Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.801 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.801 Généré par l'IA

Court dismisses suspension request for FSMA deregistration due to failure to prove urgency under Article 17 of State Council laws.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.801
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicants' request to suspend the execution of the Financial Markets and Insurance Authority's decision to deregister them. The applicants argued that losing their licenses would cause immediate financial ruin and severe psychological distress, but failed to provide concrete evidence supporting these claims. Consequently, the court found that the statutory conditions for granting a suspension order were not met.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Article 17, § 1 of the State Council laws; A suspension order requires proof of urgency, irreparable harm, and lack of alternative remedies, which were not established by the applicants.

Mots-clés

Généré par l'IA
suspension order urgency requirement irreparable harm financial markets authority deregistration suspension faute professionnelle manquements financiers abus de confiance et détournement de peu d'importance

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 17, § 1 of the State Council laws
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER

nr. 239.801 van 8 november 2017

in de zaak A. 222.891 /XIV-37.496

In zake: 1. Geert DE CALUWÉ

2. de BVBA KANTOOR GEERT DE CALUWÉ

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Iris Exelmans kantoor houdend te 3290 Diest Schellekensberg 28

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de AUTORITEIT VOOR FINANCIËLE DIENSTEN EN

MARKTEN (FSMA)

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Eyskens kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 11 augustus 2017 strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van 25 juli 2017 waarbij de inschrijving van verzoekers uit het register van de verzekeringstussenpersonen wordt geschrapt en waarbij wordt vastgesteld dat de heer Geert De Caluwé niet beantwoordt aan de voorwaarden van de vereiste geschiktheid en professionele betrouwbaarheid om de functies te kunnen uitoefenen van verantwoordelijke voor de distributie en effectief leider en dat kantoor BVBA De Caluwé Geert geen andere kandidaat heeft voorgesteld die aan alle inschrijvingsvoorwaarden voldoet om deze functies te kunnen vervullen en Kantoor Geert De Caluwé BVBA binnen de vooropgestelde termijn niet aan de vastgestelde tekortkomingen heeft verholpen

XIV-37.496- 1/14

zoals genomen door het Directiecomité van De Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten, met zetel te 1000 Brussel, Congresstraat 12-14”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2017.

Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Dirk Bourguignon, die loco advocaat Iris Exelmaans verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Thomas Eyskens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. De tweede verzoekende partij - waarvan Geert De Caluwe, de eerste verzoekende partij, zaakvoerder is -, is ingeschreven in het register van verzekeringstussenpersonen als verzekeringsmakelaar sinds 24 januari 2000

XIV-37.496- 2/14

(inschrijvingsnummer 016941 A) en in het register van de tussenpersonen in bank-

en beleggingsdiensten, sinds 2 januari 2007 (inschrijvingsnummer 016941 B).

3.2. Bij e-mail van 13 februari 2017 meldt de nv C. aan de FSMA dat zij op 10 februari 2017 de bankagentuurovereenkomst met haar agent, dit is de tweede verzoekende partij met onmiddellijke ingang heeft beëindigd omwille van ernstige tekortkomingen in hoofde van haar zaakvoerder wegens het onrechtmatig aanwenden van kasgelden voor privédoeleinden.

3.3. Bij brief van 14 februari 2017 aan de verzoekende partijen laat de FSMA weten dat bij gebrek aan een principaal de tweede verzoekende partij uit het register van de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten moet worden geschrapt.

Bij brief van 24 februari 2017 drukt de eerste verzoekende partij de wens uit om deze inschrijving te behouden.

Bij brief van 19 april 2017 aan beide verzoekende partijen stelt de FSMA dat de inschrijving als agent in het register van de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten maar kan worden behouden indien wordt meegedeeld voor welke principaal dit zal zijn. Bijkomend vraagt de FSMA om bijkomende gegevens aangaande de beweerde tekortkomingen over te maken om de geschiktheid en professionele betrouwbaarheid te onderzoeken. Er wordt aan herinnerd dat krachtens artikel 286, § 1, 2° van de wet van 4 april 2014

„betreffende de verzekeringen‟ en artikel 8, 3°, van de wet van 22 maart 2006

„betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten‟ de verzekeringstussenpersoon en tussenpersoon in bank-

en beleggingsdiensten een voldoende geschiktheid en professionele betrouwbaarheid moet bezitten.

