Court dismisses appeal against land subdivision committee decision regarding access road allocation to neighboring property.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Court of State rejected the applicants' challenge to the land subdivision committee's refusal to allocate an access road over a neighboring property. The applicants argued that a new road would deprive them of their best land, while the committee had previously rejected a similar proposal for a different access route. The court found the applicants failed to prove the committee's reasoning was insufficient, noting they ignored a prior offer that was lawfully declined.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 26 and 34 of the Land Subdivision Act of 22 July 1970; A land subdivision committee's decision to deny an access road over a neighboring property is valid if the applicant has previously rejected a similar offer and fails to demonstrate the current reasoning is inadequate.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Xe KAMER
nr. 239.783 van 7 november 2017
in de zaak A. 219.074/X-16.595.
In zake : 1. Maria MATTHEUSSEN
2. Marc BOLCKMANS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Mallien kantoor houdend te 2000 Antwerpen Meir 24
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
1. het RUILVERKAVELINGSCOMITÉ ZONDEREIGEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Rudi Van Gompel en Manuel Huygaerts kantoor houdend te 2360 Oud-Turnhout Dorp 8
bij wie woonplaats wordt gekozen 2. de VLAAMSE OMBUDSMAN
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 22 april 2016, strekt tot de nietigverklaring van :
1° de beslissing van het ruilverkavelingscomité Zondereigen van 11 februari 2016 houdende “het vaststellen van de plannen en lijsten zoals bedoeld in de artt. 26 en 34, §§ 1, 2 en 3 van de Ruilverkavelingswet van 22 juli 1970”;
2° de beslissing van het ruilverkavelingscomité Zondereigen van 11 februari 2016 tot het vaststellen van de plannen en lijsten zoals bedoeld in artikel 34, 4°
en 5° van de wet van 22 juli 1970 „op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet‟;
3° de beslissing van de Vlaamse ombudsman om “een voorafgaande klacht aan deze procedure van 14 maart 2016 „niet langer te behandelen‟, meegedeeld per e-mail van 22 maart 2016”.
X-16.595-1/14
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend.
Auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld.
Verzoekers en de eerste verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2017.
Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Elias Van Gool, die loco advocaat Pascal Mallien verschijnt voor verzoekers, en advocaat Rudi Van Gompel en secretaris Filip Debrabandere, die verschijnen voor de eerste verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. De verzoekers hebben een landbouwbedrijf, gelegen te Hoogstraten (Wortel), Staakheuvel 7. De eerste verzoeker is vruchtgebruiker en de tweede verzoeker is pachter/naakte eigenaar van 1/4de van gronden gelegen rondom hun landbouwbedrijf. Die gronden maken deel uit van de ruilverkaveling Zondereigen.
X-16.595-2/14
3.2. Op 23 december 2010 dient het ruilverkavelingscomité bij de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar een aanvraag in voor een stedenbouwkundige vergunning voor het “uitvoeren van werken in het kader van de ruilverkaveling Zondereigen”. Op 15 juni 2011 wordt de stedenbouwkundige vergunning, onder voorwaarden, verleend. Uit de bouwplannen blijkt dat een nieuwe weg zal worden aangelegd die loopt over een klein deel van de zuidkant van de eigendom van de verzoekers. De plannen tonen eveneens een bestaande waterloop op de perceelsgrens waarvan een deel van het tracé noordwaarts wordt verlegd op de gronden van de verzoekers, evenwijdig met de nieuwe wegenis, waarbij een deel van de bestaande waterloop (gracht) wordt gedempt. Bij arrest van 10 juli 2012 vernietigt de Raad voor Vergunningenbetwistingen deze vergunning.
3.3. Over de plannen en lijsten vermeld in artikel 26 en artikel 34, 1°, 2° en 3° van de wet van 22 juli 1970 „op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet‟ (hierna: de ruilverkavelingswet) wordt van 21 september 2015 tot 21 oktober 2015 een openbaar onderzoek georganiseerd.
3.4. Op 19 oktober 2015 formuleert de tweede verzoeker een mondeling bezwaar in het kader van artikel 26 en artikel 34, 1°, 2° en 3° van de ruilverkavelingswet, naar aanleiding waarvan hij ook een document indient. Op dezelfde datum dienen de verzoekers een bezwaarschrift in bij het ruilverkavelingscomité.
