Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.725 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.725 Généré par l'IA

Belgian court dismisses student's urgent request to suspend vocational school failure decision due to exam gaps.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.725
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected a student's urgent application to suspend the enforcement of a vocational school decision declaring him failed. The student argued that missing grades from a medical absence should be weighed against his overall performance, but the school board prioritized the specific welding exam results. The court found the school's decision reasonable given the student's incomplete integrated project and lack of evidence to offset the zero score.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 10 and 11 of the Code of Administrative Justice; A school board's decision to declare a student failed based on specific exam results is valid when the student fails to provide sufficient evidence to offset those results with other achievements or completed projects.

Mots-clés

Généré par l'IA
administrative law vocational education academic failure urgent suspension procedural fairness school board discretion evidence burden absence prolongée

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 10 and 11 of the Code of Administrative Justice
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE IXe KAMER

nr. 239.725 van 30 oktober 2017

in de zaak A. 223.541/IX-9156

In zake: XXXX

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jim Deridder kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 210 A bus 10

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de VZW KATHOLIEK ONDERWIJS BISDOM ANTWERPEN

VOORKEMPEN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean Hendrickx kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 17 oktober 2017, strekt tot de schor-

sing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de be-

slissing van de beroepscommissie van het Vrij Technisch Instituut Zandhoven van 10 oktober 2017 om “de beslissing van de beroepscommissie van 13 september 2017” “[te] bevestigen”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

IX-9156-1/19

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2017, om 10.30 uur.

Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge-

bracht.

Advocaat Jim Deridder, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Christophe Vangeel, die loco advocaat Jean Hendrickx ver-

schijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend ad-

vies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-

coördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoeker is in het schooljaar 2016-2017 ingeschreven als leer-

ling in het tweede jaar van de derde graad ‘lassen-constructie’ (BSO), in het Vrij Technisch Instituut Zandhoven.

Ingevolge een operatieve ingreep moet verzoeker in het tweede semester langere tijd – 77 dagen – afwezig blijven. Dit vindt zijn vertaling in ontbrekende of onvolledige punten op de rapporten en gemiste deelnames aan proefwerken.

Omwille van deze leemten in het leerlingendossier beslist de delibererende klassenraad dat verzoeker bijkomende proeven moet afleggen voor MAVO, Nederlands en laspraktijk:

IX-9156-2/19

“De klassenraad heeft momenteel nog onvoldoende gegevens voor de vakken MAVO, Nederlands en PV Lassen en kan daarom nog geen eind-

beslissing treffen.

De leerling heeft bijkomende proeven voor MAVO en Nederlands. Deze examens gaan door op donderdag 24 augustus 2017 […]. De leerstof kan je bevragen tijdens het oudercontact.

Daarnaast zullen er ook praktische proeven afgelegd worden.

De lasproeven gaan door op vrijdag 25 augustus 2017 […].”

Na de bijkomende proeven wordt verzoeker voor de vakken MAVO en Nederlands geacht te voldoen. Daarentegen stelt de klassenraad vast dat hij voor de bijkomende proef lassen er niet in slaagt twee van de vier aangeboden opdrachten “binnen de voorziene tijd en volgens de gestelde normen” af te werken.

De delibererende klassenraad kent op 28 augustus 2017 aan verzoeker vervolgens een oriënteringsattest C toe, verzoeker “wordt beschouwd als niet geslaagd”.

3.2. Overleg resulteert niet in een nieuwe samenkomst van de klas-

senraad zodat verzoeker op 8 september 2017 beroep instelt bij het schoolbestuur.

Op 13 september 2017 beslist de beroepscommissie “om niet in te gaan op het verzoek om aan verzoeker een A-attest toe te kennen”, versta om het C-attest te handhaven.

Bij arrest nr. 239.268 van 2 oktober 2017 beveelt de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging van deze beslissing.

3.3. Met de thans bestreden beslissing van 10 oktober 2017 bevestigt de beroepscommissie haar beslissing van 13 september 2017.

IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden

4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende

IX-9156-3/19

noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min-

stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood-

zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.

V. Uiterst dringende noodzakelijkheid

5. De verwerende partij ziet geen reden om aan het vervuld zijn van de eerste schorsingsvoorwaarde te twijfelen. De Raad van State evenmin.

