Belgian State prison disciplinary sanction upheld; court rejects appeal on procedural and substantive grounds.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State dismissed the prisoner's appeal against a suspended disciplinary sanction for unauthorized presence in the gym. The court found the administrative authority relied on a valid observation note and that the prisoner had sufficient opportunity to contest the facts during the disciplinary hearing. Consequently, the court held that the decision was substantively correct and procedurally compliant, rejecting the claim of a violation of the right of defense.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 10 and 11 of the Code of Criminal Procedure; The Council of State reviews administrative decisions for factual accuracy and procedural compliance, rejecting appeals where the authority acted within reason and the party had adequate opportunity to defend their interests.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIVe KAMER
nr. 239.577 van 26 oktober 2017
in de zaak A. 215.208/XIV-36.276
In zake : Frederik ARIJS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Van Der Linden kantoor houdend te 3010 Kessel-Lo Koning Albertlaan 186
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie kantoor houdend te 1000 Brussel Waterloolaan 115
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 6 maart 2015, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de directeur van de gevangenis te Leuven Centraal van 7 januari 2015 waarbij aan verzoeker de tuchtsanctie met uitstel wordt opgelegd van “3 dagen afzondering, toelating tot tafelbezoek en toelating deelname aan activiteiten betreffende de eredienst of levensbeschouwing in gemeenschappelijk verband voor een duur van 3 maand mits [verzoeker] zich onthoudt van nieuwe tuchtrechtelijke inbreuken”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld.
XIV-36.276-1/13
Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 april 2017.
Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Christophe Cologne, die loco advocaat Tom Van Der Linden verschijnt voor verzoeker, en attaché Eva De Cock, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker is ten tijde van de feiten opgesloten in de gevangenis te Leuven.
3.2. Op 4 januari 2015 wordt lastens verzoeker een observatienota opgesteld waarin het volgende wordt vastgesteld:
“Gedetineerde was ten onrechte in de fitness aanwezig. Gedetineerde is van de fitnesslijsten geschrapt omwille van het veelvuldig afwezig zijn in de voorgaande maanden.
Gedetineerde Arijs haalde nog aan dat hij de toestemming had van de sportmonitor [L. L.].
Bij navraag bleek hier echter niets van aan te zijn.”
XIV-36.276-2/13
3.3. Op 7 januari 2015 wordt aan verzoeker de tuchtstraf met uitstel “3 dagen afzondering, toelating tot tafelbezoek en toelating deelname aan activiteiten betreffende de eredienst of levensbeschouwing in gemeenschappelijk verband voor een duur van 3 maand mits de gedetineerde zich onthoudt van nieuwe tuchtrechtelijke inbreuken” opgelegd. De tuchtstraf wordt opgelegd wegens inbreuken van de tweede categorie, met name “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen” en “het zich zonder toelating bevinden in een ruimte buiten de toegestane tijdsperiode of in een ruimte die men niet gerechtigd is te betreden”. Deze beslissing steunt op de volgende motivering:
“Bijkomende info wijst op het feit dat betrokkene zijn briefje van 04.01.2015 tot uitnodiging kreeg op de dag zelf (na het zich verkeerdelijk aanmelden) en voordien wel degelijk geschrapt was van de lijst. Betrokkene stelt nooit een briefje ontvangen te hebben van het feit dat hij geschrapt was van de lijst.
We roepen betrokkene op om degelijk te controleren of hij al dan niet op de lijst staat om dergelijke misverstanden te voorkomen. We stellen vast dat betrokkene wel degelijk in de fout ging, maar dit misschien niet doelbewust deed. In die zin wordt hem het voordeel van de twijfel gegund en wordt hem een sanctie met uitstel uitgesproken.”
Dit is de bestreden beslissing.
