Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.798 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.798 Généré par l'IA

Court dismisses urgent suspension request for prison access ban due to lack of prima facie illegality.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.798
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's request to suspend the enforcement of a prison access ban. The applicant, a prison financial expert, argued the ban was a retaliatory settlement for alleged accounting irregularities and caused irreparable moral harm. The court found the applicant failed to provide evidence of illegality and did not demonstrate that the negative perception among colleagues could not be reversed by a future annulment judgment.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Art. 17, § 1 of the Coordinated Laws on the Council of State; An urgent suspension request is inadmissible unless the applicant proves prima facie illegality and that the outcome cannot be awaited without irreparable harm.

Mots-clés

Généré par l'IA
urgent suspension request prima facie illegality prison access ban moral damage procedural admissibility internement psychiatrique emprisonnement indemnité pour détention

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Art. 17, § 1 of the Coordinated Laws on the Council of State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE IXe KAMER

nr. 239.798 van 7 november 2017

in de zaak A. 222.660/IX-9094

In zake: Stefaan LAMBRECHT

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk De Greef kantoor houdend te 1700 Dilbeek Eikelenberg 20

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stefaan Verbouwe kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 14 juli 2017, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 13 juni 2017 van de advi-

seur-generaal gevangenisdirecteur van de gevangenis te Dendermonde waarbij het aan Stefaan Lambrecht voorlopig wordt verboden de gevangenis te betreden.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend.

IX-9094-1/9

Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2017.

Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Dirk De Greef, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Stefaan Verbouwe, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-

coördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoeker is statutair ambtenaar. Hij is tewerkgesteld in de gevangenis te Dendermonde als financieel deskundige.

3.2. Op 12 juni 2017 wordt verzoeker door zijn functionele chef en de adviseur-generaal gevangenisdirecteur gehoord in verband met een aantal vaststellingen in verband met aankopen en betalingen van boeken.

3.3. Op basis van dit verhoor, beslist de adviseur-generaal gevange-

nisdirecteur op 13 juni 2017 om met toepassing van artikel 1 van het koninklijk besluit van 14 mei 1971 ‘houdende bijzondere instructie van toepassing op de personeelsleden van de buitendiensten van het Bestuur Strafinrichtingen’ (hierna:

IX-9094-2/9

het koninklijk besluit van 14 mei 1971), verzoeker bij ordemaatregel voorlopig de toegang tot de gevangenis te Dendermonde te ontzeggen.

Dat is de thans bestreden beslissing. Ze is als volgt gemotiveerd:

“Feiten Betrokkene heeft op data van 2/6/2017, 14/4/2017 en 17/3/2017 in de Standaard Boekhandel te Dendermonde aankopen gedaan van boeken die niet overeenkomen met de bestelling van gedetineerden, maar wel gefactureerd staan op de collectieve kantine. Bij controle van de interne bewegingen werd geen geld afgehouden van een gedetineerde die de aankoop van het boek kon verantwoorden. Betrokkene geeft aan dat minstens een aantal aankopen ge-

beurd zijn ten persoonlijke titel. Er zijn geen sporen van terugbetaling van deze aankopen op een rekening van de gevangenis.

Motivering De ernst en de aard van de ten laste gelegde feiten en uw bevestiging ervan nopen ertoe dat U de toegang tot de inrichting voorlopig te verbieden omwille van het feit dat de interne orde binnen de inrichting in het gedrang komt.

Maatregel getroffen overeenkomstig het artikel 1 van het Koninklijk Besluit de dato 14.05.1971, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad de dato 04.06.1971, houdende de bijzondere instructie van toepassing op de personeelsleden van de buitendiensten van het bestuur strafinrichtingen (actueel het directoraat gene-

raal établissements pénitentiaires/penitentiaire inrichtingen).”

IV. Schorsingsvoorwaarden

4. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.

V. Spoedeisendheid

Uiteenzetting

5. Verzoeker motiveert de spoedeisendheid van zijn vordering als volgt in zijn verzoekschrift (voetnoten weggelaten):

IX-9094-3/9

“[…]

25. Er moet in de eerste plaats een vrees voor schade van enig belang zijn of een vrees voor ernstige nadelen.

26. De Raad van State is van oordeel dat een preventieve schorsing in beginsel vanwege zijn voorlopige, tijdelijke en niet-tuchtrechtelijke aard geen schade-

lijke gevolgen of nadelen veroorzaakt die van die aard zijn dat het personeelslid het resultaat van de procedure ten gronde hiervoor niet kan afwachten.

De Raad van State aanvaardt wel dat het betrokken personeelslid mag aantonen dat in zijn geval bijzondere omstandigheden ertoe nopen anders te oordelen en dat hij de preventieve schorsing of, zoals in casu, de maatregel het verbod de inrichting voorlopig te betreden onmogelijk kan ondergaan in af-

wachting van een uitspraak over het annulatieberoep.

Deze omstandigheden zijn wel degelijk voorhanden.

