Flemish Medical Licensing Exam Appeal Dismissed Due to Procedural Time Limit Violation and Lack of Urgency
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State dismissed the applicant's urgent request to suspend the enforcement of his rejection from the Flemish medical licensing exam. The court found that the applicant failed to file his administrative appeal within the strict 30-day deadline and that his subsequent request for a new decision was procedurally flawed. Consequently, the court ruled that the suspension request was futile and the applicant bore the legal costs.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles II.187 of the Higher Education Code and Article 27 of the Flemish Government Decision of 2 February 2001; An administrative appeal filed after the statutory deadline is inadmissible, rendering any subsequent request for urgent interim measures without legal basis.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE IXe KAMER
nr. 239.898 van 16 november 2017
in de zaak A. 223.726/IX-9173
In zake: Philip CLAESSENS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Ann Dierickx en Filip Van Der Mauten kantoor houdend te 3000 Leuven Mechelsestraat 107-109
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de VLAAMSE GEMEENSCHAP
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie, Michelle Decruy en Matthias Castelein kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1.1. De vordering, ingesteld op 8 november 2017, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de examencommissie van het toelatingsexamen voor de opleidingen van arts en tandarts van 31 oktober 2017 waarbij het beroep van Philip Claessens ongegrond wordt verklaard.
1.2. In fine van zijn verzoekschrift vraagt verzoeker “tevens de ver-
plichting op te leggen aan verwerende partij om op zeer korte termijn, en uiterlijk binnen de 7 dagen vanaf het tussen te komen arrest, een nieuwe beslissing te ne-
men”.
IX-9173-1/14
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 november 2017, om 10.00 uur.
Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Ann Dierickx, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaten Michelle Decruy en Matthias Castelein, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend ad-
vies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi-
neerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. De Vlaamse Regering organiseert telkens vóór de aanvang van het academiejaar tweemaal een toelatingsexamen voor de opleidingen van arts en tandarts. De eerste keer in de periode van 1 tot 15 juli, de tweede keer in de periode van 25 augustus tot 7 september (artikel II.187, § 2, 1°, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 7, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2001 ‘houdende nadere regels met betrekking tot het toelatingsexamen voor de opleidingen van arts en tandarts’).
Dat toelatingsexamen omvat twee gedeelten: vooreerst ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’, namelijk de vakken biologie, fysica, scheikunde
IX-9173-2/14
en wiskunde, en voorts ‘informatie verwerven en verwerken’ betreffende thema’s die aansluiten bij de beroepspraktijk van artsen of tandartsen (artikel II.187, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs).
Om te slagen voor dat examen moet de kandidaat ten minste 10
op 20 punten behalen voor het examengedeelte ‘kennis en inzicht in de weten-
schappen’, ten minste 10 op 20 punten voor het examengedeelte ‘informatie ver-
werven en verwerken’ en ten minste 22 op 40 punten voor beide examengedeelten samen (artikel II.187, § 2, 5°, van de Codex Hoger Onderwijs).
De examencommissie past een giscorrectie toe. Een juist ant-
woord levert één punt op; een fout antwoord levert negatieve punten op (-1/3de punt); geen antwoord levert nul punten op (artikel 37 van het werkingsregle-
ment 2017 van de examencommissie).
3.2. Verzoeker neemt op 4 juli 2017 deel aan het toelatingsexamen voor de opleidingen van arts en tandarts.
Met een e-mailbericht van 17 juli 2017 deelt de examencom-
missie aan verzoeker mee dat hij op het examen de volgende punten heeft behaald:
9,7 op 20 punten voor het examengedeelte ‘kennis en inzicht in de wetenschap-
pen’, 16,4 op 20 punten voor het examengedeelte ‘informatie verwerven en ver-
werken’ en 26,1 op 40 punten in het totaal.
De examencommissie verklaart verzoeker “niet geslaagd”.
Het e-mailbericht vermeldt voorts dat het examen digitaal kan worden ingekeken van 6 tot en met 13 september 2017.
