Court dismisses suspension request as urgency not proven by specific evidence of irreparable harm.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicants' request to suspend the enforcement of the environmental permit granted to NV Sligro België. While the applicants argued that traffic congestion and personal inconvenience near their residence constituted irreparable harm, the court found these effects insufficiently serious. The decision relied on the requirement that applicants must provide concrete, specific evidence demonstrating that the consequences of enforcement are truly unbearable and cannot be tolerated until a final ruling is reached.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 17, § 1, second paragraph of the coordinated Council of State laws; Urgency requires concrete proof of irreparable harm, not merely procedural delays or general inconvenience.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER
nr. 239.823 van 9 november 2017
in de zaak A. 222.364/VII-40.012.
In zake : 1. Fernand JANSSENS
2. Malika ARZOUR
3. Ann VANDEN BERGH
4. Duncan VANDAEL
5. Dirk VERSCHUEREN
6. Raymond VANDENBROECK
7. Mounir AFRAS
8. Mamdou BAH
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gregory Verhelst kantoor houdend te 2600 Berchem Uitbreidingstraat 2
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIE ANTWERPEN
Tussenkomende partijen :
1. de NV SLIGRO BELGIË
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Els Empereur kantoor houdend te 2018 Antwerpen Generaal Lemanstraat 67
bij wie woonplaats wordt gekozen 2. het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1
bij wie woonplaats wordt gekozen
VII-40.012-1/9
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 6 juni 2017, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de deputatie van de provincie Antwerpen van 6 april 2017 waarbij de bestuurlijke beroepen ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen van 28 oktober 2016, houdende het verlenen aan de NV Sligro België van de milieuvergunning voor het exploiteren van een “distributiecentrum voor horeca”, gelegen te Antwerpen, Straatsburgdok-Zuidkaai, ongegrond worden verklaard.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2017.
Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Gregory Verhelst, die verschijnt voor de verzoekende partijen, adviseur Mark Michiels, die verschijnt voor de verwerende partij, advocaat Els Empereur, die verschijnt voor de eerste tussenkomende partij, en advocaat Veerle Huysman, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de tweede tussenkomende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
VII-40.012-2/9
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Op 5 augustus 2016 dient de NV Sligro België bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen een milieuvergunningsaanvraag in voor de exploitatie van een nieuw “distributiecentrum voor horeca”, gelegen aan het Straatsburgdok - Zuidkaai te Antwerpen.
Voordien verkreeg de aanvrager een ontheffing van de verplichting tot het opstellen van een milieueffectenrapport.
Volgens het geldende gewestplan Antwerpen is de inrichting gelegen in een KMO-gebied en een reservatie- en erfdienstbaarheidsgebied.
3.2. Bij besluit van 28 oktober 2016 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen de gevraagde milieuvergunning.
3.3. Tegen deze beslissing worden twee bestuurlijke beroepen ingediend bij de deputatie van de provincie Antwerpen.
3.4. In het kader van de beroepsprocedure wordt advies uitgebracht door de afdeling Milieuvergunningen (ongunstig), de provinciaal stedenbouwkundig ambtenaar (ongunstig) en de Provinciale Milieuvergunningscommissie (gunstig).
3.5. Met het thans bestreden besluit van 6 april 2017 wijst de deputatie van de provincie Antwerpen de ingediende beroepen als ongegrond af en
VII-40.012-3/9
bevestigt zij de in eerste aanleg genomen beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen, mits het toevoegen van de bijzondere voorwaarde dat de “klantenzone […] enkel toegankelijk [mag] zijn voor professionelen uit de horeca, dit wil zeggen voor klanten met een BTW-nummer”.
IV. Tussenkomsten
4. Met een op 27 juni 2017 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt de NV Sligro België om in het geding te mogen tussenkomen.
Met een op 5 juli 2017 ingediend verzoekschrift vraagt het Vlaamse Gewest om in het geding te mogen tussenkomen.
Er is grond om deze verzoeken in te willigen.
V. Ontvankelijkheid van de vordering
5. De eerste tussenkomende partij werpt op dat de vordering onontvankelijk is omdat de verzoekende partijen niet doen blijken van het in rechte vereiste belang.
