Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.837 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.837 Généré par l'IA

ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.837 · Conseil d'État

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.837
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

Het beroep, ingesteld op 1 oktober 2015, strekt tot de nietigverklaring van: “de beslissing genomen door de […] dienstdoende korpschef van de Lokale Politiezone 5344, gedateerd op 11 augustus 2015 […], beslissing genaamd ‘beslissing van herplaatsing bij ordemaatregel’ en waarbij [verzoeker] wordt herplaatst in het commissariaat 1 van de zone vanaf 15 augustus 2015 […].”

Regeste Legislator

Généré par l'IA

ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.837 · Conseil d'État: De eerste bestreden beslissing is een beslissing tot herplaatsing bij ordemaatregel naar het commissariaat 1. De tweede bestreden beslissing houdt de herplaatsing in van verzoeker naar het commissariaat 4. Onderzocht dient te worden of die herplaatsingen aanvechtbare administratieve rechtshandelingen zijn.

Mots-clés

Généré par l'IA
participation à la procédure absence de contestation des faits responsabilité partagée de la victime lien de causalité non prouvé dépens tiers non impliqué
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr.239.837 van 10 november 2017

in de zaak A. 217.222/XIV-36.703

In zake : Niels PETIT

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Laurence Markey kantoor houdend te 1170 Brussel Vorstlaan 36/8

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de POLITIEZONE 5344 POLBRUNO

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Cédric Molitor kantoor houdend te 1060 Brussel Zwitserlandstraat 24

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 1 oktober 2015, strekt tot de nietigverklaring van:

1. “de beslissing genomen door de […] dienstdoende korpschef van de Lokale Politiezone 5344, gedateerd op 11 augustus 2015 […], beslissing genaamd ‘beslissing van herplaatsing bij ordemaatregel’ en waarbij [verzoeker] wordt herplaatst in het commissariaat 1 van de zone vanaf 15 augustus 2015 […].”

2. “de beslissing tot herplaatsing genomen op een onbepaalde datum en mondeling ter kennis gebracht aan [verzoeker] op 31 augustus en waarbij hij herplaatst wordt in het commissariaat 4 vanaf 10 september 2015.”

XIV-36.703-1/8

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arrest nr. é.523 van 19 januari 2016 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen.

Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld.

Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2017.

Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Jannes Vanovervelt, die loco advocaat Laurence Markey verschijnt voor verzoeker, en advocaat Virginie Feyens, die loco advocaat Cédric Molitor verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

XIV-36.703-2/8

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. é.523 van 19 januari 2016. Er wordt naar verwezen.

IV. Ontvankelijkheid van het beroep

Standpunt van de partijen

4. De verwerende partij voert in de memorie van antwoord aan dat de bestreden beslissingen een ordemaatregel zijn. Volgens de verwerende partij laat niets toe vast te stellen, noch in overweging te nemen dat de beslissing tot herplaatsing een verdoken tuchtsanctie zou uitmaken, hetgeen zij omstandig argumenteert. Verzoeker toont volgens haar evenmin aan dat de aangevochten beslissing zou beantwoorden aan de voorwaarden opgelegd door de rechtspraak opdat een dergelijke maatregel zou kunnen worden aangevochten voor de Raad van State.

5. Verzoeker anticipeert in zijn verzoekschrift, onder het kopje “1. Belang bij het beroep” op deze exceptie. Hij zet uiteen dat de bestreden beslissingen een verdoken tuchtmaatregel uitmaken omdat het volgens hem geen twijfel lijdt dat de maatregel werd genomen omwille van zijn, door de overheid ongepast geachte, houding. Volgens verzoeker kan hij dan ook op ontvankelijke wijze de nietigverklaring ervan vorderen, ongeacht of het nu een verdoken tuchtsanctie dan wel een ordemaatregel uitmaakt.

In de memorie van wederantwoord herneemt hij in substantie hetzelfde verweer op de exceptie en verwijst, wat de aard van de handeling betreft,

XIV-36.703-3/8

naar zijn argumentatie die hij ontwikkelt in het raam van het eerste middel. Voorts zet hij uiteen dat de ordemaatregel is genomen wegens zijn gedrag en dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen hem belangrijke nadelen veroorzaakt, te weten een “feitelijke degradatie in zijn functie” en “een geldelijke sanctie”. Beide nadelen zet hij vervolgens uitvoerig uiteen.

