Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.676 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.676 Généré par l'IA

Court dismisses appeal against environmental authority's refusal to impose administrative measures due to lack of proven environmental infringement.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.676
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Court of Administrative Justice dismissed the appeal filed by the environmental organization against the Flemish Minister's decision to reject administrative measures. The organization argued that illegal waste dumping occurred after a permit was annulled, citing soil samples showing organic carbon violations and potential harm to nearby forests. The court found the applicant's interpretation of the soil analysis results incorrect and noted that the alleged infringer had ceased activities immediately after the permit's announcement, rendering the claim of ongoing environmental infringement unsubstantiated.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 10 and 11 of the Code of Administrative Justice; An administrative authority must base its decision to impose measures on a proven environmental infringement, and a mere allegation of non-compliance with annulled permits without concrete evidence of ongoing damage does not justify such measures.

Mots-clés

Généré par l'IA
administrative measures environmental infringement waste dumping soil contamination permit annulment environmental organization procedural burden renonciation à l'expropriation

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 10 and 11 of the Code of Administrative Justice
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VIIe KAMER

nr. 239.676 van 26 oktober 2017

in de zaak A. 212.172/VII-39.093.

In zake : de VZW MILIEUFRONT OMER WATTEZ

gevestigd te 9700 Oudenaarde Kattestraat 23

alwaar woonplaats wordt gekozen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gwijde Vermeire

tegen :

het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Meindert Gees kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B

bij wie woonplaats wordt gekozen

Tussenkomende partij :

de NV OB&D

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tom Malfait en Charlotte Ponchaut kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 31 maart 2014, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur van 31 januari 2014 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de afdeling Milieu-inspectie van 20 november 2013, houdende weigering om in te gaan op het verzoek tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen, ongegrond wordt verklaard.

VII-39.093-1/15

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 1 september 2014. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld.

De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 april 2017.

Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Gwijde Vermeire, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Michiel Descheemaeker, die loco advocaten Steve Ronse en Meindert Gees verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Tom Malfait, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State,

VII-39.093-2/15

gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. De betwisting betreft de uitbating van een voormalige zandgroeve in Ronse, nabij de dorpskern Louise-Marie en het zogeheten Muziekbos. De voormalige zandgroeve fungeert thans als stortplaats. Het terrein heeft de bestemming ontginningsgebied, met als nabestemming bosgebied. In een straal van 100 meter rond de perceelsgrenzen staan vier woningen; er ligt woongebied met landelijk karakter op 120 meter afstand; rond de inrichting bevindt zich natuurgebied, bosgebied, uitbreidingsgebied voor bos en landschappelijk waardevol agrarisch gebied; deze omringende gebieden zijn voor het grootste deel aangeduid als habitatrichtlijngebied en VEN-gebied.

3.2. Op 30 juli 2010 dient de exploitant een vergunningsaanvraag in voor het hernieuwen en veranderen van de lopende milieuvergunning. De aanvraag omvat twee grote onderdelen: er wordt enerzijds een hernieuwing gevraagd van de vergunning voor een definitieve opslagplaats (hierna: DOP) voor niet-verontreinigde uitgegraven bodem en niet-verontreinigde bagger- en ruimingsspecie, en anderzijds het veranderen van een ander deel van de stortplaats categorie 3 in een stortplaats categorie 2 voor niet-reinigbare gronden en sedimenten die als niet-gevaarlijke afvalstoffen worden ingedeeld.

3.3. Op 28 april 2011 verleent de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen de vergunning voor de zogenaamde DOP, voor de gevraagde termijn van zeven jaar. De deputatie weigert echter de vergunning voor de stortplaats categorie 2.

3.4. De aanvrager stelt bestuurlijk beroep in tegen de gedeeltelijke weigering van de vergunning.

VII-39.093-3/15

3.5. Met een besluit van 29 maart 2012 verklaart de bevoegde Vlaamse minister het beroep gegrond, verleent zij een vergunning voor zowel het onderdeel DOP als voor de stortplaats categorie 2, legt zij hierbij een reeks bijzondere vergunningsvoorwaarden op, doch vermindert zij de termijn van de vergunning van zeven jaar tot vijf jaar.

3.6. Bij arrest nr. 225.043 van 10 oktober 2013 vernietigt de Raad van State het voornoemde besluit van 29 maart 2012.

3.7. Op 22 oktober 2013 vraagt de VZW Milieufront Omer Wattez om een bestuurlijke maatregel op te leggen teneinde de in uitvoering van de vernietigde vergunning reeds gestorte afvalstoffen te laten verwijderen en het terrein in zijn natuurlijke toestand te herstellen.

