Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.802 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.802 Généré par l'IA

Court dismisses suspension request due to lack of urgency and failure to meet statutory conditions under Article 17 of the State Council laws.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.802
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's request to suspend the enforcement of the FSMA's decision to deregister Assurcom BVBA. The applicant failed to provide concrete facts demonstrating that waiting for the annulment proceedings would cause irreparable harm or delay. Consequently, the court found the statutory conditions for granting a suspension order were not met.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Art. 17 § 1 wetten op de Raad van State; Art. 17 § 1, 3e lid wet van 4 april 2014; A suspension order requires proof of urgency and fulfillment of cumulative statutory conditions, which are absent when the applicant offers only general assertions without concrete evidence of imminent irreparable damage.

Mots-clés

Généré par l'IA
suspension of enforcement urgency requirement Council of State FSMA deregistration burden of proof annulment proceedings irreparable harm autorité investie du pouvoir de nomination

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Art. 17 § 1 of the coordinated laws on the Council of State
Art. 17 § 1, 3rd paragraph of the Insurance Law of 4 April 2014
Royal Decree of 15 May 2003 on expedited procedure
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER

nr. 239.802 van 8 november 2017

in de zaak A. 222.821/XIV-37.488

In zake: de BVBA ASSURCOM

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Bourguignon kantoor houdend te 1740 Ternat Statiestraat 38

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de AUTORITEIT VOOR FINANCIËLE DIENSTEN EN

MARKTEN (FSMA)

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Eyskens kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 4 augustus 2017, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “de beslissing TI_TPC / KL41678/

MEASURES-2017-005076 d.d. 18/07/2017 van de FSMA, Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten, de inschrijving van Assurcom BVBA te schrappen uit het register van de verzekeringstussenpersonen in toepassing van artikel 292, § 1, 3e lid van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen aangezien Assurcom BVBA „nog steeds niet voldoet aan de inschrijvings-

voorwaarden van artikel 268, § 1, 2°, artikel 260, le lid en artikel 269, 1e lid, 1° en 2° van dezelfde wet hetgeen het verbod inhoudt om activiteiten van verzekeringsbemiddeling uit te oefenen en de titel te voeren‟. Gelet op die schrapping zou Assurcom BVBA met onmiddellijke ingang alle verwijzingen naar

XIV-37.488-1/10

verzekeringsbemiddelingsactiviteiten van haar website, sociale media en communicatie in het algemeen dienen te verwijderen alsmede elke verwijzing naar haar inschrijving bij de FSMA”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2017.

Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Dirk Bourguignon, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Thomas Eyskens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Op 26 oktober 2010 wordt de inschrijving van Joeri Servranckx, die later bij de verzoekende partij wordt aangeduid als “Persoon in Contact met het Publiek” (PCP) (zie infra punt 3.3.), in het register van de

XIV-37.488-2/10

verzekeringstussenpersonen als verzekeringsagent van KBC Verzekeringen nv geschrapt.

3.2. Bij brief van 4 april 2013 deelt de FSMA aan Joeri Servranckx mee dat zijn aanvraag tot inschrijving in het register van de verzekerings-

tussenpersonen in de categorie verzekeringsmakelaars, ingediend op 11 oktober 2012, wordt geweigerd. De FSMA oordeelt dat hij niet beschikt over de vereiste professionele betrouwbaarheid zoals bedoeld in artikel 10, 1e lid, 2bis van de op dat ogenblik vigerende wet van 27 maart 1995 „betreffende de verzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen‟.

3.3. De verzoekende partij wordt opgericht in 2011 en is sedert 11 maart 2014 ingeschreven in het register van de verzekeringstussenpersonen bij de FSMA in de categorie van verzekeringsmakelaar onder het FSMA-nummer 109092 A. Ten tijde van het aanvraagdossier tot inschrijving worden volgende administratieve gegevens aan de FSMA meegedeeld: (1) effectief leider (zaakvoerder): B.V., (2) verantwoordelijke voor de distributie: B.V., (3)

controle-uitoefenend aandeelhouder: B.V. (100 %), (4) persoon in contact met het publiek: Joeri Servranckx.

3.4. Op de buitengewone algemene vergadering van 25 januari 2017

wordt B.V. ontslagen als zaakvoerder van de verzoekende partij en Joeri Servranckx wordt tot zaakvoerder benoemd.

3.5. Op 10 februari 2017 dient Joeri Servranckx een nieuwe aanvraag in tot inschrijving als verzekeringsmakelaar bij de FSMA. Bij het aanvraagdossier wordt een klacht “Assurcom - Joeri Servranckx vs. [B.V].”

gevoegd waarbij B.V. e.a. wordt verweten te pogen “om zich onrechtmatig Assurcom toe te eigenen middels listen, leugens en diefstal.”

