Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.732 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.732 Généré par l'IA

Court dismisses urgent suspension request in public tender dispute over subcontractor qualifications and bid calculations.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.732
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's urgent request to suspend the award of a public works contract to Putman Frères. The court found the applicant's arguments regarding subcontractor qualifications and bid calculations lacked the necessary seriousness to warrant intervention. Consequently, the suspension request was dismissed, and the applicant was ordered to pay legal costs to the defending party.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 100 § 1 and 101 § 1 of the Code of Administrative Justice; The court will not grant an urgent suspension request if the applicant's arguments are not sufficiently serious or if the public interest in the execution of the administrative act outweighs the alleged damage.

Mots-clés

Généré par l'IA
urgent suspension request public procurement tender subcontractor qualifications seriousness of arguments administrative justice code public works contract bid evaluation errors offre de travail

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 100 § 1 of the Code of Administrative Justice
Article 101 § 1 of the Code of Administrative Justice
Article 30/1 of the coordinated laws on the Council of State
Article 67, § 1 of the decree of the Regent of 23 August 1948
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER

nr. 239.732 van 31 oktober 2017

in de zaak A. 223.409/XII-8439

In zake: de NV STRUKTON RAIL

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carlos De Wolf kantoor houdend te 9680 Maarkedal Etikhovestraat 6

bij wie woonplaats wordt gekozen en eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Charlotte De Wolf

tegen:

de NV INFRABEL, naamloze vennootschap van publiek recht bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nathanaëlle Kiekens, Leopold Schellekens en Marie Van Den Langenbergh kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25

bij wie woonplaats wordt gekozen

Tussenkomende partij:

de NV ELECTRO TECHNIQUE ET MECANIQUE

PUTMAN FRERES

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christian Lepaffe kantoor houdend te 1180 Brussel Floridalaan 26

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 29 september 2017, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de

XII-8439-1/14

beslissing d.d. 12 september 2017 houdende gemotiveerde beslissing tot gunnen van een opdracht van werken – klein eiland: afwerking burgerlijke bouwkunde en uitrustingswerken (TR211330) (DOC/RB/2017/096) […] aan Putman Frères sa (Anderlecht) die in het kader van de open aanbestedingsprocedure, de laagste regelmatige offerte heeft ingediend voor een bedrag van € 9.855.008,05 (exclusief BTW)”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

Met een verzoekschrift van 9 oktober 2017 heeft de nv Electro Technique et Mécanique Putman Frères (hierna: nv Putman) gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2017, om 10.00 uur.

Kamervoorzitter Dierk Verbiest heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Carlos De Wolf, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaten Leopold Schellekens en Marie Van Den Langenbergh, die verschijnen voor de verwerende partij, en advocaat Bart Van Hyfte, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.

Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

XII-8439-2/14

III. Feiten

3.1. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht uit voor een aanneming van werken “TR211330 – Klein-Eiland: afwerkingen burgerlijke bouwkunde en uitrustingswerken”.

De gekozen gunningswijze is de open aanbesteding. Het betreft een opdracht in de speciale sector vervoer.

3.2. De opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen op 19 april 2017 en in het Publicatieblad van de Europese Unie op 22 april 2017.

In de aankondiging wordt het voorwerp van de opdracht als volgt omschreven:

“Dit project heeft hoofdzakelijk als doel alle werken uit te voeren die nodig zijn voor de verwezenlijking van de fasen vanaf de indienstname van de bypass L96A t.e.m. de aansluiting van de L50A aan de L96A. Dit omvat zowel de afwerkingen burgerlijke bouwkunde (grond- en beddingswerken, werken hydraulica) als de spoor-, bovenleidings- en seininrichtingswerken voor (niet-limitatieve oplijsting):

