Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.679 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.679 Généré par l'IA

Court dismisses challenge to zoning plan prioritizing nature connectivity over private development claims.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.679
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's appeal against a provincial zoning plan redesigning a forested area to preserve a nature corridor. The applicant argued the plan caused spatial fragmentation and lacked sufficient natural value, but the court found the government's decision legally sound. The court ruled that the authority correctly prioritized ecological connectivity over the owners' development rights without exceeding legal bounds.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 10 and 11 of the Spatial Planning Act; The administrative authority may prioritize nature conservation and spatial fragmentation prevention over private development claims when justified by objective ecological data and a balanced spatial assessment.

Mots-clés

Généré par l'IA
spatial planning nature conservation zoning plan ecological corridor administrative review spatial fragmentation provincial authority zone de protection des paysages

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 10 and 11 of the Spatial Planning Act
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Xe KAMER

nr. 239.679 van 27 oktober 2017

in de zaak A. 217.107/X-16.369.

In zake : de NV DE KEERSKORF

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Ryckalts kantoor houdend te 1000 Brussel Wolvengracht 38/2

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

1. de PROVINCIE VLAAMS-BRABANT

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56

bij wie woonplaats wordt gekozen 2. het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk De Greef kantoor houdend te 1700 Dilbeek Eikelenberg 20

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 28 september 2015, strekt tot de nietigverklaring van “het PRUP ‘Weekendverblijven, campings en residentiële woonwagenterreinen – deel 2 – gemeente Tielt-Winge, bestaande uit het deelplan ‘Kaaskorf’, zoals definitief vastgesteld bij besluit van 24 februari 2015 van de Provincieraad van de provincie Vlaams-Brabant, goedgekeurd middels besluit van de Vlaamse Minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 10 juli 2015”.

X-16.369-1/16

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld.

De verzoekende partij en de verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 mei 2017.

Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Sofie Albert, die loco advocaat Thomas Ryckalts verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Filip van Dievoet, die loco advocaat Michel van Dievoet verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocaat Evelien Verbruggen, die loco advocaat Dirk De Greef verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

X-16.369-2/16

III. Feiten

3. Het bij koninklijk besluit van 7 november 1978 vastgestelde gewestplan Aarschot-Diest bestemt in de gemeente Tielt-Winge, tegen de grens met de stad Aarschot, een zone tot gebied voor verblijfsrecreatie (hierna: het recreatiegebied van het gewestplan). Zowel het noordoostelijke deel als het zuidwestelijke deel van het recreatiegebied van het gewestplan is bebouwd, in tegenstelling tot het middendeel dat bebost is (hierna: het beboste middendeel).

Ten noorden van het recreatiegebied van het gewestplan bevindt zich het Tienbundersbos dat door het voornoemde gewestplan bestemd is tot natuurgebied en, op enkele uitlopers na, gelegen is op het grondgebied van de stad Aarschot.

Ten zuiden van het recreatiegebied van het gewestplan bevindt zich een beboste zone die door het meergenoemde gewestplan bestemd is tot natuurgebied en, nagenoeg volledig, opgenomen is in het habitatrichtlijngebied “Valleien van de Winge en de Motte met valleihellingen” (hierna: de beboste habitatrichtlijnzone).

De verzoekende partij is eigenares van vijf percelen in het beboste middendeel.

Ter verduidelijking van de plaatselijke toestand is hierna een uittreksel uit het gewestplan opgenomen, waarop schematisch een aantal aanduidingen zijn aangebracht.

X-16.369-3/16

4. Op 24 maart 2014 houdt de provincie Vlaams-Brabant een plenaire vergadering over een voorontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Weekendverblijven, campings en residentiële woonwagenterreinen – deel 2 – gemeente Tielt-Winge” (hierna: het PRUP).

Het deelplan “Kaaskorf” van het PRUP heeft betrekking op het recreatiegebied van het gewestplan te Tielt-Winge.

