Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.729 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.729 Généré par l'IA

Belgian Court of State dismisses appeal regarding administrative penalty and reimbursement order against RIZIV.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.729
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Court of State rejected the cassation appeal filed by Patricia Boudin against a Chamber of Appeal decision ordering her to pay a fine and reimburse RIZIV. The appellant argued violations of fair trial rights and insufficient reasoning in the administrative decision. The court held that jurisdictional decisions are exempt from specific administrative motivation requirements and that the existing reasoning sufficiently explained the legal basis for the ruling.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 6 ECHR; Article 149 of the Constitution: Jurisdictional decisions do not require the detailed motivation applicable to administrative acts, provided the reasoning clearly and unambiguously sets out the grounds for the decision and rejects the exceptions raised.

Mots-clés

Généré par l'IA
jurisdictional decision motivation requirement fair trial rights administrative penalty reimbursement order ECHR Article 6 Constitutional obligation indemnisation du défenseur d'office

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 6 ECHR
Zij besluit dat “noch de DGEC noch de Kamer van Beroep [...] de wettelijk correcte gevolgen vanuit art. 6 EVRM
Article 149 of the Constitution
Article 19, § 6 of the Rules of Procedure
Law of 29 July 1991 on the explicit motivation of administrative acts
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VIIe KAMER

nr. 239.729 van 31 oktober 2017

in de zaak A. 221.119/VII-39.877.

In zake : Patricia BOUDIN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Vande Moortel kantoor houdend te 9000 Gent Groot-Brittanniëlaan 12-18

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

het RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN

INVALIDITEITSVERZEKERING (RIZIV)

gevestigd te 1150 Brussel Tervurenlaan 211

alwaar woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het cassatieberoep, ingesteld op 30 december 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de nederlandstalige Kamer van beroep, ingesteld bij de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle (hierna: DGEC)

van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (hierna: RIZIV) van 22 november 2016, houdende uitspraak over het beroep tegen de beslissing van het Comité DGEC van 26 maart 2004.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Een beschikking van 9 januari 2017 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar.

VII-39.877-1/15

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State.

Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2017.

Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Eline Vanluchene, die loco advocaat Jan Vande Moortel verschijnt voor verzoekster, en attaché Frank Nassen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van de Kamer van beroep van 22 november 2016 dat de beslissing vernietigt van het Comité DGEC

wat betreft de tweede tenlastelegging en de opgelegde bestuurlijke geldboete en

VII-39.877-2/15

dat deze beslissing bevestigt wat betreft de eerste tenlastelegging en verzoekster veroordeelt tot terugbetaling van 36.051,11 euro.

Dit is het bestreden arrest, dat op volgende redengeving rust:

“[...]

1. Voorafgaandelijk De Kamer van Beroep neemt akte van het feit dat de geïntimeerde niet langer meer aandringt dat aan appellante een administratieve geldboete wordt uitgesproken.

Tevens stelt de geïntimeerde dat de tweede tenlastelegging door haar niet langer meer wordt weerhouden.

De bestreden beslissing dient dan ook zeker hervormd te worden voor wat betreft:

• Het opleggen van een administratieve geldboete • Het weerhouden van de tweede tenlastelegging.

2. Over het middel van de schending van het recht op een eerlijk proces a. Schending van artikel 6 EVRM

Het middel van appellante gaat uit van de onjuiste veronderstelling dat het Comité van de Dienst voor Geneeskundige Evaluatie en Controle een administratief rechtscollege zou zijn met volheid van bevoegdheid.

De Kamer van Beroep verwijst daarvoor naar de memorie van Toelichting bij de Programmawet van 24 december 2002 (II) (Parl. St. Kamer, 2002-2003, 2125/005 (39). In tegenstelling tot de Kamers van Eerste Aanleg en de Kamer van Beroep was het Comité geen administratief rechtscollege.

Bovendien is dit middel doelloos nu huidige Kamer van Beroep over het geschil oordeel dient te vellen, en er geen betwisting kan bestaan dat huidige Kamer van Beroep een administratief rechtscollege is.

De Kamer van Beroep is krachtens de wet samengesteld uit een door de Koning benoemde magistraat (of eremagistraat), als werkend lid, en twee leden, artsen, met raadgevende stem, benoemd door de Koning uit de kandidaten door de verzekeringsinstellingen, als werkende leden én twee leden, met raadgevende stem, benoemd door de Koning uit de kandidaten voorgedragen door de groepen representatieve organisaties/verenigingen van zorgverleners/verzorgingsinstellingen als werkende leden.

