Belgian court annuls school board decision for insufficient reasoning regarding exam scores and rejects reform request.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Court of Cassation annulled the school board's decision to maintain a failing orientation certificate due to the board's failure to address the student's specific arguments regarding exam validity and grade gaps. While the annulment was granted, the court rejected the student's request for a new passing grade or enrollment permission, ruling that such powers do not belong to the administrative court. The opposing party was ordered to pay the procedural costs associated with the suspension request.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 93, first paragraph, and 12 of the Royal Decree of 5 December 1991; An administrative decision is void if the decision-making body fails to consider relevant arguments presented by the applicant or provides an insufficiently motivated rejection thereof, but the court lacks the power to substitute its own substantive decision on the merits.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE IXe KAMER
nr. 239.788 van 7 november 2017
in de zaak A. 223.213/IX-9139
In zake: Cedric CAMERMAN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Knaeps kantoor houdend te 3500 Hasselt Willekensmolenstraat 72 bus 1 & 2
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de VZW KATHOLIEK SECUNDAIR ONDERWIJS
ZONHOVEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Forier kantoor houdend te 3700 Tongeren Bilzersteenweg 243
I. Voorwerp
1. Het verzoekschrift, ingediend op 15 september 2017, strekt tot de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van het Sint-Jan Berchmansinstituut te Zonhoven van 23 augustus 2017 om het aan Cedric Camerman toegekende oriënteringsattest C te handhaven.
De verzoekende partij vordert tevens dat de Raad van State een “hervormingsbeslissing” zou nemen.
IX-9139-1/9
II. Verloop van de rechtspleging
2. Eerste auditeur-afdelingshoofd Diane Mareen heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟ en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 november 2017.
Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge-
bracht.
Advocaat Bart Knaeps, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Frank Goossens, die loco advocaat Luc Forier verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-
coördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. Tijdens het schooljaar 2016-2017 is verzoeker ingeschreven in het eerste jaar van de derde graad Latijn-wiskunde aan het Sint-Jan Berchmans-
instituut te Zonhoven.
IX-9139-2/9
Op 26 juni 2017 beslist de klassenraad hem een oriënteringsat-
test C toe te kennen en dit wegens een onvoldoende voor wiskunde (46%).
Nadat overleg niet resulteert in een nieuwe samenroeping van de klassenraad, stelt verzoeker beroep in bij het schoolbestuur. Onder meer wordt opgemerkt dat hij slechts één jaartekort heeft van 46%, dat een jaar overdoen geen pedagogische meerwaarde geeft omdat op de andere vakken geen tekorten zijn behaald, dat minstens één andere leerling in vergelijkbare omstandigheden wel is “gedelibereerd” en dat het resultaat voor het eindexamen wiskunde niet betrouw-
baar is wegens een black-out tijdens dit examen. Deze argumenten worden voor de beroepscommissie nog nader uitgewerkt in een nota, neergelegd ten behoeve van de hoorzitting.
Op 23 augustus 2017 beslist de beroepscommissie om het C-attest te handhaven.
IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
4. De verwerende partij heeft een stuk met opschrift „memorie van antwoord met betrekking tot het beroep tot schorsing‟ neergelegd, dat duidelijk is bedoeld een „nota met opmerkingen‟ te zijn in die schorsingsprocedure.
Na de ontvangst van het auditoraatsverslag heeft de verwerende partij daarenboven een stuk „memorie van antwoord met betrekking tot het verzoek tot hervorming‟ neergelegd. In de kortedebattenprocedure is niet voorzien in de mogelijkheid om een dergelijk stuk na kennisgeving van het auditoraatsverslag neer te leggen. Voor zover het de weergave is van het mondelinge pleidooi ter terechtzitting wordt het als loutere inlichting aan de Raad ontvangen.
IX-9139-3/9
V. Toepassing kortedebattenprocedure
A. Eerste middel
Uiteenzetting
5. Verzoeker steunt een eerste middel op de onregelmatige sa-
menstelling van de beroepscommissie. Hij merkt op dat de bestreden beslissing is ondertekend door vier leden, terwijl de commissie uit zes leden is samengesteld.