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
4. In het eerste middel, dat verzoeker woordelijk herneemt in de memorie van wederantwoord, voert verzoeker de schending aan van de formelemotiveringsplicht. Verzoeker stelt vast dat in de motivering van de tuchtsanctie niet wordt ingegaan op het argument dat hij op de tuchtrechtelijke hoorzitting zowel mondeling als schriftelijk, heeft opgeworpen en waarin hij aanvoert geen toegang te hebben tot de lijst van de fitness, terwijl in de motivering van de sanctie hem juist wordt verweten de lijst niet te hebben geraadpleegd. Als blijkt dat die lijst niet voor inzage beschikbaar is voor de gedetineerde, dan was het
XIV-36.276-3/13
voor verzoeker onmogelijk om te weten dat hij op de fitness activiteit niet aanwezig mocht zijn. De bestreden beslissing is volgens verzoeker niet gemotiveerd op dat essentieel punt.
Beoordeling
5. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van dit middel op grond van de volgende overwegingen.
In zijn schriftelijk verweer naar aanleiding van de hoorzitting geeft verzoeker aan:
“Ik ontving begin januari een document dat staaft dat ik verwacht werd op 4 januari 2015 om 18.10 u voor de training “Fitness”. Ik heb geen toegang tot het kadaster van de aanwezigheden op de vleugel D en er wordt niet verwacht van me dat ik de lijst, waarover het personeel beschikt in hun eigen lokaal, nakijk.”
In de motivering van de bestreden beslissing wordt met betrekking tot deze argumentatie van verzoeker enerzijds vastgesteld dat uit bijkomende info die door de verwerende partij werd vergaard, blijkt dat verzoeker het betrokken briefje van 4 januari 2015 tot uitnodiging om te fitnessen weliswaar op de dag zelf kreeg, maar dit pas na het incident waarbij verzoeker zich verkeerdelijk aanmeldde in de fitnessruimte, en dat verzoeker voordien wel degelijk geschrapt was van de lijst. In de bestreden beslissing werd bijgevolg uitdrukkelijk ingegaan op het argument dat verzoeker zou beschikken over een uitnodiging. Uit de bestreden beslissing kan ook impliciet worden afgeleid dat de verwerende partij van oordeel was dat de betrokken uitnodiging, die verzoeker slechts ontving nadat hij zich naar de fitnessruimte had begeven, niet als een vergoelijkend element kan worden aangemerkt.
Anderzijds stelt de verwerende partij dat zij verzoeker oproept om degelijk te controleren of hij al dan niet op de lijst staat om dergelijke misverstanden te voorkomen en dat hij misschien niet doelbewust in de fout ging.
Hieruit kan impliciet worden afgeleid dat zelfs in de mate de bewering van
XIV-36.276-4/13
verzoeker dat hij zelf geen rechtstreekse toegang heeft tot de lijst juist zou zijn, dit volgens de verwerende partij niet wegneemt dat hij wel kan controleren of hij op de lijst staat. Het lijkt daarbij alleszins niet onmogelijk, minstens toont verzoeker dat niet aan, dat hij op een andere manier kon controleren of hij op de lijst staat, bijvoorbeeld door zich hieromtrent te informeren bij het personeel van de gevangenis. In ieder geval oordeelt de tuchtoverheid dat verzoeker niet doelbewust in de fout ging, waarbij kan worden aangenomen dat zij er rekening mee houdt dat verzoeker in de veronderstelling was dat hij de lijst niet kon controleren en geen briefje zou ontvangen hebben dat hij van de lijst was geschrapt.
In die zin mist het middel feitelijke en juridische grondslag nu verzoeker niet aantoont dat de door hem aangevoerde argumenten door de verwerende partij niet in de beoordeling zouden zijn betrokken.
Voorts komt de in de bestreden beslissing opgenomen motivering wel degelijk als voldoende pertinent en draagkrachtig voor om de opgelegde tuchtsanctie in feite en in rechte te onderbouwen: de bestreden beslissing vermeldt vooreerst op grond van welke feiten ze werd genomen, namelijk op grond van “bevond zich op een niet toegestane plaats”. De beslissing geeft vervolgens aan dat verzoeker een door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepaling niet heeft nageleefd en zich zonder toelating bevond in een ruimte buiten de toegestane tijdsperiode of in een ruimte die men niet gerechtigd is te betreden. De bestreden beslissing verwijst naar artikel 130 van de basiswet dat de voorgaande gedragingen als inbreuken van tweede categorie kwalificeert en artikel 132 van de basiswet van 12 januari 2005 ‘betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden’ (hierna: de basiswet)
dat deze inbreuken tuchtrechtelijk strafbaar stelt. Uit de bestreden beslissing blijkt genoegzaam op grond van welke motieven de tuchtsanctie van drie dagen afzondering met uitstel van drie maanden wordt opgelegd.
