Belgian Council of State dismisses appeal due to failure to request continuation of proceedings within 30 days.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State dismissed the applicant's appeal for failing to request the continuation of proceedings within the statutory 30-day period following the rejection of a stay of execution. The applicant had previously sought a stay, which was denied, but did not subsequently file a request to proceed with the main annulment action against the decisions of the Minister of Finance and the FSMA. Consequently, the court applied the legal presumption of withdrawal of the case, resulting in the dismissal of the appeal and an order for the applicant to bear the litigation costs.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 17, § 7 of the Council of State Rules; presumption of withdrawal of proceedings applies when a party fails to request continuation within thirty days after a stay of execution is rejected.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER
nr. 239.833 van 9 november 2017
in de zaak A. 222.750/XIV-37.476
In zake: Haïm HADAD
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Erik Gevers en David Verreckt kantoor houdend te 2000 Antwerpen Léon Stynenstraat 75/C
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
1. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wim Naudts en Kathleen De hornois kantoor houdend te 1930 Zaventem Luchthaven Nationaal 1J
bij wie woonplaats wordt gekozen 2. de AUTORITEIT VOOR FINANCIËLE DIENSTEN EN
MARKTEN (FSMA)
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Eyskens kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 25 juli 2017, strekt tot de nietigverklaring van:
“- In hoofdorde: beslissing van de minister van Financiën van 13 juli 2017, aan verzoekende partij betekend op 17 juli 2017 […], houdende verwerping van het beroep namens verzoekende partij ingediend tegen de beslissing van herroeping van de registratie van het wisselkantoor van verzoekende partij, betekend door de Autoriteit voor de Financiële Diensten en Markten […]
XIV-37.476-1/4
- Ondergeschikt: beslissing van de FSMA, genomen door haar directiecomité op 30 mei 2017, aan verzoekende partij betekend middels brief van 31 mei 2017, waarbij de registratie van het wisselkantoor van verzoekende partij wordt herroepen […].”
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 238.936 van 7 augustus 2017 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen verworpen.
Het genoemde arrest is op 11 augustus 2017 aan verzoeker ter kennis gebracht.
Op 15 september 2017 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan verzoeker de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 11/3, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟.
Verzoeker heeft niet gevraagd om te worden gehoord.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Beoordeling
3. Naar luid van artikel 17, § 7, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de
XIV-37.476-2/4
rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest.
4. Verzoeker heeft geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.
5. Het vermoeden van afstand van het geding is te dezen van toepassing.
IV. Kosten
Zowel de eerste als de tweede verwerende partij vragen elk een rechtsplegingsvergoeding, door de eerste verwerende partij begroot op 840 euro en door de tweede verwerende partij op 700 euro.
In een brief van 29 augustus 2017 vraagt verzoeker zonder verdere toelichting “[g]elet op de niet-voortzetting van de vernietigingsprocedure”
om de rechtsplegingsvergoeding te willen herleiden “tot het minimumbedrag”.
Verzoeker heeft geen gebruik gemaakt van zijn recht om te worden gehoord.
In die omstandigheid is er reden toepassing te maken van artikel 30/1, §2, derde lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wat inhoudt dat wanneer, zoals te dezen, twee partijen de rechtsplegingsvergoeding van een in het ongelijk gestelde partij genieten, het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding maximaal het dubbel bedraagt van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen, aanspraak kan maken. Te dezen dient derhalve een rechtsplegingsvergoeding van 1400 euro te worden toegekend, zijnde het dubbel van het basisbedrag van 700 euro dat te dezen – met toepassing van artikel 67, §2, derde lid van het besluit van de Regent van 23
XIV-37.476-3/4
augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟ – niet wordt verhoogd.
BESLISSING
1. De Raad van State stelt de afstand van het geding vast.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 1400 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partijen, elk voor de helft.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen november tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Kaat Leus, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Kaat Leus
XIV-37.476-4/4
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.833