Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.722 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.722 Généré par l'IA

Court dismisses urgent suspension request for medical exam results pending final committee decision.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.722
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State dismissed the applicant's request for an urgent suspension of the medical licensing exam committee's decision. The applicant had lodged a late appeal which the committee had not yet fully adjudicated, leaving the final result undetermined. The court ruled the request premature because the committee was still deliberating and could potentially change its score based on new arguments.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles II.187 of the Higher Education Code and Article 7 of the Flemish Government Decision of 2001; A request for urgent suspension of execution is inadmissible if the administrative body has not yet issued a final decision on the underlying matter.

Mots-clés

Généré par l'IA
urgent suspension medical licensing exam premature request pending deliberation administrative procedure échec définitif aux examens règlement d'examen instruction médicale insuffisante

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article II.187, Section 2, Item 1 of the Higher Education Code
werven en verwerken‟ en ten minste 22 op 40 punten voor beide examengedeelten samen (artikel II.187, § 2, 5°, van de Codex Hoger Onderwijs).
Article 7, Section 1 of the Flemish Government Decision of 2001
Article II.187, Section 2, Item 5 of the Higher Education Code
werven en verwerken‟ en ten minste 22 op 40 punten voor beide examengedeelten samen (artikel II.187, § 2, 5°, van de Codex Hoger Onderwijs).
Article 37 of the 2017 Working Regulations of the Exam Committee
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE IXe KAMER

nr. 239.722 van 27 oktober 2017

in de zaak A. 223.566/IX-9159

In zake: Amélie NEEFS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sabien Lust en Antoon Lust kantoor houdend te 8310 Brugge Baron Ruzettelaan 27

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de VLAAMSE GEMEENSCHAP

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Matthias Castelein kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 19 oktober 2017, strekt tot de schor-

sing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de be-

slissing van de examencommissie van het toelatingsexamen arts en tandarts d.d. 11 oktober 2017 […] waarbij [het] intern beroep [van Amélie Neefs] tegen haar examenresultaat voor het toelatingsexamen arts en tandarts als ongegrond werd verworpen”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

IX-9159- 1/12

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2017, om 14.00 uur.

Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Sabien Lust, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaten Sofie Logie en Matthias Castelein, die verschijnen voor de verwe-

rende partij, zijn gehoord.

Auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi-

neerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. De Vlaamse Regering organiseert telkens vóór de aanvang van het academiejaar tweemaal een toelatingsexamen voor de opleidingen van arts en tandarts. De eerste keer in de periode van 1 tot 15 juli, de tweede keer in de periode van 25 augustus tot 7 september (artikel II.187, § 2, 1°, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 7, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2001 „houdende nadere regels met betrekking tot het toelatingsexamen voor de opleidingen van arts en tandarts‟).

Dat toelatingsexamen omvat twee gedeelten: vooreerst „kennis en inzicht in de wetenschappen‟, namelijk de vakken biologie, fysica, scheikunde en wiskunde, en voorts „informatie verwerven en verwerken‟ betreffende thema‟s die aansluiten bij de beroepspraktijk van artsen of tandartsen (artikel II.187, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs).

IX-9159- 2/12

Om te slagen voor dat examen moet de kandidaat ten minste 10

op 20 punten behalen voor het examengedeelte „kennis en inzicht in de weten-

schappen‟, ten minste 10 op 20 punten voor het examengedeelte „informatie ver-

werven en verwerken‟ en ten minste 22 op 40 punten voor beide examengedeelten samen (artikel II.187, § 2, 5°, van de Codex Hoger Onderwijs).

De examencommissie past een giscorrectie toe. Een juist ant-

woord levert één punt op; een fout antwoord levert negatieve punten op (-1/3de punt); geen antwoord levert nul punten op (artikel 37 van het werkingsregle-

ment 2017 van de examencommissie).