Het eerste middel is niet gegrond.
XIV-36.276-5/13
6. Verzoeker betwist deze conclusie niet. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft hij immers niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Hij reageert immers niet inhoudelijk op de bespreking van het middel in het auditoraatsverslag en beperkt zich ter zake tot een woordelijke herhaling van het middel zoals ontwikkeld in het verzoekschrift.
De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het eerste middel ongegrond.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
7. In het tweede middel voert verzoeker onder het kopje “schulduitsluitingsgrond” aan dat een tuchtrechtelijke inbreuk een materieel en een moreel element impliceert. Verzoeker wijst erop dat in de bestreden beslissing weliswaar uitdrukkelijk wordt erkend dat hij de inbreuk niet doelbewust heeft gepleegd maar ten onrechte wordt de schulduitsluitingsgrond van de dwaling niet overwogen. Verzoeker meent dat hem evenmin onachtzaamheid kan worden verweten nu geen enkele bepaling de deelnemers aan de fitnessactiviteit verplicht om na te kijken of men eventueel niet van de lijst voor deelname geschrapt zou kunnen zijn. Bovendien wordt in de bestreden beslissing wel erkend dat hij een briefje had dat hem toestemming gaf daar aanwezig te zijn, daar waar de observatienota van 4 januari 2015 deze toestemming nog tegensprak. Er is volgens verzoeker dus geen sprake van de aanwezigheid van een moreel element om een schuld vast te stellen en voor zover er sprake zou zijn van dwaling, is deze in de gegeven omstandigheden volgens verzoeker zeker onoverwinnelijk.
8. In zijn memorie van wederantwoord wijst verzoeker er op dat de verwerende partij voor het eerst in haar memorie van antwoord beweert dat hij zich
XIV-36.276-6/13
zondag ’s morgens zou hebben aangeboden aan de fitnessruimte. Volgens verzoeker heeft hij in de laatste paragraaf van zijn schriftelijk verweer nochtans uitdrukkelijk gesteld dat hij om 18u10 voor de fitnesstraining werd verwacht en dat hij op het aangeduide tijdstip aanwezig was. Verzoeker ontkent dan ook met klem dat hij ’s morgens zou zijn gaan fitnessen en hij wijst er op dat de penitentiair beambte die de observatienota heeft opgesteld in de late shift werkte en in de voormiddag dan ook niet in de gevangenis aanwezig was.
De e-mail van de attaché-gevangenisdirecteur van 9 april 2015, die door de verwerende partij wordt aangebracht bij haar memorie van antwoord, maakt het volgens verzoeker nog verwarrender: hoewel hij van de sportdienst een uitnodiging had gekregen voor zondagavond, zou de sportmonitor L. L. een lijst hebben opgemaakt waarin verzoeker zondagochtend mocht gaan fitnessen, terwijl ook daarin een vergissing bleek te zijn gebeurd en L. L. maandagochtend zou hebben bedoeld. Volgens verzoeker raakt het verhaal van de verwerende partij kant noch wal en moet er worden verondersteld dat de verwerende partij zich enkel en alleen baseert op de verklaring van L. L., een medegedetineerde, om te besluiten dat hij ’s morgens was gaan fitnessen. Verzoeker besluit dat de verwerende partij verantwoordelijk is voor heel wat verwarring in de organisatie van het uurrooster voor het gebruik van de fitnesszaal, hetgeen ervoor heeft gezorgd dat hij, onwetend, een mogelijk foutieve uitnodiging heeft ontvangen.
Beoordeling
9. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van dit middel op grond van de volgende overwegingen.
In de mate verzoeker in de hoofding van het middel “schulduitsluitingsgrond” aanvoert, geeft hij niet aan welke bepaling of welk beginsel hij geschonden acht. Uit de toelichting bij het middel kan worden aangenomen dat verzoeker een schending aanvoert van de materiëlemotiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel.
