Court dismisses urgent suspension request for disciplinary blame due to lack of concrete career threat evidence.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request for urgent suspension of a disciplinary blame sanction imposed by Net Brussels. The applicant argued that the execution of the sanction threatened her promotion prospects and damaged her professional reputation, but failed to provide concrete evidence of an imminent promotion denial. The court ruled that since the applicant could challenge a future promotion decision separately, the current request did not meet the strict criteria for urgency under Article 17 of the Council of State laws.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 17, § 1 and 18 of the Council of State laws; Urgent suspension requests require proof of concrete, imminent harm to the applicant's career or rights that cannot be remedied by ordinary proceedings.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE IXe KAMER
nr. 239.649 van 26 oktober 2017
in de zaak A. 221.224 /IX-9002
In zake: Eline JANSEGERS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Lode Van De Vyver kantoor houdend te 1050 Brussel Bosstraat 22/1
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
NET BRUSSEL, GEWESTELIJK AGENTSCHAP VOOR
NETHEID
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Levert kantoor houdend te 1060 Brussel Defacqzstraat 78-80
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 14 januari 2017, strekt tot de schor-
sing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de directeur-generaal van Net Brussel, Gewestelijk Agentschap voor Netheid, van 16 november 2016 waarbij aan Eline Jansegers de tuchtstraf van de blaam wordt opgelegd.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld.
IX-9002-1/8
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2017.
Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Lode Van De Vyver, die verschijnt voor de verzoe-
kende partij en advocaat Anthony Poppe, die loco advocaat Philippe Levert ver-
schijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi-
neerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoekster is eerstaanwezend ingenieur, rang 11, in het Ne-
derlandse taalkader bij Net Brussel, Gewestelijk Agentschap voor Netheid (hierna:
Net Brussel).
3.2. Op 8 augustus 2016 zendt de inspecteur-generaal bij Net Brussel een nota aan de directeur Personeelsbeleid waarin zij meldt dat zij heeft vastgesteld dat verzoekster “systematisch naliet om te prikken telkens ze het kantoor verliet op het middaguur en dat haar werktijd tot die datum niet overeenstemde met de voorziene duur in het arbeidsreglement”, alsook dat verzoekster “zelf haar verlof ingeeft zonder vooraf de toestemming te hebben gehad[...] en zo weigert [...] om het arbeidsreglement toe te passen”.
De inspecteur-generaal vraagt de personeelsdirecteur om tegen verzoekster een tuchtprocedure op te starten.
IX-9002-2/8
3.3. Op 23 augustus 2016 volgt een “[t]uchtauditie” waarbij ver-
zoekster wordt gehoord over de volgende feiten:
“- Het niet prikken tijdens het middaguur wanneer [zij] de kantoorgebouwen verlaat en het niet naleven van de werktijd;
- Afwezigheid zonder toestemming op 29/07/16 en 05/08/2016 gedurende de diensturen;
- Het zelf ingeven van verlof op 29/07/16, 05/08/16, 01/09/16 en 02/09/16.”
3.4. Met een brief van 6 september 2016 deelt de waarnemend ad-
junct-directeur-generaal van Net Brussel aan verzoekster mee dat “de sanctie van de blaam moet worden voorgesteld”.
3.5. Verzoekster dient op 19 september 2016 tegen dit tuchtvoorstel een beroep in bij de raad van beroep.
3.6. Op 18 oktober 2016 wordt verzoekster door de raad van beroep gehoord.
De raad adviseert om geen blaam op te leggen. Hij steunt daarvoor op de volgende overwegingen:
“Uit het beraad van de jury worden volgende elementen weerhouden.
De jury erkent dat een „stilzwijgend akkoord‟ geen uitzondering kan maken op een geschreven arbeidsreglement.
Anderzijds heeft het Agentschap een verwachting gewekt door de werk-
wijze van Mw Jansegers een tiental jaar te laten voortduren, zonder opmerking.
Nergens wordt aangetoond dat Mw Jansegers enig bedrieglijk middel zou hebben aangewend om haar werkwijze te verhullen.
Nergens wordt aangetoond dat Mw Jansegers de haar opgelegde taken niet vervulde.
Door het langdurig stilzwijgend tolereren van de handelswijze van Mw Jansegers, waarvan het Agentschap kennis had of kon hebben, heeft het Agentschap bij Mw Jansegers de verwachting gewekt dat zij aldus kon en mocht handelen.”
IX-9002-3/8
3.7. Met een brief van 16 november 2016 deelt de directeur-generaal van Net Brussel aan verzoekster mee dat hij zich niet aansluit bij het advies van de raad van beroep.
Hij stelt voorts:
“Door uw functie van eerstaanwezend ingenieur en door uw anciënniteit bent u goed op de hoogte van de geldende regels voor het personeel van het Agent-
schap.
Het stilzwijgend akkoord dat u aanhaalt bestaat klaarblijkelijk niet.
Ik vestig ook uw aandacht op het feit dat een stilzwijgend akkoord geen uitzondering maakt op een geschreven arbeidsreglement.