3.2. Verzoekster neemt op 30 augustus 2016 een eerste keer deel aan het toelatingsexamen voor de opleidingen van arts en tandarts. Zij behaalt dan 3,6

op 20 punten voor het examengedeelte „kennis en inzicht in de wetenschappen‟ en 12,7 op 20 punten voor het examengedeelte „informatie verwerven en verwerken‟, wat resulteert in een totaal van 16,3 op 40 punten. Verzoekster wordt door de examencommissie “niet geslaagd” verklaard.

Zij neemt ook deel aan het toelatingsexamen van 4 juli 2017. Zij behaalt dan 3,8 op 20 punten voor het examengedeelte „kennis en inzicht in de wetenschappen‟, 14,3 op 20 punten voor het examengedeelte „informatie ver-

werven en verwerken‟ en 18,1 op 40 punten voor beide examengedeelten samen.

Verzoekster wordt door de examencommissie andermaal “niet geslaagd” ver-

klaard.

3.3. Op 29 augustus 2017 neemt verzoekster opnieuw deel aan het toelatingsexamen voor de opleidingen van arts en tandarts.

Met een e-mailbericht van 8 september 2017 deelt de voorzitter van de examencommissie aan verzoekster het volgende mee:

IX-9159- 3/12

“De examencommissie heeft vastgesteld dat je, na deliberatie, 12,0 punten op 20 behaalde voor het examengedeelte KIW (Kennis en Inzicht in de We-

tenschappen), 9,2 punten op 20 voor het examengedeelte IVV (Informatie Verwerven en Verwerken) en 21,2 punten op het totaal van 40.”

Verzoekster blijft aldus “niet geslaagd”.

3.4. Met een aangetekende brief van 13 september 2017 stelt ver-

zoekster bij de voorzitter van de examencommissie een beroep in zoals bedoeld in artikel 27 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2001 „houdende nadere regels met betrekking tot het toelatingsexamen voor de opleidingen van arts en tandarts‟.

Zij voert daarbij de volgende grieven aan:

- Er is sprake van “een aantal zeer dubbelzinnige en onduidelijke vragen” in de stilleesteksten 1 en 2 van het examengedeelte „informatie verwerven en verwer-

ken‟. Vraag 3 van stilleestekst 1 kan niet correct worden beantwoord omdat “de leeftijdsgroep in de tekst verschilt van de leeftijdsgroep in de vraag” en op de vragen 25 en 40 van stilleestekst 2 zijn meerdere (juiste) antwoorden mogelijk.

Daarom moeten deze vragen “buiten beschouwing […] worden gelaten voor het bepalen van [de] examenresultaten voor het gedeelte IVV”.

- Ook de vragen 4 en 11 van de communicatieproef laten meerdere juiste ant-

woorden toe.

- Er werd bij de deliberatie ten onrechte geen rekening gehouden met de “hoge scores” die verzoekster eerder behaalde voor het examengedeelte „informatie verwerven en verwerken‟, terwijl zij bij het augustusexamen slechts een tekort heeft van 0,8 punt om geslaagd te zijn voor dit examengedeelte en voor het gehele examen. Een verwijzing naar artikel 42 van het werkingsreglement van de exa-

mencommissie is niet relevant, aangezien die bepaling “onredelijk” is en met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moet worden gela-

ten. Bovendien belet artikel 42 van het werkingsreglement de toekenning van een vrijstelling voor een deel van het examen, maar niet dat de examencommissie bij de deliberatie rekening houdt met scores behaald tijdens voorgaande examenses-

IX-9159- 4/12

sies. Verzoekster heeft wel degelijk aangetoond over de vereiste competenties te beschikken. De goede cijfers buiten beschouwing laten is kennelijk onredelijk.

3.5. Met een e-mailbericht van 15 september 2017 deelt de voorzitter van de examencommissie aan verzoekster het volgende mee:

“De inzage in het toelatingsexamen arts en tandarts van juli en augustus liep via een online procedure met het oog op openheid en transparantie. Heel wat deelnemers maakten gebruik van het inzagemoment. Alle opmerkingen die zo bij de examencommissie terechtkwamen, werden ter harte genomen.

