Court annuls insurance appeal decision for ordering interest from 2014, ruling it must start from decision date.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State annulled the specific portion of the appeal chamber's decision ordering the payment of interest calculated from July 2014. The applicant argued this violated the law by starting interest before the decision date, while the insurer contended the original debt date was correct. The court ruled that interest must only accrue from the date the decision was notified, thereby invalidating the retroactive calculation.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 156, § 1, of the Health Insurance Act; Interest on sums due under a decision must be calculated from the date of notification of that decision, not from the date of the underlying debt.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 239.727 van 31 oktober 2017
in de zaak A. 220.613/VII-39.823.
In zake : het RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN
INVALIDITEITSVERZEKERING (RIZIV)
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Claude Verheyleweghen kantoor houdend te 1081 Brussel Jules Besmestraat 124
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
Marcia DE KEYSER
wonende te 9690 Kluisbergen Zonnestraat 33
alwaar woonplaats wordt gekozen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Vande Moortel
I. Voorwerp van het beroep
1. Het cassatieberoep, ingesteld op 28 oktober 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de nederlandstalige Kamer van beroep, ingesteld bij de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle (DGEC) van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (hierna: RIZIV), van 27 september 2016 (Rep. nr. 21/16 en A.R. NB-009-15 E/09006400), houdende uitspraak over het beroep van Marcia De Keyser tegen de beslissing van de Kamer van eerste aanleg van 15 april 2015.
Het voorwerp beperkt zich volgens de verzoekende partij tot een gedeeltelijke nietigverklaring, meer bepaald tot de beoordeling van de Kamer van
VII-39.823-1/7
beroep waarbij verzoekster veroordeeld werd tot de terugbetaling van intresten van 7% vanaf 31 juli 2014 op de som van 14.914,66 euro.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Een beschikking van 16 november 2016 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar.
Verweerster heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2017.
Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Adriaan Jans, die loco advocaat Claude Verheyleweghen verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Eline Vanluchene, die loco advocaat Jan Vande Moortel verschijnt voor verweerster, zijn gehoord.
Auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
VII-39.823-2/7
III. Feiten
3. Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van de Kamer van beroep van 27 september 2016 in de mate dat de verzoekende partij wordt veroordeeld om aan de huidige verwerende partij het bedrag van 14.914,66 euro terug te betalen, meer de interesten à 7% vanaf 31 juli 2014 tot datum der algehele en bevrijdende betaling.
IV. Onderzoek van de middelen
Eerste middel
Standpunten van de partijen
4. In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 156 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994
(hierna: ZIV-wet), van de artikelen 1153, 1235 en 1378 van het burgerlijk wetboek, en de miskenning van de rechten van verdediging.
Het middel houdt in essentie in dat de interest pas op 27 mei 2016 door verweerster werd gevorderd, en dat op basis van het geschonden geachte artikel 156 van de ZIV-wet geen interest kon worden opgelegd vanaf 31 juli 2014.
De overige voormelde bepalingen en de rechten van verdediging worden volgens haar geschonden doordat de bestreden beslissing de huidige verwerende partij veroordeelt tot terugbetaling van de interest vanaf 31 juli 2014
zonder vast te stellen dat er in hoofde van het RIZIV kwade trouw aanwezig was, en zonder dat het RIZIV de kans wordt gegeven hierover standpunt in te nemen.
5. Verweerster wijst erop dat in de procedure voor de Kamer van beroep het debat werd heropend en aan de huidige verzoekende partij een
VII-39.823-3/7
conclusietermijn werd geboden “om haar verweer uiteen te zetten aangaande het rekenkundig aspect van de vordering”. De huidige verzoekende partij heeft volgens haar nagelaten om van deze mogelijkheid grondig gebruik te maken.
Volgens verweerster houdt de terugvordering “zowel de hoofdsom in, alsook al haar aanhorigheden”.
Voorts beklemtoont verweerster dat de verzoekende partij overging tot voorlopige uitvoering van een reeds tussengekomen beslissing en dat de betalingen ingevolge het bestreden arrest onverschuldigd zijn. Zij stelt dat de wijziging van artikel 156, § 1, tweede lid, ingevoerd door de wet van 17 juli 2015
houdende diverse bepalingen inzake gezondheid (hierna: wet van 17 juli 2015), in werking trad op 27 augustus 2015 en niet retroactief kan worden toegepast voor betalingen verricht op 31 juli 2014. Bovendien zou de genoemde bepaling betrekking hebben op betalingen door de zorgverstrekker, en niet op de terugbetaling door het RIZIV.
