Belgian court dismisses urgent injunction claim against public sector appointment decision due to lack of irreparable harm.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request for an urgent injunction to suspend a public service appointment decision. The applicant argued that the decision would prevent her from participating in a selection process and cause irreparable harm, but the court found no evidence of irreparable damage. Consequently, the court ruled that the strict condition of urgent necessity was not met, leading to the dismissal of the claim.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 17, §§ 1 and 4 of the Council of State Act; An urgent injunction requires the simultaneous fulfillment of conditions, including the absence of adequate redress through ordinary proceedings and the existence of irreparable harm.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE IXe KAMER
nr. 239.648 van 26 oktober 2017
in de zaak A. 223.542/IX-9157
In zake: Ilse WUYTS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frank Coel kantoor houdend te 2800 Mechelen Kardinaal Mercierplein 8
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten François Tulkens en Tim Souverijns kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 17 oktober 2017, strekt tot de schor-
sing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de be-
slissing van de selectiecommissie voor de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel van 29 september 2017 waarbij de kandidaatstelling van Ilse Wuyts voor de be-
trekking van directeur-diensthoofd (rang A4) bij het bestuur Brussel Mobiliteit niet wordt aanvaard.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
IX-9157-1/10
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2017, om 10.30 uur.
Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Frank Coel, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaten François Tulkens en Tim Souverijns, die verschijnen voor de ver-
werende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör-
dineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoekster is sedert 1 juli 2014 titularis van het mandaat van directeur-diensthoofd bij de dienst Wegen van het bestuur Brussel Mobiliteit van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel.
Dit mandaat heeft een duur van vijf jaar.
In het organigram van het bestuur Brussel Mobiliteit is het één van de vier mandaten van rang A4, naast directeur-diensthoofd Strategie, direc-
teur-diensthoofd Programma en directeur-diensthoofd Projecten.
3.2. Een eerste evaluatie van de uitoefening van verzoeksters man-
daat door de evaluatiecommissie van de mandaathouders resulteert op 6 juli 2016
in de vermelding „ongunstig‟. Na beroep van verzoekster wordt deze vermelding op 29 september 2016 goedgekeurd door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering.
IX-9157-2/10
Verzoekster vecht deze evaluatiebeslissing aan met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State (zaak A. 220.886/IX-8978).
Op 10 januari 2017 volgt een tweede ongunstige evaluatie. Na beroep van verzoekster wordt deze evaluatie gewijzigd in de vermelding „vol-
doende‟, die op 13 april 2017 wordt goedgekeurd door de Brusselse Hoofdstede-
lijke Regering.
3.3. Op 16 februari 2017 beslist de Brusselse Hoofdstedelijke Rege-
ring om het bestuur Brussel Mobiliteit te hervormen. In het nieuwe organigram van het bestuur wordt voorzien in een dienst Planning, een dienst Bouw, een dienst Onderhoud en een dienst Exploitatie en Vervoer.
3.4. Op 10 juli 2017 wordt in het Belgisch Staatsblad een bericht bekendgemaakt betreffende “[v]acatures voor de betrekkingen van direc-
teur-diensthoofd (rang A4) „Exploitatie en Vervoer‟, „Onderhoud‟ en „Bouw‟ bij Brussel Mobiliteit”.
Dit bericht, dat een eerder bericht van 6 juni 2017 over hetzelfde onderwerp “annuleert en vervangt”, vermeldt nu onder meer dat de betrekking van directeur-diensthoofd Onderhoud openstaat voor houders van een diploma van burgerlijk ingenieur.
3.5. Op 11 augustus 2017 dient verzoekster haar kandidatuur in voor de betrekking van directeur-diensthoofd Onderhoud.
3.6. Met een brief van 8 september 2017 deelt de voorzitter van de selectiecommissie voor de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel aan verzoekster mee dat de commissie haar kandidaatstelling niet aanvaardt. De voorzitter licht deze beslissing toe als volgt:
IX-9157-3/10
“Aangezien u geen diploma van burgerlijk ingenieur bezit, dient uw kandi-
datuur als niet-toelaatbaar beschouwd te worden en wordt u uitgesloten om nog verder [...] deel te nemen aan de selectie.”
3.7. Op 18 september 2017 dient verzoekster tegen deze afwijzing van haar kandidaatstelling bezwaar in bij de selectiecommissie.
