Court dismisses urgent suspension request due to failure to meet strict time limits and lack of urgency.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State dismissed the applicant's request for an urgent suspension of the school board's orientation certificate decision. The applicant failed to file the request immediately as required, instead waiting weeks for legal aid while the statute demanded immediate action or a sixty-day annulment deadline. The court ruled that this delay negated the necessity for an urgent suspension procedure, violating the cumulative conditions set forth in the relevant administrative law articles.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 17, §§ 1 and 4 of the Coordinated Laws on the Council of State; An urgent suspension request is only admissible if filed immediately upon receipt of the contested decision, and any significant delay renders the claim inadmissible as it contradicts the fundamental requirement of extreme urgency.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE IXe KAMER
nr. 239.796 van 7 november 2017
in de zaak A. 223.619/IX-9166
In zake: Fatima SAOUDI
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Vera Van Thuyne kantoor houdend te 1000 Brussel Terhulpsesteenweg 120
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep 8 Brussel bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Stommels en Jan Fransen kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 220 bus 14
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 29 oktober 2017, strekt tot de schor-
sing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de be-
slissing van de beroepscommissie van het lyceum Martha Somers van 31 augustus 2017 om aan Fatima Saoudi een oriënteringsattest C toe te kennen.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 november 2017, om 10.00 uur.
IX-9166-1/8
Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge-
bracht.
Advocaat Vera Van Thuyne, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jan Fransen, die tevens loco advocaat Marc Stommels verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-
coördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. Verzoekster is tijdens het schooljaar 2016-2017 leerling in het tweede jaar van de tweede graad Latijn aan het lyceum Martha Somers te Brussel.
Op het einde van het schooljaar toont het jaarrapport van ver-
zoekster zes jaartekorten: aardrijkskunde (47%), biologie (39%), chemie (43%), Engels (35%), wiskunde (33%) en geschiedenis (40%).
De klassenraad beslist om aan verzoekster een oriënteringsattest B toe te kennen, met clausulering voor ASO.
Verzoekster legt de directeur voor dat de tekorten vooral de wetenschapsvakken betreffen en dat die niet echt nodig zijn om de studies voort te zetten in humane wetenschappen (ASO). Zij vraagt ook om bijkomende proeven.
Het overleg overtuigt de directie om een nieuwe samenkomst van de klassenraad te vragen, die echter reeds op 30 juni 2017 beslist om zijn
IX-9166-2/8
evaluatiebeslissing te handhaven. De klassenraad oordeelt dat in de loop van het schooljaar reeds meermaals vakcommentaren op de rapporten geschreven zijn, die aangeven dat verzoekster niet genoeg werkt, geen gebruik maakt van remediëring en geen inhaaltoetsen maakt, dat het tekort voor wiskunde zwaar is, dat er ook voor de vakken met permanente evaluatie tekorten zijn en dat door dit alles de tekorten “niet via een „herexamen‟ kunnen ingehaald worden”.
Op 4 juli 2017 stelt verzoekster beroep in bij het schoolbestuur.
Op 31 augustus 2017 verklaart de beroepscommissie het beroep ongegrond. Daarenboven beslist de beroepscommissie om de evaluatiebeslissing te hervormen en kent zij aan verzoekster een C-attest toe.
Verzoekster verklaart dat zij kennis neemt van deze beslissing op 4 september 2017, “aangezien de beslissing van de beroepscommissie van 31 augustus 2017 naar het verkeerde adres is opgestuurd”.
IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min-
stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood-
zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
IX-9166-3/8
V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
Uiteenzetting
5. Verzoekster wijst erop dat de beslissing haar een schooljaar doet verliezen. Zij wenst zo snel mogelijk af te studeren en haar bijdrage te kunnen leveren voor het gezinsinkomen.
Verzoekster weet, zo schrijft zij, dat van haar wordt verwacht dat zij diligent handelt. Zij wijst erop dat zij onmiddellijk meerdere stappen heeft ondernomen om op te komen tegen de beslissing van de beroepscommissie. Zij wist echter niet hoe zij zich tot de Raad van State moest wenden. Hiervoor moest zij zich richten tot meerdere adviesinstanties die haar geen, onjuist, of pas na lang wachten advies gaven. Zij is echter niet bij de pakken blijven zitten en heeft bij-
gevolg diligent gehandeld.
Beoordeling
6. Er zij aan herinnerd dat de toepassing van de schorsingsproce-
dure bij uiterst dringende noodzakelijkheid een ernstige verstoring teweegbrengt in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, dat ze de mo-
gelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum beperkt en de uit-
oefening van de rechten van de verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang brengt.
De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonder-
lijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op dui-
delijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond.
7. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de
IX-9166-4/8
Raad van State‟, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzake-
lijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat de verzoekende partij in haar inleidend verzoekschrift aan de hand van precieze en concrete feite-
lijke gegevens aantoont dat de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone procedure onherroepelijk te laat zal komen én dat zij als eisende partij al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State.
8. Het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid tot schorsing wordt aldus mede afgemeten naar de haast die een verzoekende partij zelf betoont bij het instellen van haar vordering. De noodzaak om na de kennis-
name van de griefhoudende beslissing met passende voortvarendheid de vordering bij de Raad van State in te leiden is immers inherent aan het zeer uitzonderlijk en zeer ongewoon karakter van de uiterst dringende procedure. Diligent optreden is vervat in de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid.
