Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.673 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.673 Généré par l'IA

Court dismisses suspension request for environmental permit due to lack of urgency and pending urban planning permit.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.673
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected Maarten Vissers' request to suspend the execution of an environmental permit for a poultry slaughterhouse. The applicant argued that the permit could not be enforced without a separate urban planning permit, which was currently suspended by the Council of State. The court found that the applicant failed to demonstrate urgency under Article 17 of the Council of State Rules, as the outcome of the urban planning procedure was not yet final. Consequently, the court ruled that the conditions for granting a suspension were not met.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Article 17, § 1, second paragraph of the Council of State Rules; Article 17, § 2, third paragraph of the Council of State Rules: A request for suspension requires cumulative proof of urgency and irreparable harm, which must be substantiated by new elements if filed separately.

Mots-clés

Généré par l'IA
suspension of execution environmental permit urban planning permit urgency requirement irreparable harm Council of State Rules procedural admissibility autorisation de décharge

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 17, § 1, second paragraph of the Council of State Rules
Article 17, § 2, third paragraph of the Council of State Rules

Jurisprudence citée

Généré par l'IA
1617-RvVb-0451-SA
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER

nr. 239.673 van 26 oktober 2017

in de zaak A. 222.449/VII-40.021.

In zake : 1. Jules DHOOGHE

2. Evelyne VAN GRONINGE

3. Peter VAN DEN CORPUT

4. Alice AERDEN

5. Toon VAN DEN CORPUT

6. Machteld BREBELS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Van Wynsberge kantoor houdend te 9860 Oosterzele Kwaadbeek 47a bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1

bij wie woonplaats wordt gekozen

Tussenkomende partij :

Maarten VISSERS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Surmont kantoor houdend te 2300 Turnhout de Merodelei 112

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 19 juni 2017, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 17 april 2017 waarbij de bestuurlijke beroepen ingesteld

VII-40.021-1/10

tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Antwerpen van 29 september 2016, houdende het verlenen aan Maarten Vissers van de milieuvergunning voor het exploiteren van een slachtkippenbedrijf, gelegen aan de Holleweg te Essen, slechts gedeeltelijk gegrond worden verklaard.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2017.

Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Koen Van Wynsberge, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Veerle Huysman, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Koen Van den Wyngaert, die loco advocaat Jan Surmont verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Op 27 mei 2016 dient Maarten Vissers bij de deputatie van de provincie Antwerpen een milieuvergunningsaanvraag in voor de exploitatie van

VII-40.021-2/10

een nieuw slachtkippenbedrijf, gelegen aan de Holleweg te Essen. Het voorwerp van de aanvraag bestaat concreet uit:

- een brandstofverdeelslang;

- plaatsen voor 83.000 slachtkippen;

- het stallen van 25 bedrijfsvoertuigen;

- de bovengrondse opslag van 2,125 ton (2.500 liter) mazout en 8,5 ton (2 x 5.000 liter) petroleum;

- de opslag van 400 kg diverse gevaarlijke producten in kleine verpakkingen;

- een noodstroomgenerator van 50 kW;

- 8 heaters van elk 80 kW;

- een grondwaterwinning met een opgepompt debiet van 7.100 m³/jaar (19,5 m³/dag) op een diepte van 155 meter.

3.2. Tijdens het openbaar onderzoek worden 75 bezwaren ingediend, ook door de verzoekende partijen die woonachtig zijn in de onmiddellijke omgeving van de geplande inrichting.

3.3. Bij besluit van 29 september 2016 verleent de deputatie van de provincie Antwerpen de gevraagde vergunning grotendeels. Enkel de vergunning voor het winnen van meer dan 6.000 m³ grondwater per jaar wordt geweigerd. Aan de verleende milieuvergunning wordt een aantal bijzondere exploitatievoorwaarden verbonden.

3.4. Tegen deze vergunningsbeslissing wordt onder meer door de verzoekende partijen bestuurlijk beroep ingesteld bij de bevoegde Vlaamse minister.

3.5. In het kader van de beroepsprocedure wordt advies uitgebracht door:

a) de afdeling Operationeel Waterbeheer op 13 december 2016 (deels gunstig);

b) de dienst Integraal Waterbeleid op 14 december 2016 (voorwaardelijk gunstig);

c) de dienst Milieueffectenrapportage op 21 december 2016 (gunstig);

VII-40.021-3/10

d) het Agentschap voor Natuur en Bos op 5 januari 2017 (gunstig);

e) Ruimte Vlaanderen op 5 januari 2017 (voorwaardelijk gunstig);

f) de afdeling Milieuvergunningen op 5 januari 2017 (voorwaardelijk gunstig);

g) de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie op 10 januari 2017 (deels gunstig).