VI. Ernst van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting

6. Het eerste middel is geput uit de schending van het gelijkheids-

beginsel.

Verzoeker is van oordeel dat hij “discriminatoir is behandeld door de opgelegde bijkomende proef lassen”:

“Uit de toelichting van de school, zoals opgenomen in het proces-verbaal van de hoorzitting van 13 september 2017, blijkt immers niet dat de andere leerlingen een gelijkaardig werkstuk hebben moeten maken in de loop van het schooljaar. Bovendien wordt alleszins toegegeven dat de andere leer-

lingen tijdens de vierde periode van dagelijks werk verschillende taken en proeven hebben afgelegd zodat zij op ‘een geheel van oefeningen’ zijn beoordeeld.

Met andere woorden, zelfs indien wordt aangenomen dat de leerplandoel-

stellingen die de bijkomende proef beoogde te meten essentieel zijn voor de opleiding, dan nog zijn de andere leerlingen van verzoekers klas niet aan een dergelijke proef onderworpen in de zin dat een tekort op die proef ge-

lijk zou staan met het falen, niet alleen voor het betrokken vak maar meteen ook voor het gehele schooljaar. Nochtans voorzien noch het leerplan, noch enige andere reglementaire tekst waarvan verzoeker kennis heeft, dat het

IX-9156-4/19

vak ‘PV Lassen’ wordt afgesloten met een bekwaamheidsproef waarop de leerling verplicht moet slagen.

Dat is nochtans wel de situatie waarin de bestreden beslissing verzoeker brengt. Niet alleen is in zijn geval deze praktische proef – indien ze bij andere leerlingen überhaupt al is afgenomen – geen deel van een cijfer-

matige berekening voor een rapportcijfer voor dagelijks werk 4, de moti-

vering van de bestreden beslissing komt er tevens op neer dat zelfs ab-

stractie wordt gemaakt van de slaagcijfers die verzoeker voor drie van de vier periodes dagelijks werk behaalde.

Door verzoeker aldus als enige aan een ‘alles of niets’-proef te onderwer-

pen, die bovendien slechts 19 van de 63 leerplandoelstellingen toetst en waarvan verzoeker slechts 6 doelstellingen niet behaalt, wordt verzoeker kennelijk ongelijk behandeld. Immers, verzoeker wordt onderworpen aan een bijkomende proef waarvoor, alleen te zijnen aanzien, een tekort ‘on-

delibereerbaar’ is.

De beroepscommissie kan in dat licht dan ook bezwaarlijk motiveren dat enkel ten aanzien van verzoeker is gekozen voor een benadering vanuit ‘prospectief oogpunt’, terwijl alle andere leerlingen op een andere wijze werden beoordeeld. Verzoeker begrijpt ook niet wat de relevantie is van het thans aangevoerde motief dat hij overheen het schooljaar gedurende 77

dagen afwezig was.

Dat er een keuze diende te worden gemaakt wat het voorwerp van de bij-

komende proef betreft, kan in het licht daarvan de ongelijke behandeling niet wettigen. Er zijn immers voldoende praktische vaardigheden zoals plooien, knippen, walsen e.d. die van het leerplan deel uitmaken.”

Beoordeling

7. Wat de meer kennisgerichte vakken Mavo en Nederlands betreft, blijkt het resultaat van de bijkomende proeven erop neer te komen dat hierin geen reden wordt gezocht om het niet slagen van verzoeker te verantwoorden. Over die bijkomende proeven heeft verzoeker ook geen kritiek.

Die is er wel over de bijkomende proef PV Lassen.

8. Verzoeker stelt dat uit “de toelichting van de school, zoals op-

genomen in het proces-verbaal van de hoorzitting van 13 september 2017” niet zou blijken dat de andere leerlingen voor PV Lassen “een gelijkaardig werkstuk”

hebben moeten maken in de loop van het schooljaar.

IX-9156-5/19

Die bewering volstaat niet om een schending van het gelijk-

heidsbeginsel aan te tonen.

