Court annuls gun permit denial where traffic offenses unrelated to firearms exceeded administrative discretion limits.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State annulled the Minister of Justice's decision denying Steve Nauwelaers a gun permit. The applicant argued that his past traffic offenses, unrelated to firearms, should not justify a denial of his long-standing sports shooting license. The court held that the administration failed to conduct an individual assessment of the relevance of these unrelated crimes to public safety risks posed by firearm possession.
Regeste Legislator
Généré par l'IAWet wapenwet 2019, art. 11, § 1 en § 3; Wet wapenwet 2019, art. 13, eerste lid: The administration must individually assess the relevance of past conduct to public safety risks; blanket denials based on unrelated offenses violate the principles of reasonableness and proportionality.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIVe KAMER
nr. 239.576 van 26 oktober 2017
in de zaak A. 213.837/XIV-35.970
In zake : Steve NAUWELAERS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frederik Van Vreckem kantoor houdend te 1500 Halle Minderbroederstraat 3-5
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 26 september 2014, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Justitie van 24 juli 2014
“inzake het beroep van de heer Steve Nauwelaers tegen het besluit van de provinciegouverneur van Vlaams-Brabant dd. 22 november 2013”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 229.506 van 9 december 2014 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen.
Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.
XIV-35.970-1/9
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld.
Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 februari 2017.
Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Frederik Van Vreckem, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Bijou D’Haeyer, die loco advocaat Bernard Derveaux verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 229.506 van 9 december 2014. Er wordt naar verwezen.
XIV-35.970-2/9
IV. Onderzoek van het enige middel
Standpunt van de partijen
4. Verzoeker voert in het enige middel de schending aan van het redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur en van de artikelen 11, § 1 en § 3 en 13, eerste lid, van de wapenwet. Verzoeker betwist dat er in zijn geval sprake zou zijn van een gevaar voor de openbare orde en wijst erop dat de lokale politie een positief advies heeft gegeven aangezien hij gekend staat als iemand met een onberispelijk gedrag. De drie vroegere veroordelingen betreffen volgens verzoeker alleenstaande feiten wegens inbreuken op de verkeerswetgeving - “twee feiten van het onder invloed zijn van cannabis achter het stuur en het passeren van een rood licht” - uit een ver verleden en doen geen afbreuk aan zijn voorbeeldig gedrag. Verzoeker, die reeds veertien jaar sportschutter is, betwist de relevantie van de veroordelingen met betrekking tot de verleende vergunningen tot het voorhanden hebben van vuurwapens en stelt dat hij geen druggebruiker is en er ook geen indicaties zijn die dit zouden tegenspreken.
De feiten die hem in de bestreden beslissing worden verweten, zijn totaal vreemd aan het wapenbezit. Hij verwijst ter zake naar het arrest nr. 227.290 van 6 mei 2014
waaruit blijkt dat feiten die niets te maken hebben met wapenbezit niet van aard zijn dat ze kunnen leiden tot de intrekking van wapenvergunningen. Het intrekken van zijn wapenvergunningen op basis van een gevaar voor de openbare orde acht verzoeker dan ook overdreven en onverantwoord streng. Hij meent te voldoen aan de voorwaarden van artikel 11, § 3, van de wapenwet zodat ook die bepaling is geschonden.
5. De verwerende partij repliceert daarop door in haar memorie van antwoord te verwijzen naar de ruime discretionaire bevoegdheid die de gouverneur en zijzelf hebben bij de beoordeling van het gevaar dat een betrokkene vormt voor de openbare orde. Zij wijst op de drie veroordelingen die verzoeker heeft opgelopen voor verkeersinbreuken en waarbij in de twee laatste vonnissen blijkt dat hij onder invloed was van “stoffen die zijn rijvaardigheid beïnvloeden”
XIV-35.970-3/9
waardoor hij “een gevaar uitmaakte voor andere weggebruikers”. De conclusies dat wapens enkel kunnen worden toebedeeld aan personen die beschikken over de vereiste maturiteit en verantwoordelijkheidszin en dat het gebruik van verdovende middelen een negatieve invloed heeft op het rationeel denken of handelen, zijn volgens de verwerende partij redelijk en proportioneel. De stelling van verzoeker dat hij geen druggebruiker zou zijn, is voor de verwerende partij verwonderlijk gelet op de aangehaalde veroordelingen. Wat de relevantie voor de beoordeling van het potentiële gevaar voor de openbare orde betreft, acht de verwerende partij het niet onredelijk dat bij die beoordeling rekening wordt gehouden met, in het bijzonder, twee veroordelingen wegens het gebruik van verdovende middelen aan het stuur van een voertuig. De rechtbank was immers zelf van oordeel dat dergelijk gedrag een gevaar betekende voor andere weggebruikers. De relevantie blijkt volgens haar ook uit de omstandigheid dat verzoeker tweemaal werd veroordeeld voor gelijkaardige feiten en hij zich dus niet heeft verbeterd. De conclusie dat niet is uitgesloten dat soortgelijke incidenten zich zouden kunnen voordoen als verzoeker de schietsport beoefent is voor de verwerende partij dan ook redelijk en proportioneel.