IX-9173-3/14
Onderaan het e-mailbericht kan worden gelezen:
“Aandacht:
Materiële vergissingen of onregelmatigheden die de geldigheid van de be-
slissingen van de examencommissie in het gedrang kunnen brengen, moet je binnen de dertig kalenderdagen na de verzendingsdatum van de individuele uitslagen aan de voorzitter aangetekend meedelen. Binnen de dertig kalender-
dagen na ontvangst van een dergelijke mededeling, roept de voorzitter van de examencommissie in een buitengewone vergadering bijeen. Tegen de beslissing van de buitengewone vergadering kan je beroep aantekenen bij de Raad van State, binnen een vervaltermijn van zestig kalenderdagen die ingaat op de dag na die waarop je de beslissing hebt ontvangen. Het verzoekschrift moet je per aangetekende brief naar de Raad van State verzenden (Wetenschapsstraat 33, 1040 Brussel).”
3.3. Verzoeker neemt, naar eigen zeggen, op 6 september 2017 online inzage van de stukken met betrekking tot het toelatingsexamen waaraan hij heeft deelgenomen.
3.4. Met een 28 september 2017 gedateerde brief, die op 2 okto-
ber 2017 ter post aangetekend wordt verzonden, stelt verzoeker bij de voorzitter van de examencommissie een beroep in zoals bedoeld in artikel 27 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2001 ‘houdende nadere regels met be-
trekking tot het toelatingsexamen voor de opleidingen van arts en tandarts’.
Hij voert daarbij aan:
“Op 4 juli 2017 heb ik het toelatingsexamen arts en tandarts afgelegd. Ik behaalde een score van 16.4/20 op het gedeelte IVV en 9.7/20 voor KIW. Ik heb dus een tekort van 0.3/20.
Conform artikel 46 van het Werkingsreglement toelatingsexamen arts en tandarts 2017, wil ik u op de hoogte brengen van een onregelmatigheid – of minstens materiële vergissing – die de geldigheid van de beslissing van de Examencommissie over mijn examen in het gedrang kan brengen.
De meerkeuzevraag waarbij ik een onregelmatigheid – of minstens een materiële vergissing – opmerkte, is vraag 5 in het onderdeel biologie. Het be-
treft een vraag over E.Coli. E.Coli is een prokaryoot en de vraag handelt over de regulatie van genexpressie bij prokaryoten. In het overzicht van de te kennen leerstof voor het examen van 2017, wordt echter alleen melding gemaakt van eukaryoten. Gezien prokaryoten en eukaryoten erg verschillend zijn op vlak van
IX-9173-4/14
morfologie en werking, valt deze vraag mijns inziens buiten de opgegeven leerstof.
Ik wens bij deze dan ook een intern beroep aan te tekenen, zoals bedoeld in artikel 46 van het Werkingsreglement voor het toelatingsexamen arts en tand-
arts 2017.
Conform dit artikel, maak ik u dit beroep tijdig over, zijnde binnen de 30 kalenderdagen na de inzage in mijn examen (en vrijgave van de vragen) op 6/9/2017.
Ik zou u willen vragen dat voornoemde vraag alsnog geneutraliseerd wordt in de zin van artikel 40, lid 3 van het Werkingsreglement toelatingsexamen arts en tandarts 2017, hetgeen betekent dat ik het maximum van de punten op die vraag zou verkrijgen.”
3.5. Met een 19 oktober 2017 gedateerde brief richt verzoeker zich nogmaals tot de voorzitter van de examencommissie. Daarin laat hij het volgende gelden:
“Ik verwijs naar mijn aangetekende brief van 28 september 2017.
Graag wil ik u en de gehele examencommissie met aandrang vragen om mijn intern beroep met de nodige aandacht en zorg te beoordelen. Wellicht zal de examencommissie dit sowieso doen, maar ik houd er toch aan om mijn vraag te expliciteren. Ik licht mijn bezorgdheid graag even toe.
Ik stel vast dat er in het verslag van de examencommissie van 29 septem-
ber 2017 teruggekomen wordt op een eerder ingenomen standpunt over vraag 12 van het deel fysica van het augustusexamen omdat er over deze vraag veel interne beroepen ingediend werden.