De voordracht door de Koning uit lijsten voorgedragen door de verzekeringsinstellingen en de groepen representatieve organisaties van zorgverleners en/of verzorgingsinstellingen impliceert niet dat de leden van de Kamer van eerste aanleg en van de Kamer van Beroep zouden zetelen als vertegenwoordigers van deze instellingen. De leden zetelen in hun persoonlijke naam en leggen als lid van de Kamer van eerste aanleg of van de Kamer van Beroep de bij decreet van 20 juli 1831 voorgeschreven eed af betreffende de naleving van de wet (artikel 145, § 9 van de Z.I.V.-wet van 1994). Bovendien is bij de wet bepaald dat hun mandaat onverenigbaar is met dat van lid van het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle (artikel 145, § 2, tweede lid Z.I.V.-wet 1994).

VII-39.877-3/15

Het geheel van de voormelde bepalingen en uitgangspunten in zake de benoeming, de samenstelling en het mandaat van de leden van de Kamer van Eerste aanleg en van de Kamer van Beroep staat garant voor de onafhankelijkheid van de beide Kamers ten aanzien van beide partijen in deze zaak.

Bovendien is dit middel ook ongegrond nu de rechten van verdediging van appellante effectief werden gewaarborgd.

De Kamer van Beroep stelt immers vast dat aan appellante de mogelijkheid werd geboden om:

• Schriftelijk haar verweermiddelen in te dienen vooraleer ze werd uitgenodigd werd om voor het Comité in hoorzitting te verschijnen • Zij werd bijgestaan door een raadsman die haar heeft vertegenwoordigd op de hoorzitting.

• De verweermiddelen werden onderzocht door het Comité en beantwoord in,de bestreden beslissing van 26 maart 2004.

b. Schending van de redelijke termijn Er is geen discussie dat de redelijke termijn in onderhavige zaak werd geschonden;

Deze overschrijding van de redelijke termijn heeft echter slechts weerslag op de (eventueel) gevorderde sanctie. De Kamer van Beroep stelt vast dat aangezien door de Dienst voor Geneeskundige Evaluatie en Controle niet langer meer een sanctie wordt gevorderd, dit verweer doelloos is.

De overschrijding van de redelijke termijn heeft echter niet het verval van de vordering tot teruggave van de ten onrechte betaalde prestaties tot gevolg. De terugvordering is immers een herstelmaatregel, en geen sanctie (zie en vgl.

Kamer van Beroep dd. 25.09.2014, inzake NB-008-05, www.riziv.be, hier navolgbaar).

In casu heeft de overschrijding van de redelijke termijn niet tot gevolg dat de bewijslast in het gedrang zou komen, nu de inbreuken werden vastgesteld aan de hand van objectiveerbare gegevens (verzameld via de Mutualiteiten) en de processen-verbaal van verhoor van appellante en mevrouw Peggy BEX).

Het middel van de schending van de redelijke termijn is dan ook doelloos.

c. Schending van de openbaarheid van terechtzitting In tegenstelling tot hetgeen de appellante poneert, bestaat er niet een algemeen beginsel van openbaarheid van terechtzitting. De verwijzing naar artikel 149 Grondwet is niet dienend, nu het Comité van de Dienst voor Geneeskundige Evaluatie en Controle geen administratief rechtscollege is.

Bovendien is dit middel ook doelloos, aangezien de Kamer van Beroep als administratief rechtscollege in openbare terechtzitting zitting heeft gehouden en het recht op tegenspraak volledig werd gewaarborgd.

d. Schending van het recht op tegenspraak Het middel, afgeleid uit de schending van het recht op tegenspraak voor het Comité, is doelloos nu de Kamer van Beroep als administratief rechtscollege het recht op tegenspraak volledig heeft geëerbiedigd. De Kamer van Beroep verwijst naar het procedureverloop waarbij wordt vastgesteld dat appellante :

• Een verzoekschrift tot hoger beroep heeft neergelegd op 26 mei 2004

• Zij conclusies heeft neergelegd op 3 oktober 2006 en syntheseconclusies op 14 juli 2016

VII-39.877-4/15

• Op de openbare terechtzitting van 25 oktober 2016 haar raadsman heeft gepleit en appellante in persoon aanwezig was en tevens als laatste werd gehoord.

Bovendien wijst de Kamer van Beroep dat ook voor het Comité enigszins het recht op tegenspraak werd gewaarborgd op de hoorzitting van 10 december 2003, waarbij door de raadsman van appellante een verweerschrift werd neergelegd.