27. De beslissing van de gevangenisdirecteur heeft nefaste gevolgen voor de gezondheid van verzoeker zoals […] wordt bevestigd in een medisch attest:

‘Betreft LAMBRECHT Stefaan. Bovenvermelde patiënt lijdt momenteel aan pathologie die het gevolg is van problemen op het werk’ […]

Verzoeker dient elke dag medicatie te nemen voor de behandeling van depressie en angststoornissen.

In dergelijke omstandigheden heeft uw Raad een MTHEN aanvaard […].

28. Uit het feit dat eerst gebruik wordt gemaakt van de procedure op basis van het KB van 14/05/1971, hetgeen mogelijk is voor de duur van 6 maanden, om vervolgens te kunnen terugvallen op de procedure op basis van het KB van 01/06/1964 voor feiten die de genomen maatregel geenszins kunnen verant-

woorden, blijkt dat het bestuur zinnens is de schorsing onredelijk lang te laten aanslepen, terwijl sedert de schorsing d.d. 13/06/2017 reeds meer dan een maand is verlopen.

De inzage in het dossier werd aan de raadsman van verzoeker geweigerd op 29 juni 2017. […]

In dergelijke omstandigheden heeft uw Raad een MTHEN aanvaard […].

29. De eer en goede naam van verzoeker wordt door de genomen maatregel en het blijven duren ervan zwaar aangetast t.a.v. collega’s, familie en derden zoals blijkt uit de geschreven verklaringen en mails van (gewezen) collega’s. […]

De onmiddellijke verwijdering uit de dienst, zonder een ernstig verweer te kunnen voeren, wekt t.a.v. collega’s en derden een aanwijzing van zeer zware tekortkomingen, terwijl de aantijgingen tegen verzoeker niet ernstig en betwist zijn.

De motieven van de preventieve schorsing kunnen door collega’s en derden geïnterpreteerd worden als een ernstige aanwijzing dat de verwijten aan het personeelslid terecht zijn. […]

30. Verzoeker kan zich bovendien niet van de indruk ontdoen dat de preven-

tieve schorsing kadert in een afrekening door zijn functionele chef en dat deze

IX-9094-4/9

nodig is voor andere motieven, nl. het kunnen verdoezelen […] van zijn eigen tekortkomingen zoals opgesomd door de voormalige rekenplichtige van de gevangenis te Dendermonde d.d. 16/06/2017:

[…]

Ook andere voorvallen wijzen hierop:

[…]

31. De zaak is om al deze redenen ook spoedeisend en de schorsing ervan dient bevolen te worden door uw Raad van ernstige schade en nadelen te laten op-

houden.”

Beoordeling

6. Zoals sub 4 hiervóór in herinnering is gebracht, kan krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen indien, onder meer, “de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring”.

In de parlementaire voorbereiding van de voormelde wettelijke bepaling is te lezen dat “[d]e spoedeisendheid zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onher-

roepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, 13).

7. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten]

die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter onder-

steuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in arti-

kel 8, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij bij de Raad van State toevalt om aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedei-

send is, gelet op de gevolgen van een (voortdurende) tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.

IX-9094-5/9

8. Uit wat voorafgaat volgt dat een verzoekende partij die de schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestreden beslissing wenst te verkrij-

gen, ertoe gehouden is om in haar verzoekschrift aan de hand van concrete, pre-

cieze en dienstige gegevens te verduidelijken in welke mate volgens haar onher-

roepelijke schade zou ontstaan wanneer het resultaat van een beroep tot nietig-

verklaring zou worden afgewacht. Gebeurlijke nadelen die door de bestreden beslissing worden veroorzaakt, maar die door een eventueel later tussen te komen arrest in het kader van een beroep tot nietigverklaring kunnen worden goedge-

maakt, zijn geen onherroepelijke schadelijke gevolgen en vermogen dus niet de spoedeisendheid van de vordering te staven.

9. Verzoeker voert aan dat de bestreden beslissing nefaste gevol-

gen heeft voor zijn gezondheid en hij legt een medisch attest voor waaruit dit zou moeten blijken. Hij merkt ook op dat hij dagelijks medicatie dient te nemen.

Zo al kan worden aangenomen dat de bestreden beslissing waarbij verzoeker voorlopig de toegang tot de gevangenis van Dendermonde wordt ontzegd, rechtstreeks in verband staat met de “pathologie die het gevolg is van problemen op het werk” waar in het medisch attest gewag van wordt gemaakt, moet in elk geval worden vastgesteld dat verzoeker met zijn uiteenzetting en het door hem voorgelegde medisch attest niet aantoont dat hij het resultaat van de annulatieprocedure niet kan afwachten op het gevaar af dat zijn gezondheid on-

herstelbare schade oploopt. Met de verwijzing naar zijn gezondheidstoestand toont verzoeker aldus niet aan dat zijn zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring.