XIV-36.276-7/13
In tegenstelling tot wat verzoeker voorhoudt in zijn verzoekschrift wordt in de bestreden beslissing niet erkend dat hij voorafgaand aan het incident over een briefje beschikte dat hem toelating gaf. In de bestreden beslissing wordt immers aangegeven dat volgens de gegevens waarover de verwerende partij beschikt, waaronder de observatienota, verzoeker het betreffende briefje met uitnodiging voor de fitness slechts ontving nadat hij zich verkeerdelijk had aangemeld. Hieruit volgt dat de directeur er in de bestreden beslissing van uitging dat op het ogenblik dat verzoeker zich naar de fitnessruimte begaf, hij nog niet over een toelating beschikte. Het is deze gedraging, met name het zich zonder toelating bevinden in de fitnessruimte, die de tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakt en die aanleiding gaf tot het opleggen van de tuchtsanctie. Deze vaststelling werd ook reeds gedaan in het rapport aan de directeur.
In de mate verzoeker bij gebrek aan een voorafgaande uitdrukkelijke toelating toch van oordeel was dat hij zich naar de fitnessruimte mocht begeven omdat hij er ten onrechte van uitging dat hij op de lijst stond van gedetineerden die gebruik mogen maken van de fitnessruimte, wordt in de bestreden beslissing in dat verband gesteld dat hij geschrapt was van de lijst. De directeur neemt er nota van dat verzoeker stelt nooit een briefje ontvangen te hebben omtrent het feit dat hij geschrapt was van de lijst. De directeur roept verzoeker echter op zelf te controleren of hij effectief op de lijst staat of niet. Het gegeven dat er geen enkele bepaling de deelnemers uitdrukkelijk zou verplichten of na te kijken of ze niet geschrapt zijn van de lijst voor deelname, neemt niet weg dat het huishoudelijk reglement van de gevangenis kan voorzien dat een gedetineerde zich slechts mits toelating in de fitnessruimte mag bevinden.
Waar in de bestreden beslissing wordt aangegeven dat verzoeker wel degelijk in de fout ging, maar dit misschien niet doelbewust deed, houdt de directeur rekening met het gegeven dat hij er ten onrechte van uitging dat hij wel aanwezig mocht zijn in de fitnessruimte. De bestreden beslissing neemt echter duidelijk de fout in hoofde van verzoeker in aanmerking, nu het aan hem toekwam,
XIV-36.276-8/13
bij gebreke aan een uitdrukkelijke toelating, om te controleren of hij wel op de lijst stond. De bestreden beslissing gaat dan ook geenszins uit van een onoverwinnelijke dwaling, zoals verzoeker in zijn verzoekschrift aanvoert.
Zoals bij de bespreking van het vorige middel reeds werd aangegeven, toont verzoeker niet aan dat het hem onmogelijk was te controleren of hij op de lijst stond, bijvoorbeeld door dit na te vragen bij het bevoegde personeel van de gevangenis. Bijgevolg toont verzoeker ook niet aan dat de verwerende partij buiten alle redelijkheid oordeelde door aan te nemen dat het hem toekomt te controleren of hij op de lijst staat of niet. Bovendien werden al deze elementen in rekening genomen om slechts een straf met uitstel op te leggen, zodat verzoeker niet aantoont dat de opgelegde straf niet in verhouding staat tot de vastgestelde feiten.
In de mate verzoeker in zijn memorie van wederantwoord er nog op wijst dat er bijkomende verwarring wordt gesticht met een e-mail van de attaché-gevangenisdirecteur, moet worden vastgesteld dat dit mailbericht dateert van 9 april 2015, dit is ruim drie maanden na de feiten en dat dit e-mailbericht werd verzonden aan de gevangenisdirecteur met het oog op het verweer te voeren in huidig annulatieberoep. De verwerende partij heeft zich dus niet op dit e-mailbericht gesteund bij het nemen van de bestreden beslissing. In de bestreden beslissing wordt nergens aangegeven dat verzoeker zich ’s morgens in de fitnessruimte zou hebben bevonden.
Het tweede middel is niet gegrond.