9. Van verzoekster – die haar belangen door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing immers dermate nadelig aangetast weet dat zij de afwikkeling van de procedure ten gronde en zelfs de gewone schorsing niet kan afwachten – wordt gevergd dat zij al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State.
10. Zodra verzoekster kennis kreeg van de beslissing van de be-
roepscommissie tot toekenning van het C-attest wist zij onmiddellijk dat zij niet langer de door haar geambieerde studieloopbaan kon voortzetten.
11. De bestreden beslissing dateert van 31 augustus 2017. Verzoek-
ster verklaart er kennis van te hebben genomen op 4 september 2017.
IX-9166-5/8
Die beslissing is het resultaat van een beroepsprocedure die verzoekster zelf heeft ingesteld tegen een eerdere klassenraadbeslissing en waar-
van zij in de ene of andere zin het antwoord mocht verwachten.
De voorliggende vordering is niettemin pas op 29 oktober 2017
ingesteld, dat is na verloop van volle acht weken. Dit is, voor een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, schromelijk laat.
12. In het feitenrelaas dat verzoekster doet in haar verzoekschrift, zet zij uiteen dat zij nog de dag zelf van de kennisneming van de bestreden beslissing op 4 september 2017 informatie heeft ingewonnen bij een agentschap van de Franse Gemeenschap dat haar niet wou adviseren omdat het zou gaan om Vlaamse onderwijsregelgeving. Verzoekster heeft vervolgens op 5 september 2017, zo stelt zij, de beroepscommissie telefonisch gecontacteerd en de dag erna vernomen dat de beroepscommissie niet opnieuw kon samenkomen. Op 11 september 2017 heeft zij dan contact opgenomen met een hulpverlener, die “haar zaak ging bekijken”.
Verzoekster heeft tot 2 oktober 2017 vergeefs op reactie gewacht, zo stelt zij, en dan na aandringen heeft deze hulpverlener haar op 20 oktober 2017 doorverwezen naar het bureau voor juridische bijstand. Een aanstelling volgt op 24 oktober 2017.
13. De Raad van State kan zich voorstellen dat een minderjarige leerling die blijkens de gegevens van het dossier ingevolge een moeilijke gezins-
situatie zelf haar zaak moet behartigen, enige tijd nodig heeft om zich juridisch te oriënteren en juridische bijstand te krijgen.
De verantwoording die verzoekster voor haar dralen geeft in het inleidend verzoekschrift kan haar echter niet verontschuldigen voor het dermate grote tijdsverloop dat in deze zaak moet worden vastgesteld.
Op de verwerende partij rust de verplichting om bij de medede-
ling van de beslissing ook de beroepsmogelijkheden mee te delen. Welnu, in de
IX-9166-6/8
brief waarmee de bestreden beslissing ter kennis is gebracht van verzoekster en die zij voegt bij haar inleidend verzoekschrift, staat te lezen:
“Indien u het niet eens bent met deze beslissing, kunt u zich wenden tot de Raad van State, ofwel onmiddellijk via een verzoekschrift tot schorsing van deze beslissing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid, ofwel, binnen een termijn van zestig kalenderdagen na ontvangst van deze brief, via een verzoekschrift tot nietigverklaring van deze beslissing.”
De kennisgeving vermeldt voorts ook dat het verzoekschrift met een aangetekende brief moet worden ingediend en vermeldt het adres van de Raad van State.
Aldus is verzoekster in niet mis te begrijpen bewoordingen erop gewezen dat zij voor een keuze stond: zij mocht de nietigverklaring vorderen “binnen een termijn van zestig kalenderdagen” ofwel mocht zij een verzoekschrift tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid indienen, maar dan “onmiddellijk”. De kennisgeving zet het onderscheid tussen het “onmiddellijk”
optreden en de verjaringstermijn van zestig dagen voor het annulatieberoep dui-
delijk in de verf.
Het is in die context te begrijpen, mede gelet op haar minderja-
righeid en de door haar beschreven gezinssituatie, dat verzoekster de eerste dagen na de kennisname van de bestreden beslissing advies inwint en ook dat zij enige dagen verliest om een aanstelling te krijgen van het bureau voor juridische rechtsbijstand. Dit zou kunnen verantwoorden dat enig tijdsverloop bij het instel-
len van een vordering niet de vereiste diligentie tegenspreekt.
Maar in de huidige zaak blijft dan nog de vaststelling overeind dat verzoekster meerdere weken laat voorbijgaan terwijl zij wacht op een antwoord van de door haar gecontacteerde hulpverlener, terwijl zij wist of moest weten dat zij “onmiddellijk” moest reageren en dus zeker niet pas “binnen een termijn van zestig kalenderdagen” indien zij rekende op een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Voor dit dralen geeft verzoekster geen aanvaardbare uitleg.
IX-9166-7/8
14. Indien verzoekster een uitermate hoge graad van urgentie aan deze zaak toeschrijft, had zij zonder talmen, en al zeker niet pas na acht weken en dus bij het verstrijken van de verjaringstermijn voor het annulatieberoep, haar vordering moeten indienen. Deze handelwijze staat haaks op de aard zelf van een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid en houdt de negatie in van de uiterst dringende noodzakelijkheid. Er is bijgevolg niet voldaan aan één van de grondvoorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen.
BESLISSING
De Raad van State verwerpt de vordering.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 7 november 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.
De griffier De voorzitter
Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren
IX-9166-8/8
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.796