Bij brief van 3 mei 2017 laat de raadsman van de tweede verzoekende partij weten dat de feiten die tot de breuk met de nv C. hebben geleid

XIV-37.496- 3/14

“geen ernstige tekortkoming uitmaken welke een eenzijdige verbreking met onmiddellijke ingang rechtvaardigden (i.e. dat de eenzijdige verbreking buiten proportie was)”.

3.4. Op 22 mei 2017 wordt aan het directiecomité van de FSMA

voorgesteld om (1.) met toepassing van artikel 10, § 5, van de wet van 22 maart 2006 de inschrijving van de tweede verzoekende partij als agent in het register van bank- en beleggingsdiensten te schrappen en, (2.) met toepassing van artikel 292, § 1, van de wet van 4 april 2014 de inschrijving van de tweede verzoekende partij als verzekeringsmakelaar te schorsen.

Het directiecomité van de FSMA verleent zijn goedkeuring aan dit voorstel tijdens zijn vergadering van 22 mei 2017.

Op 22 en 23 mei 2017 deelt de FSMA de beide beslissingen mee aan de tweede verzoekende partij, dit per e-mail en per aangetekende zending.

De beslissing van de FSMA aangaande de schrapping uit het register van bank- en beleggingsdiensten wordt door de verzoekende partijen niet aangevochten.

3.5. De brief houdende de schorsing van de inschrijving in het register van de verzekeringstussenpersonen in de categorie van verzekeringsmakelaar bevat onder meer de volgende motivering:

“2. Beoordeling Uit de opzegbrieven blijkt dat [C. NV] heeft vastgesteld dat kasgelden van 3.500 euro, 8.500 euro en 2.503,67 euro werden aangewend voor privé-doeleinden, zonder dat dit wordt gerechtvaardigd door een officieel boekhoudkundig document van de bank. Volgens [C. NV] verleende de heer Geert De Caluwé zichzelf daarmee krediet. De opzegbrief van 17 februari 2017 bevat volgende verklaring van de heer Geert De Caluwé:

„… De twee boekingen verricht voor kastelling namelijk 3.500 euro kwijting opgemaakt op rekening [850-84355XX-XX] en 8.500 euro op rekening [853-83643XX-XX] hebben betrekking op eerde gemaakte kosten, namelijk 3.500 euro voor aankoop fiets type Merckx en 8.500 euro voor aankoop wapen

XIV-37.496- 4/14

(beretta) en aankoop wapenkast (bijkomend verbouwd voor berging van meerdere wapens).

Beide betalingen werden uitgevoerd in de maand januari 2017, behalve het bericht van overdracht van wapen (zie kopie in bijlage (model 9)

gehomologeerd door de gouverneur) kunnen evenwel de twee andere bewijsstukken (namelijk aankoop fiets en wapenkast) niet worden voorgelegd…‟.

De feiten die hebben geleid tot de beëindiging van de bankagentuurovereenkomst door [C. NV], meer bepaald het onrechtmatig aanwenden van kasgelden van de principaal voor privé-doeleinden, worden door de heer Geert De Caluwé niet betwist. In een e-mailbericht van 23 maart 2017 van de raadsman van Kantoor De Caluwé BVBA aan [C. NV], wordt meegedeeld dat er geen betwisting is omtrent de materialiteit van de feiten zoals deze zijn omschreven in de brief van [C. NV] van 17 februari 2017.

De heer Geert De Caluwé betwist wél dat [C. NV] deze feiten als dermate ernstig beschouwd om met onmiddellijke ingang de bankagentuurovereenkomst te beëindigen.