Het verhinderen van de controle van uw arbeidstijd en het u toe-eigenen van verlofdagen, zelfs onopzettelijk, geeft blijk van uw achteloosheid en toont aan dat uw gedrag niet onberispelijk was.
Dat uw vorige meerdere u de regels niet had herhaald, ontsloeg u inderdaad niet van uw verplichtingen om ze te volgen.
In functie van wat voorafgaat, met toepassing van artikelen 2, 2° en 8, § 2
van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 oktober 2011 tot vaststelling van de tuchtregeling en tot regeling van de schorsing in het belang van de dienst van de personeelsleden van het Gewestelijk Agentschap voor Netheid „Net Brussel‟ heb ik besloten u de straf van blaam op te leggen.”
Dit is de bestreden beslissing.
IV. Schorsingsvoorwaarden
4. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.
IX-9002-4/8
V. Spoedeisendheid
Uiteenzetting
5. Verzoekster zet in haar verzoekschrift de spoedeisendheid van haar vordering als volgt uiteen:
“Dat het verzoek tot schorsing is verantwoord, omdat de uitvoering van de bestreden beslissing de verdere loopbaan van verzoekende partij in gevaar brengt door haar mogelijkheden op promotie te verhinderen.
Immers kan voor een mogelijke bevordering in de toekomst, vereist worden dat de kandidaat van een onberispelijke loopbaan is, waardoor verzoekende partij niet in aanmerking zal kunnen komen.
De bestreden beslissing benadeelt verzoekende partij aldus in haar loop-
baan en haar loopbaanperspectieven, alsook qua verloning.
Ook het aanzien van verzoekende partij binnen Net Brussel loopt schade op.”
Beoordeling
6. Zoals sub 4 hiervóór in herinnering is gebracht, kan krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen indien, onder meer, “de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring”.
In de parlementaire voorbereiding van de voormelde wettelijke bepaling is te lezen dat “[d]e spoedeisendheid zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onher-
roepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, 13).
Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten]
die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter onder-
steuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in arti-
IX-9002-5/8
kel 8, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟. Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij bij de Raad van State toevalt om aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedei-
send is, gelet op de gevolgen van een (voortdurende) tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.
Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördi-
neerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze re-
geling heeft de wetgever precies de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die [hem] wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St.
Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 4).
7. In dit geval voert verzoekster ter staving van de spoedeisendheid van haar vordering vooreerst aan dat de uitvoering van de bestreden beslissing haar verdere loopbaan in gevaar brengt, doordat haar mogelijkheden op promotie worden “verhinderd”.
Uit artikel 2 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 oktober 2011 „tot vaststelling van de tuchtregeling en tot regeling van de schorsing in het belang van de dienst van de personeelsleden Net Brussel, Gewestelijk Agentschap voor Netheid‟ blijkt dat de blaam de op één na lichtste tuchtstraf is. Artikel 22 van datzelfde besluit bepaalt dan weer dat, behalve voor het ontslag van ambtswege en de afzetting, de tuchtstraf in het persoonlijk dossier van het personeelslid ambtshalve wordt doorgehaald twee jaar na de uitspraak, tenzij een nieuwe straf binnen deze termijn wordt uitgesproken. De doorhaling heeft als gevolg dat er met de doorgehaalde straf geen rekening meer mag worden gehou-
den, “met name bij de appreciatie van de aanspraken op bevordering of bij de toekenning van de beoordeling”.
IX-9002-6/8
Zelfs zo wordt aangenomen dat de aanwezigheid van een op-
gelegde tuchtstraf in het personeelsdossier een bevordering van het personeelslid kan bemoeilijken, neemt dit hoe dan ook niet weg dat verzoekster helemaal niet in concreto aannemelijk maakt dat zij thans een bevordering omwille van dat gege-
ven dreigt te missen. In voorkomend geval zou zij overigens een beslissing waarbij haar een bevordering omwille van de opgelegde blaam wordt onthouden, in be-
ginsel evenzeer voor de Raad van State kunnen bestrijden.
Derhalve kan niet worden aangenomen dat aan de beweerde belemmering van de loopbaan van verzoekster met spoedeisendheid een einde moet worden gesteld.
8. Verzoekster voert tevens zonder meer aan dat haar aanzien binnen Net Brussel schade oploopt.
In acht genomen dat de tuchtstraf van de blaam, zoals zo-even gesteld, bij Net Brussel de tweede lichtste tuchtstraf is uit een lijst van zeven mogelijke tuchtstraffen, blijkt niet dat ze van aard is een zodanig moreel nadeel aan het betrokken personeelslid te berokkenen, onder meer door het verlies van aan-
zien, dat het later niet zou kunnen worden goedgemaakt door een eventueel an-
nulatiearrest.
9. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoekster niet aantoont dat haar vordering spoedeisend is.
Er is bijgevolg niet voldaan aan alvast één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn, opdat de vordering tot schorsing zou kunnen worden ingewilligd.
IX-9002-7/8
BESLISSING
De Raad van State verwerpt de vordering.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 26 oktober 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier.
De griffier De voorzitter
Vera Wauters Bert Thys
IX-9002-8/8
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.649