10. Verzoeker betwist deze conclusie niet. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft hij immers niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Hij reageert immers niet inhoudelijk op de bespreking van het middel in het auditoraatsverslag en beperkt zich ter zake tot een herhaling
XIV-36.276-9/13
van het middel zoals ontwikkeld in het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord.
De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede middel ongegrond.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
11. In zijn memorie van wederantwoord voert verzoeker een nieuw, derde middel aan genomen uit een schending van de materiëlemotiveringsplicht.
Verzoeker wijst op de bijkomende elementen in de memorie van antwoord en meent dat de verwerende partij op grond van de feitelijke gegevens die haar voorlagen niet in redelijkheid voor bewezen kon houden dat hij foutief aanwezig was in de fitnesszaal. Uit de nieuwe gegevens blijkt volgens verzoeker dat de organisatie van het gebruik van de fitnessruimte grondig spaak liep en hij wijst er nog op dat in de fitnessruimte camera’s hangen zodat het heel eenvoudig was na te gaan of hij in de voormiddag dan wel ’s avonds aanwezig was.
12. In zijn laatste memorie herhaalt verzoeker het derde middel zoals ontwikkeld in de memorie van wederantwoord en voegt hij er nog een nieuw “vierde middel” aan toe, genomen uit de schending van het recht van verdediging.
In het middelonderdeel ontkent verzoeker met klem dat op de tuchtzitting zou zijn gezegd dat hij zijn toelating om te fitnessen slechts na het verkeerdelijk aanmelden in de fitness heeft ontvangen en dat hij er aldus tegenspraak over heeft kunnen voeren, zoals in het auditoraatsverslag wordt gesteld. Geen enkel stuk of verklaring, noch zijn mondeling of schriftelijk verweer, noch de observatienota, bevat volgens verzoeker zelfs maar een zijdelingse verwijzing naar de ontvangst van de uitnodiging nadat hij zich had aangemeld. Er is over dat punt dan ook geen tegenspraak gevoerd.
XIV-36.276-10/13
Beoordeling
13. Ter terechtzitting stelt verzoeker uitdrukkelijk dat het “vierde middel” geen nieuw middel betreft, maar een onderdeel van het derde middel. Het wordt dan ook als dusdanig behandeld.
14. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden.
15. Zoals reeds uit de behandeling van het tweede middel is gebleken, heeft de verwerende partij zich bij het nemen van de bestreden beslissing niet op het latere e-mailbericht van 9 april 2015 gesteund. In de bestreden beslissing wordt nergens aangegeven dat verzoeker zich ’s morgens in de fitnessruimte zou hebben bevonden. Uit de gegevens van het dossier blijkt ook niet dat verzoeker op enig moment zou hebben gevraagd dat de camerabeelden van de fitness-ruimte zouden worden bekeken. De verwerende partij heeft zich bij het nemen van de bestreden beslissing gesteund op de observatienota van 4 januari 2015 en verzoeker toont op geen enkele wijze aan dat zij bij de beoordeling ervan de grenzen van de redelijkheid te buiten zou zijn gegaan.
Daargelaten de vraag of verzoeker in zijn laatste memorie op ontvankelijke wijze voor het eerst een schending van het recht van verdediging vermag aan te voeren als onderdeel van een in de memorie van wederantwoord
XIV-36.276-11/13
aangevoerd nieuw middel, blijkt in tegenstelling tot wat verzoeker in zijn laatste memorie “met klem” ontkent, uit het verslag van de tuchtzitting op 7 januari 2015
dat de gevangenisdirecteur uitdrukkelijk heeft gesteld dat hij “[heeft] begrepen dat [verzoeker] een uitnodiging [heeft] gehad nadat [hij] zich aangemeld heeft op 04/01 en niet op de lijst stond”. Daaruit blijkt genoegzaam dat verzoeker hieromtrent wel degelijk tegenspraak heeft kunnen voeren en een schending van het recht van verdediging niet aan de orde is.
16. Het derde middel, en daaronder begrepen ook het “vierde middel” dat door verzoeker uitdrukkelijk als een onderdeel van het derde middel is geduid, is ongegrond.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 200 euro.
XIV-36.276-12/13
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig oktober tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier.
De griffier De voorzitter
Johan Pas Geert Debersaques
XIV-36.276-13/13
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.577