Omwille van deze interne beroepen heeft de examencommissie gesteld:
‘In fysica vraag 12 van het augustusexamen moet de deelnemer een ge-
dachtenexperiment uitvoeren waarbij zij of hij een uitspraak moet doen over de mogelijkheid van vier verschillende situaties. Voor de beoorde-
ling van situatie c moet de deelnemer een bepaalde aanname doen, met name dat het mogelijk is om een zwaardere vloeistof bovenop een lichtere vloeistof aan te brengen, gegeven de niet-mengbaarheid van beide vloei-
stoffen. De in figuur c geschetste situatie is conceptueel mogelijk in het gedachtenexperiment maar niettemin strookt deze aanname niet met de gangbare opvatting die leerlingen in het secundair onderwijs zien, met name dat een zwaardere vloeistof altijd onderaan komt te liggen. Deze gangbare opvatting vloeit voort uit het feit dat de conceptuele situatie in figuur c in de praktijk niet te realiseren is. Er is dus een tegenstelling tussen de in vraag 12 geschetste conceptuele situatie en wat we bij de deelnemers aan het toelatingsexamen redelijkerwijze als voorkennis mogen verwachten. Vanuit dit perspectief gaat deze vraag dus verder dan het leerstofoverzicht en de kennis van het secundair onderwijs. Om die reden beslist de examencommissie om vraag 12 van fysica in het augus-
tusexamen te neutraliseren overeenkomstig artikel 40 van het werkings-
reglement.’ […]
IX-9173-5/14
De verwachtingen van de deelnemers aan het examen zijn voor de exa-
mencommissie dus blijkbaar een sturend criterium om een vraag te beoordelen.
Deze vraag 12 van het deel fysica werd echter eerder op de vergadering van de examencommissie van 1 september 2017 ook al inhoudelijk geanalyseerd.
Deze vraag 12 scoorde slechts 1 maal negatief in de itemresponsanalyse, zijnde met betrekking tot criterium 1. Welnu, voor de vragen die op basis van de itemresponsanalyse maximaal 2 maal – en dus ook slechts 1 maal, zoals vraag 12 van het deel fysica – negatief scoorden, bleken er ‘geen manifeste problemen te zijn’ volgens de examencommissie. De examencommissie besloot dus op 1 september 2017 om onder meer vraag 12 van het deel fysica te behouden.
Criterium 1 bleek dus toen niet sturend voor de examencommissie.
Ondanks deze evaluatie uitgevoerd op 1 september 2017, neemt de exa-
mencommissie een ander standpunt in op 29 september 2017. Dit blijkt dus te wijten te zijn aan het grote aantal interne beroepen ingediend tegen deze vraag 12 van het deel fysica. Daardoor werd de examencommissie blijkbaar overtuigd van het standpunt van de deelnemers en van het belang van de nega-
tieve beoordeling van de vraag via criterium 1.
Het grote aantal interne beroepen kan dus blijkbaar echt bepalend zijn voor de beoordeling van een vraag door de examencommissie.
Op zich is dit misschien wat vreemd omdat de evaluatie normaal toch ge-
beurt op basis van de itemresponsanalyse. En deze was voor vraag 12 van het deel fysica van het augustusexamen op zich nog niet zo slecht, althans niet wanneer deze analyse vergeleken wordt met bv. de itemresponsanalyse van de vragen 10 en 11 van het deel fysica van het juli-examen. Vraag 12 van het deel fysica van het augustusexamen scoorde negatief op criterium 1, terwijl de vraag 10 van het deel fysica van het juli-examen negatief scoorde op 3 criteria en de vraag 11 van het deel fysica van het juli-examen op alle 4 de criteria. Toch werden de vragen 10 en 11 weerhouden, terwijl vraag 12 uiteindelijk geneu-
traliseerd werd. Deze vragen 10 en 11 lijken anders (en ongelijk) beoordeeld te worden dan deze vraag 12.