9. Allereerst lijkt immers deze stelling feitelijke grond te missen.

Ten minste volstaat een loutere bewering niet om te weerspreken dat, zo is te lezen in de bestreden beslissing, “uit het overzicht van de lasoefeningen waarop de leerlingen werden beoordeeld, blijkt dat de oefeningen die op de bijkomende proef werden gevraagd, twee oefeningen zijn waarop de andere leerlingen tijdens de vierde periode werden beoordeeld”.

10. Verzoeker stelt dat hij voor PV Lassen verschillend is behandeld dan de andere leerlingen, omdat de bijkomende proef slechts een beperkt aantal van de 63 leerplandoelstellingen toetst.

Het lijkt evenwel net de essentie van een bijkomende proef die aan een leerling wordt opgelegd, dat die leerling zich in een wezenlijk verschil-

lende situatie bevindt dan de andere leerlingen aan wie geen bijkomende proef is opgelegd. De laatstgenoemde leerlingen hebben immers tijdens het schooljaar een leerproces doorlopen dat aan de klassenraad voldoende informatie verschaft om over hun slagen te oordelen. Bij de leerling die een bijkomende proef moet af-

leggen, ontbreekt – bij definitie, zo lijkt – een deel van de informatie die vereist is om een gedragen beslissing te nemen over het slagen van de leerling.

Dat verzoeker zo een leerling is, kan bezwaarlijk worden ont-

kend. Hij was immers wegens medische omstandigheden 77 dagen afwezig, gro-

tendeels vanaf het tweede semester en hij heeft aldus tal van evaluatiemomenten gemist.

11. Bijzonder aan dit vak PV Lassen is, eensdeels, dat het een ui-

termate profielbepalend opleidingsonderdeel vormt van de door verzoeker ge-

volgde richting en, anderdeels, dat het – wellicht zelfs uit de aard van het vak –

beoordeeld wordt door middel van permanente evaluatie doorheen het jaar.

IX-9156-6/19

Het lijkt voor de hand te liggen, als een leerling een bijkomende proef moet afleggen over een opleidingsonderdeel waarvoor tijdens het schooljaar een permanente evaluatie geldt, dat niet iedere evaluatie van dat schooljaar iden-

tiek moet of zelfs kán worden overgedaan.

Er is meer. Het lijkt niet uitgesloten dat een opleidingsonderdeel noodzakelijk moet worden geëvalueerd door middel van permanente evaluatie en dat de aard van het opleidingsonderdeel dus niet toelaat dat het in de loop van één schooljaar tweemaal wordt geëxamineerd – zie, mutatis mutandis, artikel II.223, § 2, van de Codex Hoger Onderwijs.

In die context lijkt de beroepscommissie de beslissing van de klassenraad om verzoeker toch toe te laten bijkomende proeven af te leggen en om hem voor PV Lassen hiervoor een beperkt programma op te leggen, terecht “po-

sitieve discriminatie in het voordeel van verzoeker” te noemen. Dat alsdan niet álle leerplandoelstellingen kunnen worden getoetst, lijkt vanzelfsprekend: het is op het eerste gezicht onmogelijk op één dag in vier proeven te testen wat in normale omstandigheden aan de hand van een twintigtal oefeningen verspreid over een gans schooljaar wordt getoetst. Daarbij dient te worden bedacht dat als verzoeker alle of veel meer leerplandoelstellingen getoetst had willen zien, zijn vraag eigen-

lijk erop neerkomt dat hij het jaar wenst over te doen, precies gelet op de wijze van evalueren van het betrokken opleidingsonderdeel.

Verzoeker laat opvallend na, in de huidige procedure en prima facie ook in de administratieve beroepsfase, aan te geven welke andere oefeningen, naast de hem opgelegde proeven, ten minste ook onderdeel moesten zijn van de bijkomende proef PV Lassen om hem in staat te stellen zijn verworven vaardig-

heden aan te tonen en aan het leerplan te toetsen. Minstens overtuigt hij niet dat proeven over de praktische vaardigheden “plooien, knippen, walsen” volstaan om na te gaan of de leerling kan wat minimaal van die leerling verwacht mag worden, namelijk “dat hij kon lassen”.

IX-9156-7/19

12. Verzoeker stelt voorts ongelijk te zijn behandeld “in de zin dat een tekort op die [bijkomende] proef [PV Lassen] gelijk zou staan met het falen, niet alleen voor het betrokken vak maar meteen ook voor het gehele schooljaar” en dat “alleen te zijnen aanzien, een tekort ‘ondelibereerbaar’ is”.