Dit verweerschrift werd in het beraad meegenomen (zie bestreden beslissing - pagina 6 t.e.m. 13).

Dit middel kan derhalve niet worden aangenomen.

3. Over de eerste tenlastelegging De Kamer van Beroep is van oordeel dat er geen discussie kan bestaan dat deze tenlastelegging genoegzaam bewezen is.

Dit blijkt niet alleen uit de materiële vaststellingen, zijnde het feit dat getuigschriften door appellante werden opgesteld voor prestaties die niet door haar werden verstrekt aan verzekerden, doch gedaan door haar bediende, verpleegkundige Peggy BEX die niet over een RIZIV-erkenningsnummer beschikte.

Terecht stelt de geïntimeerde dat overeenkomstig artikel 53, § 1, gecoördineerde ZIV-wet, iedere zorgverlener van wie de verstrekkingen aanleiding geven tot een tegemoetkoming van de verzekering ertoe gehouden is een getuigschrift of een gelijkwaardig document uit te reiken waarvan het model door het Verzekeringscomité, wordt vastgesteld, waarop de verstrekkingen zijn vermeld, en dit overeenkomstig de regelgeving opgenomen in de Nomenclatuur voor de Geneeskundige Verzorging. Het gaat om een individuele verantwoordelijkheid als zorgverlener.

Het argument van de appellante dat zij niet op de hoogte was van de administratieve toestand van mevrouw BEX kan niet worden aanvaard.

De appellante stond als werkgever en zorgverlener in voor de ganse administratie en tarificatie van de verstrekkingen verricht door haar bediende, zorgverlener.

Op grond van de individuele verantwoordelijkheid als zorgverlener, had zij de plicht na te gaan of mevrouw BEX wel over een RIZIV-erkenningsnummer beschikte. De prestaties werden immers geattesteerd op naam van appellante.

Het is bovendien eigenaardig dat alle verstrekkingen niet werden geattesteerd op naam van mevrouw BEX, zijnde de verpleegkundige die de prestaties verrichtte.

De inbreuk is dan ook genoegzaam bewezen. De appellante is dan ook verplicht om het bedrag van 36.051,11 € terug te betalen aan het RIZIV.

De bestreden beslissing dient op dat punt te worden bevestigd”.

VII-39.877-5/15

IV. Onderzoek van de middelen

Eerste middel

Standpunt van verzoekster

4. In een eerste middel voert verzoekster de schending aan van de redelijke termijn. Zij zet uiteen dat de RIZIV-procedure een strafprocedure betreft en dat alle waarborgen voor een strafprocedure uit de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gelden, waaronder het recht op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn.

Verzoekster wijst erop dat de procedure startte op 10 april 2001.

Zij verwijst naar drie zaken waarin de Kamer van beroep besloot tot de vernietiging van de bestreden beslissing wegens schending van de redelijke termijn en acht deze rechtspraak ook te dezen van toepassing. Door de overschrijding van de redelijke termijn zijn volgens haar de rechten van verdediging en de kwaliteit van de bewijslast ernstig aangetast.

Zij voert eveneens de schending aan van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel omdat in andere zaken de vordering van het RIZIV

onontvankelijk of ongegrond werd verklaard. Zij besluit dat “noch de DGEC noch de Kamer van Beroep [...] de wettelijk correcte gevolgen vanuit art. 6 EVRM

[geven] aan deze flagrante overschrijding van art. 6 EVRM waardoor deze procedure deze hoge wetsnorm ernstig schendt”.

5. In de memorie van wederantwoord zet verzoekster uiteen dat de fase van het vooronderzoek in RIZIV-procedures zo’n sterke gelijkenissen vertoont met het vooronderzoek in strafzaken dat het tegenstrijdig is om te beweren dat de RIZIV-procedures puur bestuursrechtelijk zouden zijn. Aan de hand van de wijze waarop het onderzoek gevoerd wordt, de personen belast met de

VII-39.877-6/15

opsporing en vaststelling van misdrijven en de onderzoeksverrichtingen, zet verzoekster uiteen dat de RIZIV-procedure een strafprocedure betreft waardoor aan de redelijketermijnvereiste uit artikel 6 EVRM dient te worden voldaan.