De raadsman van Kantoor Geert De Caluwé BVBA is ook de mening toegedaan dat de geschiktheid en professionele betrouwbaarheid van de heer Geert De Caluwé als verzekeringstussenpersoon niet in het gedrang werd gebracht, en dit omwille van volgende redenen:

• de feiten geen ernstige tekortkoming uitmaken welke een eenzijdige verbreking met onmiddellijke ingang rechtvaardigen;

• de vastgestelde feiten/onzorgvuldigheden moeten worden gekaderd in de specifieke omstandigheden, nl. de gezondheidstoestand van de ouders van de heer Geert De Caluwé, waarvan de bank op de hoogte was;

• rekening houdend met de jarenlange samenwerking met de principaal, (mede op vraag van de bank heeft Kantoor Geert De Caluwé BVBA diverse portefeuilles overgenomen, wat getuigt van de appreciatie en het vertrouwen dat de bank had in hoofde van Kantoor De Caluwé BVBA) is een eenzijdige verbreking buiten proportie/onrechtmatig.

De FSMA dient zich uit te spreken over de vraag of voorgaande elementen waarvan zij kennis nam van aard zijn om de vereiste geschiktheid en professionele betrouwbaarheid in hoofde van de heer Geert De Caluwé in het gedrang te brengen, dit gelet op de functies die hij uitoefent binnen de verzekeringstussenpersoon Kantoor Geert De Caluwé BVBA. De FSMA beschikt in dergelijke zaken over een eigen appreciatiemarge.

De feiten op zich, meer bepaald het onrechtmatig aanwenden van kasgelden van de principaal voor privé-doeleinden, worden door de heer Geert De Caluwé niet betwist.

De FSMA is van mening dat het zich onrechtmatig toe-eigenen van gelden om welke reden dan ook, en ook al is dit tijdelijk, handelingen zijn die ontoelaatbaar zijn en geenszins verenigbaar zijn met de onberispelijke beroepsethiek die van een financieel tussenpersoon mag worden verwacht.

Dergelijke handelingen getuigen van een manifest gebrek aan normbesef, wat de vereiste geschiktheid aantast om te kunnen fungeren als financieel tussenpersoon. De gestelde handelingen, die trouwens strafrechtelijk zouden kunnen worden gekwalificeerd als diefstal, ondermijnen ook fundamenteel het financiële sector, waardoor ook de professionele betrouwbaarheid van de heer Geert De Caluwé onmiskenbaar in het gedrang komt. Dit is des te meer het geval door het patroon van herhaling van de herhaaldelijk onrechtmatig aanwenden van kasgelden van de principaal voor privé-doeleinden voor diverse bedragen, nl. van 3.500 euro, 8.500 euro en 2.503,67 euro.

XIV-37.496- 5/14

De feiten, die op zich ernstig zijn, vormen naar het oordeel van de FSMA

daarenboven ook een risico voor de bescherming van het publiek.

De sleutelposities van verantwoordelijke voor de distributie en effectieve leiding binnen Kantoor Geert De Caluwé BVBA worden op heden uitgeoefend door een persoon die niet als geschikt en professioneel betrouwbaar kwalificeert, meer bepaald Geert De Caluwé. Deze situatie houdt risico‟s in op het vlak van de bescherming van het publiek en het vertrouwen dat het publiek zou moeten kunnen hebben in actoren in de financiële sector.

De beslissing van het directiecomité van de FSMA werd genomen in toepassing van volgende wettelijke bepalingen:

Artikel 268 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen somt de inschrijvingsvoorwaarden op waaraan verzekeringstussenpersonen dienen te voldoen om in het register te worden ingeschreven en om die inschrijving te behouden.

Artikel 260, 1e lid, van de wet van 4 april 2014 bepaalt dat elke rechtspersoon die ingeschreven is als verzekeringstussenpersoon een verantwoordelijke voor de distributie aanwijst en dat deze moet voldoen aan de vereisten van beroepskennis, geschiktheid en professionele betrouwbaarheid als bedoeld bij artikel 268, § 1, 1°, 2° en § 2. Artikel 268, § 1, 2° van deze wet bepaalt dat een voldoende geschiktheid en professionele betrouwbaarheid moet bezitten.