Verzoeker leidt hier ten onrechte uit het concrete gevolg dat is gegeven aan de omvang van zijn falen af, dat slagen voor de bijkomende proef vereist is. Verzoeker heeft voor zijn lasproef een resultaat behaald dat, aldus de beroepscommissie, in punten uitgedrukt een “nul […] voor de drie werkstukken”

zou zijn. Verzoeker lijkt dus uit het oog te verliezen dat de beroepscommissie zo zwaar tilt aan het onvoldoende resultaat omdat hij twee van de vier proeven niet heeft uitgevoerd en de twee andere producten door de beoordelaars als ruimschoots ondermaats werden bestempeld, wat overigens door verzoeker niet wordt betwist.

Dat élk, ook minder uitgesproken falen ‘ondelibereerbaar’ zou zijn, is daarmee geenszins aangetoond.

13. Een schending van het gelijkheidsbeginsel lijkt niet aanwezig.

Het middel is niet ernstig.

B. Tweede middel

Uiteenzetting

14. In het tweede middel voert verzoeker de schending aan van het redelijkheidsbeginsel.

Verzoeker zet uiteen dat hij geen redelijke kans op slagen had voor de bijkomende proef PV Lassen, omdat de school hem niet in staat heeft gesteld tijdens de vakantie deze proef in te oefenen. Anders dan voor de niet-praktijkgebonden vakken, waar de leerling zich louter met zelfstudie aan de hand van de beschikbare leerstof uit de handboeken kan voorbereiden, is dit niet het geval voor de voorbereiding van een praktische proef zoals lassen. Dit veron-

IX-9156-8/19

derstelt dat de leerling tijdens de vakantiemaanden toegang heeft tot het noodza-

kelijke materiaal om verder te oefenen. Niet kan worden aangenomen, aldus ver-

zoeker, “dat het geheel en enkel aan de leerling toekomt om in het bedrijfsleven een plaats te zoeken om zich te oefenen voor een bijkomende proef, en dat bij gebreke aan het vinden van een dergelijke mogelijkheid, de leerling zonder daarop acht te slaan wordt afgerekend op een minder goede uitvoering van die bijkomende proef”. Het had bijvoorbeeld op de weg van de school gelegen om de infrastructuur van de school – “al ware het enkel begin juli en/of eind augustus” – ter beschikking te stellen.

Het motief van de bestreden beslissing dat verzoeker “geen rechtsgrond” zoals een decreet, een besluit van de Vlaamse regering, een om-

zendbrief van de minister van Onderwijs aanvoert, is bevreemdend, nu verzoeker zich uitdrukkelijk op het redelijkheidsbeginsel beroept – zoals de beroepscom-

missie ook weergeeft en dus kennelijk heeft begrepen – en dit beginsel van be-

hoorlijk bestuur een autonome rechtsgrond is.

Waar de beroepscommissie in de bestreden beslissing opwerpt dat hij het argument van de voorbereiding pas voor de beroepscommissie en dus te laat heeft opgeworpen, wijst verzoeker op het volgende:

- Ten eerste is het argument duidelijk reeds ontwikkeld tijdens het overleg met de directeur, die er immers uitdrukkelijk op antwoordt. De stelling van de beroeps-

commissie is derhalve materieel onjuist.

- Ten tweede heeft de beroepscommissie in haar eerste beslissing van 13 september 2017 geen dergelijke ‘exceptie’ opgeworpen, zodat niet alleen is aangetoond dat het argument wel degelijk tijdig bij het debat is betrokken, maar ook dat de huidige houding van de beroepscommissie “nogal minnetjes” is.

- Ten derde heeft de beroepscommissie de bevoegdheid om een (nieuwe) bijko-

mende proef op te leggen en de plicht de nood of mogelijkheid daartoe te onder-

zoeken, zodat het in die stand van de procedure ook geenszins “te laat” was om nog rechtsherstel te bieden.

IX-9156-9/19

Beoordeling

15. Wanneer een klassenraad een leerling aan bijkomende proeven onderwerpt, staat het aan de school om die leerling een eind op weg te helpen: het redelijke minimum lijkt dat tijdig wordt meegedeeld wat de leerstof is die getest zal worden.