- de aanpassing van de spoorconfiguratie t.h.v. de zone van de Gerijstraat na het einde van de tweede fase van de renovatie van de brug:

o heraanleg van sporen A en B van L96A;

o heraanleg van de spoorverbindingen tussen bundel F en ingang bundels Vorst;

o verwijdering van bypass L96A en van de werfoverweg die op deze bypass zal worden aangelegd met het oog op de tweede fase van de renovatie van de brug van de Gerijstraat - de indienststelling van de nL50A van KP 1.3 tot KP 4.0:

o aansluiting van B-nL50A op B-L96A (KP 1.3);

o aansluiting van A-nL50A op A-L96A (KP 1.3);

o aanleg bedding + spoor A & B nL50A van KP 1.3 tot KP 2.2;

o aanleg A-nL50A van KP 2.2 tot KP 4.0

- spoorwerken: tussen 3.6 en 4.0 aanleg verbindingen 06 en 08 op L50A /

L50C

- bovenleidingswerken: tussen 2.2 en 4.0

o aanleg B-nL50A van KP 3.8 tot KP 4.0

- spoorwerken: aanleg verbinding 07 op L50A / L50C

- bovenleidingswerken: tussen 3.8 en 4.0

XII-8439-3/14

- de aanpassing van de wissels gelegen aan het uiteinde van de bundel F

(kant Gent) en de aanleg van de vereiste doodsporen - het afbreken van A-L50A1 en het aanbrengen van de nodige aanpassingen ter hoogte van A-L50C

- Verlengen perron 12 station Brussel-Zuid, kant binnenrooster - Sorteren/recycleren/wegvoeren verontreinigd uitgravingsmateriaal dat onder de viaduct L50C werd gestapeld - Restwerken L50C:

o O.a. ter hoogte van overkapping Vogelzang (dienstweg, valgevaar elimineren, veilige passage L50A/L50C, ...)”.

3.3. De uiterste datum voor het indienen van de offertes is 22 juni 2017 om 12u.

3.4. De verzoekende partij en de nv Putman dienen een offerte in, aan de volgende prijzen, btw niet inbegrepen:

- de nv Putman 9.955.008,05 euro;

- de nv Strukton Rail 12.486.151,72 euro.

3.5. Op 12 september 2017 neemt de raad van bestuur van de verwerende partij de thans bestreden beslissing om de opdracht te gunnen aan de nv Putman. Er wordt vastgesteld dat beide inschrijvers voldoen aan de eisen inzake toegangsrecht en aan de kwalitatieve selectiecriteria. Daaromtrent wordt vermeld dat zij beiden beschikken over de gevraagde erkenning in de categorie en de klasse die overeenstemt met het bedrag van hun offerte. Voorts worden hun offertes regelmatig verklaard. De finale rangschikking van de offertes ziet er na verbetering van de rekenfouten uit als volgt:

“

Inschrijvers Verbeterd bedrag van de offerte Reden van verschil 1 Putman Frères SA 9.955.008,05 EUR /

(Anderlecht)

2 Strukton Rail (Merelbeke) 12.486.148,88 EUR Afrondingsfout ”.

Er wordt dan ook beslist om de opdracht te gunnen aan de nv Putman.

XII-8439-4/14

3.6. Met een aangetekend schrijven en een e-mailbericht van 14 september 2017 worden de beide inschrijvers in kennis gesteld van de gunningsbeslissing.

3.7. Met een aangetekend schrijven van 21 september 2017 vraagt de verzoekende partij om bewijsstukken die aantonen dat de offerte van de gekozen inschrijver voldoet aan de vereisten wat de erkenning van aannemers betreft.

3.8. De verwerende partij antwoordt in een schrijven van 28 september 2017 dat de werken met betrekking tot hoofdstuk 7 (spoorwerken)

een belangrijkere waarde vertegenwoordigen dan de werken met betrekking tot hoofdstuk 8 (bovenleidingswerken) en dat derhalve een erkenning in de categorie H volstaat, waarover de gekozen inschrijver beschikt.

IV. Tussenkomst

4. De nv Putman blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg moet haar verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd.

V. Schorsingsvoorwaarden

5.1. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.

5.2. Te dezen is evenwel ook de wet van 17 juni 2013 „betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies‟ van toepassing.

XII-8439-5/14

Krachtens artikel 15, eerste lid, van die wet kan de uitvoering worden geschorst van de thans bestreden beslissing in aanwezigheid van een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid.