Krachtens artikel 269, 1e lid, 1° van de wet van 4 april 2014 wordt een verzekeringstussenpersoon met de hoedanigheid van rechtspersoon slechts ingeschreven, en wordt zijn inschrijving slechts gehandhaafd, op voorwaarde dat de personen die met de effectieve leiding worden belast, zich niet bevinden in een van de gevallen die zijn opgesomd in artikel 20 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen, over de noodzakelijke geschiktheid en professionele betrouwbaarheid, de vereiste beroepskennis als bepaald bij artikel 270, en de passende ervaring beschikken om deze functie waar te nemen.

Voor de invulling van de vereiste van voldoende geschiktheid en professionele betrouwbaarheid kan worden verwezen naar de vaste rechtspraak van de Raad van State ter zake die stelt dat de FSMA inzake dergelijke beoordelingen over een eigen appreciatiemarge beschikt.

Artikel 292, § 1 van de wet van 4 april 2014 bepaalt dat wanneer de FSMA

vaststelt dat een verzekeringstussenpersoon niet werkt overeenkomstig de bepalingen van de wet, zij deze tekortkomingen identificeert en de termijn vaststelt waarbinnen deze toestand moet worden verholpen. De FSMA kan voor deze termijn het uitoefenen van een deel of het geheel van de activiteit van verzekeringstussenpersoon verbieden.

[…].”

In die brief wordt er op gewezen dat indien binnen een termijn van dertig dagen de vastgestelde tekortkomingen niet werden verholpen, het Directiecomité zich zal uitspreken over de schrapping van de inschrijving van de tweede verzoekende partij in het register van de verzekeringstussenpersonen, dit in toepassing van artikel 292, § 1, 3° lid, van de wet van 4 april 2014.

XIV-37.496- 6/14

De beslissing van de FSMA aangaande de schorsing van de inschrijving in het register van de verzekeringstussenpersonen in de categorie van verzekeringsmakelaar wordt door de verzoekende partijen niet aangevochten.

3.6. Bij e-mail van 14 juni 2017 betwist de raadsman van de tweede verzoekende partij dat haar cliënte en meer in het bijzonder de zaakvoerder ervan niet zou beschikken over de vereiste geschiktheid en professionele vaardigheid om als verzekeringstussenpersoon te fungeren. Er wordt voorgesteld om binnen een termijn van dertig dagen aan de vastgestelde tekortkomingen te verhelpen de tweede verzoekende partij zich zal laten bijstaan door M.D.M., dit is een voormalige collega met jarenlange ervaring in de sector die bereid is om mede het beheer waar te nemen.

Op de hoorzitting van 5 juli 2017 wordt de tweede verzoekende partij, vertegenwoordigd door de eerste verzoekende partij en bijgestaan door hun raadslieden. Er worden aan de FSMA bijkomende documenten overgemaakt.

3.7. Op 25 juli 2017 beslist het Directiecomité om overeenkomstig artikel 292, § 1, 3e lid, van de wet van 4 april 2014 de inschrijving van de tweede verzoekende partij uit het register van de verzekeringstussenpersonen te schrappen.

Deze beslissing wordt op dezelfde dag per aangetekende zending overgemaakt aan de tweede verzoekende partij en een dag nadien bij e-mail aan haar raadsman overgemaakt.

Deze beslissing steunt onder meer op de volgende overwegingen:

“3. Beoordeling Aan de basis van de beoordeling van het directiecomité van de FSMA van 22 mei 2017, namelijk dat Geert De Caluwé niet over de vereiste geschiktheid en professionele betrouwbaarheid beschikt, ligt de vaststelling dat Geert De Caluwé op onrechtmatige wijze kasgelden van zijn ex-bankprincipaal heeft aangewend voor privédoeleinden.

XIV-37.496- 7/14

De materialiteit van deze feiten werd/wordt door Geert De Caluwé niet betwist.

Hiervoor kan onder meer worden verwezen naar het verslag van de hoorzitting van 5 juli 2017.