3.8. Met een brief van 6 oktober 2017 deelt de voorzitter van de selectiecommissie aan verzoekster mee dat de commissie op 29 september 2017, na verzoekster gehoord te hebben, heeft beslist om “niet op haar aanvankelijke beslissing terug te komen”.
Dit is de bestreden beslissing.
IV. Ontvankelijkheid van de vordering
4. De verwerende partij werpt in haar nota een exceptie van on-
ontvankelijkheid van de vordering op.
Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is.
V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
5. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min-
stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood-
zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
IX-9157-4/10
VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid
Standpunt van verzoekster
6. Verzoekster zet de uiterst dringende noodzakelijkheid van haar vordering in haar inleidend verzoekschrift als volgt uiteen:
“Overwegende dat ten behoeven van het administratieve kortgeding bij ui-
terst dringende noodzakelijkheid vertoogster moet aantonen dat zij beschikking heeft over een wettig belang alsmede een eventueel moeilijk te herstellen nadeel en gronden van uiterst dringende noodzakelijkheid;
Overwegende zoals supra aangetoond vertoogster bewijst dat zij ten minste beschikt over een schijn van recht die ertoe kan leiden dat de bestreden admi-
nistratieve beslissing zal worden vernietigd;
Dat zij eveneens beschikt over een wettig belang om deel te nemen aan de selectie voor het mandaat van Directeur-Diensthoofd mandaathouder A4 bij de dienst „Wegen‟ thans herbenoemd als de dienst „Onderhoud‟ vacant verklaard op respectievelijk 6 juni 2017 en 10 juli 2017 conform artikel 503 van het Statuut;
Dat het wettig belang niet betwistbaar is;
Dat in dezelfde zin indien vertoogster zou worden uitgesloten van de selec-
tieprocedure zij ook niet kan worden benoemd in de functie die zij ondertussen sedert 1 juli 2014 bekleedt en derhalve een moeilijk te herstellen ernstig nadeel lijdt doordat zij gewoonweg dient vast te stellen dat de invulling van het man-
daat door iemand anders zal geschieden en zij geen beschikking meer heeft over een directie;
Dat de selectieprocedure reeds een aanvatting heeft genomen waardoor er gronden zijn om te besluiten tot uiterst dringende noodzakelijkheid daar waar in geval van het voeren van een gewone procedure in schorsing en annulatie in geval van benoeming van een derde er nog een procedure zou kunnen worden gevoerd tot annulatie van diens benoeming;
Dat de gewone procedure niet vermag de rechten van vertoogster te vrijwa-
ren zodat de enige mogelijke rechtsbescherming bestaat uit schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid om de opeenvolgende beslissingen van de selec-
tiecommissie voor de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel van respectievelijk 8 september 2017 bevestigd bij beslissing van 6 oktober 2017 te schorsen;
Dat bij schorsing vertoogster verder kan deelnemen aan de selectie waar zij op waarde zal worden beoordeeld door de selectiecommissie;
Dat meteen het nadeel van de uitsluiting door de selectiecommissie wordt aangetoond en het minste voordeel, namelijk het deelnemen aan de verdere selectieproeven worden aangetoond zodat de vordering ontvankelijk is en ge-
grond;
Dat de uitvoering van de bestreden beslissing een feit is maar dat op datum van neerlegging van onderhavig verzoekschrift nog niets onomkeerbaar ge-
beurd is daar waar de selectiecommissie gewoon haar voortgang vindt;
IX-9157-5/10
Dat meteen alle voorwaarden voor het administratief kortgeding bij uiterst dringende noodzakelijkheid verenigd zijn zodat de aangevochten beslissingen dan ook moeten worden geschorst;
Dat over het beroep tot nietigverklaring nog dient te worden geoordeeld doch verzoekster door voormelde uiteenzetting aantoont dat zij te, minste een schijn van recht bezit dat er een kans bestaat dat de bestreden beslissing zal worden vernietigd en bij eventueel uitvoering vertoogster een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel zal ondervinden, bovendien zij ieder belang zou verliezen in de procedure ten gronde.”
Beoordeling
7. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij.
De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonder-
lijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzake-
lijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”.
Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van pre-
cieze en concrete gegevens aannemelijk moet maken dat de schorsing van de ten-
uitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van een gewone schorsingspro-
cedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen.
IX-9157-6/10
Niet minder dan het geval is in een gewone schorsingsprocedure, is vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13).