10. Voorts argumenteert verzoeker dat het bestuur zinnens is de schorsing onredelijk lang te laten aanslepen. Dit kan, aldus verzoeker, worden afgeleid uit de omstandigheid dat het bestuur eerst toepassing maakt van artikel 1

van het koninklijk besluit van 14 mei 1971, hetgeen mogelijk is voor de duur van zes maanden, om vervolgens te kunnen terugvallen op de procedure op basis van het koninklijk besluit van 1 juni 1964 ‘betreffende de schorsing van Rijksambte-

IX-9094-6/9

naren in het belang van de dienst’ (hierna: het koninklijk besluit van 1 juni 1964).

Verzoeker merkt daarbij ook op dat zijn raadsman inzage in zijn dossier werd geweigerd.

Anders dan verzoeker beweert kan uit de omstandigheid dat het bestuur de bestreden beslissing heeft genomen met toepassing van artikel 1 van het koninklijk besluit van 14 mei 1971 geenszins worden afgeleid dat het bestuur zinnens is om de maatregel onredelijk lang te laten aanslepen. Zoals verzoeker zelf erkent, bepaalt artikel 1 van het voornoemde besluit immers dat de aan verzoeker opgelegde maatregel maximaal zes maanden kan duren. Daarna dient de maatregel ofwel te worden ingetrokken, ofwel moet een aanvraag worden ingediend om deze om te zetten in een schorsing in het belang van de dienst met toepassing van het koninklijk besluit van 1 juni 1964. Na maximaal zes maanden dient aan de thans bestreden maatregel derhalve een einde te komen door een nieuwe beslissing, waartegen verzoeker eventueel een beroep kan instellen. De bestreden maatregel kan dus geenszins onredelijk lang aanslepen. De omstandigheid dat verzoekers raadsman inzage in het dossier zou zijn geweigerd – in werkelijkheid werd ver-

zoekers raadsman meegedeeld dat verzoeker een kopie ontving van de genomen ordemaatregel en van het verslag van het verhoor en dat hij het dossier kan inzien in de aanloop van de tuchtprocedure – ontkracht die vaststelling niet.

11. Verzoeker laat ook gelden dat ingevolge de bestreden beslissing zijn eer en goede naam wordt aangetast; dat zijn onmiddellijke verwijdering uit de dienst door collega’s en derden gepercipieerd kan worden als een aanwijzing van zeer zware tekortkomingen en dat de motieven van de bestreden beslissing door collega’s en derden geïnterpreteerd kunnen worden als een aanwijzing dat de aan verzoeker gemaakte verwijten terecht zijn. Bij zijn verzoekschrift voegt verzoeker een aantal verklaringen van (gewezen) collega’s waaruit dit zou moeten blijken.

Verzoeker refereert hiermee aan een moreel nadeel dat hij in-

gevolge de bestreden beslissing kan lijden. Een moreel nadeel wordt in principe goedgemaakt door een eventueel later tussen te komen vernietigingsarrest. Er

IX-9094-7/9

wordt niet ingezien dat een mogelijke negatieve perceptie in hoofde van verzoe-

kers collega’s en derden niet gekeerd zal (kunnen) worden wanneer na een even-

tueel tussen te komen vernietigingsarrest de onregelmatigheid van de bestreden beslissing zou worden vastgesteld. Verzoeker toont met geen enkele bijzondere omstandigheid aan dat de aangevoerde morele schade van die aard zou zijn dat een eventueel later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zou kunnen verschaffen zodat aldus het resultaat ten gronde niet kan worden af-

gewacht.

12. Ten slotte stelt verzoeker dat hij zich niet van de indruk kan ontdoen dat de bestreden beslissing kadert in een afrekening door zijn functionele chef en dat deze bedoeld is om diens tekortkomingen – die verzoeker toelicht aan de hand van verklaringen van collega’s – te verdoezelen.

Dat de bestreden beslissing genomen zou zijn in het kader van een afrekening door verzoekers functionele chef, is een loutere bewering waarvoor verzoeker niet het minste bewijs bijbrengt. Bovendien lijkt verzoeker met die stelling te refereren aan een mogelijke onwettigheid die aan de bestreden beslissing kleeft. Een aangevoerde onwettigheid op zich kan evenwel niet volstaan om ervan te overtuigen dat de vordering spoedeisend is. De schorsingsvoorwaarde van het spoedeisend karakter van de vordering is immers een op zich staande voorwaarde, die moet worden onderzocht los van de andere schorsingsvoorwaarde, namelijk dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan verantwoorden. Met zijn verwijzing naar een onregelmatigheid alleen toont verzoeker derhalve nog niet aan dat hij de procedure ten gronde niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe van zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen.

13. Wat voorafgaat, leidt tot het besluit dat verzoeker niet ervan overtuigt dat zijn zaak te spoedeisend is om de behandeling van het beroep tot nietigverklaring af te wachten.

IX-9094-8/9

14. Er is derhalve niet voldaan aan alvast één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing worden ingewil-

ligd.

BESLISSING

De Raad van State verwerpt de vordering.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 7 november 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier.

De griffier De voorzitter

Vera Wauters Bruno Seutin

IX-9094-9/9

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.798