3.8. De afdeling Milieu-inspectie beslist op 20 november 2013 om niet in te gaan op dat verzoek, omdat de exploitant in afwachting van de binnen een redelijke termijn te verwachten nieuwe beslissing over de vergunningsaanvraag de niet langer vergunde stortplaats als een goed huisvader blijft beheren en alle noodzakelijke maatregelen neemt om verontreiniging en hinder te voorkomen, zodat het opleggen van de gevraagde maatregel in de gegeven omstandigheden “disproportioneel en voorbarig zou zijn”.

3.9. Tegen deze afwijzende beslissing stelt de verzoekende partij bestuurlijk beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister.

3.10. De afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer adviseert op 23 januari 2014 om het beroep ongegrond te verklaren.

3.11. Met een besluit van 31 januari 2014 verwerpt de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur het bestuurlijk beroep van de verzoekende partij omdat er volgens haar geen sprake is van een milieumisdrijf.

VII-39.093-4/15

Dit is de thans bestreden beslissing. Ze is als volgt gemotiveerd:

“Overwegende dat artikel 16.4.5 DABM stelt dat bestuurlijke maatregelen kunnen worden opgelegd na de vaststelling van een milieumisdrijf; dat artikel 16.4.18, §2 DABM voorschrijft dat het verzoek om de oplegging van bestuurlijke maatregelen voldoende gemotiveerd moet zijn en aannemelijk moet maken dat er een milieu-inbreuk of milieumisdrijf is;

Overwegende dat beroepsindiener in zijn beroepschrift stelt dat verwerende partij in de bestreden beslissing ten onrechte van oordeel was dat vermoedelijke overtreder geen schendingen op de milieuregelgeving heeft begaan; dat beroepsindiener argumenteert dat vermoedelijke overtreder, ten gevolge van de vernietiging van het vergunningenbesluit van 29 maart 2012 door de Raad van State, de afvalstoffen illegaal op betreffende terrein heeft gestort; dat beroepsindiener tevens verwijst naar de resultaten van 2 monsternames die op 11 oktober 2013 door verwerende partij waren uitgevoerd, en van oordeel is dat de bemonsterde stalen voor de parameter totaal organische koolstof niet conform zijn aan de VLAREM II-voorwaarden; dat beroepsindiener tevens gewag maakt van hinder voor de omwonenden;

Overwegende dat beroepsindiener van oordeel is dat de gestorte afvalstoffen (in casu niet reinigbare gronden, niet reinigbare slibs en afval van grondreinigingscentra) een potentieel gevaar vormen voor de bossen en natuurgebieden in de onmiddellijke omgeving van de stortplaats; dat de gestorte afvalgrond de bebossing in het algemeen en de groeimogelijkheid van hoogstammige bomen, zoals bepaald in het natuurontwikkelingsplan, zou verhinderen;

Overwegende dat vermoedelijke overtreder terecht opwerpt dat, in afwachting van de definitieve uitspraak door de Raad van State omtrent het beroep tot nietigverklaring tegen het vergunningenbesluit van 29 maart 2012, zij onverkort haar vergunde activiteiten kon uitoefenen; dat het instellen van een beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State immers geen schorsende werking met zich meebrengt en het aangevochten vergunningenbesluit, tot aan de definitieve uitspraak door de Raad van State, onverkort bleef gelden; dat vermoedelijke overtreder, na de vernietiging van het ministerieel besluit door de Raad van State, haar stortactiviteiten onmiddellijk heeft gestaakt;

Overwegende dat vermoedelijke overtreder tevens aanhaalt dat Milieu-Inspectie haar toelating verleende om de vergunde stortactiviteiten aan te vatten en dat de inrichtingswerken van de stortplaats conform het goedgekeurde inrichtingsplan werden uitgevoerd; dat dit in de bestreden beslissing door verwerende partij werd bevestigd;

Overwegende dat de interpretatie door beroepsindiener van de analyseresultaten van de op 11 oktober [2013] door Milieu-Inspectie genomen stalen niet correct is; dat artikel 5.2.4.1.8, §7, 5°, van VLAREM II stelt dat in afwijking van de bepalingen van artikel 5.2.4.1.8, §4, en 5.2.4.1.8, §5, voor stortplaatsen voor uitsluitend anorganische niet-gevaarlijke afvalstoffen met een laag gehalte aan organisch/biologisch afbreekbare stoffen, waarbij het afval niet voldoet aan de criteria bepaald in artikel 5.2.4.1.8. §5, 1°, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, de volgende voorwaarden gelden:

VII-39.093-5/15

a) ofwel, verlies door uitgloeiing van het droge bestanddeel van de afvalstof ten gevolge van de ontbinding van organische stoffen, uitgezonderd vaste polymeren en asfalt: PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.676