Beoordeling
6. De beroepscommissie is samengesteld uit zes leden, onder wie K.K. en C.V.
Verzoeker betwist niet dat de vier handtekeningen onder de bestreden beslissing geplaatst zijn door de overige vier leden van de beroeps-
commissie. Twee leden, K.K. en C.V., hebben de beslissing niet ondertekend en hebben, zo blijkt uit de verklaring van de verwerende partij, evenmin aan de be-
raadslaging en de besluitvorming deelgenomen.
Hieruit volgt dan, dat de beslissing is genomen door vier van de zes leden van de beroepscommissie. Dit is alleszins een meerderheidsquorum.
Verzoeker laat na enige bepaling aan te voeren op grond waar-
van het de commissie verboden is om met vier van haar zes leden geldig te be-
raadslagen en te beslissen.
7. Het middel wordt verworpen.
IX-9139-4/9
B. Tweede en derde middel
Standpunt van de partijen
8. In een tweede middel voert verzoeker onder meer de schending aan van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟.
Hij wijst erop dat hij zowel schriftelijk, als mondeling op de hoorzitting, uitvoerig heeft geargumenteerd. Op die argumenten volgt in de be-
streden beslissing geen antwoord.
In een derde middel voegt verzoeker daaraan toe dat hij slechts één tekort heeft behaald. De beroepscommissie heeft niet enkel nagelaten rekening te houden met zijn argumenten, zij gaat er ook aan voorbij dat zij zich overeen-
komstig artikel 115/6 van de Codex Secundair Onderwijs en artikel 5, § 5, van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 „betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs‟ (het organisatiebesluit) moet laten leiden door alle relevante gegevens uit het leerlingendossier en dus niet enkel door het resultaat van één vak.
9. De verwerende partij citeert de motivering van de bestreden beslissing, die volgens haar afdoende is. Volgens de verwerende partij ligt de motivering van het al dan niet slagen in de eerste plaats besloten in de behaalde punten. De verwerende partij gaat voorts in op de resultaten – examens en dage-
lijks werk – voor wiskunde om toe te lichten waarom het ene jaartekort in deze zaak het toegekende attest vermag te verantwoorden.
Beoordeling
10.1. Het is nuttig enkele weerkerende beginselen uit de rechtspraak van de Raad van State in herinnering te brengen.
IX-9139-5/9
10.2. Uit artikel 5, § 5, van het organisatiebesluit leidt de Raad van State volgens vaste rechtspraak af dat de delibererende klassenraad bij het nemen van evaluatiebeslissingen over leerlingen, steeds rekening moet houden met álle elementen van het leerlingendossier.
In die bepaling wordt enkel gewag gemaakt van de delibere-
rende klassenraad en ontbreekt formeel een overeenstemmende bepaling voor de beroepscommissie. Evenwel kan moeilijk worden aanvaard, dat de beroepscom-
missie, die over dezelfde beslissingsmacht beschikt als de delibererende klassen-
raad, haar beslissing niet zou moeten steunen op alle gegevens van het leerlin-
gendossier.
Zo niet op grond van artikel 5, § 5, van het organisatiebesluit, dan toch op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiverings-
plicht mag van de beroepscommissie verwacht worden dat zij – net als de delibe-
rerende klassenraad die dat vóór haar heeft gedaan – haar beslissing steunt op alle nuttige gegevens van het leerlingendossier. Dat betekent dat de beroepscommissie niet alleen rekening moet houden met de resultaten die onvoldoende zijn, maar ook met de resultaten voor de andere vakken of vakonderdelen, met de evolutie van deze resultaten, met eventueel tijdens het jaar opgelegde remediëringsmaatregelen, eventueel met de inzet van de leerling, met het medisch dossier van de leerling of met andere relevante gegevens eigen aan de betrokken leerling.
10.3. Een beroepscommissie is niet verplicht om op alle grieven en opmerkingen afzonderlijk te reageren. Het volstaat dat in de beslissing de motieven worden opgenomen die de beslissing afdoende kunnen dragen.
Het bestaan en de zin van de georganiseerde administratieve beroepsprocedure vereisen wel dat de beroepsinstantie laat blijken met het be-
roepschrift zorgvuldig rekening te hebben gehouden en dat de bezwaarindiener een antwoord krijgt op bezwaren die voor de leerling blijkens zijn beroepschrift van
IX-9139-6/9
wezenlijk belang zijn en die, mochten ze wel in aanmerking zijn genomen, een voor hem gunstiger evaluatiebeslissing konden opleveren.