Beoordeling
6. Een schending van het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar discretionaire bevoegdheid of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het redelijkheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de administratieve overheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen.
Het komt de Raad van State niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. Hij is in de
XIV-35.970-4/9
uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of de administratieve overheid op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot het bestreden besluit is kunnen komen.
Ter beoordeling van deze grief moet ook worden gewezen op het feit dat de bestreden beslissing is genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de wapenwet. Dit voorschrift bepaalt een georganiseerd administratief beroep bij de minister van Justitie of bij zijn gemachtigde tegen het in de voormelde bepaling opgesomde stilzitten of de opgesomde beslissingen van de gouverneur (Cf. GwH
19 december 2007, nr. 154/2007, punt B.60.1). Door de devolutieve werking van het georganiseerd beroep verwerft de beroepsinstantie op grond van deze bepaling de beslissingsmacht over de zaak zelf, op dezelfde wijze als de gouverneur.
Aangezien op grond van de artikelen 11, § 1, tweede lid, en 13, eerste lid, van de wapenwet, de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de betrokkene, de vergunning of het recht om een wapen voorhanden te hebben, kan beperken, schorsen of intrekken, indien blijkt dat dit voorhanden hebben de openbare orde kan verstoren, beschikt de minister of zijn gemachtigde aldus op grond van de devolutieve werking van het beroep over dezelfde beslissingsmacht, op dezelfde wijze als de gouverneur.
De wapenwet bepaalt niet op grond van welke criteria de gouverneur en, in administratieve aanleg, de beroepsinstantie, de mogelijke verstoring van de openbare orde moeten beoordelen. De beroepsinstantie beschikt te dezen over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid.
Geconcretiseerd op het voorliggende beroep, impliceert het voormelde redelijkheidsbeginsel dat de beroepsinstantie haar discretionaire bevoegdheid of beleidsvrijheid inzake het beoordelen of het voorhanden hebben van een wapen de openbare orde kan verstoren, binnen de perken van de redelijkheid moet gebruiken.
XIV-35.970-5/9
7. In de bestreden beslissing wordt daarover als volgt gemotiveerd:
“[…]
Op basis van bovenvernoemde elementen kan worden besloten dat er inzake uw algemene moraliteit en persoonlijkheid problemen bestaan, en dat er een terechte vrees bestaat dat het voorhanden hebben van vuurwapens in uw hoofde een gevaar voor de openbare orde en veiligheid kan inhouden.
Concreet kan worden verwezen naar het feit dat u reeds meermaals werd veroordeeld wegens het besturen van een voertuig onder invloed van stoffen die de rijvaardigheid beïnvloeden waardoor er gevaar ontstaat voor de andere weggebruikers. Het besturen van een voertuig onder invloed van verdovende middelen betreft een inbreuk op de verkeerswetgeving, welke toch voornamelijk is gericht op de vrijwaring van de openbare orde en veiligheid. Het gebruik van verdovende middelen in combinatie met het besturen van een voertuig kan ernstige gevolgen hebben en brengt mensenlevens in gevaar, zowel uw leven als dat van anderen. Het niet naleven van deze regelgeving wijst op een immorele en gevaarlijke ingesteldheid die desastreuze gevolgen kan hebben.
Ondanks het feit dat u in 2006 werd veroordeeld wegens het besturen van een voertuig onder invloed van verdovende middelen werd u in 2011 opnieuw veroordeeld omwille van gelijkaardige feiten. U heeft dus duidelijk niet de nodige lessen getrokken uit het verleden. De wijze waarop u zich in het verkeer beweegt toont aan dat u niet erg begaan bent met de openbare orde en veiligheid, en getuigt dan ook niet van een betrouwbare persoonlijkheid.
Wanneer men de verkeerswetgeving negeert en onder invloed van verdovende middelen een voertuig bestuurt, is het niet uitgesloten dat soortgelijke incidenten zich eveneens zouden voordoen als u de schietsport beoefent. Wapens zijn door hun aard en bestemming levensgevaarlijke voorwerpen die enkel toebedeeld kunnen worden aan personen die beschikken over de vereiste maturiteit en verantwoordelijkheidszin om ermee om te gaan. Uit voorgaande is voldoende gebleken dat u zich noch matuur, noch verantwoordelijk gedraagt wanneer het gaat om de vrijwaring van de openbare orde en veiligheid. Een wapenbezitter wordt geacht betrouwbaar te zijn en zich te ellen tijde verantwoordelijk te gedragen.
In uw verweerschrift werd onder meer aangehaald dat dergelijke veroordelingen niet relevant zouden zijn met betrekking tot iemands wapenbezit. Tevens heeft u gesteld geen druggebruiker te zijn.