Voorts betoogt zij dat er geen schade werd geleden zodat er niet kan worden gesproken van een herstelmaatregel. De terugvordering moet volgens haar worden beschouwd als een puur strafrechtelijke sanctie. De bewijsvoering en de rechten van verdediging zouden zijn aangetast omdat verzoekster niet meer kan bewijzen dat zij niet op de hoogte was.

Ten slotte zou de werkwijze die het RIZIV in haar dossier heeft gevolgd volledig ingaan tegen het gewone handelen van het RIZIV in dergelijke oude dossiers.

Beoordeling

6. In de procedure voor de Kamer van beroep werd enkel nog de terugbetaling gevorderd van de ten onrechte aangerekende prestaties, maar geen bestuurlijke sanctie.

De veroordeling tot terugbetaling van de waarde van de verstrekkingen vindt wettelijke grondslag in het toenmalige artikel 141 van de gecoördineerde ZIV-wet. Volgens deze wetsbepaling moet de zorgverlener de waarde van de betrokken verstrekkingen terugbetalen wanneer hij aan de verzekering voor geneeskundige verzorging niet uitgevoerde verstrekkingen heeft aangerekend en/of wanneer de aangerekende verstrekkingen niet overeenstemmen met de ZIV-wet of haar uitvoeringsbesluiten.

Die terugbetaling is geen straf, maar een herstelmaatregel. De rechtswaarborgen die gelden voor strafvervolgingen in de zin van de artikelen 6 en 7 EVRM zijn bijgevolg te dezen voor de Kamer van beroep niet van toepassing.

VII-39.877-7/15

Volgens de Kamer van beroep heeft de lange duur van de procedure te dezen geen weerslag gehad op de bewijsvoering. Als cassatierechter komt het de Raad van State niet toe deze beoordeling van de feitenrechter over te doen.

Het feit dat de Kamer van beroep in een andere zaak heeft geoordeeld dat de impact van het langdurig tijdsverloop op de bewijsvoering moet worden onderzocht, toont op zich niet aan dat “het RIZIV werkt met twee maten en gewichten” noch dat het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel is geschonden.

Het eerste middel is niet gegrond.

Tweede middel

Standpunt van verzoekster

7. Verzoekster voert in het tweede middel de schending aan van de rechten van verdediging, omdat zij zich niet zou hebben kunnen verweren tegen de theorie dat de terugbetaling een herstelmaatregel is. Deze “hypothese” kwam volgens verzoekster nooit “in een dergelijke procedure bij dergelijk oude dossiers naar boven” en zou ingaan tegen “de gangbare praktijk dat het RIZIV erkende dat de rechten van verdediging dermate geschonden zijn omdat een verweer onmogelijk was”, waarna dan tussen partijen een akkoord werd gemaakt waarvan de Kamer van beroep nadien akte nam.

Zij betoogt dat zij dit middel niet eerder kon aanvoeren. Het standpunt van de verwerende partij met betrekking tot de herstelmaatregel werd volgens haar pas in de syntheseberoepsbesluiten van 5 september 2016

geformuleerd, waardoor verzoekster niet in de mogelijkheid was om hierover te concluderen.

VII-39.877-8/15

Beoordeling

8. Uit de stukken waarop de Raad van State vermag acht te slaan blijkt dat verzoekster in haar syntheseberoepsbesluiten voor de Kamer van beroep van 13 juli 2016 heeft geargumenteerd dat de herstelmaatregel een strafrechtelijk karakter heeft. Zij heeft dus wel degelijk daarover verweer gevoerd.

Het tweede middel mist feitelijke grondslag.

Derde middel

Standpunt van verzoekster

9. In een derde middel zet verzoekster uiteen dat de wet verkeerd wordt toegepast, gelet op de ratio legis voor de sancties bij de ZIV-wet, namelijk de responsabilisering van de zorgverstrekker.

Volgens verzoekster werd elke teruggevorderde prestatie wel uitgevoerd.

10. In de memorie van wederantwoord stelt verzoekster dat niet is voldaan aan de voorwaarden van het toenmalige artikel 141 van de ZIV-wet.

Volgens haar moet de wet geïnterpreteerd worden en zou de verwerende partij ook hebben moeten betalen wanneer de werkneemster van verzoekster wel een RIZIV-nummer zou hebben gehad. Volgens verzoekster is de bestreden beslissing in strijd met de ratio van de ZIV-wet.