6. Er bestaat vooralsnog geen noodzaak om over de opgeworpen exceptie uitspraak te doen. Een onderzoek en een uitspraak dienaangaande dringt zich immers slechts op als zou blijken dat de grondvoorwaarden voor schorsing vervuld zijn, wat - zoals hierna zal blijken - niet het geval is.
VI. Onderzoek van de vordering
7. Luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te
VII-40.012-4/9
spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van het besluit prima facie kan verantwoorden.
Spoedeisendheid
8. Na een omstandige beschrijving van het vergunde “distributiecentrum”, het aantal verkeersbewegingen van en naar de vergunde inrichting, de verkeersbelasting op het naburige wegennet en situering van de woningen van de verzoekende partijen, wordt de spoedeisendheid van de vordering als volgt gestaafd:
“Verzoekers hebben vandaag reeds te kampen met een problematische verkeerssituatie in de omgeving van hun respectievelijke woonplaatsen. De Noorderlaan en de Groenendallaan worden frequent geteisterd door verkeerscongestie. Het kruispunt van beide wegen is in de bestaande toestand reeds overbelast. De opstoppingen op de Noorderlaan geven aanleiding tot sluipverkeer doorheen de aanpalende woonwijken op de Luchtbal en op het Eilandje. Ook de stadswijk het Eilandje wordt geplaagd door fileproblemen, mede omwille van een aantal grote projecten die in en rond deze wijk gerealiseerd worden.
De komst van een bijkomend „distributiecentrum‟, in werkelijkheid een zeer grootschalige handelszaak die dagelijks honderden verkeersbewegingen zal aantrekken, zal leiden tot een drastische verergering van de toestand op de weg.
Verzoekers zullen van bij de opstart van de werken en zeker na de opstart van de exploitatie geconfronteerd worden met verkeersoverlast en alle daaraan verbonden gevolgen: stank, luchtverontreiniging, lawaai, enz... Gefrustreerde automobilisten zorgen in de buurt van hun woonplaats ook voor verkeersonveilige situaties.
[…] Uw Raad heeft in eerdere rechtspraak reeds erkend dat ernstige verkeershinder een zwaarwichtig nadeel kan uitmaken dat leidt tot de schorsing van de (milieu)vergunning voor het project (RvS 18 december 2012, nr. 221.784, Immo Dominique). In dit arrest zijn volgende relevante passages te noteren:
[…]
In het uiteindelijke vemietigingsarrest in deze zaak werd ook geoordeeld dat een bestaande verkeersproblematiek niet verhindert dat een verzoekende partij daardoor het recht zou verbeuren om op te komen tegen een inrichting die bijkomende hinder teweegbrengt (RvS 28 mei 2014, nr. 227.578, Immo Dominique).
Een exploitatie die gepaard zal gaan met onaanvaardbare mobiliteitshinder
VII-40.012-5/9
kan niet vergund worden. De mobiliteit die samenhangt met een hinderlijke inrichting moet daarbij onderzocht worden:
[…]
In de opeenvolgende schorsingsarresten met betrekking tot de milieuvergunningen voor een zandgroeve in Huldenberg werd verduidelijkt dat het daarbij geen verschil maakt dat de exploitant geen verantwoordelijkheid draagt voor deze bestaande verkeersproblematiek op het belendende wegennet, en evenmin is het relevant dat de verkeersbewegingen van en naar de vergunde inrichting slechts een marginaal aandeel van het totaal aantal verkeersbewegingen op de weg zouden vertegenwoordigen (RvS 23 oktober 2014, nr. 228.882, VZW Milieusteunpunt Huldenberg e.a. en 26 mei 2016, nr. 234.863, Singulé e.a.).
Ook in andere zaken werd de overdreven hinder die gepaard gaat met het verkeer van en naar een inrichting aangenomen als zwaarwichtig nadeel dat een schorsing van de vergunning kan verantwoorden (zie bv. RvS 2 april 2015, 230.720 Van Hyfte - Claeys en RvS 16 februari 2017, nr. 237.394, Janssens).