5. Er wordt door het provinciebestuur een verzoek tot ontheffing van de plicht tot opmaak van een plan-milieueffectrapport (hierna: plan-MER)

ingediend bij de dienst milieueffectrapportage van de afdeling Milieu-, Natuur-

en Energiebeleid van het Vlaamse Gewest (hierna: de dienst Mer), die met een schrijven van 8 april 2014 meedeelt dat de opmaak van een plan-MER niet nodig is.

6.1. Op 20 mei 2014 stelt de provincieraad van Vlaams-Brabant het ontwerp van het PRUP voorlopig vast.

6.2. Het voorontwerp herbestemt de bebouwde noordoostelijke en zuidwestelijke delen van het recreatiegebied van het gewestplan nagenoeg volledig tot zones voor kleinschalig wonen en verblijven met de overdruk “groen karakter”. Het beboste middendeel wordt herbestemd tot natuurgebied.

7. Tijdens het openbaar onderzoek over het ontwerp van PRUP, georganiseerd van 20 juni 2014 tot en met 19 augustus 2014, dient onder meer de verzoekende partij een bezwaarschrift in, waarin zij, als eigenares van enkele percelen binnen het plangebied, wijst op de onmogelijkheid om na het definitief worden van het deelplan nog een verkavelingsvergunning te bekomen, gelet op de bestemming natuurgebied die haar percelen zullen krijgen. Verder werpt zij onder meer de onbevoegdheid van de provincie op om het plan vast te stellen en stelt zij dat de herbestemming onvoldoende gemotiveerd is.

X-16.369-4/16

8. De provinciale commissie voor ruimtelijke ordening (hierna:

Procoro) brengt op 8 december 2014 een gemotiveerd advies uit over het plandossier.

9.1. Met het eerste bestreden besluit stelt de provincieraad van Vlaams-Brabant het PRUP “Weekendverblijven, campings en residentiële woonwagenterreinen – deel 2 – gemeente Tielt-Winge” definitief vast.

Er worden geen wijzigingen doorgevoerd ten opzichte van wat in randnummer 6.2 is vermeld.

9.2. De toelichtingsnota bij het definitief vastgestelde PRUP

herinnert aan de ruimtelijke visie op natuur en bos volgens welke er wordt gestreefd naar een kwantitatieve en kwalitatieve versterking van de bosstructuur, waarbij als bijzonder aandachtspunt de onderlinge verbinding van bossen geldt.

De toelichtingsnota verduidelijkt dat het PRUP past in de voornoemde visie:

“Een belangrijk element van het RUP is de omzetting van het [beboste middendeel]. Dit garandeert het behoud van de bestaande groen- en boscorridor [zijnde] een verbinding tussen [de beboste habitatrichtlijnzone]

en [het Tienbundersbos] en de beekvallei ten noorden”.

9.3. Over de bestaande toestand in de bebouwde noordoostelijke en zuidwestelijke delen van het recreatiegebied van het gewestplan wordt in de meergenoemde toelichtingsnota gesteld:

“In beide delen van de cluster Kaaskorf wordt in hoofdzaak permanent gewoond in de weekendverblijven. In de totaliteit van de cluster zijn 84 van de 130 weekendverblijven permanent bewoond”.

10. Met het tweede bestreden besluit keurt de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw het PRUP goed.

Van dit besluit wordt melding gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 juli 2015.

X-16.369-5/16

IV. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

11.1. Een eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 2.2.1, §§ 1 en 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) evenals van “de bevoegdheidsverdelende bepalingen in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen” (hierna: RSV) en “het hierin begrepen subsidiariteitsbeginsel”.

11.2. De verzoekende partij meent dat de bestreden besluiten aangetast zijn door bevoegdheidsoverschrijding omdat het PRUP uitvoering geeft aan de taakstelling “wonen” en de taakstelling “natuur” uit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (hierna: RSV), die “tot de exclusieve bevoegdheden van [...] respectievelijk de gemeente en het Vlaamse Gewest [behoren]”.