10.4. Nog volgens vaste rechtspraak moet een delibererende klas-
senraad casu quo de beroepscommissie in een geval als het voorliggende, waarbij de leerling slechts voor één vak een jaartekort optekent, extra zorgvuldig te werk gaan en bij het toekennen van een C-attest de zeer specifieke redenen in de moti-
vering van de beslissing optekenen.
11. In de huidige zaak oordeelt de beroepscommissie het volgende:
“Gezien er geen nieuwe feiten werden aangebracht die een wijziging van het attest rechtvaardigen en gezien de leerplandoelstellingen van het pakket wiskunde (6 uur) onvoldoende bereikt zijn om naar het 6de jaar over te gaan, is de beroepscommissie dan ook van oordeel om het C-attest te handhaven.”
12. De Raad van State zal even ad rem zijn in zijn beoordeling: deze ene volzin is als motivering een aanfluiting van al de zo-even in herinnering ge-
brachte beginselen die een beroepscommissie moeten leiden bij het formuleren van een zorgvuldig afgewogen evaluatiebeslissing, gesteund op een eigen, autonome beoordeling van al de relevante feiten van het leerlingendossier.
Uit niets blijkt dat de beroepscommissie de verschillende ar-
gumenten van verzoeker bij haar beoordeling heeft betrokken. Zo zij deze niet bijvalt, staat het aan de commissie uitdrukkelijk aan te geven waarom zij het anders ziet.
Indien de examencijfers van het eindexamen door verzoeker niet valide worden genoemd, mag hij daarop een antwoord verwachten. Ook als die cijfers betrouwbaar zijn, merkt verzoeker niet onterecht op dat hem slechts één tekort wordt verweten, wat de beroepscommissie moet aanzetten tot een extra zorgvuldig onderzoek, wat veruitwendigd moet worden in een specifieke motive-
ring.
IX-9139-7/9
Op dit vlak is de beroepscommissie schromelijk tekort-
geschoten. Haar zo al korte motivering daarenboven steunen op het vermeend ontbreken van nieuwe feiten is zelfs de negatie van de volheid van beslissings-
macht waarover zij beschikt.
13. Met de inhoudelijke argumenten in de nota met opmerkingen mag de Raad van State geen rekening houden: niet enkel zijn ze post factum uit-
geschreven door de verwerende partij, uit niets blijkt vooralsnog dat ze aan de beroepscommissie kunnen worden toegeschreven.
14. De besproken middelen zijn gegrond. Terecht heeft het audito-
raat voorgesteld dat de zaak met een kort debat kan worden opgelost.
VI. Vordering tot schorsing
15. De hierna uit te spreken nietigverklaring van de bestreden be-
slissing heeft tot gevolg dat de door verzoeker ingediende vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing geen voorwerp meer heeft.
VII. Hervorming
16. Op de vraag van verzoeker om hem “bij wijze van hervorming”
een A-attest toe te kennen en om hem te machtigen zich in te schrijven voor het tweede jaar van de derde graad Latijn-wiskunde met zes uur wiskunde, mag de Raad niet ingaan.
Een dergelijke vraag tot “hervorming” is niet in te passen in de bevoegdheid van de Raad van State tot nietigverklaring van administratieve rechtshandelingen.
Voor zover verzoeker zou alluderen op de bevoegdheid van de Raad van State om zijn arrest met toepassing van artikel 36, § 1, tweede lid, van de
IX-9139-8/9
gecoördineerde wetten op de Raad van State in de plaats te stellen van de nieuw te nemen beslissing, zij opgemerkt dat de gegrond bevonden middelen thans niet inhouden dat de verwerende partij gebonden is om aan verzoeker een A-attest toe te kennen.
BESLISSING
1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de beroepscommissie van het Sint-Jan Berchmansinstituut te Zonhoven van 23 augustus 2017 om het aan Cedric Camerman toegekende oriënteringsattest C te handhaven.
2. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing en het verzoek tot “hervorming”.
3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsver-
goeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 7 november 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.
De griffier De voorzitter
Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren
IX-9139-9/9
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.788