In welke mate een leerling van de school nog andere ondersteu-

ning mag verwachten, zal van de concrete omstandigheden afhangen. Als in casu de proef een praktische proef is waarvoor de leerling zich slechts keurig kan voorbereiden mits hij gebruik kan maken van bepaald materieel dat niet evident thuis beschikbaar is, of van andere schoolinfrastructuur, kan de vraag rijzen of de school hiervoor schikkingen moet treffen.

16. Bij de leerling lijkt in dergelijke situatie echter ook een zekere verantwoordelijkheid te rusten. In de zaak die thans ter beoordeling voorligt, lijkt verzoeker niet te weerleggen dat hij de school niet vooraf heeft gevraagd om van haar infrastructuur gebruik te mogen maken met het oog op de voorbereiding van de lasproeven. Hij heeft zich over het gebrek aan voorbereidingsmogelijkheid pas beklaagd bij de school als de bijkomende proeven al achter de rug waren.

Nochtans was verzoeker er, zoals hij zelf aangeeft in zijn ver-

zoekschrift, al van in juni van op de hoogte dat hij niet zou kunnen oefenen in het bedrijf waar hij eerder stage had gelopen en hij mag verondersteld worden te weten dat hij thuis zelf niet over de noodzakelijke lasmachines beschikt. Uit niets blijkt dat verzoeker dan, op enig nuttig moment – bijvoorbeeld bij de uitreiking van de rapporten of naar aanleiding van de e-mail die hij eind juni nog richtte aan de vakleerkracht, maar in ieder geval vóór het afleggen van de lasproef – daarover bij de school een opmerking heeft gemaakt, laat staan dat hij uitdrukkelijk heeft verzocht om er te mogen oefenen of om materieel te mogen uitlenen.

IX-9156-10/19

Aldus lijkt verzoeker er – en wel in bepalende mate – zelf de hand in te hebben gehad dat hem, zoals hij zelf beweert, “elke redelijke kans is ontnomen om voor de opgelegde lasproef te kunnen slagen”.

17. Verzoeker merkt terecht op dat de beroepscommissie de be-

voegdheid heeft om een nieuwe bijkomende proef op te leggen.

Die vaststelling lijkt, gelet op het voorgaande, niet relevant.

Ze bevreemdt hoe dan ook. Verzoeker heeft immers op het eerste gezicht niet voor de beroepscommissie aangevoerd dat hij aan een nieuwe bijko-

mende proef voor PV Lassen onderworpen wilde worden.

18. Het tweede middel is niet ernstig.

C. Derde middel

Uiteenzetting

19. Het derde middel luidt “schending van de artikelen 5, § 5 en 57

van het Organisatiebesluit c.q. de materiëlemotiveringsplicht, van de formelemo-

tiveringsplicht en van het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel”.

Het resultaat van de bijkomende proef is door de beroepscom-

missie niet als een element van zijn dossier opgevat en betrokken in een omvat-

tende beoordeling van zijn resultaten. In casu zijn de bijkomende proeven blijkens de beslissing van de delibererende klassenraad opgelegd, niet om te onderzoeken of behaalde tekorten al dan niet toe te schrijven waren aan overmacht of omstan-

digheden buiten de wil van verzoeker die een oneigenlijk beeld geven van diens kennen en kunnen, maar om de leemte op te vullen die het jaarrapport vertoonde omwille van de afwezigheid van verzoeker wegens ziekte. De beroepscommissie

IX-9156-11/19

heeft in haar beslissing aan de ratio van de bijkomende proeven geen andere in-

vulling gegeven.

