van de opdrachtgever, het dossier bevat geen enkele kopie van “de brief van de auto”.
In hun proces-verbaal verwijzen de verbalisanten naar een verslag van de meetkundige controledienst, afgeleverd op 2 januari 2013. Dit document werd pas aan de verzoekende partij voorgelegd toen de verwerende partij uitspraak deed in beroep. Het verslag spreekt zich niet uit over de goede werking van het toestel. Het staat niet vast dat de weegbon afkomstig is van dit toestel. Er is duidelijk twijfel die in het voordeel dient te spelen van de beklaagde.
37. In de memorie van wederantwoord wijst de verzoekende partij erop dat het meetkundig verslag pas op 8 juli 2014 werd verstuurd, dit is na de zitting. Het werd dus niet onderworpen aan het principe van de tegensprekelijkheid van de debatten.
38. In de laatste memorie verwijst de verzoekende partij naar het door haar overgelegde vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Namen, “bevestigd door een arrest van het Hof van Cassatie”. Zij meent dat de gewone
XII-8018-24/29
strafrechtbank “over dit probleem” aldus een andere beoordeling heeft, zodat de verschillende situatie van de overtreders voor een administratief rechtscollege weer neerkomt op een schending van het gelijkheidsbeginsel.
Beoordeling
39. In de eerste plaats dient te worden opgemerkt dat dit middel in zijn ontvankelijkheid wordt bezwaard doordat de verzoekende partij nalaat om een duidelijke rechtsnorm aan te wijzen die zij geschonden acht en uiteen te zetten hoe de bestreden beslissing deze rechtsnorm zou miskennen. Het middel, volgens de laatste memorie betreft het “de niet-naleving van de bewijslast”, dient zich aan als enkele feitelijk en juridisch gebrekkig onderbouwde bedenkingen ten aanzien van de materiële motieven van de bestreden beslissing.
40. Wat de kritiek op de bewijswaarde van het proces-verbaal betreft, mist het middel juridische grondslag. Artikel 62, § 2, van het aslastendecreet bepaalt immers uitdrukkelijk:
“De ambtenaren bedoeld in artikel 61 zijn bovendien bevoegd om inbreuken op artikel 56 vast te stellen bij proces-verbaal met bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel.”
Aldus kan niet worden aangenomen, zoals de verzoekende partij doet gelden, dat de bewijswaarde van de vaststellingen gedaan in het proces-verbaal van de wegeninspectie slechts als “loutere inlichting” in aan-
merking zouden moeten worden genomen.
41. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij doet gelden, blijkt voorts dat het proces-verbaal in zijn bijlagen wel degelijk de identiteit van de opdrachtgever vermeldt en welke goederen vervoerd worden. Gelet op de bewijswaarde die door het aslastendecreet aan het proces-verbaal wordt toegekend, volstaat dit in beginsel. Het is voorts geheel onduidelijk wat de verzoekende partij bedoelt waar zij stelt dat “de brief van de auto” niet werd bijgevoegd. Het proces-verbaal blijkt alleszins alle nodige informatie over het bij de overtreding betrokken voertuig te bevatten.
XII-8018-25/29
42. Nog in tegenstelling tot wat de verzoekende partij doet gelden, blijkt niet dat het verslag van metrologische controle van de asweger pas aan haar zou zijn bezorgd met de bestreden beslissing waarbij de verwerende partij uitspraak deed in beroep. Dit verslag werd haar blijkens het administratief dossier reeds op 8 juli 2014 bezorgd, kort na het nemen van de beslissing na verzet en ruimschoots voor het instellen van het georganiseerd administratief beroep op 18 augustus 2014. Aldus heeft dit stuk wel degelijk het voorwerp kunnen uitmaken van tegenspraak, zowel in de fase van het georganiseerd administratief beroep als thans in de procedure voor de Raad van State.
Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.
Voorts dient het verslag van de metrologische controle wel degelijk te worden geacht aan te tonen dat de gebruikte asweger naar behoren functioneert. Het verslag werd minder dan twee jaar voor de vaststelling van de overlading, door de metrologische dienst van de FOD Economie, K.M.O, Middenstand en Energie opgesteld. In dit verslag komt de Algemene Directie Kwaliteit en Veiligheid van de Dienst Verkeer van de FOD Economie uitdrukkelijk tot het besluit dat het betrokken toestel mag worden gebruikt “voor het bepalen van het gewicht per as en het totaalgewicht van voertuigen”. In zoverre berust het middel eveneens op een onjuist feitelijke uitgangspunt.
