Court dismisses urgent suspension request due to excessive delay in filing after school grade decision.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State dismissed the applicant's request to suspend the execution of a school board's decision awarding a failing grade. The applicant argued for urgent interim measures but failed to file the petition within the required timeframe, waiting eight weeks after receiving the decision. The court rejected this because such delay negates the necessity of an urgent procedure and violates the statutory requirement for immediate action.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 17, §§ 1 and 4 of the Coordinated Council of State Laws; An application for urgent suspension or interim measures is inadmissible if filed with excessive delay, thereby negating the requirement of extreme urgency.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE IXe KAMER
nr. 239.871 van 14 november 2017
in de zaak A. 223.696/IX-9171
In zake: Soufian KOBEE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bashir Potiev kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 191
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
het AUTONOOM PROVINCIEBEDRIJF PROVINCIAAL
ONDERWIJS ANTWERPEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jim Deridder kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 210A
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 6 november 2017, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van de provinciale scholen voor Tuinbouw en Techniek, campus Boom, van 30 augustus 2017, waarbij aan Soufian Kobee een oriënteringsattest C wordt toegekend.
De verzoekende partij vraagt ook “om bij wijze van voorlopige maatregel […] te bevelen [haar] te delibereren als leerling die het 1ste leerjaar van de 3de graad heeft beëindigd”.
IX-9171-1/9
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 november 2017, om 11.00 uur.
Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge-
bracht.
Soufian Kobee en advocaat Bashir Potiev, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Simon De Buyser, die loco advocaat Jim Deridder verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-
coördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. Verzoeker is tijdens het schooljaar 2016-2017 leerling in het eerste jaar van de derde graad „centrale verwarming en sanitaire installaties‟ aan de provinciale scholen voor Tuinbouw en Techniek, campus Boom.
IX-9171-2/9
Het eindrapport van verzoeker geeft volgend beeld:
Op het einde van het schooljaar besluit de delibererende klas-
senraad om verzoeker een C-attest toe te kennen.
Overleg met de directie resulteert in een nieuwe samenkomst van de klassenraad, die op 30 juni 2017 evenwel besluit om zijn evaluatiebeslissing te handhaven.
Hiertegen stelt verzoeker beroep in bij het schoolbestuur.
Op 30 augustus 2017 beslist de beroepscommissie met de thans bestreden beslissing om het oorspronkelijke evaluatieresultaat te bevestigen.
IV. Herinnering aan de voorwaarden tot schorsing en tot bevel van voorlopige maatregelen
4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging of het bevelen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die
IX-9171-3/9
onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schor-
sing of van de gewone vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen.
V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
Uiteenzetting
5. Verzoeker wijst op de vaste rechtspraak van de Raad van State, dat het dreigend verlies van een schooljaar een nadeel vormt dat binnen een ge-
wone schorsingsprocedure niet kan worden gekeerd.
Hij begrijpt dat hem verweten zou kunnen worden dat hij niet prompt en diligent heeft opgetreden om de negatieve gevolgen van de bestreden beslissing te milderen. Ter verantwoording betoogt hij het volgende.
De beroepscommissie heeft een hele zomervakantie laten voor-
bijgaan om het beroep van verzoeker te beoordelen, de bestreden beslissing werd pas op 30 augustus 2017 genomen en op 5 september 2017 – op het ogenblik dat het nieuwe schooljaar al was begonnen – verstuurd naar verzoeker. Hierdoor is volgens verzoeker belangrijke tijd verloren gegaan en werd hij ernstig beknot in zijn mogelijkheden om voortvarend op te treden.
Na kennisname van de bestreden beslissing, zag verzoeker zich vooreerst genoodzaakt om acties te ondernemen om de gevreesde gevolgen van de bestreden beslissing te milderen. Derhalve besloot hij zich in te schrijven voor de richting „sanitair installateur DBSO‟ in het kader van deeltijds secundair onder-
wijs. Alzo diende hij niet opnieuw dezelfde materie van het eerste jaar van de derde graad van de opleiding te behandelen – door het jaar over te doen – maar kon hij intussen verdere kennis opdoen nodig voor het tweede jaar van de derde graad van de opleiding „centrale verwarming en sanitaire installaties‟ aan de PTS campus Boom. Van enig stilzitten of talmen was er volgens verzoeker derhalve geen sprake.
IX-9171-4/9
Echter, doordat verzoeker deeltijds lessen diende te volgen en deeltijds diende te werken, werden zijn mogelijkheden ingeperkt om na te gaan op welke wijze hij tegen de bestreden beslissing kon opkomen. Verzoeker merkt in zijn verzoekschrift op dat hij als “minderjarige” op eigen houtje “door [het] kluwen van de regelgeving moest gaan en verschillende instanties heeft moeten contacte-
ren om na te gaan wat hij diende te doen om op te komen tegen de bestreden be-
slissing”. Op de terechtzitting preciseert verzoeker dat hij negentien jaar oud is en merkt hij op dat hij pas besefte een beroep te kunnen doen op juridische bijstand nadat een familielid hem daarop attendeerde.
Mede in acht genomen dat verzoeker vervolgens het bureau voor juridische bijstand heeft moeten consulteren, dat hij buiten zijn les- en werkuren op eigen houtje de nodige stukken heeft moeten verzamelen om een pro deo advocaat toegewezen te krijgen, dat de openingsuren van het bureau voor juridische bijstand Antwerpen en zijn schoolwerkuren soms samenvielen en dat er pas op 2 november 2017 een advocaat toegewezen werd, kan volgens verzoeker niet gesteld worden dat hij niet diligent is opgetreden.