In de laatste memorie herneemt verzoeker in extenso zijn reeds eerder uitgedrukte argumentatie.

Beoordeling

6. De eerste bestreden beslissing is een beslissing tot herplaatsing bij ordemaatregel naar het commissariaat 1. De tweede bestreden beslissing houdt de herplaatsing in van verzoeker naar het commissariaat 4. Onderzocht dient te worden of die herplaatsingen aanvechtbare administratieve rechtshandelingen zijn.

Verzoeker betoogt, ter adstructie van het aanvechtbaar karakter van de bestreden herplaatsing, dat die een verkapte tuchtstraf vormt en derhalve wel aanvechtbaar is. Het verkapte tuchtrechtelijk karakter van de herplaatsing maakt voorts het onderwerp uit van het eerste middel. Er is dus aanleiding om de opgeworpen exceptie te onderzoeken in het licht van het onderzoek van het eerste middel.

V. Onderzoek van het eerste middel

Uiteenzetting van het middel

7. Verzoeker voert in het eerste middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, van de artikelen 4, 17, 19 en 25 tot 37 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet), van “de algemene beginselen van het recht

XIV-36.703-4/8

op verdediging”, van “de algemene administratieve rechtsbeginselen van de redelijkheid”, de manifeste beoordelingsfout en “de vergissing inzake de oorzaken en de redenen”.

Verzoeker betoogt dat de bestreden beslissingen steunen op de wil om hem te straffen en niet op het belang van de dienst zodat het om een verdoken tuchtsanctie gaat en de tuchtprocedure, zoals voorzien in de tuchtwet, en de rechten van verdediging moesten worden nageleefd. Verzoeker citeert vervolgens verschillende arresten van de Raad van State die een onderscheid maken tussen een ordemaatregel in het belang van de dienst en de ordemaatregel die een verdoken tuchtsanctie is. Verzoeker meent dat hij met de bestreden beslissingen wordt gesanctioneerd voor feiten van valsheid bij het uitvoeren van een persoonscontrole en navolgende huiszoeking. Volgens verzoeker blijkt dat uit de dienstnota die de herplaatsingsmaatregel bevat en waarin de maatregel wordt verantwoord door het bestaan van een strafinformatie en waarin eveneens wordt vermeld dat het verweten gedrag van aard is om het vertrouwen in verzoeker aan te tasten. Niets in het dossier laat volgens verzoeker toe aan te duiden dat de maatregel in het belang van de dienst zou zijn genomen. Verzoeker wijst er daarbij op dat hij tussen het ogenblik van de feiten en de datum van de ordemaatregel zijn prestaties gewoon heeft verdergezet, behoudens een periode van ongeschiktheid.

Verzoeker concludeert dat wanneer de beslissing wordt geacht een verdoken sanctie te zijn, er ambtshalve moet worden vastgesteld dat de substantiële formaliteiten niet werden nageleefd en dat zulks te dezen het geval is.

8. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker het middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift. Verzoeker benadrukt daarbij nog dat in de motivering van de maatregel de focus wordt gelegd op zijn gedrag en dat hij is blijven werken tot bijna drie maanden na de feiten. Indien het belang van de dienst werkelijk in het gedrang kwam, stelt verzoeker zich de vraag waarom men nog drie maanden heeft gewacht om de procedure in te leiden en nog eens één maand alvorens de maatregel op te leggen. Verzoeker stelt in ondergeschikte orde vast dat, waar een ordemaatregel een tijdelijk karakter heeft, de overheid te dezen

XIV-36.703-5/8

het nodige had gedaan om te voorzien in een onbeperkte vervanging van de maatregel. Verzoeker wijst, in ondergeschikte orde, ook op de negatieve gevolgen van de maatregel die door roddels en geruchten in zekere mate publiek is gemaakt en waarvoor hij zich ten aanzien van zijn collega’s moet verantwoorden.

Verzoeker stelt ten slotte nog dat de functies van polyvalent patrouilleur en polyvalent inspecteur niet identiek zijn zodat de herplaatsing in feite een degradatie is.