3.5. Op 11 februari 2016 beslist het ruilverkavelingscomité om (1)
de plannen en lijsten, voorzien in de artikelen 26 en 34, 1°, 2° en 3° van de ruilverkavelingswet vast te stellen en neer te leggen op de zetel van het ruilverkavelingscomité en om (2) de plannen en lijsten voorzien in artikel 34, 4°
en 5° van de ruilverkavelingswet vast te stellen en neer te leggen op de zetel van het ruilverkavelingscomité. Dit zijn respectievelijk de eerste en de tweede bestreden beslissing.
X-16.595-3/14
3.6. In een brief van 14 maart 2016, gericht aan de Vlaamse ombudsdienst, formuleren de verzoekers een klacht jegens het ruilverkavelingscomité. De brief vermeldt dat de klacht betrekking heeft “op de wijze waarop het Ruilverkavelingscomité Zondereigen de bezwaren heeft behandeld van de [tweede verzoeker] met betrekking tot de toebedeling van de kavels overeenkomstig art. 35 van de ruilverkavelingswet”.
3.7. In een e-mailbericht van 22 maart 2016 antwoordt de Vlaamse ombudsman aan de raadsman van verzoekers wat volgt:
“Namens uw cliënten-verzoekers, Matheussen-Bolckmans, vraagt U per brief van 14 maart 2016 – ontvangstdatum 15 maart 2016, om mijn bemiddelend optreden inzake een klacht over de handelingen en de werking van de Vlaamse Landmaatschappij (VLM), meer bepaald inzake de beslissing van het Ruilverkavelingscomité “Zondereigen” dd. 11 februari 2016 tot het vaststellen van de plannen en lijsten van de herverkaveling.
Ik heb uw vraag de voorbije dagen onderzocht, maar ik beslis vandaag om uw klacht niet langer te behandelen, aangezien mijn bemiddelingskansen te zeer gehypothekeerd worden, door teveel overlapping met lopende gerechtelijke procedures, waar u overigens telkens zelf aantreedt als raadsman.
[…]”
Dit betreft de derde bestreden beslissing.
IV. Rechtsmacht
Standpunt van de partijen
4.1. De tweede verwerende partij werpt tegen dat de Raad van State onbevoegd is om enig toezicht uit te oefenen op de derde bestreden beslissing.
4.2. De verzoekers zijn het niet eens met deze exceptie. Zij stellen dat de “ombudsman” “expressis verbis” wordt vermeld in artikel 14, § 1, 2°, [RvS-wet], weze het voor beslissingen met betrekking tot de overheidsopdrachten en leden van zijn personeel”. Dit laatste houdt volgens hen evenwel “niet in dat de Raad van State [...] niet bevoegd zou zijn voor andere beslissingen van de
X-16.595-4/14
Vlaamse Ombudsman […] in het bijzonder wanneer zijn beslissing van niet-
tussenkomst op geen enkele wijze is gemotiveerd”.
Beoordeling
5.1. Artikel 14, § 1, eerste lid, RvS-wet bepaalt:
“Indien het geschil niet door de wet aan een ander rechtscollege wordt toegekend, doet de afdeling uitspraak, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen :
1° van de onderscheiden administratieve overheden;
2° van de wetgevende vergaderingen of van hun organen, daarbij inbegrepen de ombudsmannen ingesteld bij deze assemblees, van het Rekenhof en van het Grondwettelijk Hof, van de Raad van State en de administratieve rechtscolleges evenals van organen van de rechterlijke macht en van de Hoge Raad voor de Justitie, met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel, evenals de aanwerving, de aanwijzing, de benoeming in een openbaar ambt of de maatregelen die een tuchtkarakter vertonen.”
5.2. Luidens artikel 2, eerste lid, van het decreet van 7 juli 1998
„houdende instelling van de Vlaamse Ombudsdienst‟ “bestaat bij het Vlaams Parlement een Vlaams ombudsman voor de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest”.
5.3. Artikel 3, § 1, eerste alinea, 1°, van het voormelde decreet kent aan de Vlaamse ombudsman de opdracht toe om “klachten te onderzoeken over de handelingen en de werking van de bestuursinstanties van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest en daarbij bemiddelend op te treden”.