11.3. Vooreerst benadrukt de verzoekende partij dat overeenkomstig het RSV alleen de gemeente Tielt-Winge bevoegd is voor de taakstelling “wonen” op haar grondgebied. De gemeente heeft haar bevoegdheid hierover niet gedelegeerd naar het provinciaal niveau.

De verzoekende partij licht toe dat het deelplan “Kaaskorf”

opgemaakt werd om een oplossing uit te werken die ervoor zorgt dat het permanent wonen in weekendverblijven, campings en woonwagenterreinen ingeperkt wordt en tevens ook uit de illegaliteit gehaald wordt door het omvormen van gekozen gebieden tot permanente woongebieden, alsook door herhuisvesting van de bewoners. Dit kadert binnen een “globale visie” van de provincie voor haar volledige grondgebied. Echter gaat de provincie eraan voorbij dat dergelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen met verordenende bepalingen die een belangrijke impact hebben op het woonbeleid van een gemeente in de eerste plaats door de gemeente zelf dienen te worden opgesteld.

Het beleidsdomein “wonen” is dermate verankerd in het lokale beleid van iedere

X-16.369-6/16

gemeente dat de provincie niet zomaar dergelijke beleidslijnen kan opleggen betreffende deze problematiek, zelfs al is het de wens van de provincie om een omvattende aanpak te organiseren binnen haar grondgebied. De herhuisvesting, keuze van nieuwe woongebieden, aanduiding van afvalwaterzuivering, keuze van woonvormen binnen de gemeente enzovoort, zijn essentieel lokale beleidskeuzes waartoe de gemeente het best geplaatst is. In dit verband herneemt de verzoekende partij de bepalingen uit het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de gemeente Tielt-Winge aangaande het onderscheid tussen de bevoegdheden van de provincie en de gemeente met betrekking tot de opmaak van ruimtelijke plannen aangaande de “taakstelling wonen”.

Volgens de verzoekende partij kan het feit dat de provincie zich in de plaats van de gemeente bevoegd heeft geacht om het bestreden PRUP vast te stellen “geenszins [steunen op] enig beleidsdocument”. Evenmin wijst artikel 5.4.2 VCRO het provinciaal niveau aan als bevoegd niveau voor het leveren van planologische oplossingen voor bestaande knelpunten op het vlak van de ruimtelijke inplanting en de permanente bewoning van weekendverblijven. Dit artikel bepaalt enkel dat dergelijke onderzoeken en planologische oplossingen door de bevoegde bestuursniveaus (“provincies en gemeenten”) moeten gebeuren.

Verder blijkt volgens de verzoekende partij uit het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van Tielt-Winge dat de gemeente helemaal geen voorstander is van een dergelijke bestendiging van het woonrecht in recreatiegebied zoals nu opgenomen in het verordenend gedeelte van het PRUP.

11.4. De verzoekende partij vervolgt dat de provincie ook onbevoegd was voor de herbestemming van het onbebouwde middendeel tot natuurgebied.

De afbakening van de natuurlijke structuur is blijkens het RSV bij uitstek een gewestelijke bevoegdheid en wordt in gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen vastgesteld. De natuurverbindingsgebieden worden in provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen afgebakend in functie van de door het Vlaams Gewest afgebakende grote eenheden natuur, grote eenheden natuur in

X-16.369-7/16

ontwikkeling en natuurverwevingsgebieden en aan de hand van richtlijnen, opgesteld op Vlaams niveau. Natuurverbindingsgebieden worden slechts afgebakend voor zover de verbindende functie niet door een ander onderdeel van de natuurlijke structuur kan worden verzekerd (meestal door natuurverwevingsgebieden). Zodoende wordt aan de provincie inderdaad de bevoegdheid gegeven om natuurverbindingsgebieden af te bakenen via ruimtelijke uitvoeringsplannen, doch wel louter in functie van de gewestelijk afgebakende natuurstructuren.