In de laatste memorie herhaalt verzoeker het middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift en in de memorie van wederantwoord. In repliek op het auditoraatsverslag stelt verzoeker dat het niet volstaat om louter te verwijzen naar het arrest dat door de Raad van State werd gewezen inzake zijn collega en naar de gelijkaardige situatie, maar dat zijn grieven grondig dienen te worden onderzocht.

Beoordeling

9. Een verandering van aanstelling of een mutatie is een eenvoudige ordemaatregel, genomen in het belang van de goede werking van de dienst, waartegen geen beroep mogelijk is. Beroep is evenwel mogelijk wanneer de maatregel is genomen vanwege de handelwijze van het personeelslid en belangrijke wijzigingen in de uitoefening van zijn functies meebrengt of zijn statutaire rechten schendt. Een dergelijk beroep is ook ontvankelijk wanneer een maatregel van interne orde een verkapte tuchtstraf vormt. Om te bepalen om welk soort handeling het gaat, moet rekening worden gehouden met de omstandigheden die er aanleiding toe hebben gegeven, met het feit of al dan niet sprake is van een intentie om het personeelslid te straffen en met de consequenties van de maatregel voor zijn administratief statuut en bezoldigingsregeling.

Verzoeker beweert te dezen niet dat de functies die hem zijn toegekend niet bij een politieambtenaar van zijn graad zouden passen. Verzoeker baseert zijn argumentatie voorts hoofdzakelijk op de kwalificatie van de bestreden

XIV-36.703-6/8

handeling als verkapte tuchtstraf en hij betoogt geenszins dat hij niet over de vereiste bekwaamheden zou beschikken voor de uitoefening van zijn nieuwe functie. De (eerste) bestreden beslissing vermeldt voorts dat hij moet worden overgeplaatst naar een andere functie die met zijn profiel en bekwaamheden overeenstemt. Anders dan verzoeker stelt, wordt in de (eerste) bestreden beslissing wel degelijk benadrukt welke redenen die verband houden met het belang van de dienst zijn mutatie verantwoorden:

“Dat het verweten gedrag van aard is om het vertrouwen van uw hiërarchie ten aanzien van u aan te tasten;

Dat onder die omstandigheden uw aanwezigheid bij de DPA van aard is om de goede werking en de goede organisatie van de dienst in het gedrang te brengen;

Dat het redelijk is om u zo vlug mogelijk te verwijderen van de DPA;

Dat deze maatregel mij inderdaad onomkeerbaar lijkt om het goede arbeidsklimaat in de DPA te vrijwaren;

Dat de directie van de DPA een bijzondere aandacht heeft voor de wil om blijk te geven van transparantie en om verantwoording af te leggen voor de uitgevoerde handelingen, principes waarop zij al sedert jaren aandringt, in ’t bijzonder te midden van de zonale patrouilles;

Dat het om deze redenen aangewezen is om u te herplaatsen naar een andere functie die overeenkomt met uw profiel en uw competenties en die hetzelfde loon bieden met een gelijkaardig uurrooster;”.

De nadelen waaraan verzoeker meent te zijn blootgesteld door de wijziging van functies, stemmen bovendien overeen met de normale verplichtingen verbonden aan de taken die bij een bepaalde graad horen en hebben niets te maken met de wens hem op verkapte wijze te straffen, zoals verzoeker in wezen beweert. De omstandigheid dat een opsporingsonderzoek is geopend, is geen voldoende bewijs dat de verwerende partij verzoeker door middel van de bestreden herplaatsingsmaatregel hoofdzakelijk een tuchtstraf heeft willen opleggen.

Gelet op de concrete omstandigheden ter zake, vormt de bestreden herplaatsingsmaatregel geen verkapte tuchtstraf noch een maatregel van interne orde waartegen beroep mogelijk is.

XIV-36.703-7/8

VI. Conclusie

10. De exceptie is in de aangegeven mate gegrond. Het beroep is niet ontvankelijk.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien november tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier.

De griffier De voorzitter

Johan Pas Geert Debersaques

XIV-36.703-8/8

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.837