Beoordeling
6. Er zij aan herinnerd dat de toepassing van de procedure „bij uiterst dringende noodzakelijkheid‟ een ernstige verstoring teweegbrengt in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, dat ze de moge-
lijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum beperkt en de uitoe-
fening van de rechten van de verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang brengt.
De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonder-
lijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op dui-
delijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond.
IX-9171-5/9
7. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzake-
lijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat de verzoekende partij in haar inleidend verzoekschrift aan de hand van precieze en concrete feite-
lijke gegevens aantoont dat de te bevelen schorsing van de tenuitvoerlegging of de te bevelen maatregelen volgens de gewone procedure onherroepelijk te laat zullen komen én dat zij als eisende partij al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State.
8. Het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aldus mede afgemeten naar de haast die een verzoekende partij zelf betoont bij het instellen van haar vordering. De noodzaak om na de kennisname van de grief-
houdende beslissing – minstens vanaf het ogenblik waarop de uiterst dringende noodzakelijkheid ontstaat – met passende voortvarendheid de vordering bij de Raad van State in te leiden is immers inherent aan het zeer uitzonderlijk en zeer ongewoon karakter van de uiterst dringende procedure. Diligent optreden is vervat in de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid.
9. Van verzoeker – die zijn belangen door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing immers dermate nadelig aangetast weet dat hij de afwik-
keling van de procedure ten gronde en zelfs de gewone schorsing niet kan af-
wachten – wordt gevergd dat hij al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak vanaf het ogenblik waarop de uiterst dringende nood-
zakelijkheid ontstaat, zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State.
10. Zodra verzoeker kennis kreeg van de beslissing van de be-
roepscommissie tot toekenning van het C-attest wist hij onmiddellijk dat hij niet langer de door hem geambieerde studieloopbaan kon voortzetten.
IX-9171-6/9
Dat is niet anders omdat de beroepscommissie de zomervakantie liet voorbijgaan.
Dat voorts verzoeker in het tweede jaar van de derde graad stage moet lopen en tijdig aan zijn geïntegreerde proef moet kunnen werken, zijn ge-
gevens die ook reeds vaststonden vanaf het ogenblik dat verzoeker kennis kreeg van de thans bestreden beslissing.
De Raad van State dient dan ook rekening te houden met het tijdsverloop tussen de kennisname van de bestreden beslissing en het indienen van de voorliggende vorderingen.
11. De bestreden beslissing dateert van 30 augustus 2017. Verzoeker heeft er kennis van gekregen op 7 september 2017.
Die beslissing is niet zomaar een beslissing die plots of onver-
wachts over hem is genomen.
Die beslissing is het resultaat van een beroepsprocedure die verzoeker zelf heeft ingesteld tegen een eerdere klassenraadbeslissing en waarvan hij in de ene of andere zin het antwoord mocht verwachten.
De voorliggende vorderingen zijn niettemin pas op 6 november 2017 ingesteld, dat is na verloop van volle acht weken. Dit is, voor een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, schromelijk laat.
12. De verantwoording die verzoeker in het inleidend verzoekschrift voor zijn dralen poogt te geven, kan hem niet verontschuldigen voor het dermate grote tijdsverloop dat in deze zaak moet worden vastgesteld.
Dat verzoeker zijn minderjarigheid inroept, is om te beginnen al feitelijk onjuist. Verzoeker is meerderjarig, reeds sedert 9 oktober 2016.
IX-9171-7/9
Het is in de door verzoeker voorts geschetste context wel te begrijpen, mede gelet op zijn financiële situatie, dat hij de eerste dagen na de kennisname van de bestreden beslissing advies inwint en ook dat hij enige dagen verliest om een aanstelling te krijgen van het bureau voor juridische rechtsbijstand.
Dit zou enig tijdsverloop bij het instellen van een vordering kunnen verantwoor-
den, die niet de vereiste diligentie tegenspreekt.
Maar in de huidige zaak blijft dan nog de vaststelling overeind dat verzoeker, die in de kennisgeving van de bestreden beslissing uitvoerig werd geïnformeerd over de beroepsmogelijkheden bij de Raad van State, meerdere weken laat voorbijgaan en pas ertoe komt een vordering in te stellen met een be-
roep op de uiterst dringende noodzakelijkheid, in een zogenaamd enig verzoek-
schrift samen met het annulatieberoep, op de uiterste dag van de verjaringstermijn van dit annulatieberoep en meer dan vijftig dagen na zijn inschrijving in een andere school. Voor dit dralen geeft hij geen aanvaardbare uitleg.
13. Indien verzoeker een uitermate hoge graad van urgentie aan deze zaak toeschrijft, had hij zonder talmen, en al zeker niet pas na acht weken en dus bij het verstrijken van de verjaringstermijn voor het annulatieberoep, zijn vorderingen moeten indienen. Deze handelwijze staat haaks op de aard zelf van een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid en houdt de negatie in van de uiterst drin-
gende noodzakelijkheid. Er is bijgevolg niet voldaan aan één van de grondvoor-
waarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing of een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende nood-
zakelijkheid worden toegewezen. Die vaststelling volstaat om de vorderingen af te wijzen.
BESLISSING
De Raad van State verwerpt de vorderingen.
IX-9171-8/9
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 14 november 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.
De griffier De voorzitter
Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren
IX-9171-9/9
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.871