In het Ruimtelijk Structuurplan Vlaams-Brabant (hierna:

RSVB) wordt het afbakenen van natuurverbindingsgebieden bevestigd als een provinciale “actie”. De effectieve afbakening dient evenwel te gebeuren in een ruimtelijk uitvoeringsplan in aansluiting op een gewestelijk afbakeningsplan.

Dergelijk plan is niet vastgesteld voor het plangebied van het deelplan “Kaaskorf”. Overigens kan dit deelplan volgens de verzoekende partij evenmin “vooruitlopen” op dergelijk gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan tot afbakening van de natuurstructuren.

12. In de memorie van wederantwoord benadrukt de verzoekende partij dat het vaststaat dat artikel 5.4.2 VCRO niet expliciet een exclusief planningsniveau heeft aangewezen om deze problematiek aan te pakken. Dat een provinciaal ruimtelijk structuurplan is opgesteld dat mee de schouders wenst te zetten onder het zoeken naar een oplossingenkader voor bestaande knelpunten op het vlak van de ruimtelijke inplanting en de permanente bewoning van weekendverblijven, doet er niets aan af dat bij het zoeken naar dergelijke oplossing eveneens nagegaan moet worden of niet met andere exclusieve taakstellingen rekening dient te worden gehouden. In casu staat het vast dat de niet-exclusieve bevoegdheid voor de provincie om in een oplossingskader voor de permanente bewoning van weekendverblijven te voorzien, niet kan interfereren met exclusieve bevoegdheden inzake “wonen” en “natuur” zoals respectievelijk toegewezen aan het gemeentelijk en gewestelijk niveau.

X-16.369-8/16

13. In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij dat het PRUP niet louter de omzetting van enkele groengebieden betreft, doch wel het aanleggen van een “corridor” of “verbinding” van en tussen natuurgebieden. Bij de totstandkoming van het bestreden deel-PRUP is niet nagegaan of de nieuwe om te zetten gebieden effectief wel afgebakend zijn, doch is louter gesteld dat zij een verbinding vormen “tussen het SBZ-gebied en de bossen en de beekvallei ten noorden”.

Beoordeling

14. Artikel 5.4.2, eerste lid, VCRO, luidt:

“De voor de planopmaak bevoegde bestuursniveaus onderzoeken of planologische oplossingen kunnen worden geboden voor bestaande knelpunten op het vlak van de ruimtelijke inplanting en de permanente bewoning van weekendverblijven. Deze onderzoeken worden uiterlijk op 30 april 2012 afgerond. De ruimtelijke uitvoeringsplannen die gevolg geven aan het door deze onderzoeken vooropgestelde oplossingskader, worden uiterlijk op 30 april 2015 definitief vastgesteld.”

In de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet is de hiervoor geciteerde bepaling als volgt toegelicht:

“De planologische oplossingen kunnen o.m. inhouden dat weekendverblijven als woongebied of recreatief woongebied ingekleurd worden, of dat verblijfsrecreatieve zones omgezet worden in een zachtere bestemming” (Parl. St. Vl. Parl. 2008-2009, nr. 2011/1, 234).

15. De omstandigheid dat het RSV wonen als een taakstelling voor de gemeentelijke overheid ziet, vermag, anders dan de verzoekende partij blijkbaar aanneemt, geen afbreuk te doen aan de bevoegdheid die de hiervoor geciteerde decretale bepaling onder meer aan de provincie toekent om – met de woorden van de memorie van toelichting – “weekendverblijven als woongebied [in te kleuren]”.

Verder houdt de verzoekende partij ten onrechte voor dat het feit dat de provincie zich bevoegd heeft geacht om het bestreden PRUP vast te stellen “geenszins [kan steunen op] enig beleidsdocument”.