Na de bijkomende proeven moet worden vastgesteld dat ver-

zoeker een slaagcijfer behaalde voor de bijkomende proeven Mavo en Nederlands en dat hij doorheen het schooljaar voor deze vakken geen enkele onvoldoende behaalde. Voor deze vakken mag verzoeker er derhalve aanspraak op maken ge-

slaagd te zijn. Uit de bestreden beslissing blijkt verder niet dat aan verzoeker wordt verweten de leerplandoelstellingen voor andere vakken – waarvoor geen bijko-

mende proef werd opgelegd – niet te hebben behaald. Wat bijgevolg voorligt is een tekort – volgens de bestreden beslissing een nulquotering – voor de bijkomende proef PV Lassen, zijnde een vak waarvoor verzoeker in drie van de vier periodes dagelijks werk wél een rapportcijfer kreeg en daarbij telkens – zij het soms nipt –

slaagde. Door kortweg te stellen dat het vak PV Lassen in het curriculum een cruciale plaats inneemt en dat het slaagcijfer voor andere vakken daaraan niets afdoet, stelt de bestreden beslissing impliciet maar onvermijdelijk dat de cijfers voor de andere vakken – en zelfs de overige cijfers voor het vak zelf – als irrelevant worden beschouwd.

Waar de bestreden beslissing verder eerder laconiek stelt dat “[d]e focus op het behaalde tekort bij de bijkomende proef [niet] betekent […] dat er geen rekening is gehouden met de andere vakken of dat de resultaten van de bijkomende proeven niet in het geheel van het dossier zijn teruggeplaatst”, gaat het volgens verzoeker evident om een passe-partoutmotief.

Verzoeker stipt nog aan dat het niet opgaat om rapportcijfers die zonder enig voorbehoud in juni zijn gegeven – en die slaagcijfers zijn – nu op-

nieuw in vraag te stellen. Hij merkt op dat hij voor drie van de vier periodes da-

gelijks werk voor het vak PV Lassen een slaagcijfer behaalde en dat een vierde rapportcijfer ontbreekt wegens afwezigheid.

IX-9156-12/19

De beroepscommissie ziet de grond voor haar beoordeling uit-

sluitend in het resultaat van de bijkomende proeven voor drie vakken, zonder daarbij alle andere rapportcijfers nog in ogenschouw te nemen. Meer nog: zelfs indien de redenering van de beroepscommissie zou kunnen worden gevolgd, moet worden vastgesteld dat verzoeker voor de bijkomende proeven voor Nederlands en Mavo een slaagcijfer behaalde, zodat slechts de bijkomende proef PV Lassen rest om aan te voeren dat verzoeker “voor het geheel van de vorming” niet voldoet. In het licht van de overige rapportcijfers voor dat vak kan die beoordeling niet standhouden.

Verzoeker brengt nog onder de aandacht dat de beroepscom-

missie uitdrukkelijk erkent dat het tekort voor de bijkomende proef PV Lassen steunt op een proef die peilt naar slechts vijf of zes van de 64 leerplandoelstellin-

gen voor het betrokken vak PV Lassen, dan wel dat verzoeker op grond van de bijkomende proef slechts vijf of zes van de 64 leerplandoelstellingen niet heeft behaald. De beroepscommissie stelt weliswaar dat die verwijzing uit context is gehaald, maar ontkent daarbij geenszins de zeer beperkte beoordelingsbasis in het licht van de leerplandoelstellingen. Verzoeker is van oordeel dat die al te enge beoordeling, mede afgezet tegen de slaagcijfers die doorheen het jaar werden behaald, volstaat om de bestreden beslissing op dit punt onregelmatig te bevinden.

Zelfs wanneer kan worden aangenomen dat een bijkomende proef niet noodzake-

lijkerwijze alle verschillende leerstofonderdelen dient te toetsen, spreekt het voor zich dat ze wel voldoende representatief moet zijn om het delibererende orgaan een juist beeld te geven van het kennen en kunnen van de leerling.

Bovendien erkent de beroepscommissie in de bestreden beslis-

sing uitdrukkelijk dat in de praktijklessen de focus ligt op het uitvoerend werk.

Reden te meer, zo lijkt het voor verzoeker, dat ook aan de drie slaagcijfers voor dagelijks werk voor het betrokken vak niet kan worden voorbijgegaan. Aange-

nomen dient immers te worden dat die rapportcijfers representatief zijn voor de vaardigheden die tijdens die respectieve rapportperiodes werden getoetst.