Daaruit is gebleken dat er voor het augustusexamen een probleem is met vraag 25 van de stilleestekstproef. Bijgevolg heeft de examencommissie in een bijkomende deliberatievergadering op 15 september beslist om deze vraag te neutraliseren. Conform artikel 40 uit het werkingsreglement gebeurt dit door aan alle deelnemers van het augustusexamen het maximale punt voor de ge-

neutraliseerde vraag toe te kennen.

Na het neutraliseren van deze vraag werden je resultaten opnieuw berekend.

De examencommissie heeft vastgesteld dat je, na de bijkomende deliberatie, 12,0 punten op 20 behaalde voor het examengedeelte KIW (Kennis en Inzicht in de Wetenschappen), 9,6 punten op 20 voor het examengedeelte IVV (Informa-

tie Verwerven en Verwerken) en 21,6 punten op het totaal van 40.”

Verzoekster blijft “niet geslaagd”.

3.6. Met een aangetekende brief van 18 september 2017 dient ver-

zoekster opnieuw een beroep in bij de voorzitter van de examencommissie, waarbij zij haar eerdere grieven herhaalt, uitgezonderd haar kritiek op vraag 25 van stil-

leestekst 2. Zij benadrukt dat zij nog slechts 0,4 punt tekortkomt om geslaagd te zijn.

3.7. Met een e-mailbericht van 29 september 2017 laat de voorzitter van de examencommissie aan verzoekster het volgende weten:

“Na de bijkomende deliberatievergadering van 15 september 2017 ontving de examencommissie nog verschillende interne beroepen van deelnemers. De interne beroepsprocedures zijn een laatste belangrijke fase in de kwaliteitscon-

trole. De examencommissie heeft al deze beroepen inhoudelijk bekeken en ze heeft voor vraag 12 van fysica uit het augustusexamen de interne beroepen gevalideerd op basis van bijkomende inhoudelijke argumenten van kandidaten.

IX-9159- 5/12

De conceptuele situatie die in deze vraag geschetst wordt, bleek immers pro-

blematisch te zijn.

Tijdens een bijkomende deliberatievergadering op 29 september 2017 heeft de examencommissie bijgevolg beslist om vraag 12 van fysica uit het augustusexamen te neutraliseren. Conform artikel 40 uit het werkingsreglement gebeurt dit door aan alle deelnemers van het augustusexamen het maximale punt voor de geneutraliseerde vraag toe te kennen.

Na het neutraliseren van deze vraag werden je resultaten opnieuw berekend.

De examencommissie heeft vastgesteld dat je, na de bijkomende deliberatie, 12,4 punten op 20 behaalde voor het examengedeelte KIW (Kennis en Inzicht in de Wetenschappen), 9,6 punten op 20 voor het examengedeelte IVV (Informa-

tie Verwerven en Verwerken) en 22,1 punten op het totaal van 40.”

Verzoekster blijft nog steeds “niet geslaagd”.

3.8. Met een aangetekende brief van 6 oktober 2017 stelt verzoekster andermaal een beroep in bij de voorzitter van de examencommissie, waarbij zij haar eerdere grieven herhaalt.

3.9. Op 11 oktober 2017 verklaart de examencommissie verzoeksters “beroep” ongegrond. Dit is de thans bestreden beslissing. Ze is als volgt gemoti-

veerd:

“Op 13 en 18 september 2017 diende u per aangetekende brieven 2 interne beroepen in tegen de resultaten behaald op het toelatingsexamen van 29 augustus 2017. Het beroep van 18 september vervangt het beroep van 13 september. […]

Wat betreft het eerste middel In uw brief betwist u dat vraag 3 van de stilleestekstproef een correcte ant-

woordmogelijkheid heeft. Er wordt gevraagd welke stelling correct is op basis van de genoemde enquête naar alcoholgebruik in België in 2013.