X-16.369-9/16

Het RSVB voorziet dat de gemeenten in hun ruimtelijk structuurplan een overzicht en lokalisatie van de problematiek van het permanent bewonen van weekendverblijven geven. Het ruimtelijk structuurplan van de gemeente Tielt-Winge heeft dit voor het “Weekendverblijfpark ‘Kaaskorf’”

gedaan. Het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van Tielt-Winge stelt vooreerst vast dat dit weekendverblijfpark zich “midden in de bosstructuur” tussen het Tienbundersbos in Aarschot en de beboste habitatrichtlijnzone in Tielt-Winge bevindt en voorziet vervolgens, zoals de eerste verwerende partij terecht opmerkt, dat de herbestemming “een taak van de provincie [is; de] visie van de gemeente is enkel een suggestie aan de provincie”.

16. De richtinggevende bepalingen van het RSV bevatten in hoofde van het Vlaamse Gewest een principiële verplichting om de grote eenheden natuur en grote eenheden natuur in ontwikkeling, natuurverwevings-, bos- en bosuitbreidingsgebieden af te bakenen in gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen. Anders dan de verzoekende partij dit ziet, belet deze verplichting de andere planningsniveaus niet om in de uitvoeringsplannen, die zij binnen de door de VCRO verleende rechtsgrond vaststellen, een gebied tot groene zone te herbestemmen. Het gegeven dat in het onderhavige geval die herbestemming ingegeven is door de wens tot het behoud van een bestaande bosverbinding betekent nog niet dat de provincie de in de richtinggevende bepalingen van het RSV bedoelde taak van het Vlaamse Gewest heeft miskend.

Bijgevolg kon de provincie, zonder in strijd te komen met de laatstgenoemde bepalingen, op grond van artikel 5.4.2 VCRO een zone voor verblijfsrecreatie van het gewestplan herbestemmen tot groene zone.

Uit de gegevens van de zaak (randnr. 9.2) blijkt dat door de herbestemming van het beboste middeldeel de bestaande verbinding tussen het Tienbundersbos en de beboste habitatrichtlijnzone kan worden behouden. De verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat de provincie geen gebruik kon maken van de haar door artikel 5.4.2 VCRO tot 30 april 2015 toegekende bevoegdheid zolang het Vlaamse Gewest de op het gewestplan ingekleurde

X-16.369-10/16

natuurgebieden niet had opgenomen in een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan.

17. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden PRUP, dat beoogt een knelpunt op het vlak van de ruimtelijke inplanting en de permanente bewoning van weekendverblijven op te lossen, grondslag kan vinden in artikel 5.4.2, eerste lid, VCRO.

18. Het eerste middel wordt verworpen.

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

19.1. Een tweede middel is afgeleid uit de schending van artikel 1.1.4

VCRO, alsook uit de schending van de materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheids-, het evenredigheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel.

19.2. De verzoekende partij betoogt dat niet afdoende is verduidelijkt waarom, enerzijds, de bestaande illegale permanente bewoning binnen het zuidwestelijke en het noordoostelijke deel van de Kaaskorf wordt bestendigd en, anderzijds, ter compensatie de onbebouwde percelen in het middendeel naar openruimtegebied worden herbestemd. De verzoekende partij noemt het “frappant” dat de algemene toelichting van het PRUP voor de gemeente Tielt-

Winge vaststelt dat de Kaaskorf “op basis van een strikt ruimtelijke afweging niet in aanmerking komt voor een omvorming tot woongebied”. Deze algemene toelichting stelt verder dat indien blijkt dat er onvoldoende aanbod is of komt om een herhuisvesting mogelijk te maken, alsnog een gedeeltelijke omzetting naar een woonbestemming wordt doorgevoerd. Deze behoefte wordt vervolgens gecreëerd door de planinitiatiefnemer zelf omdat andere recreatieve gebieden waar eveneens permanente bewoning aanwezig is, niet worden omgezet naar kleinschalig wonen en verblijven. De verzoekende partij voert aan dat het “PRUP

ingegeven [lijkt] door een blind verlangen om de illegale permanente bewoning

X-16.369-11/16

te regulariseren” en dat “alle andere overwegingen en rechtmatige belangen hiervoor [moeten] wijken”.