3.6. Gedurende de behandeling van de aanvraag door de FSMA

worden door Joeri Servranckx bijkomende stukken ingediend.

XIV-37.488-3/10

Tijdens de zitting van de FSMA van 17 maart 2017 wordt Joeri Servranckx gehoord.

3.7. Op 19 april 2017 beslist het directiecomité van de FSMA om de aanvraag van Joeri Servranckx tot inschrijving in het register van de verzekeringstussenpersonen te weigeren omdat hij niet over de vereiste geschiktheid en professionele betrouwbaarheid beschikt, zoals opgelegd bij artikel 268, § 1, 2°, van de wet van 4 april 2014 „betreffende de verzekeringen‟.

De tegen deze beslissing ingestelde vernietigingsberoepen zijn door de Raad van State verworpen bij zijn arresten nr. 239.276 en nr. 239.277 van 3 oktober 2017.

3.8. Op 19 april 2017 beslist het directiecomité van de FSMA

eveneens om de inschrijving van de verzoekende partij in het register van de verzekeringstussenpersonen te schorsen. Dit houdt een tijdelijk verbod in om activiteiten van verzekeringsbemiddeling uit te oefenen. Deze beslissing steunt onder meer op de volgende motieven:

“Assurcom BVBA is ingeschreven in het register van de verzekeringstussenpersonen in de categorie van verzekeringsmakelaar.

In zijn zitting van 19 april 2017 heeft het directiecomité van de FSMA kennis genomen van het dossier. Op basis van de redenen die hierna verder worden ontwikkeld, heeft het directiecomité in zijn zitting van 19 april 2017:geoordeeld dat Joeri Servranckx niet over de vereiste geschiktheid en professionele betrouwbaarheid beschikt en hij niet voldoet aan de inschrijvingsvoorwaarden van artikel 268, § 1, 2° van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen (verder: “de wet van 4 april 2014);

• vastgesteld dat Assurcom BVBA niet beschikt over een verantwoordelijke voor de distributie die aan de wettelijke vereisten voldoet aan artikel 260, 1 e lid van de wet van 4 april 2014;

• vastgesteld dat Assurcom BVBA niet beschikt over een effectief leider die aan de wettelijke vereisten voldoet van artikel 269, 1e lid, 1° van de wet van 4 april 2014;

• geoordeeld dat Joeri Servranckx niet over de vereiste geschiktheid beschikt om, gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid, rechtstreeks of onrechtstreeks controle uit te oefenen over Assurcom BVBA

als tussenpersoon, en Assurcom BVBA bijgevolg niet aan de wettelijke vereisten voldoet van artikel 269, 1e lid, 2° van de wet van 4 april 2014;

XIV-37.488-4/10

• bijgevolg beslist om in toepassing van artikel 292, § 1, van voormelde wet van 4 april 2014 Assurcom BVBA aan te manen om binnen een termijn van 15 dagen te verhelpen aan deze vastgestelde tekortkomingen.

• de inschrijving van Assurcom BVBA in het register van verzekerings-

tussenpersonen met onmiddellijke ingang te schorsen, dit in toepassing van artikel 292, § 1 van de wet van 4 april 2014. Deze beslissing tot schorsing, die de gehele activiteit van verzekeringsbemiddeling beslaat, is ingegeven omwille van het feit dat de sleutelposities van verantwoordelijke voor de distributie, effectieve leiding en controle-uitoefenend aandeelhouder binnen Assurcom BVBA op heden worden uitgeoefend door een persoon die niet als geschikt en professioneel betrouwbaar kwalificeert, meer bepaald Joeri Servranckx. Deze situatie houdt risico‟s in op het vlak van de bescherming van het publiek en het vertrouwen dat het publiek zou moeten kunnen hebben in actoren in de financiële sector”.

Deze schorsingsbeslissing wordt niet bestreden.

3.9. De verzoekende partij wordt op 2 juni 2017 gehoord in het bijzijn van een raadsman. Op 20 juni 2017 maakt de verzoekende partij aanvullingen over aan de verwerende partij.