5.4. De derde bestreden beslissing (randnummer 3.7) kadert binnen de voormelde bevoegdheid van de Vlaamse ombudsman en heeft geenszins betrekking op de door artikel 14, eerste lid, 2° bedoelde beslissingen van een ombudsman ingesteld bij een wetgevende vergadering, te dezen het Vlaams Parlement, “met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van [zijn]
X-16.595-5/14
personeel, evenals de aanwerving, de aanwijzing, de benoeming in een openbaar ambt of de maatregelen die een tuchtkarakter vertonen”.
5.5. De Raad van State is dan ook onbevoegd om van de derde bestreden beslissing kennis te nemen. Het betoog van de verzoekers dat de derde bestreden beslissing “op geen enkele wijze is gemotiveerd”, vermag daaraan geen afbreuk te doen.
5.6. De exceptie is gegrond. Onder “de bestreden beslissingen”
worden hierna enkel de eerste en de tweede bestreden beslissingen begrepen.
V. Ontvankelijkheid
6.1. De eerste verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het beroep vanwege een gebrek aan samenhang en belang.
6.2. Aangezien, zoals hierna blijkt, het beroep hoe dan ook geen gegronde middelen bevat, komt een onderzoek van de excepties overbodig voor.
VI. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
7.1. De verzoekers roepen in een eerste middel de schending in van artikel 35, derde lid, van de ruilverkavelingswet.
De verzoekers zetten uiteen dat zij op ontvankelijke wijze een bezwaar hebben ingediend tegen de toedeling van de gronden. Zij betogen dat de commissie van advies op voorstel van het secretariaat van het ruilverkavelingscomité heeft voorgesteld om de bestaande duiker in de vroegere
X-16.595-6/14
bedding van de Staakheuvelse Loop ter hoogte van de noordwestelijke hoek van kavel 10104 dieper te steken. Het ruilverkavelingscomité gaat evenwel niet akkoord met dat advies en beslist om in 2017 de lokale situatie te evalueren. Deze beslissing is volgens de verzoekers genomen met schending van artikel 35, derde lid, van de ruilverkavelingswet, dat voorschrijft dat het ruilverkavelingscomité iedere belanghebbende moet oproepen om te horen indien het comité het niet eens is met het gunstig advies van de commissie van advies betreffende een of meer bezwaren van die belanghebbende. Aldus heeft het ruilverkavelingscomité ook niet in de nodige maatregelen voorzien opdat er daadwerkelijk sprake kan zijn van een ruilverkaveling waarbij de oude en de nieuwe kavels op vlak van waarde en gebruiksmogelijkheid aan elkaar gelijk zijn.
7.2. De verzoekers stellen in hun memorie van wederantwoord dat het gegeven dat de “eerste verzoeker in zijn overgemaakt bezwaar, of althans hoe dit door de aangestelden van het Ruilverkavelingscomité is neergeschreven, niet specifiek de duiker aanhaalt als term, […] het Ruilverkavelingscomité zelf geenszins [ontslaat] van haar wettelijke verplichting om de hoorplicht na te leven [...]”. Het verweer van het ruilverkavelingscomité dat zij de voorgestelde maatregel niet zou hebben afgewezen maar slechts de behandeling ervan zou hebben uitgesteld, “miskent” volgens de verzoekers “de feiten en vormt een volledige omzeiling van de door de wetgever voorgeschreven hoorverplichting”.
Volgens de verzoekers blijven zij in de kou staan en zijn hun belangen niet echt beschermd.
7.3. De verzoekers voegen in hun laatste memorie nog toe dat B.T.
door hen werd aangesteld om een onderhandelde oplossing te vinden met het ruilverkavelingscomité, maar dat een dergelijke oplossing tot op heden nog niet werd gevonden. Zij menen dat de voorgestelde regeling in verband met de verlaging van de duiker een oplossing in het kader van het bezwaar was, “zodat men geenszins kan stellen dat het voorstel an sich niet in het bezwaar zelf was geformuleerd”.
X-16.595-7/14
Beoordeling
8.1. In zoverre de verzoekers eerst in hun memorie van antwoord een schending van de hoorplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur aanvoeren, is dit laattijdig en is het middel onontvankelijk.