Overeenkomstig artikel 15, tweede lid, echter wordt de vordering tot schorsing voor de Raad van State uitsluitend ingesteld volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid.

Er dient te dezen dan ook enkel nog te worden onderzocht of minstens één ernstig middel wordt aangevoerd, dan wel een klaarblijkelijke onwettigheid aanwezig is, die de nietigverklaring van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden.

VI. Onderzoek van het enig middel

Uiteenzetting van het middel

6. De verzoekende partij voert in een enig middel onder “in rechte”

aan:

“Schending van artikel 3 juncto artikel 6 van de wet van 20 maart 1991

„houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken‟ (hierna: de wet van 20 maart 1991); van artikel 5, § 7, van het koninklijk besluit van 26

september 1991 „tot vaststelling van bepaalde toepassingsmaatregelen van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken‟ (hierna: het koninklijk besluit van 26 september 1991); schending van artikel 24 van de wet van 15 juni 2006; schending van artikel 73 van het koninklijk besluit van 16 juli 2012; schending van de materiële motiveringsplicht; schending van het gelijkheidsbeginsel en het transparantiebeginsel; schending van het beginsel „patere legem quam ipse fecisti‟; schending van het zorgvuldigheidsbeginsel”.

7. Onder “samenvatting van het middel” luidt het:

“Schending van artikel 3 juncto artikel 6 van de Wet van 20 maart 1991;

Schending van artikel 5, § 7 van het Koninklijk Besluit van 26 september 1991; de Wet van 15 juni 2006, schending van het transparantiebeginsel en het rechtsbeginsel „patere legem quam ipse fecisti‟;

XII-8439-6/14

Schending van artikel 24 van de Wet van 15 juni 2006 juncto artikel 73 van het Koninklijk Besluit van 16 juli 2012;

Schending van de materiële motiveringsplicht;

Schending van het gelijkheidsbeginsel en het transparantiebeginsel;

Schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, m.n. het beginsel „patere legem quam ipse fecisti‟ en het zorgvuldigheidsbeginsel.

Doordat, eerste onderdeel, Verwerende partij, door middel van de Bestreden Beslissing de Opdracht heeft gegund aan een inschrijver, Belanghebbende Partij, die, op basis van het goedgekeurde inschrijvingsbedrag, niet beschikt over de erkenning als aannemer, zoals vereist op grond van artikel 3 juncto artikel 6 van de Wet van 20 maart 1991 juncto artikel 5,§7 van het Koninklijk Besluit van 26 september 1991, m.n. een erkenning in categorie H2;

Terwijl, gegeven de procentueel grootste waarde van de werken betreffende de bovenleiding – die een erkenning in categorie H2 vereisen – de Opdracht als geheel een erkenning categorie H2 vereist in hoofde van de gekozen inschrijver; het door Verwerende Partij bij schrijven d.d. 28 september 2017

aangevoerde verweer dat bij het bepalen van de vereiste erkenningscategorie ook rekening moet worden gehouden met het materieel dat Verwerende Partij ter beschikking zal stellen voor de uitvoering van bepaalde onderdelen van de Opdracht en een aantal prestaties die in eigen beheer zullen worden uitgevoerd, kan niet worden bijgetreden omdat (i) aldus een invulling wordt gegeven aan het begrip „aannemingssom‟ dat niet overeenkomst met de inhoud van dit begrip zoals gehanteerd in een aantal artikelen van het Koninklijk Besluit van 14 januari 2013; en (ii) aldus aan een aanbestedende overheid, in casu Verwerende partij, de mogelijkheid wordt gegeven om, op een totaal discretionaire wijze, de invull[ing] en de toepassing van artikel 5,§7 van het Koninklijk besluit van 26 september 1991 aan te sturen, en aldus, met het terzijde stellen van de samenstelling van het goedgekeurde inschrijvingsbedrag, te bepalen onder welke categorie of ondercategorie de werken moeten worden gerangschikt;

bijgevolg schendt de Bestreden Beslissing, naast de bepalingen inzake de erkenning van aannemers, eveneens het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht;