3.6. Met het thans bestreden besluit van 17 april 2017 verklaart de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw de ingediende beroepen in dier mate gegrond dat de in eerste aanleg opgelegde bijzondere exploitatievoorwaarden worden gewijzigd en aangevuld met bijkomende voorwaarden. De overige bepalingen van de beroepen deputatiebeslissing worden bevestigd.

IV. Tussenkomst

4. Met een op 4 juli 2017 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt Maarten Vissers om in het geding te mogen tussenkomen.

Er is grond om dat verzoek in te willigen.

V. Onderzoek van de vordering

5. Luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van het besluit prima facie kan verantwoorden.

Spoedeisendheid

6. In hun verzoekschrift geven de verzoekende partijen de volgende

VII-40.021-4/10

uiteenzetting van de feiten die volgens hen de spoedeisendheid verantwoorden:

“[…] In casu blijkt dat de behandeling van de vordering spoedeisend is, en dit gelet op het feit dat de belanghebbende partij thans over alle vereiste vergunningen beschikt om met de bouw en exploitatie van de pluimveestal aan te vatten. Gelet op het feit dat de pluimveestallen in kwestie een industriële constructie betreft, die bestaat uit snel en eenvoudig op te richten constructieonderdelen (prefabspanten en -betonpanelen) en die op relatief korte termijn kan worden opgetrokken, zal de belanghebbende partij binnen zeer korte tijd de exploitatie kunnen aanvatten. Het voormelde veronderstelt dat de verzoekers op relatief korte termijn zullen geconfronteerd worden met de hinder en nadelen die met de uitbating van de stal gepaard zullen gaan.

[…] Zoals hoger reeds werd aangehaald zijn al de verzoekende partijen woonachting in de onmiddellijke omgeving van de aanvraag. Voor de volledigheid kan er in deze context opnieuw worden verwezen naar het kadastraal plan en de foto onder randnummer 7 en 8, waarop de situering van de diverse woningen en bedrijfsgronden t.o.v. de inplantingsplan van nieuwe industriële kippenhouderij is aangeduid. Uit de feiten blijkt dat verzoekers allen wonen en werken in de onmiddellijke omgeving van het voorwerp van de aanvraag. De woning van de verzoekende partijen sub 1 is gelegen op een 250-tal meter van de bouwplaats. De bedrijfsgronden van verzoeker sub 1

waarop deze dag in dag uit werkzaam is, en waar de verzoekers sub 1 aan biologische teelt (en verkoop ten velde) van groenten doet, zijn allen gelegen aan de overzijde van het Spurrieveld en zijn te beschouwen als naburige percelen van de aanvraag. De woning van verzoekers sub 2 is gelegen op een 100-tal meter van de bouwplaats. De woning van verzoekers sub 3 is zelfs gelegen op een 50-tal meter van de aanvraag.

[…] Ook kan er verwezen worden naar stuk 18 waarop de ligging van de woning van de diverse verzoekers is aangeduid.

[…] De tenuitvoerlegging van de milieuvergunning zal tot gevolg hebben dat de verzoekers visuele hinder, geurhinder en mobiliteitshinder (meer en gevaarlijker verkeer) zullen ondervinden in de straat waarin zij wonen en/of werken. Omwille van de onmiddellijke nabijheid van hun woonst t.o.v. […] het voorwerp van de aanvraag, zullen verzoekers onmiskenbaar zware geurhinder ondervinden maar ook visuele hinder, hinder op het vlak van geluid (afkomstig van transporten, ventilatoren ...), stofhinder etc... ondervinden. De verzoekers zullen allen een absolute stijging van geurhinder, geluidshinder, visuele hinder ondervinden, door de inplanting van de industriële en niet grondgebonden pluimveehouderij in het openruimtegebied gelegen tussen de Antwerpseweg, Vissenheuvel, Spurrieveld en Holleweg.

[…] Uit de foto’s die de verzoekers voegen blijkt zeer duidelijk dat het zicht en het open landschap op de plaats waar de verzoekers leven, wonen en werken volledig verstoord zal worden door de stallen van de aanvrager die industriële proporties en uitzicht aannemen. Zowel verzoekers sub 2 als verzoekers sub 3 hebben heden vanuit hun woning en tuin zicht op een open en onbebouwde omgeving […]. Verzoeker sub 1 kijkt vanop zijn dagelijkse werkterrein (de landerijen aan de overzijde van het Spurrieveld eveneens uit

VII-40.021-5/10

over open omgeving. Hiervoor kan verwezen worden naar de foto’s onder stuk 17 en naar de verzamelaanvraag van verzoekende partij sub 1 zoals gevoegd onder stuk 6.