Volgens de verzoekende partij ligt vooreerst “een volstrekt kromme redenering” aan de basis van de omzetting van het middendeel van het recreatiegebied van het gewestplan naar natuurgebied, meer bepaald de vrees om aldaar een nieuwe problematiek van permanent bewoonde weekendverblijven te creëren. Zij noemt het absurd om voor enkele percelen gelegen binnen het plan de illegale toestand van het permanent wonen in weekendverblijven te bestendigen en te regulariseren, en anderzijds groengebied te voorzien op percelen die niet wederrechtelijk worden gebruikt omdat anders het permanent wonen in weekendverblijven opnieuw de kop op zou steken. Volgens de verzoekende partij is “de tweede reden waarom [haar] percelen [...] niet worden omgezet naar woongebied voor permanent wonen maar naar natuurgebied, het feit [...] dat deze nog niet aangesneden zijn”, wat “een zeer arbitrair gegeven [is]”.

Gelet op de beperkte natuurwaarde van haar percelen is er volgens de verzoekende partij geen enkele objectieve reden om deze om te zetten naar natuurgebied. De verzoekende partij benadrukt dat de beweerde “groen- en boscorridor” geenszins bestaat, zodat de omzetting van recreatie naar natuur bijzonder artificieel is. De percelen binnen het middendeel zijn immers “niet meer [...] dan een bouwgrond met opgeschoten schaar- en kreupelhout”, maken “noch ruimtelijk, noch fysisch deel uit van [...] de speciale beschermingszones in de omgeving” en zijn “geïsoleerd en [...] grotendeels omgeven door recreatieve woningen zodat de herbestemming [...] een verdere versnippering bewerkstelligt”.

De verzoekende partij besluit dat het bestreden PRUP

onevenredige schade toebrengt aan haar particuliere belangen.

20. In de memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij dat het bestreden PRUP geenszins natuurgebieden wenst te versterken, doch de herbestemming van het middendeel tot natuurgebied louter als pasmunt gebruikt

X-16.369-12/16

voor het herbestemmen van recreatiegebied tot zones voor kleinschalig wonen.

Zij benadrukt dat de impact van het definitief verankeren van het permanent wonen veel groter is dan het voorzien van recreatieve verblijven in een verder groene zone.

21. In de laatste memorie stelt de verzoekende partij nog dat het gegeven dat haar percelen kunnen dienen als “corridor” of “verbinding” tussen de omliggende boscomplexen eerder een motivering lijkt die achteraf is ingegeven, nu de enige echte doelstelling van het PRUP de herhuisvestingsbehoefte is. Het creëren van natuurverbindingen was geenszins het hoofddoel van het PRUP.

Dergelijke ondergeschikte beleidskeuze kan de onwettig gemaakte afweging die heeft geleid tot het toelaten van permanent wonen niet goedpraten.

Beoordeling

22. Artikel 1.1.4 VCRO bepaalt onder meer dat bij de ruimtelijke ordening de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar worden afgewogen. De diverse binnen artikel 1.1.4 VCRO bedoelde behoeften en de daarmee gepaard gaande aanspraken op de ruimte dienen evenwichtig tegen mekaar te worden afgewogen. De Raad van State oefent hierop enkel de wettigheidstoets uit. Het komt aan de bevoegde overheden toe om de nodige beleidskeuzes te maken. Het is aan de verzoekende partij, die de genoemde bepaling geschonden acht, om aan te tonen dat de gemaakte keuze de grenzen van de wettigheid te buiten gaat.