Ook hieruit blijkt weerom: dat de deelnemers door middel van interne be-
roepen hun standpunt massaal kenbaar maken, is echt determinerend bij de beoordeling van een vraag door de examencommissie. De negatieve evaluatie van een vraag bij de itemresponsanalyse via criterium 1, blijkt niet zo bepalend te zijn als de stem van de deelnemende studenten geuit door middel van de in-
terne beroepen.
En dat is nu precies wat me zorgen baart. Laat ik me verduidelijken:
Ik kaartte in mijn brief van 28 september 2017 vraag 5 aan van het deel biologie van het juli-examen, maar misschien zijn er niet veel andere studenten die deze vraag problematiseerden door middel van een intern beroep.
Vele studenten die niet slaagden in het juli-examen zullen immers wellicht deelgenomen hebben aan het augustusexamen. En ofwel zijn ze er dan door, waarna ze geen enkele vraag meer aankaarten bij de examencommissie. Ofwel zijn ze niet geslaagd in het augustusexamen en focussen ze zich bij een even-
tueel intern beroep eerder op dit laatste examen.
De studentengroep die vraag 5 van het onderdeel biologie van het ju-
li-examen aankaart, is dus wellicht niet zo groot, en vermoedelijk minder groot
IX-9173-6/14
dan de groep die vraag 12 van het deel fysica van het augustusexamen heeft aangekaart.
Ik kan dus wellicht niet genieten van de steun van andere studenten, of minstens niet van een even grote steun als een student die vraag 12 van het deel fysica van het augustusexamen aangekaart heeft.
Dit zou niet in mijn nadeel mogen spelen.
Ik durf u daarom vragen om mijn beroep en kritiek op vraag 5 van het deel biologie van het juli-examen aandachtig te bestuderen. Ik meen immers echt een punt te hebben, ook al ben ik misschien de enige of slechts één van de weinige studenten die deze vraag 5 in vraag stellen.
Voor mij is deze vraag 5 echt cruciaal. Of ik slaag of niet hangt van deze ene vraag af. Voor mij is uw oordeel over mijn intern beroep dus alles bepa-
lend.”
3.6. Met een brief van 31 oktober 2017 deelt de voorzitter van de examencommissie aan verzoeker mee dat de examencommissie zijn beroep on-
gegrond heeft verklaard. Hij vermeldt:
“Wat betreft het eerste middel In uw brief betwist u dat vraag 5 van biologie van het juli-examen behoort tot het leerstofoverzicht 2017.
Het leeroverzicht biologie stipuleert volgende elementen:
• ‘De eukaryote cel: bouw en de functie van de celorganellen’ met verdere specificatie ‘vergelijking van de eukaryote cel met de prokaryote cel’.
• ‘Erfelijke informatie in de eukaryote cel’ met als verdere specificatie ‘DNA en eiwitsynthese: transcriptie, translatie’.
De combinatie van beide elementen maakt dat vraag 5 van biologie onder de leerstof van biologie valt. Immers, repressie is een algemeen concept van regeling van transcriptie dat zowel bij eukaryoten en prokaryoten voorkomt. De formulering van de vraag laat toe om te peilen of de deelnemer het inzicht bezit om deze kennis van repressie in een specifieke context, in casu vergelijking eukaryote en prokaryote cel, toe te passen.
De commissie verklaart dit middel ongegrond.
Conclusie:
De commissie verklaart het beroep ongegrond.”
Dit is de bestreden beslissing.
IX-9173-7/14
IV. Ontvankelijkheid van de vordering
4. Het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2001
‘houdende nadere regels met betrekking tot het toelatingsexamen voor de oplei-
dingen van arts en tandarts’ voorziet in de volgende “[g]eschillenregeling”:
“Art. 26. Materiële vergissingen die tot dertig dagen na het afsluiten van de eindberaadslaging vastgesteld worden en die niet van aard zijn dat ze de be-
slissing van de examencommissie kunnen beïnvloeden, worden onmiddellijk door de voorzitter hersteld.