Doordat, tweede onderdeel, Verwerende Partij, door middel van de Bestreden Beslissing, de Opdracht heeft gegund aan een inschrijver, Belanghebbende Partij, die niet beschikt over een erkenning als aannemer H2;

Terwijl randnummer 12.3.1. van het Bestek vereist dat, in toepassing van de wetgeving inzake de erkenning van aannemers, de opdrachtnemer of de eventuele onderaannemer belast met de uitvoering van de bovenleidingswerken minimaal beschikt over een erkenning categorie H2 en

XII-8439-7/14

in een klasse overeenstemmend met de totale offerteprijs van de werken die het voorwerp uitmaken van de posten van hoofdstuk 8 van de samenvattende opme[t]ing;

Doordat, derde onderdeel, nu Belanghebbende Partij niet beschikt over een erkenning H2, zoals door Verwerende Partij minstens impliciet bevestigd in haar schrijven dd. 28 september 2017, en deze inschrijver niet in staat is om op regelmatige wijze de aannemingswerken betreffende de Opdracht uit te voeren; Belanghebbende Partij beschikt volgens Verwerende Partij immers over een erkenning in categorie H;

Terwijl artikel 73 van het Koninklijk Besluit van 16 juli 2012, alsmede het gelijkheidsbeginsel en het transparantiebeginselen, die de basisbeginselen vormen van een eerlijke mededinging, in het gedrang zijn indien alsnog aan Belanghebbende Partij de mogelijkheid zou worden verleend om haar offerte te regulariseren, teneinde te voldoen aan de vereisten inzake de erkenning van aannemers;

Zodat Verwerende Partij artikel 3 van de Wet van 20 maart 1991 in samenhang met artikel 5, § 7 van het Koninklijk Besluit van 26 september 1996 schendt nu met de Bestreden beslissing de Opdracht wordt gegund aan een inschrijver die niet beschikt over de voor de uitvoering van de Opdracht vereiste erkenning in categorie H2;

Zodat de Bestreden Beslissing ook het patere legem-beginsel schendt, nu, onder de vorm van een bijzondere voorwaarde, het bestek vereist dat de opdrachtnemer of onderaannemer, belast met de uitvoering van de bovenleidingwerken, over een erkenning in categorie H2 dient te beschikken, wat prima facie niet het geval is wat betreft Belanghebbende Partij;

Zodat, tenslotte de Bestreden Beslissing artikel 24 van de Wet van 15 juni 2006 schendt, nu de Opdracht niet wordt gegund aan de inschrijver die de laagste regelmatige offerte heeft ingediend; minstens wordt artikel 73 van het Koninklijk Besluit van 16 juli 2012 geschonden en worden het gelijkheidsbeginsel en het transparantiebeginsel, die de basisbeginselen vormen van een eerlijke mededinging, ernstig aangetast indien alsnog, hangende de beslissing tot de sluiting van de opdracht, door Verwerende partij aan Belanghebbende Partij de mogelijkheid zou worden verleend om haar rechtspositie wat betreft de vereiste erkenning als aannemer te regulariseren in het licht van de aard en de omvang van de Opdracht alsmede de in het kader van de opdracht uit te voeren werken inzake de bovenleiding.”

XII-8439-8/14

Beoordeling

8. De aankondiging in het Bulletin der Aanbestedingen vereist onder “III.2.voorwaarden voor deelneming” van de inschrijvers: “De Belgische erkenning van aannemers van werken in de categorie H of H2, klasse 8” en onder “III.2.3) vakbekwaamheid”: “Klasse 8: meer dan 5.330.000 EUR, Categorie: H, H2”. Eenzelfde vereiste (“H,H2”) is vermeld in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Het bijzonder bestek met referentie TR211330 is van toepassing op deze opdracht. Het bestek bevat in deel 1 de volgende vereisten inzake erkenning:

“Voor de uitvoering van de opdracht is volgende Belgische erkenning van aannemers van werken nodig: categorie H of H2, klasse 8.

In functie van zijn toestand moet de inschrijver bij zijn offerte voegen:

- ofwel het bewijs van zijn erkenning in de categorie of ondercategorie hernomen hierboven en in de klasse die overeenstemt met het bedrag van zijn offerte;

- ofwel de documenten vereist in artikel 73, 2e alinea, 2° of 3° van het Koninklijk Besluit van 16 juli 2012.”