8.2. Overeenkomstig artikel 35, derde lid, van de ruilverkavelingswet dient een belanghebbende te worden opgeroepen om te worden gehoord indien “het comité het niet eens [is] met het gunstig advies van de commissie van advies betreffende een of meer bezwaren van een belanghebbende”.
8.3. In het bezwaarschrift van de tweede verzoeker wordt de volgende eindbemerking gemaakt:
“Over het algemeen is de waterhuishouding van de Ruilverkaveling Zondereigen op Staakheuvel helemaal mis gelopen. Water kan niet omhoog vloeien! De stukken grond voor natuur (ven...) zijn in deze ruilverkaveling superieur behandeld i.p.v. de landbouwgrond.”
Met betrekking tot deze algemene eindbemerking stelt het secretariaat bij het ruilverkavelingscomité onder meer het volgende voor:
“[…]
Tevens stelt het secretariaat voor om de bestaande duiker in de vroegere bedding van de Staakheuvelse Loop t.h.v. de noordwestelijke hoek van kavel 10104 dieper te steken.
Hierdoor kunnen de kavels van deze laagte (kavels 10100, 10101, 10102, 100104, 10112, 10113) ook via de vroegere Staakheuvelse Loop afwateren naar de nieuwe Staakheuvelse Loop.”
Met betrekking tot het voorstel van het secretariaat aangaande de verdieping van de bestaande duiker verleent de commissie van advies het volgende advies:
“De commissie gaat akkoord met het voorstel om de bestaande duiker in de vroegere bedding van de Staakheuvelse Loop t.h.v. de noordwestelijke hoek van kavel 10104 dieper te steken (herneming Eindbemerking).”
X-16.595-8/14
Het ruilverkavelingscomité zelf beslist finaal het volgende:
“Het ruilverkavelingscomité gaat niet akkoord met het advies van de commissie om de duiker in de noordwestelijke hoek van kavel 10104 dieper te leggen. Deze maatregel was nl. voorzien om verdroging van het langsliggende natuurgebied te voorkomen.
Het ruilverkavelin[g]scomité stelt voor om de periode tot aan de eerste neerlegging van de kostenomslag (in 2017) te gebruiken om de lokale situatie te evalueren. Als er dan nog wateroverlast is, kan vooralsnog beslist worden om deze duiker te verdiepen.”
8.4. Uit het voormelde blijkt dat het bezwaarschrift van de tweede verzoeker niet concreet betrekking heeft op de vraag om de duiker van kavel 10104 dieper te steken, maar dat dit laatste een eigen voorstel van het secretariaat van het ruilverkavelingscomité betreft, waarmee de commissie van advies vervolgens akkoord gaat. Aldus is het ruilverkavelingscomité het niet oneens met een gunstig advies van de commissie van advies over een concreet bezwaar van de verzoekers, en ligt geen schending van de door artikel 35, derde lid, van de ruilverkavelingswet voorziene hoorplicht voor.
8.5. Daarenboven moet worden vastgesteld dat het secretariaat op 30 november 2015 B.T. heeft gehoord, die volgens de verzoekers in hun laatste memorie zelf door hen “werd aangesteld […] om een onderhandelde oplossing te vinden met het Ruilverkavelingscomité Zondereigen”, en dat het ruilverkavelingscomité het idee om de duiker te verdiepen niet geheel ongenegen is, maar er enkel een voorwaarde aan verbindt: voorgesteld wordt om de periode tot aan de eerste neerlegging van de kostenomslag (in 2017) te gebruiken om de lokale situatie te evalueren.
8.6. Gelet op wat voorafgaat, wordt geen schending van artikel 35, derde lid, van de ruilverkavelingswet aangetoond.
8.7. Het middel is, in zoverre ontvankelijk, ongegrond.
X-16.595-9/14
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
9.1. De verzoekers roepen in een tweede middel de schending in van de materiëlemotiveringsplicht juncto het proportionaliteits- en zorgvuldigheidsbeginsel, als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
De verzoekers betogen te hebben aangeklaagd dat hun terreinen niet zijn opgehoogd, respectievelijk geëgaliseerd, en dat er in een nuttige toegangsweg zou moeten voorzien worden in het kader van de nieuw aangelegde wegenis. De redenen die het ruilverkavelingscomité inroept om niet aan die verzuchtingen tegemoet te komen, zijn volgens de verzoekers ongehoord.