8.1. Verzoekster voert ter staving van de uiterst dringende noodza-
kelijkheid van haar vordering vooreerst aan dat zij “zoals supra aangetoond [...]
bewijst dat zij ten minste beschikt over een schijn van recht die ertoe kan leiden dat de bestreden beslissing zal worden vernietigd”.
Zij lijkt daarmee te refereren aan de wettigheidsbezwaren die zij tegen de bestreden beslissing aanvoert. Uit de beweerde onwettigheid van de be-
streden beslissing kan echter niet zonder meer worden afgeleid dat de vordering uiterst dringend is. De schorsingsvoorwaarde van de uiterst dringende noodzake-
lijkheid van de vordering is immers een op zich staande voorwaarde, die moet worden onderzocht los van de andere voorwaarde, namelijk dat ten minste één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de bestreden hande-
ling prima facie kan verantwoorden. Met een verwijzing naar haar standpunt om-
trent de onwettigheid van de bestreden beslissing toont verzoekster niet aan dat zij de afhandeling van een gewone vordering tot schorsing en, méér zelfs, van de procedure tot nietigverklaring niet zou kunnen afwachten zonder het risico te lopen in een toestand met onherroepelijke schadelijke gevolgen te verzeilen.
8.2. Verzoekster laat voorts gelden dat zij “over een wettig belang [beschikt] om deel te nemen aan de selectie […] conform artikel 503 van het Statuut”. Zij lijkt daarmee te doelen op artikel 503, § 2, tweede lid, van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2014 „houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het mi-
nisterie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest‟, dat luidt:
IX-9157-7/10
“Indien de mandaathouder de vermelding „voldoende‟ verkrijgt, dan wordt zijn mandaat niet verlengd maar kan hij deelnemen aan een nieuwe toeken-
ningsprocedure voor het mandaat dat hij bekleedt.”
Daargelaten de vraag of verzoekster zich voor haar deelname aan de selectie van directeur-diensthoofd Onderhoud terecht op deze bepaling beroept – een vraag die andermaal louter de wettigheid van de bestreden beslissing be-
treft – kan er allerminst de uiterst dringende noodzakelijkheid van haar vordering uit worden afgeleid.
8.3. Verzoekster voert ook aan dat zij ten gevolge van de bestreden beslissing niet zal kunnen worden benoemd in de functie die zij sedert 1 juli 2014
bekleedt en dat zij zal moeten vaststellen dat de invulling van het mandaat door iemand anders zal geschieden; ook zal zij “geen beschikking meer [hebben] over een directie”.
Verzoekster stipt aldus (mogelijke) gevolgen aan van de be-
streden beslissing, maar daarmee maakt zij helemaal nog niet duidelijk dat die beslissing haar in een schadelijke toestand brengt die niet te verdragen valt in afwachting van een uitspraak over een gewone vordering tot schorsing. Méér zelfs, zij maakt helemaal niet aannemelijk dat de gevolgen waarvan zij gewag maakt, niet meer afdoende ongedaan zouden kunnen worden gemaakt door een arrest over een beroep tot nietigverklaring.
De omstandigheid dat “in geval van benoeming van een derde er nog een procedure zou kunnen worden gevoerd tot annulatie van diens benoe-
ming”, noopt de Raad van State niet tot een andere beoordeling. Verzoekster doet geen redenen blijken die haar zouden verhinderen haar belangen te vrijwaren met een dergelijk beroep tot nietigverklaring. Daarenboven kan niet worden aange-
nomen dat die eventueel noodzakelijke, toekomstige actie in rechte om haar be-
langen te vrijwaren, als zodanig zou impliceren dat haar huidige vordering uiterst dringend is.
IX-9157-8/10
8.4. Verzoekster voert ten slotte aan dat vooralsnog “niets onom-
keerbaar gebeurd is” en dat zij “bij schorsing [...] verder kan deelnemen aan de selectie”.
Deze vaststelling van verzoekster toont hoe dan ook niet aan dat alleen de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid haar kan behoeden voor een nadeel dat bezwaarlijk nog op een bevredigende wijze kan worden goedgemaakt indien nog moet worden gewacht, zelfs op de afhandeling van een beroep tot nietigverklaring.
8.5. De schorsingsvoorwaarde van de uiterst dringende noodzake-
lijkheid is niet vervuld.
9. Er is bijgevolg niet voldaan aan alvast één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden ingewilligd.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt de vordering.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
IX-9157-9/10
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 26 oktober 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier.
De griffier De voorzitter
Vera Wauters Bert Thys
IX-9157-10/10
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.648