Voorts legt artikel 12 (“bijzondere uitvoeringsregels van de opdracht”) van deel 2 van het bestek nog bepaalde erkenningsvoorwaarden op in het kader van de uitvoering van de opdracht.

Wat de spoorwerken betreft, bepaalt artikel 12.2.1 aldus:

“12.2.1. erkenning de eventuele onderaannemer (of de opdrachtnemer indien hij de werken zelf uitvoert) belast met de uitvoering van de spoorwerken moet minimaal beschikken over een erkenning categorie H en in een klasse overeenstemmend met de totale offerteprijs van de werken die het voorwerp uitmaken van de posten van hoofdstuk (O.X.)7 van de samenvattende opmeting.”

Wat de bovenleidingswerken betreft, bepaalt artikel 12.3.1:

“12.3.1. Erkenning

XII-8439-9/14

De eventuele onderaannemer (of de opdrachtnemer indien hij de werken zelf uitvoert) belast met de uitvoering van de bovenleidingswerken moet minimaal beschikken over een erkenning categorie H2 en in een klasse overeenstemmend met de totale offerteprijs van de werken die het voorwerp uitmaken van de posten van hoofdstuk (O.X.)8 van de samenvattende opmeting.”

9. Artikel 5, § 7, van het in het middel geschonden geachte koninklijk besluit van 26 september 1991 „tot vaststelling van bepaalde toepassingsmaatregelen van de wet van 20 maart 1991 houdende de regeling van de erkenning van aannemers van werken‟ luidt:

“De categorie of ondercategorie waarin een aanneming die werken omvat die in verscheidene categorieën en/of ondercategorieën gerangschikt zijn, moet worden gerangschikt is die waartoe het gedeelte van het uit te voeren werk behoort waarvan het bedrag het grootste percentage van de aannemingssom vertegenwoordigt.

In geval de aanneming werken van verschillende aard omvat waarvan de relatieve belangrijkheid ongeveer gelijk is, mag zij gerangschikt worden in meerdere van de betreffende categorieën of ondercategorieën. De inschrijver dient evenwel slechts erkend te zijn in één van de voorgeschreven categorieën of ondercategorieën.”

Artikel 2 van het ministerieel besluit van 27 september 1991 „tot nadere bepaling van de indeling van de werken volgens hun aard in categorieën met betrekking tot de erkenning van de aannemers‟ specificeert de in de huidige zaak betrokken categorieën als volgt:

“H. Algemene aannemingen van spoorwegen.

De complexe opdrachten inzake het verwezenlijken van het spoorwegnet voor treinen, trams en metro‟s of industrieel transport per spoor, zoals: het leggen van funderingen, spoorstaven en bovenleidingen van spoorwegen.

H.1. Lassen van spoorstaven H.2. Plaatsen van stroomdraden”.

10. De verzoekende partij vertrekt in haar middel van het uitgangspunt, dat “de werken betreffende de bovenleiding” in het goedgekeurde inschrijvingsbedrag voor “de procentueel grootste waarde” van de opdracht instaan. Daaruit leidt zij af dat, omdat de werken betreffende de bovenleiding “een

XII-8439-10/14

erkenning in categorie H2 vereisen”, de gehele opdracht een erkenning categorie H2 vereist.

Aldus lijkt zij impliciet kritiek te geven op de aankondiging en het bestek die in de mogelijkheid voorzagen dat, naast een aannemer erkend voor categorie H2 ook aan een aannemer met erkenning H de opdracht mocht worden gegund, kritiek die zij voorafgaand aan haar inschrijving niet lijkt te hebben medegedeeld aan de verwerende partij. Deze houding relativeert het ernstig karakter van haar voormelde grief.

Dat uitgangspunt lijkt echter bovenal op een begripsverwarring te berusten tussen, eensdeels, het onderdeel van de opdracht “bovenleiding” dat in het hiervoor aangehaalde artikel 2 van het ministerieel besluit van 27 september 1991 formeel onder de erkenning H is begrepen, en, anderdeels, het plaatsen van stroomdraden, de enige activiteit vervat in de erkenning H2.