De heer Geert De Caluwé en zijn raadsman zijn er evenwel niet mee akkoord dat [C. NV] deze feiten als dermate ernstig beschouwde en met onmiddellijke ingang de bankagentuurovereenkomst beëindigd heeft. Ook betwisten Geert De Caluwé en zijn raadsman dat de gepleegde feiten dermate ernstig zouden zijn dat daaruit besloten kan worden dat Geert De Caluwé niet over de vereiste geschiktheid en professionele betrouwbaarheid zou beschikken.

Geert De Caluwé en zijn raadsman benadrukken meermaals dat de feiten spijtige vergetelheden waren die moeten worden gekaderd in de moeilijke familiale omstandigheden waarin Geert De Caluwé zich destijds bevond.

In dit verband merkt de FSMA op dat dit argument niet nieuw is. Bij zijn beslissing van 22 mei 2017 heeft het directiecomité dit argument, aangebracht door de raadsman van Kantoor Geert De Caluwé BVBA in zijn brief van 3 mei 2017, reeds mee in zijn beoordeling opgenomen. Er werd van dit element ook expliciet melding gemaakt in de brief van de FSMA van 22 mei 2017.

Ook merkt de FSMA op dat men moeilijk kan spreken van vergetelheden, dit gezien het patroon van herhaling van de laakbare feiten: de brieven van [C. NV]

van 10 februari 2017 en 17 februari 2017 handelen over het herhaaldelijk onrechtmatig aanwenden van kasgelden van de principaal voor privédoeleinden voor diverse bedragen, nl. van 3.500 euro, 8.500 euro en 2.503,67 euro.

Het feit dat tegen Kantoor Geert De Caluwé BVBA geen klachten werd ingediend bij de Ombudsdienst Verzekeringen en het kantoor tijdens de periode van de schorsing geen daden van verzekeringsbemiddeling meer heeft gesteld pleit voor haar, maar heeft geen invloed op de feiten die werden vastgesteld en die aan de basis liggen van de beoordeling van de FSMA.

Wat betreft de vervanging van Geert De Caluwé in de functies van effectief leider en verantwoordelijke voor de distributie van Kantoor Geert De Caluwé BVBA kan de FSMA op basis van de laatste brief van de raadsman van 10 juli 2017 op heden niet anders dan vaststellen dat de idee werd verlaten om [M. D. M.]

aan te stellen in deze functies.

Op vandaag ligt er geen concreet voorstel op tafel of beter gezegd: er is geen kandidaat die deze functies binnen Kantoor Geert De Caluwé BVBA zou kunnen innemen. Deze persoon moet trouwens ook aan alle wettelijke inschrijvingsvoorwaarden voldoen. Op heden kan dit niet worden geverifieerd.

In deze is de situatie zoals zij thans voorligt dus niet verschillend aan de situatie op 22 mei 2017.

De FSMA ziet dan ook geen enkele reden om te kunnen ingaan op het verzoek van Kantoor Geert De Caluwé BVBA om haar een bijkomende termijn tot 15 september 2017 toe te staan om aan de tekortkomingen te verhelpen en gedurende die termijn een schorsing in een afgezwakte vorm te doen gelden, die haar zou toelaten toch bepaalde activiteiten van verzekeringsbemiddeling te stellen.

In dit verband wordt er aan herinnerd dat de schorsing van de inschrijving van Kantoor Geert De Caluwé BVBA waartoe het directiecomité van de FSMA op 22 mei 2017 heeft beslist de gehele activiteit van verzekeringsbemiddeling besloeg en precies was ingegeven door het feit dat de sleutelposities van verantwoordelijke voor de distributie en effectieve leiding binnen Kantoor Geert De Caluwé BVBA

werden uitgeoefend door een persoon die niet als geschikt en professioneel betrouwbaar kwalificeert. Naar het oordeel van de FSMA houdt deze situatie risico‟s in op het vlak van de bescherming van het publiek en het vertrouwen dat het publiek zou moeten kunnen hebben in actoren in de financiële sector.

XIV-37.496- 8/14

Het voldoen aan de inschrijvingsvoorwaarden en het toezicht hierop zijn essentieel voor de bescherming van de rechten van de verzekeringnemer, de verzekerden, de begunstigden en van de derden die belang hebben bij de uitvoering van verzekeringsovereenkomsten. Zij vormen de basis van het vertrouwen van de financiële consument, die er op elk moment moet kunnen uitgaan dat de verzekeringstussenpersoon met wie hij handelt aan alle wettelijke vereisten voldoet.