Volgens hen steunt het ruilverkavelingscomité op drogredenen.
Volgens de verzoekers wordt door de verwerende partij manifest foutief voorgehouden dat het niet-verhogen van de terreinen te wijten is aan het wederrechtelijk weigeren aan het ruilverkavelingscomité om werken uit te voeren. Deze onwettige motivering stellen de verzoekers gelijk met een gebrek aan motivering. Zij menen dat zij zich op een wettige wijze hebben verzet tegen het uitvoeren van onwettige werken op hun percelen, en dat zij in het gelijk werden gesteld door de Raad voor Vergunningsbetwistingen, de Raad van State als cassatierechter en het hof van beroep te Antwerpen.
Ook de motivering aangaande de toegangsweg tot kavel nr. 7
achten de verzoekers gebrekkig. Zij voeren aan dat het een en ander te wijten is aan het chronologisch verloop van de administratieve procedure. Eerst heeft het ruilverkavelingscomité besloten om in de nodige infrastructuurwerken te voorzien en pas nadien werd gediscussieerd over de toedeling van de kavels.
Thans is er nood aan andere wegen dan deze die aanvankelijk werden voorzien en moet worden vastgesteld dat perfect had kunnen worden voorzien in een erfdienstbaarheid of toegangsweg tot kavel 7.
X-16.595-10/14
9.2. De verzoekers stellen in hun memorie van wederantwoord dat het verweer van het ruilverkavelingscomité dat de bewuste werken vrijgesteld zijn van vergunningsplicht, niet kan bijgetreden worden. Daarnaast kunnen de wettigheidsbezwaren tegen de wijze van uitvoering van de werken volgens de verzoekers niet volstaan om hen substantieel te benadelen door de ophoging van hun grond te weigeren. Zij betogen dat de evenredigheidstoets inhoudt “dat het bestuur geen mug met een kanon mag bestrijden” en vereist dat het bestuur een wettig doel nastreeft.
9.3. De verzoekers voegen in hun laatste memorie nog toe dat “[h]et PV van vaststelling van gerechtsdeurwaarder Jan Weyns van 23 januari 2017 […]
voldoende in concreto aan[toont] dat het bezwaar aangaande kavel 3 niet ernstig is genomen, evenals – weliswaar in mindere mate – het bezwaar voor kavel 7”.
Beoordeling
10.1. Terecht werpt de eerste verwerende partij tegen dat de verzoekers in hun verzoekschrift niet aangeven waarin de schending van het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel precies bestaat. In zoverre is het middel onontvankelijk.
10.2. De materiëlemotiveringsplicht verplicht de overheid om de pertinentie van de tijdens het openbaar onderzoek aangevoerde bezwaren te onderzoeken, voor zover deze bezwaren verband houden met de doelstellingen van de ruilverkavelingsregelgeving. De bezwaarindiener moet in de motivering een afdoende antwoord terugvinden op zijn bezwaren en opmerkingen.
10.3. Het bezwaar betreffende het niet ophogen van verzoekers‟ kavel nr. 3 luidt:
“3. Kavel 3 (achter de boerderij).
In het begin van de ruilverkaveling zijn er beloftes aan mij gedaan dat deze grond werd opgehoogd om te kunnen draineren. Er is een nieuwe sloot gemaakt: aan één kant staat deze vol water, aan de andere kant (waar het in de hoofdloop zou moeten vloeien) staat ze leeg. Het water kan niet weg!”.
X-16.595-11/14
Uit de formulering van dit bezwaar blijkt dat de verzoekers een ophoging van hun grond nastreven in functie van de drainering ervan.
In hun verzoekschrift gaan de verzoekers eraan voorbij dat het secretariaat van het ruilverkavelingscomité bij de behandeling van dat bezwaar heeft opgemerkt dat de gegraven kavelsloot “nog verlegd [dient] te worden ten gevolge van bezwaar SB 37 (werken)” en dat “[n]a heraanleg en adequaat onderhoud [...] dit bezwaar [zal] opgelost zijn”. De commissie van advies heeft vervolgens kennis genomen van het gegeven dat de vermelde kavelsloot nog zal verlegd worden, en het ruilverkavelingscomité heeft finaal geoordeeld “dat de heraanleg van vermelde kavelsloot samen met een aangepast en operationeel beekbeheer de waterafvoer van de laagste kavels in Staakheuvel zullen verbeteren”.