Beoordeling

11. Blijkens de bestreden beslissing wordt vastgesteld dat verzoekster getuigschriften heeft opgesteld, ondertekend en aangerekend aan het RIZIV met verstrekkingen die niet konden worden aangerekend, aangezien zij niet

VII-39.877-9/15

door haarzelf werden uitgevoerd, maar door een verpleegkundige die geen RIZIV-erkenningsnummer had en bijgevolg niet gewettigd was om de door haar geleverde prestaties aan te rekenen. Als reglementaire basis wordt verwezen naar artikel 8, § 11, van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen. De bestreden beslissing oordeelt dat de tenlastenlegging bewezen is.

Als cassatierechter komt het de Raad van State niet toe op zijn beurt te onderzoeken of de aangevoerde inbreuken bewezen zijn. Hij kan enkel nagaan of de feitenrechter daartoe rechtmatig heeft besloten.

In tegenstelling tot wat verzoekster beweert, oordeelt de bestreden beslissing niet dat de prestaties niet werden uitgevoerd. Er wordt vastgesteld dat de prestaties die door verzoekster werden aangerekend werden uitgevoerd door een verpleegkundige die niet gewettigd was om de door haar geleverde prestaties aan te rekenen aangezien ze geen RIZIV-erkenningsnummer had.

Artikel 141, § 5, van de ZIV-wet zoals van toepassing ten tijde van de bestreden beslissing luidt als volgt:

“[…] Na kennis te hebben genomen van het verslag van de auditeurs, kan het Comité administratieve geldboetes uitspreken op basis van de volgende modaliteiten:

a) [...] wanneer een zorgverlener aan de verzekering voor geneeskundige verzorging niet uitgevoerde verstrekkingen heeft aangerekend, kan het Comité hem een administratieve geldboete opleggen die gelijk is aan minimum 50 % en maximum 200 % van de waarde van de onverschuldigde verstrekkingen;

b) [...] wanneer de aangerekende verstrekkingen niet overeenstemmen met deze wet of haar uitvoeringsbesluiten kan de geldboete minimum één procent en maximum 150 % bedragen van de waarde van de betrokken verstrekkingen;

c) [...] wanneer de zorgverlener, herhaaldelijk, en na verwittiging, de administratieve of medische documenten niet heeft opgesteld overeenkomstig de regels van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten, kan de geldboete 10 euro tot 125 euro bedragen per foutief document. De geldboete kan niet worden uitgesproken ten laste van de geneesheer op wie een in artikel 77bis geformuleerde maatregel wordt toegepast.

De zorgverlener moet ook de waarde van de betrokken verstrekkingen terugbetalen in de gevallen bedoeld in voormelde punten a) en b)”.

VII-39.877-10/15

Verzoekster wordt enkel veroordeeld tot de terugbetaling van de waarde van de ten onrechte aangerekende verstrekkingen. Overeenkomstig de voormelde wetsbepalingen heeft de Kamer van beroep terzake geen beoordelingsbevoegdheid, maar is ze verplicht de zorgverlener te veroordelen tot terugbetaling van de waarde van de betrokken verstrekkingen wanneer hij aan de verzekering voor geneeskundige verzorging niet uitgevoerde verstrekkingen heeft aangerekend of de aangerekende verstrekkingen niet overeenstemmen met de gecoördineerde ZIV-wet of haar uitvoeringsbesluiten.

Het derde middel is niet gegrond.

Vierde middel

Standpunten van de partijen

12. Verzoekster voert de schending aan van artikel 6.1 EVRM

wegens de schending van het beginsel van onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechtsinstantie.

Zij betoogt dat de RIZIV-procedure een strafrechtelijke procedure is, waarvoor artikel 6.1 EVRM geldt, en dat een rechtsonderhorige overeenkomstig die bepaling bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging recht heeft op een behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie die bij de wet is ingesteld.

De Kamer van beroep is volgens verzoekster evenwel opgericht in de schoot van het RIZIV, bij de DGEC. Zij is een administratief rechtscollege bedoeld in artikel 161 van de Grondwet.

Aangezien de DGEC ook is opgericht in de schoot van het RIZIV en het RIZIV enerzijds via de DGEC de veroordeling van verzoekster

VII-39.877-11/15

vordert, terwijl anderzijds een bij de DGEC opgerichte instantie over dezelfde vordering beslist, is het RIZIV volgens verzoekster tegelijkertijd rechter en vervolgende en belanghebbende partij. Om die reden wordt volgens haar artikel 6.1 EVRM geschonden.