IX-9156-13/19

De stelling dat verzoeker onvoldoende lasoefeningen heeft af-

gewerkt, overtuigt evenmin. De bestreden beslissing biedt wat dat betreft geen enkel zinnig antwoord op de vraag waarom verzoeker dan een volwaardig rap-

portcijfer heeft gekregen én bovendien een slaagcijfer. Aangezien uit het pro-

ces-verbaal van de hoorzitting blijkt dat lasoefeningen die tijdens de betrokken rapportperiode niet werden gemaakt niet meer kunnen worden ingehaald:

“De leerlingen krijgen een planning welke oefeningen er per periode moeten gemaakt worden. Door zijn afwezigheid geraakte [de leerling]

achterop in die planning en kon [hij] de oefeningen niet afwerken. Die oefeningen kunnen ook achteraf niet worden ingehaald,”

zou verzoeker, in de logica van de bestreden beslissing, onmogelijk een cijfer, laat staan een slaagcijfer hebben kunnen krijgen, aangezien de lasoefeningen die hij beweerdelijk niet heeft gemaakt niet meer konden worden ingehaald en dus per definitie nooit nog zouden kunnen worden beoordeeld. Hoe in dat opzicht ver-

zoeker toch elk rapport een slaagcijfer krijgt, blijft geheel onduidelijk.

Beoordeling

20. Uit artikel 5, § 5, van het organisatiebesluit – bedoeld is het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’ – leidt de Raad van State volgens vaste recht-

spraak af dat de delibererende klassenraad bij het nemen van evaluatiebeslissingen over leerlingen, steeds rekening moet houden met álle elementen van het leerlin-

gendossier.

In die bepaling wordt enkel gewag gemaakt van de delibererende klassenraad en ontbreekt formeel een overeenstemmende bepaling voor de be-

roepscommissie. Evenwel kan moeilijk worden aanvaard, zo lijkt, dat de be-

roepscommissie, die over dezelfde beslissingsmacht beschikt als de delibererende klassenraad, haar beslissing niet zou moeten steunen op alle gegevens van het leerlingendossier.

IX-9156-14/19

Zo niet op grond van artikel 5, § 5, van het organisatiebesluit, dan toch op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiverings-

plicht lijkt van de beroepscommissie verwacht te mogen worden dat zij – net als de delibererende klassenraad die dat vóór haar heeft gedaan – haar beslissing steunt op alle nuttige gegevens van het leerlingendossier. Dat betekent, op het eerste gezicht, dat de beroepscommissie niet alleen rekening moet houden met de resul-

taten die onvoldoende zijn, maar ook met de resultaten voor de andere vakken of vakonderdelen, met de evolutie van deze resultaten, met eventueel tijdens het jaar opgelegde remediëringsmaatregelen, eventueel met de inzet van de leerling, met het medisch dossier van de leerling of met andere relevante gegevens eigen aan de betrokken leerling.

21. Verzoeker ziet het ook goed waar hij stelt dat het resultaat van de bijkomende proef een aanvullend gegeven is waarmee het delibererende orgaan rekening moet houden, maar dat het behaalde resultaat op die proef, in beginsel, niet alléénbepalend is.

22.1. Evenwel lijkt in de voorliggende zaak ook rekening te moeten worden gehouden met de bijzondere context en de reden waarom een bijkomende proef werd opgelegd.

Zoals hiervóór en ook in de bestreden beslissing reeds is aan-

gegeven, werd aan verzoeker een gunst verleend door hem aan een bijkomende proef te onderwerpen voor een opleidingsonderdeel dat in normale omstandighe-

den permanent geëvalueerd wordt. De bestreden beslissing leest daaromtrent als volgt:

“In dit verband is het nuttig om eraan te herinneren dat de delibererende klassenraad in juni niet over ‘volwaardige’ rapportcijfers beschikte, maar enkel over deelcijfers waarover verzoeker geëvalueerd was. Op basis van wat toen voorlag (geen geïntegreerde proef afgelegd, zo goed als geen praktijkevaluatie, grote hiaten voor andere vakken) had verzoeker eigenlijk een C-attest kunnen krijgen, omdat essentiële beoordelingselementen die ontbraken, niet konden worden ‘ingehaald’. Niettemin heeft de delibere-

rende klassenraad verzoeker de kans gegeven om via bijkomende proeven

IX-9156-15/19

een gedeelte van de lacunes in te vullen en te bewijzen dat hij aan het ge-

heel van de vorming voldoet, maar verzoeker heeft dat bewijs niet gele-

verd.”