De verzoekers gaan in hun verzoekschrift niet op de voormelde beoordeling in, en maken aldus niet aannemelijk dat de motivering aangaande de nagestreefde ophoging van hun percelen gebrekkig zou zijn.
10.4. Het bezwaar aangaande de toegankelijkheid van verzoekers‟ kavel nr. 7 luidt:
“5. Kavel 7: Ik kan hier niet geraken met tractor en landbouwmachines, want er is geen wegenis naartoe. VLM zegt dat ik over eigen grond wegenis moet voorzien. Dit is absurd, want er is aan de andere kant van mijn bedrijf een nieuwe weg aangelegd door de VLM die voor de eerste 800 m door geen enkele landbouwer gebruikt wordt om toegang tot z‟n grond te hebben. Daardoor ben ik een deel van mijn beste grond kwijt. Ik zou over mijn eigen grond wegenis moeten leggen, terwijl er langs het bos (natuur)
een dienstweg lag. Graag een oplossing hiervoor”.
Het secretariaat heeft met betrekking tot dit bezwaar de volgende toelichting gegeven:
“Voor ruilverkaveling lag er een erfdienstbaarheid in puin/steenslag langs het bedrijf van Bolckmans over kadastrale percelen Hoogstraten, 5de afdeling, sectie B, nrs. 464a en 464b naar kadastraal perceel nr. 463. Mits aanleg van een perceelsovergang had deze servitude ook dienstig kunnen zijn voor de ontsluiting van het noordelijk deel van kavel 10102. Marc Bolckmans heeft het ruilverkavelingscomité evenwel uitdrukkelijk verzocht
X-16.595-12/14
deze servitude op te ruimen, omdat dit puin in het verleden niet door hem zou zijn gestort. Het ruilverkavelingscomité is op zijn verzoek ingegaan.
Op het kadasterplan is trouwens geen erfdienstbaarheid aangeduid over kavels 10100 (kadastrale percelen nrs. 459 en 460) of 10901 (kadastraal perceel nr. 327b).
Bovendien deed het secretariaat hem in het verleden reeds een voorstel om een strook (van 4m breedte) in het noorden van kavel 10100 in eigendom toe te delen ter ontsluiting van zijn kavel 10102. Hij heeft dit voorstel toen geweigerd.
Het secretariaat stelt voor om de neergelegde toedeling niet aan te passen en geen ontsluiting te voorzien over een aanpalende eigendom.”
De commissie van advies heeft vervolgens geadviseerd “om geen ontsluiting te voorzien over een aanpalende eigendom” en het ruilverkavelingscomité heeft beslist “om de toedeling niet aan te passen en om geen ontsluiting te voorzien over een aanpalende eigendom”.
De verzoekers gaan in hun verzoekschrift niet in op het argument dat de tweede verzoeker niet is ingegaan op een eerder voorstel om een strook in het noorden van kavel 10100 in eigendom toe te delen ter ontsluiting van kavel 10102. Door met betrekking tot dit punt enkel te verwijzen naar het chronologisch verloop, zonder concreet op dit motiveringsaspect in te gaan, maken de verzoekers niet aannemelijk dat de motivering niet afdoende is.
10.5. Het middel is, in zoverre ontvankelijk, ongegrond.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
11. De verzoekers roepen in een derde middel de schending in van de motiveringswet, in het bijzonder artikel 3 ervan, juncto artikel 14 van het decreet van 7 juli 1998 „houdende instelling van de Vlaamse Ombudsdienst‟.
Zij betwisten in dit middel de motivering van de derde bestreden beslissing.
X-16.595-13/14
Beoordeling
12. Gelet op het gestelde onder randnummer 5.4 is het middel onontvankelijk.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. Verzoekers worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de eerste verwerende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven november 2017, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier.
De griffier De voorzitter
Frank Bontinck Johan Lust
X-16.595-14/14
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.783