Art. 27. Materiële vergissingen of onregelmatigheden die de geldigheid van de beslissingen van de examencommissie in het gedrang kunnen brengen, moeten binnen de dertig kalenderdagen na de verzendingsdatum van de indi-
viduele uitslagen aan de voorzitter aangetekend meegedeeld worden. Binnen de dertig kalenderdagen na ontvangst van een dergelijke mededeling, roept de voorzitter de examencommissie in een buitengewone vergadering bijeen. De examencommissie kan geldig beslissen over de te nemen maatregelen indien ten minste vijf stemgerechtigde leden aanwezig zijn, de voorzitter inbegrepen.
Art. 28. § 1. Elke kandidaat kan inzage vragen van de stukken op grond waarvan de examencommissie zijn/haar resultaat heeft vastgesteld. De kandi-
daat richt daartoe een verzoek tot de voorzitter die verder zal meedelen hoe de inzage kan verlopen. Het is de kandidaat in geen geval toegelaten stukken uit het dossier mee te nemen, noch kopies van de vragen te maken.
§ 2. Zowel voor de eerste als voor de tweede organisatie van het jaarlijks toelatingsexamen, zoals bedoeld in artikel 7 van dit besluit, kan de inzage slechts toegestaan worden vanaf 5 september van het lopende jaar.
Art. 29. Alle documenten die betrekking hebben op de organisatie van een toelatingsexamen blijven bewaard tot het verstrijken van de termijnen van de beroepsprocedures bij de Raad van State, na uitputting van alle procedures waarin onderhavig besluit voorziet. Nadien blijven de notulen van de beraad-
slagingen van de examencommissie bewaard, en de volledige dossiers van de kandidaten die een procedure bij de Raad van State hebben ingeleid. Van de andere kandidaten blijven evenwel ook de officiële antwoordbladen bewaard.”
5. Artikel 27 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2001 organiseert aldus een administratieve beroepsmogelijkheid tegen de beslissingen van de examencommissie, onder meer wanneer onregelmatigheden worden aangevoerd die de geldigheid van de beslissingen van de examencom-
missie in het gedrang kunnen brengen.
IX-9173-8/14
Deze administratieve beroepsmogelijkheid moet op een ont-
vankelijke wijze worden uitgeput, opdat een beroep bij de administratieve rechter zou kunnen worden toegelaten. De deelnemer aan het toelatingsexamen die dit administratief beroep niet of niet op een ontvankelijke wijze instelt, kan vervolgens ook niet op een ontvankelijke wijze een beroep tot nietigverklaring of een vorde-
ring tot schorsing, al dan niet bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bij de Raad van State instellen.
6. Artikel 46 van het werkingsreglement ‘toelatingsexamen arts en tandarts 2017’ bepaalt in verband met deze administratieve beroepsmogelijkheid:
“Kandidaten kunnen een intern beroep aantekenen bij de examencommissie van het toelatingsexamen arts en tandarts op basis van materiële vergissingen of onregelmatigheden die de geldigheid van het examen in het gedrang kunnen brengen.
Het intern beroep moet binnen de dertig kalenderdagen na de verzen-
dingsdatum van de individuele uitslagen of na inzage in het examen aan de voorzitter aangetekend per post meegedeeld worden. In de brief moet expliciet vermeld worden dat de kandidaat met die brief een intern beroep start. Het in-
tern beroep dient door de deelnemer aan het examen of een officiële raadsper-
soon te worden opgesteld en te worden ondertekend. Derden (ouders, vrienden, leerkrachten ...) kunnen geen intern beroep opstellen. Enkel in het geval een deelnemer minderjarig is op het moment van indienen van het intern beroep, kan de ouder of voogd het beroep starten.
Binnen de dertig kalenderdagen na ontvangst van een dergelijke medede-
ling, roept de secretaris de examencommissie in een buitengewone vergadering bijeen. De buitengewone vergadering kan via schriftelijke procedure verlopen.
De examencommissie kan geldig beslissen over de te nemen maatregelen indien ten minste vijf stemgerechtigde leden hun advies uitbrengen, de voorzitter in-
begrepen.”
7. In de voorliggende zaak vecht verzoeker de beslissing van de examencommissie aan waarbij hij niet geslaagd wordt verklaard voor het toela-
tingsexamen van 4 juli 2017 voor de opleidingen van arts en tandarts.