3.10. Op 18 juli 2017 beslist de verwerende partij om de inschrijving van de verzoekende partij in het register van de verzekeringstussenpersonen te schrappen. De beslissing omvat volgende conclusie:

“Hoewel Joeri Servranckx een aanvaardbare uitleg geeft voor het feit dat hij in de vragenlijst „verantwoordelijke personen‟ geen melding heeft gemaakt van zijn antecedenten bij de FSMA (punt [3]) en dit element dan ook niet langer weerhouden wordt in de beoordeling, kan de FSMA niet anders dan vaststellen dat de andere argumenten (met betrekking tot de punten [1], [2] en [4]) die Joeri Servranckx aanbrengt in zijn verweer tegen de beslissing van het directiecomité van de FSMA van 19 april 2017 in hun geheel niet overtuigen. Zij zijn niet van aard om de overige gedane vaststellingen en de globale beoordeling die daarop is gebaseerd, namelijk dat Joeri Servranckx niet beschikt over de vereiste geschiktheid en professionele betrouwbaarheid, te herzien.

Verder heeft de FSMA van Joeri Servranckx geen concrete informatie meer ontvangen omtrent de aankondiging dat er ernstige onderhandelingen liepen met betrekking tot de verkoop van de vennootschap Assurcom BVBA, waarvan de modaliteiten nog niet volledig rond waren. Blijkbaar is de idee verlaten om andere personen aan te stellen in de functies van verantwoordelijke voor de distributie, effectief leiden en controle-uitoefenend aandeelhouder van Assurcom BVBA. In het verslag van onderhoud wordt toegelicht dat een eventuele verkoop afhangt van de beoordeling van de persoonlijke situatie van Joeri Servranckx.

Gelet op het voorgaande kan de FSMA niet anders vaststellen dat de sleutelposities van verantwoordelijke voor de distributie, effectieve leiding en controle-uitoefenend aandeelhouder binnen Assurcom BVBA de facto worden

XIV-37.488-5/10

uitgeoefend door een persoon die niet voldoet aan wettelijke voorwaarden. Er werden ook geen andere kandidaten voorgesteld om deze functies te bekleden, met als gevolg dat de FSMA niet kan beoordelen of deze perso(o)n(en) zouden voldoen aan de wettelijke vereisten. De vastgestelde tekortkomingen werden aldus niet verholpen.

De beslissing van het directiecomité van de FSMA werd genomen in toepassing van volgende wettelijke bepalingen:

Artikel 268 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen somt de inschrijvingsvoorwaarden op waaraan verzekeringstussenpersonen dienen te voldoen om in het register te worden ingeschreven en om die inschrijving te behouden.

Artikel 268, § 1, 2° van de wet van 4 april 2014 bepaalt dat de verzekeringstussenpersoon een voldoende geschiktheid en professionele betrouwbaarheid moet bezitten.

Artikel 260, 1e lid, van de wet van 4 april 2014 bepaalt dat elke rechtspersoon die ingeschreven is als verzekeringstussenpersoon een verantwoordelijke voor de distributie aanwijst en dat deze moet voldoen aan de vereisten van beroepskennis, geschiktheid en professionele betrouwbaarheid als bedoeld bij artikel 268, § 1, 1°, 2° en § 2.

Artikel 257, 1° a) van de wet van 4 april 2014 definieert de „verantwoordelijke voor de distributie‟ als elke natuurlijke persoon behorend tot de leiding van of elke werknemer in dienst van een verzekering- of herverzekeringstussenpersoon, die de facto de verantwoordelijkheid heeft van of toezicht uitoefent op de werkzaamheid van verzekerings- of herverzekeringsbemiddeling.

Krachtens artikel 269, 1e lid, 1° van de wet van 4 april 2014 wordt een verzekeringstussenpersoon met de hoedanigheid van rechtspersoon slechts ingeschreven, en wordt zijn inschrijving slechts gehandhaafd, op voorwaarde dat de personen die met de effectieve leiding worden belast, zich niet bevinden in een van de gevallen die zijn opgesomd in artikel 20 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen, en over de noodzakelijke geschiktheid en professionele betrouwbaarheid, de vereiste beroepskennis, en de passende ervaring beschikken om deze functie waar te nemen.

Artikel 269, 1e lid, 2° van de wet van 4 april 2014 bepaalt verder dat een verzekeringstussenpersoon met de hoedanigheid van rechtspersoon slechts ingeschreven wordt, en zijn inschrijving slechts gehandhaafd wordt, op voorwaarde dat de FSMA in kennis is gesteld van de identiteit van, en gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid overtuigd is van de geschiktheid van, de personen die rechtstreeks of onrechtstreeks de controle uitoefenen over de tussenpersoon.

Voor de invulling van de vereiste van voldoende geschiktheid en professionele betrouwbaarheid kan worden verwezen naar de vaste rechtspraak van de Raad van State terzake die stelt dat de FSMA inzake dergelijke beoordelingen over een eigen appreciatiemarge beschikt.