De verzoekende partij lijkt er in haar gehele argumentatie en in haar berekeningen van uit te gaan dat de erkenning H2 voor het geheel van de bovenleiding noodzakelijk is, hetgeen prima facie niet het geval is. Het plaatsen van stroomdraden lijkt slechts onderdeel van het plaatsen van bovenleidingen, zij het dat in het debat ter terechtzitting zulks door de partijen niet bijzonder goed is verduidelijkt.

Aldus zijn de berekeningen van de verzoekende partij van de relatieve waarde van de gehele bovenleiding tegenover hetgeen zij de “spoorwerken” noemt niet relevant om de onderscheiden aandelen van de opdracht inzake hun waarde te vergelijken. Om tot haar besluit te komen dat categorie H2

vereist is voor de gehele opdracht, lijkt de waarde van het plaatsen van stroomdraden en alleen van die activiteit te moeten worden vergeleken met hetgeen krachtens het aangehaalde ministerieel besluit een complexe opdracht is die onder meer het leggen van funderingen, spoorstaven en bovenleidingen omvat.

Het weze herhaald dat de verzoekende partij er niet toe komt om de waarde van het plaatsen van stroomdraden als afzonderlijk gegeven bij de waardebepaling te hanteren en het is niet aan de Raad van State om een dergelijke berekening te

XII-8439-11/14

verrichten in een procedure bij uiterst dringende omstandigheden waarin op de verzoekende partij een uitgesproken stelplicht rust.

Deze vaststellingen volstaan om het middel in zijn eerste twee onderdelen als niet ernstig aan te merken want deze lijken te steunen op een niet correcte invulling van het voorwerp van de erkenning H2.

11. Dit gebrek aan ernstig karakter kan niet worden verholpen door het prima facie gebrekkig doch overbodig verweer dat wordt gevoerd wat de berekening betreft van de voormelde relatieve waarde in zoverre eigen prestaties van de aanbestedende overheid, ten onrechte, zo lijkt, door haar mee in rekening worden gebracht om “het grootste percentage van de aannemingssom” vast te stellen.

12. De eerste twee middelonderdelen worden niet ernstig bevonden en bijgevolg dienen een aantal vragen die de partijen ter sprake brengen niet meer te worden onderzocht. Aldus de vraag in hoeverre de reeks bijzondere erkenningen, die in het bestek bij de uitvoeringsregels worden gevraagd zoals een erkenning H2, ook erkenningsvereiste voor de deelneming, reeds moeten worden onderzocht en eventueel in rekening gebracht bij de beslissing over die deelneming. Voorts de vraag of het volstaat dat een onderaannemer over die bijzondere erkenningen beschikt en of te dezen een dergelijke onderaannemer reeds bij de offerte diende te zijn bekend en zich te hebben verbonden.

13. Wat het derde middelonderdeel betreft, blijkt niet dat de verwerende partij de tussenkomende partij de mogelijkheid zou hebben verleend om haar offerte alsnog te regulariseren voorafgaand aan het sluiten van de opdracht.

Er lijkt in de huidige stand van de zaak dan ook geen grond om het derde middelonderdeel als ernstig aan te merken.

XII-8439-12/14

VII. Besluit en kosten

14. Het enig middel is niet ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dient dan ook te worden verworpen.

15. Er is te dezen grond om met toepassing van artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 67,§1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟, de verwerende partij de door haar gevraagde basisrechtsplegingsvergoeding van 700 euro toe te kennen, nu zij door de verwerping van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid als de in het gelijk gestelde partij dient te worden beschouwd.

BESLISSING

1. Het verzoek van de nv Electro Technique et Mécanique Putman Frères tot tussenkomst wordt ingewilligd.

2. De Raad verwerpt de vordering.

3. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verwerende partij.

De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op een rolrecht van 150 euro.

XII-8439-13/14

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 31 oktober 2017, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:

Dierk Verbiest, kamervoorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier.

De griffier De voorzitter

Greta Scheveneels Dierk Verbiest

XII-8439-14/14

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.732