13. De verwerende partij meent in hoofdorde dat het middel nieuw is en bijgevolg niet ontvankelijk.

14. In de memorie van wederantwoord voegt verzoekster in essentie toe dat een schijn van partijdigheid wordt gewekt doordat de administratieve rechtscolleges gelegen zijn in de gebouwen van de verwerende partij en de leden van de Kamers hun vergoeding van haar ontvangen.

Beoordeling

15. De Kamer van beroep doet uitspraak als rechtscollege met volle rechtsmacht. Zij heeft een volledige beoordelingsbevoegdheid, zowel ten aanzien van de feiten als van het recht. Te dezen komt haar beslissing in de plaats van die van de beslissing die in eerste aanleg is genomen. In zoverre het middel deze beslissing betreft is het niet ontvankelijk.

De Kamer van beroep is geen eigen orgaan van de DGEC, maar een administratief rechtscollege dat bij deze dienst is ingesteld. De wet bepaalt enkel dat de Kamer van beroep bij de DGEC wordt ingesteld, maar niet dat zij deel uitmaakt van deze dienst of van het RIZIV. Het gaat om een rechtsprekend orgaan, waarvan de onafhankelijkheid ten opzichte van het RIZIV door de wetgever is gewild. De DGEC is niet vertegenwoordigd in de Kamer van beroep en neemt geen deel aan de beraadslagingen ervan. De Kamer van beroep is het RIZIV geen verantwoording verschuldigd voor haar beslissingen.

Enkel de voorzitter-magistraat van de Kamer van beroep heeft beslissingsbevoegdheid. Wegens de techniciteit van de materie heeft de wetgever

VII-39.877-12/15

aan de stemgerechtigde magistraat raadgevende leden toegevoegd, voorgedragen door de verzekeringsinstellingen en de representatieve beroepsgroepen. De leden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen en de representatieve beroepsgroepen hebben slechts een raadgevende stem. De raadgevende leden zetelen in de Kamer van beroep overigens niet in de hoedanigheid van vertegenwoordiger van een verzekeringsinstelling of de beroepsgroep die hen heeft voorgedragen, maar in persoonlijke naam. Dit houdt in dat zij vrij en naar eigen goeddunken oordelen. De Kamer van beroep biedt de in artikel 6 EVRM

bepaalde waarborgen inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid.

Luidens artikel 145, § 3, eerste lid, van de ZIV-wet zetelt de Kamer van beroep te Brussel in de lokalen van het Instituut. De enkele omstandigheid dat de zittingen in de gebouwen van het RIZIV plaatsvinden, brengt de onafhankelijkheid van de Kamer van beroep niet in het gedrang.

De kritiek van verzoekster met betrekking tot de transparantie van de vergoedingen is loutere opportuniteitskritiek en kan niet tot cassatie van de bestreden beslissing leiden.

Het vierde middel is niet gegrond.

Vijfde middel

Standpunt van verzoekster

16. In een vijfde middel voert verzoekster de schending aan van de formele- en de materiëlemotiveringsplicht. Zij betoogt dat de bestreden beslissing gedragen moet worden door motieven die in rechte en in feite aanvaardbaar zijn.

Te dezen blijkt er niet voldaan te zijn aan de motiveringsplicht. Volgens verzoekster werd de wet door de rechter verkeerd toegepast en is de motivering inconsistent. De motivering omtrent de herstelmaatregel is volgens haar dermate kort dat de veroordeelde de veroordeling niet kan begrijpen.

VII-39.877-13/15

Beoordeling

17. De wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en de materiëlemotiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur zijn als dusdanig niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest.

De bij artikel 149 van de Grondwet opgelegde verplichting aan de rechter om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Artikel 19, § 6, van het Procedurereglement van de Kamer van eerste aanleg en van de Kamers van beroep bij de DGEC heeft geen andere inhoud. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet - al ware die redengeving verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengt die beslissing te nemen en de aangebrachte excepties en beroepsgrieven te verwerpen of in te willigen. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maakt een schending uit van artikel 149 van de Grondwet.

De bestreden beslissing zet uiteen, met verwijzing naar een eerdere beslissing van de Kamer van beroep, dat de terugvordering een herstelmaatregel is en geen sanctie. De bestreden jurisdictionele beslissing is met redenen omkleed. Aan de jurisdictionele motiveringsplicht is op dit punt dan ook voldaan.

Het vijfde middel is niet gegrond.

VII-39.877-14/15

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.

2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op 200 euro.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenendertig oktober tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.

De griffier De voorzitter

Bart Tettelin Eric Brewaeys

VII-39.877-15/15

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.729