De antwoordmogelijkheden A, B en C kunnen zonder meer worden uitgesloten.

Bij antwoordmogelijkheid D stelt men dat ongeveer 1 op 5 Belgen ouder dan 15

geen alcohol drinkt. Uit de tekst kan men afleiden dat 81,8% van de Belgen van 15 jaar en ouder alcohol gebruiken. Dat betekent dat 18,2% of ongeveer een vijfde van de Belgen van 15 jaar en ouder geen alcohol gebruiken. Als de 15-jarigen uit die groep worden gehaald, kan men nog altijd stellen dat ongeveer 1 op 5 Belgen ouder van 15 jaar geen alcohol gebruiken. De groep 15-jarigen maakt immers slechts een klein aandeel uit van de groep 15 jaar en ouder.

De commissie bevestigt dat antwoord D uit de gele versie het enige juiste antwoord is.

De commissie verklaart dit middel ongegrond.

Wat betreft het tweede middel

IX-9159- 6/12

In uw brief betwist u dat vraag 40 van de stilleestekstproef slechts 1 juiste antwoordmogelijkheid heeft. U geeft aan dat zowel antwoord A, als antwoord B

correct zijn. U maakt de assumptie dat er bij bingedrinken enkel geregistreerde alcohol wordt gebruikt. Op basis van die assumptie concludeert u dat ant-

woord A ook juist is. Maar de assumptie dat er bij bingedrinken enkel geregi-

streerde alcohol wordt gebruikt, is nergens aangetoond en de tekst geeft geen aanleiding tot deze assumptie.

De commissie bevestigt dat antwoord B uit de gele versie het enige juiste antwoord is.

De commissie verklaart dit middel ongegrond.

Wat betreft het derde middel In vraag 4 van de communicatieproef schetst men een familietafereel en vraagt men welke van de voorgestelde reacties het meeste bijdraagt tot een goede sfeer in de familie. Volgens de examencommissie is antwoord C het correcte antwoord aangezien u op deze manier het gesprek met een kwinkslag afrondt, maar dit tegelijk doet op een respectvolle manier. U erkent daarbij zowel Peter, als zijn moeder. Dit draagt bij tot een goede sfeer op het feest. In antwoord B, dat u als correcte antwoord naar voor schuift, negeert u zowel de bezorgdheid van de moeder, als het ongemak van Peter. U stelt uzelf hier cen-

traal en in plaats van het af te sluiten, stimuleert u net het gesprek over dit voor Peter beschamende onderwerp. Dit draagt niet bij tot een goede sfeer op het feest.

De commissie bevestigt dat antwoord C uit de gele versie het enige correcte antwoord is.

De commissie verklaart dit middel ongegrond.

Wat betreft het vierde middel In vraag 11 van de communicatieproef schetst men een discussie tussen jongeren en een kampbegeleidster. Men vraagt welke van de voorgestelde antwoordmogelijkheden het efficiëntst de discussie afrondt. Volgens de exa-

mencommissie is antwoord B het correcte antwoord aangezien deze reactie van de kampbegeleidster aansluit bij het groepsgevoel, maar ook bij de eigen me-

ning dat de jongeren te jong zijn om naar een dancing te gaan. De begeleidster stelt duidelijk haar grenzen door aan te geven dat het echt niet kan en sluit hiermee de discussie het efficiëntst af.

In antwoord D, dat u als correcte antwoord naar voor schuift, geeft de ar-

gumentatie aanleiding tot extra discussie en niet tot het afsluiten ervan. Op die manier is de begeleidster niet duidelijk over de grenzen en het feit dat het echt niet kan.

De commissie bevestigt dat antwoord B uit de gele versie het enige correcte antwoord is.

De commissie verklaart dit middel ongegrond.