De verwerende partij stelt vooralsnog geloofwaardig, dat het “gedeelte van de lacunes” waarvoor verzoeker de kans kreeg om ze in de bijko-

mende proef PV Lassen in te vullen, “elementaire lastechnieken” waren en “de essentie van wat een leerling op het einde van de derde graad BSO Las-

sen-constructie moet beheersen”. De lasproeven hadden dus prima facie niet be-

trekking op een willekeurig beperkt aantal leerdoelstellingen, maar op de essen-

tiële basis van de opleiding. Verzoeker weerlegt dit in de huidige stand van het geding alleszins niet.

In zo een specifiek geval lijkt, als keerzijde van deze uitzonder-

lijke gunstmaatregel, te kunnen worden aanvaard dat het delibererend orgaan de resultaten van de leerling op de bijkomende proef met een hogere mate van ge-

strengheid benadert en beoordeelt.

22.2. Daarbij komt nog dat wat verzoeker vraagt – namelijk het re-

sultaat voor de lasproeven in augustus afwegen tegen de overige behaalde cijfers –

niet zonder meer lijkt te kunnen gebeuren. Immers, zoals gezien, was verzoeker wegens medische redenen veelvuldig afwezig en heeft hij niet deelgenomen aan vele evaluatiemomenten. De punten die voorkomen op het rapport lijken bijgevolg slechts een weergave te zijn van die toetsen, proeven of andere evaluatiemomenten waaraan verzoeker wel heeft kunnen deelnemen, zodat ze representativiteit lijken te missen.

In het licht daarvan lijkt verzoeker, door te eisen dat die cijfers worden afgewogen tegen de resultaten voor de bijkomende proef, de draagwijdte van die punten te miskennen. Dat doet hij des te meer, zo lijkt, door ze “volwaar-

dig” te noemen en als “slaagcijfers” te kwalificeren.

IX-9156-16/19

22.3. Dat een delibererend orgaan in die concrete omstandigheden een groot gewicht toekent aan het resultaat voor de bijkomende proef – zoals hiervóór gezien: cijfermatig een nulquotering – over een opleidingsonderdeel dat een be-

langrijke plaats inneemt in het curriculum van de betrokken leerling, lijkt dan ook aanvaardbaar. Verzoeker weerlegt de beroepscommissie ook niet, zo lijkt, waar deze in de bestreden beslissing overweegt dat “[d]e centrale leerplandoelstellingen die betrekking hebben op de vaardigheden van het lassen […] in de bijkomende proef aan bod [zijn] gekomen en […] niet [bleken] te zijn behaald”.

In verband met de vereiste brede evaluatie, is voorts op te mer-

ken dat verzoeker zijn geïntegreerde proef (GIP) niet heeft afgewerkt. Deze GIP, waarvan het resultaat naar luid van artikel 56, § 2, derde lid, van het organisatie-

besluit een belangrijk element vormt in de beslissing van de delibererende klas-

senraad, kan bijgevolg alleszins niet als tegengewicht dienen om duidelijk te ma-

ken dat verzoeker de leerplandoelstellingen in globo wél in voldoende mate heeft bereikt en dat het cijfer voor de bijkomende proef moet worden afgezet tegen de resultaten van de GIP.

Verzoeker blijft in de huidige stand van de rechtspleging het antwoord schuldig welke andere door hem behaalde leerplandoelstellingen dan in de weegschaal gelegd kunnen worden en die in een richting ‘lassen-constructie’ in globo de doorslag kunnen geven tot een geslaagd verklaren.

23. In het licht van al het voorgaande, lijkt de beroepscommissie niet onterecht te hebben besloten dat verzoeker het leerjaar niet met vrucht heeft beëindigd.

Het middel is niet ernstig.

IX-9156-17/19

D. Slotsom

24. Geen middel is ernstig gebleken. Die vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen.

VII. Anonimisering

25. Met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 ‘betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State’ vraagt verzoeker dat bij de publicatie van het arrest zijn identiteit niet wordt opgenomen.

Dit verzoek wordt ingewilligd.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt de vordering.

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.

3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt.

IX-9156-18/19

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 30 oktober 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.

De griffier De voorzitter

Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren

IX-9156-19/19

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.725