Eveneens dient te worden vastgesteld dat het proces-verbaal uitdrukkelijk melding maakt van het merk, type en serienummer van de gehanteerde asweger, welke gegevens volledig overeenstemmen met het serie-
nummer op het verslag van de metrologische controle. De vaststellingen in het proces-verbaal stemmen overeen met de gegevens vermeld op de weegbon, zodat er geen twijfel over bestaat dat deze de resultaten bevat die met de in het proces-
verbaal vermelde asweger werden vastgesteld. Bijgevolg mag de Raad van State ervan uitgaan dat de bijlage met de weegbon deel uitmaakt van het proces-
verbaal. De verzoekende partij betwist trouwens niet concreet de gegevens van het proces-verbaal noch van de weegbon, doch zij beperkt er zich toe hun betrouwbaarheid op algemene wijze te bekritiseren. Overigens heeft zij geen klacht voor valsheid in geschrifte ingediend.
XII-8018-26/29
Er is dan ook geen objectieve reden om de juistheid van de uitgevoerde weging in twijfel te trekken. Er is bovendien ook geen reden om aan te nemen dat de weegbon die als bijlage 1 bij het proces-verbaal is gevoegd, niet afkomstig zou zijn van het toestel waarvan de verbalisanten bij de controle van het voertuig gebruik hebben gemaakt.
Het middel mist ook in die mate feitelijke grondslag.
43. Aldus dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partij niet aantoont dat er te dezen getwijfeld zou moeten worden aan de feitelijke vaststellingen die aan de zaak ten gronde liggen.
Voor zover de verzoekende partij in de laatste memorie verwijst naar een vonnis van de correctionele rechtbank te Namen van 4 maart 2015, blijkt dat in dat vonnis ook wordt overwogen dat de termijn om het proces-verbaal over te maken aan het parket was overschreden, wat volgens de correctionele rechter afbreuk doet aan de bewijswaarde van het betreffende proces-verbaal. De verzoekende partij toont niet aan dat dit te dezen ook het geval is. Vervolgens wordt in het vonnis ook geoordeeld dat de inbreuk niet kan worden aangerekend aan de vrachtwagenbestuurder nu deze een ondergeschikte band heeft met zijn werkgever – te dezen wordt, het weze herhaald, de vrachtwagenbestuurder zelf niet vervolgd. Al deze elementen samen brengen de correctionele rechter ertoe de beslissing tot het opleggen van de administratieve sanctie nietig te verklaren. In het cassatiearrest waar de verzoekende partij ook nog naar verwijst wordt het door de correctionele rechter ingenomen standpunt geenszins bevestigd, aangezien het cassatieberoep onontvankelijk wordt verklaard bij gebreke aan betekening van de cassatievoorziening aan de verwerende partij in cassatie.
Ook het vijfde middel wordt verworpen.
F. Zesde middel
44. De verzoekende partij voert in de laatste memorie een nieuw zesde middel aan, waarin zij doet gelden dat de “redelijke termijn van de
XII-8018-27/29
rechtspleging” is overschreden “ingevolge de traagheid waarmee de administratieve rechtscolleges en inzonderheid de [Raad van State] een uitspraak hebben gedaan in dit dossier”. De overtreding dateert van 25 september 2013 en het verslag van de auditeur werd slechts opgesteld op 14 maart 2017. Het gaat om vrij eenvoudige overtredingen en de verzoekende partij heeft geen enkel vertragingsmaneuver uitgevoerd. Dit rechtsmiddel kon niet eerder worden aangevoerd, nu de redelijke termijn volgens de verzoekende partij werd overschreden op het ogenblik van het opstellen van het advies van de auditeur.
Zij verzoekt dan ook, in het geval de Raad van State niet zou overgaan tot nietigverklaring van de bestreden beslissing, om met toepassing van artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, de sanctie te herleiden tot een eenvoudige schuldverklaring.
Beoordeling
45. Wat de redelijke termijn betreft voor de oplegging van de administratieve geldboete en de bestuurlijke procedure, dient te worden opgemerkt dat het aslastendecreet vervaltermijnen oplegt en dat deze te dezen werden gerespecteerd. Er is, zeker nu de decretale regeling korte vervaltermijnen instelt die het bestuur niet toelaat te dralen, geen reden om te onderzoeken of de wegeninspecteur-controleur en de minister binnen die termijnen waarover zij beschikten en die zij naleefden, voldoende diligent gehandeld hebben en de redelijke termijn hebben overschreden. De verzoekende partij betoogt ook niet dat reeds in de bestuurlijke procedure de redelijke termijn zou zijn overschreden.
Tegen de eindbeslissing in deze procedure, die in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij betoogt geen procedure voor administratieve rechtscolleges is en dateert van 12 januari 2015 werd een annulatieberoep bij de Raad van State door de verzoekende partij ingesteld op 5 maart 2015.
Voor zover het middel niet de overschrijding van de redelijke termijn door de bestreden beslissing betreft, is het niet ontvankelijk, alleen al omdat het aldus geen onwettigheid betreft die tot een nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden.
XII-8018-28/29
De Raad van State bezit ten slotte hoe dan ook geen rechtsmacht om artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering toe te passen.
46. Het middel wordt verworpen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 17 november 2017, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier.
De griffier De voorzitter
Silja Doms Dierk Verbiest
XII-8018-29/29
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.900