Artikel 292, § 1 van de wet van 4 april 2014 bepaalt dat wanneer de FSMA

vaststelt dat een verzekeringstussenpersoon niet werkt overeenkomstig de bepalingen van de wet, zij deze tekortkomingen identificeert en de termijn vaststelt waarbinnen deze toestand moet worden verholpen. De FSMA kan voor deze termijn het uitoefenen van een deel of het geheel van de activiteit van verzekeringstussenpersoon verbieden en de inschrijving in het register schorsen.

Indien de FSMA na deze termijn vaststelt dat de tekortkomingen niet zijn verholpen, schrapt zij de inschrijving, hetgeen het verbod inhoudt de gereglementeerde werkzaamheden uit te oefenen en de titel te voeren.”

XIV-37.488-6/10

Dit is de bestreden beslissing.

IV. Ontvankelijkheid van het beroep

4. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is.

V. Schorsingsvoorwaarden

5. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.

VI. Spoedeisendheid

Uiteenzetting van de spoedeisendheid

6. In het verzoekschrift wordt betreffende de spoedeisendheid gesteld dat “[d]e bestreden beslissing een ernstig persoonlijk nadeel toe[brengt]

aan verzoekster, namelijk het niet kunnen uitoefenen van activiteiten als verzekeringstussenpersoon... terwijl Assurcom BVBA dit nu net als core business heeft... . Assurcom lijdt derhalve zeer grote financiële verliezen... . Indien verzoekster het resultaat van de procedure ten gronde zou moeten afwachten zou zij zich in een toestand bevinden met onherroepelijke gevolgen, namelijk het teloorgaan van de Assurcom BVBA. Dit nakende teloorgaan van de Assurcom

XIV-37.488-7/10

BVBA, kan alleen maar door een schorsing ongedaan gemaakt worden: elke tijdswinst, zelfs al is deze minimaal, is cruciaal voor verzoekster.”

Beoordeling

7. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december 1991.

Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.

De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-227/1, 13).

Uit wat voorafgaat, volgt dat het niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.

8. Een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, moet dus in haar verzoekschrift concrete feiten aanvoeren die de spoedeisendheid verantwoorden.

De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed.

Te dezen is de uiteenzetting in het verzoekschrift wat de spoedeisendheid betreft, minimaal en ontoereikend. De verzoekende partij laat in

XIV-37.488-8/10

het geheel na om enige concrete gegevens aan te voeren die duidelijk aantonen dat een afhandeling van het vernietigingsberoep te laat zou komen.

Dit prangt des te meer nu de verzoekende partij er geheel aan voorbij gaat dat te dezen het vernietigingsberoep tegen de bestreden beslissing behandeld wordt volgens de versnelde rechtspleging van het koninklijk besluit van 15 mei 2003 „tot regeling van de versnelde procedure in geval van beroep bij de Raad van State tegen sommige beslissingen van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten en de Nationale Bank van België‟.

De verzoekende partij heeft er voor gekozen haar vordering tot schorsing in te dienen volgens de gewone procedure.

Daargelaten de vraag of in vergelijking met de versnelde procedure ten gronde de behandeling van de schorsingsvordering volgens de gewone procedure enige (betekenisvolle) tijdswinst oplevert, verzuimt de verzoekende partij om in haar verzoekschrift enig inzicht te geven of te concretiseren waarom een afhandeling van het vernietigingsberoep, te dezen volgens de versnelde rechtspleging, te laat zou komen. Zij beperkt zich ertoe louter te poneren dat het niet kunnen uitoefenen van activiteiten als verzekeringstussenpersoon “terwijl zij dit nu net als core business heeft” leidt tot haar nakende teloorgang. Hoewel haar maatschappelijk doel luidens haar statuten ruimer is dan het uitoefenen van activiteiten als tussenpersoon voor verzekeringen en de bewijslast ter zake berust bij de verzoekende partij ondersteunt zij haar loutere bewering over haar “nakende teloorgang” met geen enkel concreet feit, (cijfer)gegeven, element of enig stavingsstuk.

Er is dan ook niet aangetoond dat de verzoekende partij een procedure ten gronde - te dezen volgens de versnelde rechtspleging -, niet kan afwachten en er dus een uitspraak over de vordering tot schorsing nodig is.

De spoedeisendheid is niet aangetoond.

XIV-37.488-9/10

9. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief moeten vervuld zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.

BESLISSING

De Raad van State verwerpt de vordering.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht november tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Kaat Leus, wnd. kamervoorzitter, staatsraad bijgestaan door Johan Pas, griffier.

De griffier De voorzitter

Johan Pas Kaat Leus

XIV-37.488-10/10

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.802