6. In de memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij dat haar rechten van verdediging wel werden geschonden aangezien volgens de tussenbeslissing van de Kamer van beroep van 6 april 2016 de Dienst het bedrag van de terugvordering moest herberekenen in het licht van de bewezen verklaarde tenlasteleggingen - de Kamer van beroep had immers niet alle tenlastegelegde inbreuken weerhouden. Bovendien werd de interest slechts gevorderd in de besluiten van 27 mei 2016 en werd niet in een extra conclusietermijn voorzien voor de verzoekende partij om hierop te antwoorden. Volgens de verzoekende partij waren de sommen pas na de beslissing van de Kamer van beroep van 27 september 2016 verschuldigd.
Aangezien het bestreden arrest dateert van nà de wijziging van artikel 156, § 1, van de ZIV-wet, is er volgens haar ook geen sprake van een retro-actieve toepassing van die bepaling.
VII-39.823-4/7
Wat ten slotte de toepassing van artikel 1398, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek betreft, merkt de verzoekende partij op dat het hier niet gaat om het uitvoeren van een vonnis, maar wel om een beslissing die met toepassing van artikel 156, § 1, eerste lid van de ZIV-wet van rechtswege uitvoerbaar is bij voorraad niettegenstaande beroep.
Beoordeling
7. Artikel 156, § 1, van de gecoördineerde wet werd gewijzigd door de wet van 17 juli 2015 en luidt:
“§1 De beslissingen van de Leidend ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle of van de door hem aangewezen ambtenaar, zoals bedoeld in artikel 143, de beslissingen van de Kamers van eerste aanleg zoals bedoeld in artikel 142, en de beslissingen van de Kamers van beroep, zoals bedoeld in artikelen 142 en 155, zijn van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande beroep. Betalingstermijnen kunnen enkel worden toegestaan op een met redenen omklede aanvraag en gestaafd door alle nuttige bewijsstukken die moeten toelaten de gegrondheid te beoordelen.
De verschuldigde sommen worden binnen de dertig dagen volgend op de kennisgeving van de in het eerste lid bedoelde beslissingen betaald. Bij gebrek aan betaling binnen die termijn, brengen de nog verschuldigde sommen van rechtswege interesten op tegen de wettelijke rentevoet in sociale zaken zoals voorzien in artikel 2, § 3, van de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening, te rekenen vanaf het verstrijken van die termijn.
Ingeval de schuldenaar in gebreke blijft, kunnen de verzekeringsinstellingen in toepassing van artikel 206bis, § 1, of de Algemene Administratie van de inning en de invordering in toepassing van artikel 206bis, § 2 worden belast met de invordering van de verschuldigde bedragen”.
De beslissing op basis waarvan de verzoekende partij de som dient terug te betalen dateert van 27 september 2016. De wet van 17 juli 2015
waarbij de betrokken bepaling werd gewijzigd trad in werking op 27 augustus 2015 en is bijgevolg van toepassing op de betrokken terugbetaling.
Het RIZIV dient ingevolge de beslissing van 27 september 2016
van de Kamer van beroep 14.914,66 euro terug te betalen aan de zorgverlener. Uit het bovenstaande blijkt dat op basis van artikel 156, § 1, tweede lid van de
VII-39.823-5/7
gecoördineerde wet de verschuldigde sommen interesten opbrengen bij gebrek aan betaling binnen de dertig dagen volgend op de kennisgeving van de beslissing, te rekenen vanaf het verstrijken van die termijn.
De beslissing van de Kamer van beroep van 27 september 2016
schendt dus artikel 156, § 1, van de gecoördineerde wet door te oordelen dat de verzoekende partij de som van 14.914,66 euro moet terugbetalen meer de interesten berekend vanaf 31 juli 2014.
Het eerste middel is in die mate gegrond.
Tweede middel
Standpunten van de partijen
8. De verzoekende partij voert in het tweede middel de schending aan van artikel 149 van de Grondwet. Volgens de verzoekende partij geeft de bestreden beslissing niet aan waarom de interest begint te lopen vanaf 31 juli 2014
en is er dus op dat punt een gemis aan motivering.
9. Gelet op het gegrond bevinden van het eerste middel kan dit middel, zo het al gegrond is, niet tot een ruimere cassatie leiden.
BESLISSING
1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de nederlandstalige Kamer van beroep, ingesteld bij de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, van 27 september 2016 (Rep. nr. 21/16 en A.R. NB-009-15 E/09006400), houdende uitspraak over het beroep van Marcia De Keyser tegen de beslissing van de Kamer van eerste aanleg van 15 april 2015 in de mate dat verzoekster werd
VII-39.823-6/7
veroordeeld tot de terugbetaling van intresten van 7% vanaf 31 juli 2014 op de som van 14.914,66 euro.
2. Dit arrest dient te worden overgeschreven in de registers van bovenvermelde Kamer van beroep en melding ervan moet worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing.
3. De zaak wordt verwezen naar de anders samengestelde Kamer van beroep, ingesteld bij de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering.
4. Verweerster wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op 200 euro.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenendertig oktober tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.
De griffier De voorzitter
Bart Tettelin Eric Brewaeys
VII-39.823-7/7
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.727