Wat betreft het vijfde middel Artikel II.187 § 2, 5° van de codex hoger onderwijs bepaalt dat studenten pas geslaagd worden verklaard voor het toelatingsexamen als zij op elk examen-

gedeelte ten minste 10 op 20 behalen en ten minste 22 op 40 voor beide exa-

mengedeelten samen. Hierbij is het duidelijk dat de slaagcriteria gelden per examen en dus niet over meerdere examens heen. De codex bepaalt dat het toelatingsexamen tweemaal per jaar wordt georganiseerd. Deze twee momenten

IX-9159- 7/12

worden afzonderlijk gequoteerd en staan volledig los van elkaar. De Examen-

commissie kan niet van deze decretale regels afwijken.

Bovendien bepaalt artikel 42 van het werkingsreglement dat het niet moge-

lijk is om een vrijstelling te bekomen voor een deel van het examen, indien de kandidaat tijdens een vorige sessie slaagde voor dit deel. Het examen moet per sessie integraal worden afgelegd om gequoteerd te kunnen worden. Door zich in te schrijven voor het toelatingsexamen heeft u zich uitdrukkelijk akkoord ver-

klaard met dit werkingsreglement.

De commissie verklaart dit middel ongegrond.

Conclusie:

De commissie verklaart het beroep ongegrond.”

IV. Ontvankelijkheid van de vordering

4. Alleen bestuurlijke beslissingen die in laatste aanleg zijn geno-

men, kunnen het voorwerp uitmaken van een beroep tot nietigverklaring of een vordering tot schorsing, al dan niet bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bij de Raad van State.

5. Artikel 27 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 fe-

bruari 2001 „houdende nadere regels met betrekking tot het toelatingsexamen voor de opleidingen van arts en tandarts‟ bepaalt:

“Materiële vergissingen of onregelmatigheden die de geldigheid van de be-

slissingen van de examencommissie in het gedrang kunnen brengen, moeten binnen de dertig kalenderdagen na de verzendingsdatum van de individuele uitslagen aan de voorzitter aangetekend meegedeeld worden. Binnen de dertig kalenderdagen na ontvangst van een dergelijke mededeling, roept de voorzitter de examencommissie in een buitengewone vergadering bijeen. De examen-

commissie kan geldig beslissen over de te nemen maatregelen indien ten minste vijf stemgerechtigde leden aanwezig zijn, de voorzitter inbegrepen.”

Deze bepaling organiseert een administratieve beroepsmoge-

lijkheid tegen de beslissingen van de examencommissie van het toelatingsexamen voor de opleidingen van arts en tandarts, onder meer wanneer onregelmatigheden worden aangevoerd die de geldigheid van de beslissingen van de examencom-

missie in het gedrang kunnen brengen. Deze administratieve beroepsmogelijkheid

IX-9159- 8/12

dient te worden uitgeput vooraleer een ontvankelijk beroep bij de Raad van State kan worden ingesteld.

6. In de voorliggende zaak heeft verzoekster, na de kennisgeving van haar resultaten van het toelatingsexamen voor de opleidingen van arts en tandarts op 8 september 2017 (12,0 op 20 punten voor „kennis en inzicht in de wetenschappen‟, 9,2 op 20 punten voor „informatie verwerven en verwerken‟, samen 21,2 op 40 punten), een eerste keer een dergelijk beroep ingesteld bij brief van 13 september 2017. Dit beroep werd door de voorzitter van de examencom-

missie ontvangen op 14 september 2017.

Ingevolge een “[b]ijkomende deliberatie”, die lijkt los te staan van het door verzoekster ingestelde beroep, wordt verzoekster op 15 september 2017 ervan in kennis gesteld dat haar punten werden aangepast: 12,0

op 20 punten voor „kennis en inzicht in de wetenschappen‟, 9,6 op 20 punten voor „informatie verwerven en verwerken‟, samen 21,6 op 40 punten.

Daaropvolgend heeft verzoekster op 18 september 2017 een nieuw beroep ingesteld. Dit beroep werd door de voorzitter van de beroepscom-

missie ontvangen op 19 september 2017.