[…] De visuele hinder is onvermijdelijk en dit gelet op het feit dat de thans bestreden vergunning toelating inhoudt voor de oprichting van aanzienlijke gebouwen en bijkomende verhardingen. Zo blijkt uit de plannen dat de 2 pluimveestal elk een lengte hebben van 90 meter en een breedte van 262 meter en een nokhoogte van 6,39 meter. Daarnaast wordt nog een materiaalloods voorzien met een lengte van 35 meter en een breedte van 20 meter. Dergelijk omvangrijke gebouwen berokkenen een onaanvaardbare aantasting op de open ruimte, die op deze plaats geenszins te verantwoorden is. Daarenboven voorziet de aanvraag nog in een bijkomende aanslag op de open ruimte door een verharding te voorzien ten belope van opritten van 10 tot 15 meter breed is. De visuele hinder voor de verzoekers die quasi vlak naast de bouwplaats wonen en die allen zicht hebben op de bouwplaats (thans een ongerept en lagergelegen drassig weiland) vanuit hun woning en tuin of werkomgeving, zal onvermijdelijk zijn.

[…] Ook de te verwachten geurhinder vormt een zeer ernstige nadeel voor de verzoekers als dichtste omwonenden.

[…] Het is algemeen aanvaard dat een pluimveehouderij een aanzienlijke geurhinder tot gevolg zal hebben op de woningen van verzoekers, die allen gelegen zijn op minder dan 50 meter van de percelen waarop de aanvraag betrekking heeft. Dit zal voor verzoeker sub 1 ook het geval zijn op zijn dagelijkse werkplaats, i.e. de plaats waar hij zijn beroepsactiviteiten uitoefent (in het open veld aan de overzijde van de bouwplaats van het Spurrieveld) en waar verzoeker sub 1 samen met zijn personeel biologische groenten teelt.

Verkeerdelijk zal er in deze context geopperd worden dat er uit IFDM-geurmodellering zou blijken dat dat er geen abnormale geurhinder zou te verwachten zijn. De betreffende IFDM-modellering, in zo verre al accuraat, is immers geenszins uitgeoefend naar de werkomgeving van verzoeker sub 1 toe, zodat op dit punt het dossier alleszins zeer onvolledig is, en een ernstige en continue geurhinder voor verzoeker sub 1, zijn personeel en zijn klanten onvermijdelijk wordt. Overigens hebben verzoekers sub 3 ook gewezen op het inaccuraat karakter van deze modellering voor bewoners op korte afstand bij de aanvraag en op het feit dat thans ook een nieuwe software voor modellering in gebruik is (IMPACT).

[…] De nadelen zijn des te scherper aanwezig, aangezien de aanvrager de uitbating van een volledig nieuwe pluimveehouderij beoogt, en dit op een plaats waar er op heden geen niet grondgebonden industriële landbouw voorkomt.

Hierdoor mochten verzoekers zich er in principe aan verwachten dat geen dergelijke grootschalige pluimveehouderij zou uitgebaat worden in de onmiddellijke omgeving van hun woning en bedrijfsgronden.

[…] De tenuitvoerlegging van de thans bestreden beslissing zal tot gevolg hebben dat er op het perceel gelegen recht tegenover de biologische tuinbouwexploitatie van verzoeker sub 1 er een volledig nieuwe, grootschalige, industriële en niet grondgebonden pluimveehouderij zal worden uitgebaat.

Deze exploitatie zal onvermijdelijk stofhinder, geurhinder en visuele hinder veroorzaken op de tuinbouwexploitatie van de verzoeker sub 1. Zoals gezegd

VII-40.021-6/10

verkoopt de verzoeker sub 1 ter plaatse en op het veld rechtstreeks diens biologisch geteelde groenten aan de consument.

[…] Door de aanwezigheid van deze nieuwe grootschalige (net onder de MER-plicht) industriële en niet grondgebonden exploitatie zal elke vorm van directe verkoop ter plaatse vanop het veld schier onmogelijk (en alleszins bijzonder onaantrekkelijk) worden, aangezien het bestaande open en landelijk karakter van de omgeving van de biologische tuinbouwexploitatie zal verstoord worden door de bouw van een immense stal met industrieel uitzicht, met bijhorende stof- en geurhinder. Een uitbating met dergelijke storende en hinderlijke impact zal de aantrekkingskracht van de biologische tuinbouwexploitatie van verzoeker volledig teniet doen en zal ook een negatieve invloed hebben op de verkoop van de producten van verzoeker sub 1.

[…] Ook het werkklimaat voor de verzoekende partij sub 1 en zijn personeel en cliënteel op de terreinen zelf van hun uitbating zal ernstig gehinderd worden. Gelet op het arbeidsintensieve karakter van de biologische teelt van verzoeker sub 1 wordt er gedurende zeer vele uren per jaar gewerkt in open lucht. In de huidige context komen er in de onmiddellijke omgeving/aanpalende percelen van deze biologische tuinbouwexploitatie geen grootschalige pluimveehouderijen voor.