Gezien het feit dat u reeds tweemaal werd betrapt wegens het besturen van een voertuig onder invloed van verdovende middelen terwijl de effectieve ‘pakkans’ hiertoe eerder klein te noemen is, kan worden aangenomen dat er op zijn minst twijfel bestaat omtrent uw druggebruik. Het gebruik van verdovende middelen heeft - net zoals alcohol - een negatieve invloed op de hersenen waardoor men mogelijks niet meer rationeel gaat denken of handelen. De aanwezigheid van een vuurwapen kan onder dergelijke omstandigheden wel degelijk een gevaar voor de openbare orde en veiligheid betekenen.
Op zijn minst kan worden besloten dat er twijfel bestaat omtrent uw algemene moraliteit en persoonlijkheid alsook omtrent uw druggebruik. Wanneer het echter gaat om het bezit van vuurwapens kan de aanwezigheid van twijfel niet in uw voordeel worden beslecht. De vrijwaring van de openbare orde en veiligheid primeert immers.
Conclusie:
Er zijn voldoende ernstige en concrete redenen die aantonen dat het voorhanden hebben van een vuurwapen als nadelig en gevaarlijk voor de openbare orde en
XIV-35.970-6/9
veiligheid moet worden beschouwd. Uw gedrag biedt niet de vereiste waarborgen waardoor het voorhanden hebben van een vuurwapen een gevaar kan betekenen voor anderen, voor uzelf, en voor de openbare orde en veiligheid. Dit is immers uit de feiten gebleken. U kan niet genieten van het noodzakelijk vertrouwen dat moet kunnen gesteld worden in een wapenbezitter.
[…].”
8. Uit bovenstaande motivering blijkt dat de bestreden beslissing enkel steunt op veroordelingen inzake inbreuken op de verkeerswetgeving die zijn vermeld op de kopie van verzoekers strafregister. De eerste veroordeling van 28 oktober 2002 heeft betrekking op “zware overtreding verkeerslichten - rood licht”. De tweede en de derde veroordeling op respectievelijk 13 november 2006
en 30 mei 2011 hebben betrekking op “voeren/begeleid stof die rijv. beïnvloed”. In de concrete motivering van de bestreden beslissing wordt in het bijzonder rekening gehouden met de twee veroordelingen voor het rijden onder invloed waarbij het gevaar voor de openbare orde en veiligheid enkel steunt op het feit dat verzoeker “meermaals werd veroordeeld wegens het besturen van een voertuig onder invloed van stoffen die de rijvaardigheid beïnvloeden waardoor er gevaar ontstaat voor de andere weggebruikers”. De verwerende partij wijst er daarbij op dat het besturen van een voertuig onder invloed van verdovende middelen een inbreuk is op de verkeerswetgeving “welke toch voornamelijk is gericht op de vrijwaring van de openbare orde en veiligheid”.
Los van de vraag of te dezen de feiten waarop deze veroordelingen steunen voldoende recent zijn om in rechte bij de beoordeling te mogen worden betrokken, hebben deze enkel betrekking op feiten waarvan niet wordt betwist dat ze te dezen volkomen vreemd zijn aan het wapenbezit van verzoeker. Hoewel de verwerende partij in beginsel bij de beoordeling van het gevaar dat iemands wapenbezit voor de openbare orde en veiligheid kan opleveren, mag rekening houden met feiten en gedragingen die niets te maken hebben met het wapenbezit, mag zij niettemin zonder nader en individueel onderzoek van de relevantie ervan, niet uit het louter gegeven dat een verzoeker dergelijke feiten en gedragingen heeft gepleegd, besluiten dat verzoekers wapenbezit een gevaar zou kunnen betekenen voor de openbare orde en veiligheid.
XIV-35.970-7/9
Door dit te dezen wel te doen en aan het enkele gegeven dat verzoeker deze aan het wapenbezit vreemde inbreuken op de verkeerswetgeving heeft gepleegd, de conclusies te verbinden dat verzoeker bijgevolg getuigt van een “immorele en gevaarlijke ingesteldheid die desastreuze gevolgen kan hebben” en dat er twijfel bestaat omtrent zijn algemene moraliteit en persoonlijkheid alsook omtrent zijn druggebruik zodat zijn wapenbezit aldus een gevaar kan vormen voor de openbare orde, gaat in deze omstandigheden de verwerende partij de grenzen te buiten van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid. Het enkele, hypothetische, gegeven dat “het niet [is] uitgesloten dat soortgelijke incidenten zich eveneens zouden voordoen als [verzoeker] de schietsport beoefent”, terwijl verzoeker reeds veertien jaar probleemloos zijn hobby als sportschutter beoefent, doet aan deze vaststelling geen afbreuk.
9. Het enige middel is in de aangegeven mate gegrond.
BESLISSING
1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de minister van Justitie van 24 juli 2014 inzake verzoekers beroep tegen het besluit van de provinciegouverneur van Vlaams-Brabant van 22 november 2013.
2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 400 euro.
XIV-35.970-8/9
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig oktober tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier.
De griffier De voorzitter
Johan Pas Geert Debersaques
XIV-35.970-9/9
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.576