Verzoeker werd van de resultaten van dat examen in kennis gesteld bij e-mailbericht van 17 juli 2017. Hij bevestigt in zijn inleidend ver-
zoekschrift dat hij “op 17 juli 2017 de officiële mededeling [heeft] ontvangen niet geslaagd te zijn voor dit examen”.
IX-9173-9/14
Op grond van het hiervóór sub 4 aangehaalde artikel 27 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2001 moest verzoeker op het eerste gezicht, toch minstens in beginsel, zijn beroep instellen binnen een termijn van dertig kalenderdagen, te rekenen vanaf 17 juli 2017.
Verzoeker werd door het e-mailbericht van 17 juli 2017, waar-
mee hij in kennis werd gesteld van zijn examenresultaten, er overigens op geat-
tendeerd dat onregelmatigheden die de geldigheid van de beslissingen van de examencommissie in het gedrang konden brengen, aan de voorzitter van de exa-
mencommissie dienden te worden meegedeeld “binnen de dertig kalenderdagen na de verzendingsdatum van de individuele uitslagen”.
Verzoeker heeft binnen de voormelde termijn evenwel niets ondernomen. Het beroep dat hij pas op 2 oktober 2017 heeft ingesteld tegen zijn resultaten van het toelatingsexamen van 4 juli 2017, is op het eerste gezicht dan ook laattijdig en niet ontvankelijk.
8. De bepalingen van artikel 46 van het ‘werkingsreglement toela-
tingsexamen arts en tandarts 2017’ doen niet anders besluiten.
Hoewel artikel 46, tweede lid, van het werkingsreglement be-
paalt dat “[h]et intern beroep […] binnen de dertig kalenderdagen na de verzen-
dingsdatum van de individuele uitslagen of na inzage in het examen aan de voor-
zitter aangetekend per post meegedeeld [moet] worden”, lijkt die bepaling niet zo te mogen worden uitgelegd dat de deelnemers aan het toelatingsexamen in álle omstandigheden zelf, naar eigen keuze of goeddunken, kunnen en mogen beslissen wanneer voor hen de beroepstermijn ingaat, namelijk vanaf de verzendingsdatum van de uitslagen of vanaf de inzage in het examen. Een dergelijke uitlegging zou immers impliceren dat het werkingsreglement op dit punt in strijd komt met de bepalingen van artikel 27 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 fe-
bruari 2001, waarvan verzoeker de wettigheid niet betwist.
IX-9173-10/14
Artikel 46, tweede lid, van het werkingsreglement kan op het eerste gezicht echter ook anders worden uitgelegd, waarbij het wel zinvol te ver-
enigen valt met artikel 27 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2001, gelezen in samenhang met artikel 28 van datzelfde besluit. Het is immers zeer goed denkbaar dat bepaalde grieven door een deelnemer aan het toelatings-
examen slechts kunnen worden aangevoerd nadat hij inzage heeft gekregen van de stukken van het examendossier, in het bijzonder van de gestelde vragen met de mogelijke antwoorden en de verbetersleutel van de examencommissie. Dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn wanneer de grief inhoudt dat de examencom-
missie een foutief antwoord als (enig) juist antwoord heeft vooropgesteld en aan-
gerekend of een juist antwoord ten onrechte als foutief heeft beschouwd. Derge-
lijke grieven kunnen slechts aan het licht komen wanneer duidelijk is welke ant-
woorden door de examencommissie als juist zijn aangemerkt. In dat geval kan bezwaarlijk aan de deelnemer worden verweten dat hij heeft gewacht met het aanwenden van de administratieve beroepsmogelijkheid tot na de inzage, over-
eenkomstig artikel 28 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2001, van de voor de formulering van zijn grief onontbeerlijke stukken van het examendossier. Anders zouden de deelnemers aan het toelatingsexamen verplicht worden als het ware blindelings een beroep in te stellen, dit wil zeggen zonder kennis van zaken en in afwachting van de inzage van de examendocumenten. Dit lijkt niet het doel van de georganiseerde administratieve beroepsprocedure te kunnen zijn.