[…] Verzoekende partijen hebben omtrent dit alles bezwaar ingediend in het kader van het openbaar onderzoek:

[…].

[…] De bestreden beslissing houdt met al deze argumenten geen enkele rekening en dit waar de gemeente in haar ongustig advies onder meer nadrukkelijk weerhield dat de impact van de aanvraag op het naburige bedrijf van verzoeker sub 1 onvoldoende onderzocht werd.

[…] Deze nadelige gevolgen vloeien louter voort uit de tenuitvoerlegging van de thans bestreden beslissing. De thans bestreden beslissing is immers een noodzakelijke voorwaarde om tot bouw en exploitatie van de door verzoekers bestreden varkensstal over te gaan. Er moet in deze context opnieuw op gewezen worden dat de verzoekers wonen op de zeer korte afstand van de inrichting (cfr. de toelichting m.b.t. het belang) zodat de thans bestreden beslissing wel degelijk van aard is het woon en leefklimaat van de verzoekers op zeer nadelige wijze te beïnvloeden.

[…] In casu blijkt dat de belanghebbende partij sedert het verlenen van de thans bestreden beslissing beschikt over alle vereiste vergunningen en dat de belanghebbende partij op dit ogenblik zonder enige wettelijke of feitelijke belemmering ter zake kan overgaan tot het uitvoeren van de bouwwerken tot oprichting van de betwiste pluimveestallen.

[…] Doordat thans, behoudens schorsing van de thans bestreden stedenbouwkundige vergunning, niet de belanghebbende partij ervan weerhoudt om de werken uit te voeren, is er zodoende wel degelijk sprak van hoogdringendheid. Het oprichten en in exploitatie nemen van de betreffende pluimveestal kan immers vrij snel gebeuren, gezien het bouwproces verloopt op industriële wijze en gebruikmakend van prefab-constructiepanelen waardoor het bouwproces op relatief snelle wijze wordt afgerond (hoogstens een beperkt aantal maanden).

[…] Een en ander heeft tot gevolg dat, indien een uitspraak moet worden

VII-40.021-7/10

afgewacht in een procedure tot vernietiging, de stallen al met zekerheid zullen opgericht en in exploitatie zijn. Zodoende zullen de verzoekende partijen tegen het ogenblik van de uitspraak wel degelijk geconfronteerd worden met de met schade en/of ongemakken - met name visuele hinder […], geurhinder wegens ontoereikende mitigerende maatregelen […], mobiliteits- en stofhinder, die nog moeilijk omkeerbaar zal zijn door het louter vernietigen van de thans bestreden vergunning.

[…] Uit het bovenstaande blijkt dat geen procedure ten gronde kan worden afgewacht vooraleer uitspraak te doen omtrent de vordering, en dit in het licht van de in de bijzondere vergunningsvoorwaarde opgelegde timing voor uitvoering”.

Beoordeling

7. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten]

die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State. Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij toekomt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.

8. Met het bestreden besluit wordt een milieuvergunning verleend voor de exploitatie van een nieuw pluimveebedrijf in nog te bouwen stallen.

Zonder stedenbouwkundige vergunning kan de tussenkomende partij de inrichting niet exploiteren. Vermits de tenuitvoerlegging van de overeenstemmende stedenbouwkundige vergunning, verleend bij besluit van de deputatie van de provincie Antwerpen van 22 december 2016 voor “de nieuwbouw van twee pluimveestallen, een loods, een elektriciteitscabine en de aanleg van verhardingen”, door de Raad voor Vergunnningsbetwistingen werd geschorst bij arrest van 12 september 2017 (gewezen in de zaak met rolnummer 1617-RvVb-0451-SA), kan de bestreden milieuvergunning thans niet ten uitvoer worden gelegd.

VII-40.021-8/10

9. Luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging.

Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt”

(memorie van toelichting, Parl.St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen”

(memorie van toelichting, Parl.St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State).

Wanneer beide vergunningen opnieuw uitvoerbaar worden, komt het aan de verzoekende partijen derhalve toe om eventueel een nieuw verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de milieuvergunning in te dienen, waarna het al dan niet vervuld zijn van de schorsingsvoorwaarden op dat moment opnieuw zal worden onderzocht.

De spoedeisendheid van de vordering wordt niet aangetoond.

10. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.

Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen.

VII-40.021-9/10

VI. Kosten

11. De bijdrage in de betaling van de kosten, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding, wordt bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring.

BESLISSING

1. Het verzoek van Maarten Vissers tot tussenkomst wordt ingewilligd.

2. De Raad van State verwerpt de vordering.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig oktober tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.

De griffier De voorzitter

Elisabeth Impens Peter Sourbron

VII-40.021-10/10

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.673