Zoals is bevestigd in de parlementaire voorbereiding van artikel 1.1.4 VCRO kan bij de gelijktijdige onderlinge afweging van deze verschillende maatschappelijke activiteiten één bepaalde behoefte zwaarder doorwegen in een bepaalde situatie (Parl.St. Vl.Parl. 1995-1996, nr. 360/3, 18).

Een bepaalde ruimtelijke behoefte moet derhalve na afweging in een bepaalde situatie niet noodzakelijk als gelijkwaardig voorkomen aan een andere ruimtelijke behoefte.

X-16.369-13/16

23.1. Van bij het begin van het planningsproces voor het bestreden PRUP heeft de eerste verwerende partij vastgesteld dat het beboste middendeel andere ruimtelijke kenmerken heeft dan het bebouwde zuidwestelijke en het bebouwde noordoostelijke deel van het recreatiegebied van het gewestplan.

23.2. De in de toelichtingsnota bij het PRUP opgenomen biologische waarderingskaart duidt een strook van het beboste middendeel als biologisch zeer waardevol en de rest ervan als biologisch waardevol aan. Het beboste middendeel paalt in het noordoosten aan het Tienbundersbos en in het zuidwesten aan de beboste habitatrichtlijnzone (randnr. 3). Uit de gegevens van de zaak blijkt dat het beboste middendeel, zoals in de toelichtingsnota bij het bestreden PRUP wordt gesteld, een bestaande bosverbinding vormt tussen het Tienbundersbos en de beboste habitatrichtlijnzone.

23.3. Door de herbestemming van het beboste middendeel tot natuurgebied wil de plannende overheid het voortbestaan van de laatstgenoemde bosverbinding garanderen. In antwoord op het bezwaarschrift van de verzoekende partij heeft de Procoro deze beleidskeuze als volgt gemotiveerd:

“Dit kadert binnen de beleidsdoelstellingen voor de open ruimte in het buitengebied die onder andere stellen dat een ruimtelijke versnippering van de open ruimte moet tegengaan worden.”

Aldus heeft de plannende overheid bij het vaststellen van het bestreden PRUP de ruimtelijke behoefte van de natuur laten voorgaan op de ruimtelijke aanspraak van de eigenaars om het beboste middendeel te bebouwen.

24. De verzoekende partij kan er niet van overtuigen dat de herbestemming van het beboste middendeel tot natuurgebied een compensatie of pasmunt zou zijn voor de herbestemming van het bebouwde zuidwestelijke deel en het bebouwde noordoostelijke deel van het recreatiegebied van het gewestplan.

De omstandigheid dat met de laatstgenoemde herbestemming is teruggekomen op het aanvankelijke standpunt dat de zuidwestelijke en

X-16.369-14/16

noordoostelijke delen “op basis van een strikt ruimtelijke afweging niet in aanmerking [kwamen] voor een omvorming tot woongebied”, maakt de in randnummer 23.3 weergegeven afweging niet onwettig.

25. Met haar kritiek dat haar percelen slechts een “beperkte natuurwaarde” hebben herhaalt de verzoekende partij het bezwaarschrift dat zij in het kader van het openbaar onderzoek heeft ingediend. Deze kritiek is door de Procoro afdoende weerlegd met de verwijzing naar het “objectief element” van de biologische waarderingskaart waarin de biologische waarde van die percelen wordt bevestigd.

Het valt tot slot niet in te zien op welke wijze het bestreden PRUP, dat hoofdzakelijk de bestaande feitelijke toestand bestendigt, een “verdere versnippering” zou bewerkstelligen, zoals de verzoekende partij boudweg beweert.

26. Het besluit is dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat de plannende overheid bij de afweging van de verschillende ruimtelijke behoeften de wettigheid te buiten is gegaan.

27. Het tweede middel wordt verworpen.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan elk van de verwerende partijen.

X-16.369-15/16

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig oktober 2017, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:

Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier.

De griffier De voorzitter

Frank Bontinck Johan Lust

X-16.369-16/16

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.679