Het lijkt alleen voor deze gevallen te zijn, waarbij inzage in de examendocumenten een noodzakelijke voorwaarde is om een grief te kunnen formuleren, dat kan worden aanvaard dat de beroepstermijn van dertig kalender-
dagen pas ingaat “na inzage in het examen”, omdat de deelnemer aan het toela-
tingsexamen pas dan genoegzaam kennis heeft gekregen van een wezenlijk ele-
ment van de examenbeslissing die ten aanzien van hem is genomen.
9. De enige grief die verzoeker in zijn beroepschrift van 2 oktober 2017 voor de examencommissie heeft aangevoerd, lijkt echter van een
IX-9173-11/14
geheel andere aard te zijn. Verzoeker laat immers gelden dat vraag 5 van het on-
derdeel ‘biologie’ van het examengedeelte ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’ “buiten de opgegeven leerstof [valt]”.
In de huidige stand van de rechtspleging dient te worden aan-
genomen dat deze grief, zoals hij aldus is geformuleerd, zich bij verzoeker on-
middellijk moet hebben aangediend, hetzij reeds tijdens het examen, hetzij dadelijk erna, bij een controle van de opgegeven leerstof. Dit is des te meer het geval wanneer, zoals volgens de opvatting die verzoeker ter terechtzitting heeft verde-
digd, de leerstofopgave van zo’n groot belang is.
10. In dit geval lijkt verzoeker er derhalve niet op te hebben mogen rekenen dat, anders dan hem door de examencommissie bij de kennisgeving van de examenresultaten was meegedeeld, de beroepstermijn pas zou ingaan na de inzage van de examendocumenten. Die inzage zou immers niet op een wezenlijke wijze kunnen bijdragen tot zijn grief. Verzoeker toont vooralsnog alvast het tegendeel niet aan.
Verzoeker geeft bovendien zelf aan dat hij de kwestieuze vraag 5
van het onderdeel ‘biologie’ niet heeft beantwoord. Hij hoefde dan ook niet af te wachten welk antwoord door de examencommissie als juist werd beschouwd, bijvoorbeeld uit vrees dat hij zichzelf zou benadelen door een vraag te viseren waarvan na inzage zou blijken dat het door hem gegeven antwoord door de exa-
mencommissie als juist werd aangerekend.
11. Uit wat voorafgaat kan in de huidige stand van de rechtspleging worden besloten dat verzoeker het georganiseerd administratief beroep waarin is voorzien door artikel 27 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2001, diende in te stellen “binnen de dertig kalenderdagen na de verzendingsdatum van de individuele uitslagen”.
IX-9173-12/14
12. De brief van verzoeker van 19 oktober 2017 aan de voorzitter van de examencommissie verandert niets daaraan. Deze brief lijkt er immers alleen op gericht te zijn de examencommissie te vragen verzoekers kritiek op vraag 5 van het deel ‘biologie’ van het toelatingsexamen van 4 juli 2017 aandachtig te bestu-
deren en de beoordeling ervan niet te laten afhangen van het aantal bezwaren dat tegen die vraag werd ingediend.
13. Omdat de ontvankelijkheid van het georganiseerd administratief beroep de openbare orde raakt, vermocht de examencommissie niet aan de laat-
tijdigheid van het bij haar ingestelde beroep voorbij te gaan. Dat zij verzoekers beroep toch ten gronde heeft behandeld, wat zou kunnen betekenen dat zij het beroep als ontvankelijk beschouwde, ontslaat de Raad van State er niet van om – voor zoveel als nodig ambtshalve – vast te stellen dat het administratief beroep niet ontvankelijk is ingesteld, hetgeen dan weer tot gevolg heeft dat ook het beroep bij de Raad van State onontvankelijk is.
V. Vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen
14. Wat voorafgaat moet leiden tot de verwerping van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. De gevorderde voorlopige maatregel wordt daardoor doelloos en dient daarom evenzeer te worden verwor-
pen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt de vordering.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
IX-9173-13/14
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 16 novem-
ber 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier.
De griffier De voorzitter
Vera Wauters Bert Thys
IX-9173-14/14
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.898