Gelet op het voorgaande kan de FSMA niet anders dan vaststellen dat de sleutelposities van verantwoordelijke voor de distributie en effectieve leiding Kantoor Geert De Caluwé BVBA niet worden uitgeoefend door een persoon die aan wettelijke voorwaarden voldoet. Er werden geen kandidaten voorgesteld om deze functies te bekleden, wat maakt dat de FSMA niet anders dan kan vaststellen de vastgestelde tekortkomingen waarvoor Kantoor Geert De Caluwé BVBA werd aangemaand, niet werden verholpen.

De beslissing van het directiecomité van de FSMA werd genomen in toepassing van volgende wettelijke bepalingen:

Artikel 268 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen somt de inschrijvingsvoorwaarden op waaraan verzekeringstussenpersonen moeten voldoen om in het register te worden ingeschreven en om die inschrijving te behouden.

Artikel 268, § 1, eerste lid, 2° van deze wet bepaalt dat de verzekeringstussenpersoon een voldoende geschiktheid en professionele betrouwbaarheid moet bezitten.

Artikel 260, eerste lid, van de wet van 4 april 2014 bepaalt dat elke rechtspersoon die ingeschreven is als verzekeringstussenpersoon een verantwoordelijke voor de distributie aanwijst en dat deze moet voldoen aan de vereisten van beroepskennis, geschiktheid en professionele betrouwbaarheid als bedoeld bij artikel 268, § 1, eerste lid, 1e, 2° en § 2.

Krachtens artikel 269, eerste lid, 1° van de wet van 4 april 2014 wordt een verzekeringstussenpersoon met de hoedanigheid van rechtspersoon slechts ingeschreven, en wordt zijn inschrijving slechts gehandhaafd, op voorwaarde dat de personen die met de effectieve leiding wordt belast, zich niet bevinden in een van de gevallen die zijn opgesomd in artikel 20 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen, en over de noodzakelijke geschiktheid en professionele betrouwbaarheid, de vereiste beroepskennis als bepaald bij artikel 270, en de passende ervaring beschikken om deze functie waar te nemen.

Voor de invulling van de vereiste van voldoende geschiktheid en professionele betrouwbaarheid kan worden verwezen naar de vaste rechtspraak van de Raad van State ter zake die stelt dat de FSMA inzake dergelijke beoordelingen over een eigen appreciatiemarge beschikt.

Artikel 292, § 1 van de wet van 4 april 2014 bepaalt dat wanneer de FSMA

vaststelt dat een verzekeringstussenpersoon niet werkt overeenkomstig de bepalingen van de wet, zij deze tekortkomingen identificeert en de termijn vaststelt waarbinnen deze toestand moet worden verholpen. De FSMA kan voor deze termijn het uitoefenen van een deel of het geheel van de activiteit van de verzekeringstussenpersoon verbieden en de inschrijving in het register schorsen.

Indien de FSMA na deze termijn vaststelt dat de tekortkomingen niet zijn verholpen, schrapt zij de inschrijving, hetgeen het verbod inhoudt de gereglementeerde werkzaamheden uit te oefenen en de titel te voeren.”

Dit is de bestreden beslissing.

XIV-37.496- 9/14

IV. Ontvankelijkheid van het beroep

4. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is.

V. Schorsingsvoorwaarden

5. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.

VI. Spoedeisendheid

Uiteenzetting van de spoedeisendheid

6. In het verzoekschrift wordt betreffende de spoedeisendheid gesteld dat “[v]erzoekers door de bestreden beslissing [worden] geconfronteerd met het volledig wegvallen van enige mogelijkheid tot het vergaren van inkomsten. Deze toestand mag niet te lang duren, of kan mogelijks het faillissement teweegbrengen van verzoekers. Bovendien is de psychische impact enorm groot. In die zin is de zaak te spoedeisend voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring”.