[…] Rekening houdend met de strekking van de adviezen van de PSA en de Afdeling Milieuvergunningen en met het feit dat verwerende partij bij de afgifte van de stedenbouwkundige vergunning voor het project heeft erkend dat het reeds overbelaste wegennet in de omgeving verder zou belast worden, kan in redelijkheid niet ontkend worden dat de buurtbewoners een zwaarwichtig nadeel zouden lijden indien de bouwwerken en/of de exploitatie reeds opgestart zou kunnen worden in afwachting van het arrest van Uw Raad over het beroep tot nietigverklaring.
[…] Gelet op de te verwachten nadelen bij opstart van de werken en/of de exploitatie, wordt de spoedeisendheid aangetoond.
Sligro beschikt ingevolge de afgifte van de milieuvergunning op 6 april 2017 over de beide vergunningen die noodzakelijk zijn om effectief te kunnen starten met de werken en/of de exploitatie.
Het staat vast dat de afhandeling van de vernietigingsprocedure te laat zal komen om de verwezenlijking van de aangevoerde nadelige gevolgen te voorkomen.
Sligro - een beursgenoteerde onderneming - heeft herhaaldelijk in de media aangekondigd dat men zo spoedig als mogelijk de eerste vestiging van het bedrijf in Antwerpen wil openen […]. Redelijkerwijze mag dus aangenomen worden dat de werken onmiddellijk opgestart zullen worden.
Het hier gaat om gebouwen die, volgens de verleende stedenbouwkundige vergunning, in industriële stijl opgetrokken worden met gebruik van snelbouwmaterialen. De structuur van het bestaande gebouw wordt bovendien (groten)deels behouden. Sligro beschikt in Nederland over tal van soortgelijke winkels, en heeft dus wellicht de contacten om aannemers met grote snelheid aan het werk te zetten. Immers moet rekening gehouden worden met het feit dat het project uitgaat van een internationale, beursgenoteerde groep met quasi onbeperkte middelen, die reeds herhaaldelijk heeft aangekondigd zich met de nodige snelheid op de Belgische markt te willen begeven - en die daarvoor ook reeds tientallen miljoenen gespendeerd heeft aan overnames op andere locaties.
De onmiddellijk schorsing van de bestreden beslissing is dan ook noodzakelijk.
[…] Ten slotte ware het in de gegeven omstandigheden ook voor Sligro
VII-40.012-6/9
beter om op relatief korte termijn zicht te krijgen op de wettigheid van de verleende vergunning. Sligro is geen eigenaar van de betrokken terreinen, en kan bijgevolg relatief makkelijk een alternatieve site zoeken. Alle procespartijen zouden ermee gediend zijn een spoedige uitspraak te krijgen over de wettigheid van de verleende vergunning”.
Beoordeling
9. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten]
die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.
De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, 13).
Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging.
Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, 4).
VII-40.012-7/9
Uit wat voorafgaat volgt dat het niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
10. De verzoekende partijen maken, rekening houdend met de ligging van hun respectieve woon- of verblijfplaatsen in een grootstedelijk gebied, niet aannemelijk dat de bijkomende verkeersbewegingen die aan de vergunde inrichting worden toegeschreven, meer bepaald “honderden” per dag, dermate ernstig en ingrijpend zijn dat de hinderlijkheid ervan leidt tot onherroepelijke schadelijke gevolgen. Voor eerste verzoeker komt daar nog bij dat, zoals in het verzoekschrift wordt aangegeven, het appartement dat hij aan de Noorderlaan 98
huurt, enkel “tot verblijf dient in de periodes dat [hij] om zakelijke of persoonlijke redenen in Antwerpen dient te zijn”, zodat allerminst kan worden aangenomen dat de ongemakken verbonden aan zijn occasioneel verblijf onmogelijk te verdragen zijn tot aan de uitspraak ten gronde over het annulatieberoep.
De spoedeisendheid van de vordering wordt niet aangetoond.
11. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.
Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen.
VII. Kosten
12. De bijdrage in de betaling van de kosten, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding, wordt bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring.
VII-40.012-8/9
BESLISSING
1. De verzoeken van de NV Sligro België en het Vlaamse Gewest tot tussenkomst worden ingewilligd.
2. De Raad van State verwerpt de vordering.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen november tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.
De griffier De voorzitter
Elisabeth Impens Peter Sourbron
VII-40.012-9/9
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.823