Ingevolge een “[t]weede bijkomende deliberatie”, die eveneens lijkt los te staan van het door verzoekster ingestelde beroep, wordt verzoekster op 29 september 2017 ervan in kennis gesteld dat haar punten opnieuw werden aan-

gepast: 12,4 op 20 punten voor „kennis en inzicht in de wetenschappen‟, 9,6 op 20 punten voor „informatie verwerven en verwerken‟, volgens het bericht van kennisgeving samen “22,1” op 40 punten.

In de huidige stand van de zaak lijkt te moeten worden aangenomen dat de punten van verzoekster voor het toelatingsexamen van 29 augustus 2017 aldus op 29 september 2017 laatst zijn vastgesteld.

IX-9159- 9/12

Op 6 oktober 2017 heeft verzoekster een beroep ingesteld tegen die laatste beslissing van de examencommissie. Dit beroep werd door de voorzitter van de examencommissie ontvangen op 10 oktober 2017.

Op dit beroep heeft verzoekster nog geen antwoord gekregen.

7. De examencommissie geeft in de thans bestreden beslissing aan dat zij kennis heeft genomen van “2 interne beroepen”, namelijk deze van “13 en 18 september 2017”. Het beroep van 6 oktober 2017 laat de examencommissie onbesproken.

De examencommissie stelt in de bestreden beslissing op het eerste gezicht terecht dat het beroep van 18 september 2017 het beroep van 13 september 2017 heeft vervangen. Diezelfde redenering lijkt evenwel ook te moeten worden gevolgd ten aanzien van het beroep van 6 oktober 2017, dat alle voorgaande beroepen lijkt te hebben vervangen. Over dat beroep moet de exa-

mencommissie zich derhalve nog ten volle uitspreken. Ter terechtzitting stelt de verwerende partij dat de examencommissie het beroep zal behandelen op haar vergadering die gepland is op 27 oktober 2017.

Bijgevolg moet worden besloten – voor zoveel als nodig ambtshalve – dat nog geen eindbeslissing van de examencommissie over het re-

sultaat van verzoekster op het toelatingsexamen voorligt, zodat de huidige vorde-

ring voorbarig is, nu een eindbeslissing van de examencommissie dient te worden afgewacht.

8. Dat het beroep van verzoekster van 6 oktober 2017 in identieke bewoordingen is gesteld als het beroep van 18 september 2017, is niet van aard om het voorgaande anders te zien.

Aangezien de beroepen van 13 en 18 september 2017 op het eerste gezicht vervangen zijn door het beroep van 6 oktober 2017, dient alleszins

IX-9159- 10/12

dat laatste beroep een antwoord te krijgen. Bovendien kan niet worden vooruit-

gelopen op het nieuwe oordeel van de examencommissie. De examencommissie heeft immers al meerdere deliberaties nodig gehad om tot de huidige scores van de kandidaten te komen. Het lijkt dan ook niet te kunnen worden uitgesloten dat de examencommissie zich bij een nieuwe deliberatie over de zaak van verzoekster alsnog laat overtuigen door de juridische bezwaren van verzoekster of zelfs om andere redenen tot een gewijzigde beoordeling komt.

9. Uit wat voorafgaat volgt dat de vordering voorbarig is en dient te worden verworpen.

V. Kosten

10. Aangezien de verwerende partij in haar kennisgeving van de bestreden beslissing aan verzoekster zelf gewag maakt van de beroepsmogelijk-

heid bij de Raad van State, terwijl zij op dat ogenblik kennis had van haar laatste deliberatiebeslissing en van verzoeksters nog hangende beroep daartegen, zodat zij wist of moest weten dat zij nog een eindbeslissing diende te nemen, is het gepast de kosten van de vordering ten laste van deze partij te leggen.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt de vordering.

2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.

IX-9159- 11/12

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 27 oktober 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier.

De griffier De voorzitter

Vera Wauters Bert Thys

IX-9159- 12/12

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.722