XIV-37.496- 10/14

Beoordeling

7. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december 1991.

Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.

De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-227/1, 13).

Uit wat voorafgaat, volgt dat het niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.

8. Een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, moet dus in haar verzoekschrift concrete feiten aanvoeren die de spoedeisendheid verantwoorden.

De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed.

Te dezen is de uiteenzetting in het verzoekschrift wat de spoedeisendheid betreft, minimaal en ontoereikend. De verzoekende partijen laten in het geheel na om enige concrete gegevens aan te voeren die duidelijk aantonen dat een afhandeling van het vernietigingsberoep te laat zou komen.

XIV-37.496- 11/14

Dit prangt des te meer nu de verzoekende partijen er geheel aan voorbij gaan dat te dezen het vernietigingsberoep tegen de bestreden beslissing behandeld wordt volgens de versnelde rechtspleging van het koninklijk besluit van 15 mei 2003 „tot regeling van de versnelde procedure in geval van beroep bij de Raad van State tegen sommige beslissingen van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten en de Nationale Bank van België‟.

De verzoekende partijen hebben er voor gekozen hun vordering tot schorsing in te dienen volgens de gewone procedure.

Daargelaten de vraag of in vergelijking met de versnelde procedure ten gronde de behandeling van de schorsingsvordering volgens de gewone procedure enige (betekenisvolle) tijdswinst oplevert, verzuimen de verzoekende partijen om in hun verzoekschrift enig inzicht te geven of te concretiseren waarom een afhandeling van het vernietigingsberoep, te dezen volgens de versnelde rechtspleging, te laat zou komen.

Nog los van de vaststelling dat de verzoekende partijen de spoedeisendheid in hun hoofde op identieke wijze lijken op te vatten hoewel de eerste verzoekende partij een natuurlijke en de tweede verzoekende partij een rechtspersoon is, beperken zij zich ertoe louter te poneren dat zij door het niet kunnen uitoefenen van activiteiten als verzekeringstussenpersoon worden geconfronteerd “met het volledig wegvallen van enige mogelijkheid tot het vergaren van inkomsten”, dat deze toestand “niet te lang” mag duren of “mogelijks het faillissement [kan] teweegbrengen van verzoekers”. Tot slot, verwijzen zij naar de grote psychische impact van de bestreden beslissing.

Hoewel de bewijslast inzake de spoedeisendheid bij de verzoekende partijen berust, ondersteunen zij hun beweringen over “het volledig wegvallen van enige mogelijkheid tot het vergaren van inkomsten” of een “mogelijks” faillissement met geen enkel concreet feit, (cijfer)gegeven, element of enig stavingstuk. Evenmin wordt de (specifieke) “psychische impact” van de thans

XIV-37.496- 12/14

bestreden beslissing die als enorm groot wordt beschouwd, geconcretiseerd wat de vereiste spoedeisendheid betreft om de vordering tot schorsing op te gronden. In zoverre bedoeld wordt dat die psychische impact is te wijten aan het door de FSMA in hoofde van de eerste verzoekende partij vastgestelde “gebrek aan voldoende geschiktheid en professionele betrouwbaarheid”, bevreemdt dat des te meer nu die beweegreden al ten grondslag lag aan de beslissing van de FSMA van 22 mei 2017 om de inschrijving van de tweede verzoekende partij als verzekeringsmakelaar te schorsen; beslissing die door geen van de verzoekende partijen werd bestreden.

Er is niet aangetoond dat de verzoekende partijen een procedure ten gronde - te dezen volgens de versnelde rechtspleging overeenkomstig het eerdergenoemde koninklijk besluit van 15 mei 2003 -, niet kunnen afwachten en er dus om redenen van spoedeisendheid een uitspraak over de vordering tot schorsing is vereist.

De spoedeisendheid is niet aangetoond.

9. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief moeten vervuld zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.

BESLISSING

De Raad van State verwerpt de vordering.

XIV-37.496- 13/14

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht november tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Kaat Leus, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier.

De griffier De voorzitter

Johan Pas Kaat Leus

XIV-37.496- 14/14

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.801